ARCHIEF CD-RECENSIES SEPTEMBER 2004

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Teresa James & The Rhythm Tramps “Oh Yeah” - Elvis Costello & The Imposters “The Delivery Man”Chris Stuart & Backcountry “Mojave River”Those Poor Bastards “Country Bullshit” - Anne Louise Genest “Big Dream”Lacy J. Dalton “The Last Wild Place”Kenny Jacobson “Take Everything I Ever Wanted” - Jason Ringenberg “Empire Builders”Dan Zanes “Parades And Panoramas”Ray Bonneville “Roll It Down” - Th’Legendary Shack*Shakers “Believe”CC Adcock “Lafayette Marquis” - Julie Lee “Stillhouse Road”Ernie Payne “Coercion Street” - Jake Brennan & The Confidence Men “Love And Bombs”Chris Richards “Tumblers & Grit”Ross Wilson “Country & Wilson” - Rod Picott “Girl From Arkansas”Susan Cowsill “Just Believe It” - Anais Mitchell “Hymns For The Exiled”Kevn Kinney “Sun Tangled Angel Revival” - Greg Brown “In The Hills Of California”Clarence “Gatemouth” Brown “Timeless” - Split Lip Rayfield “Should Have Seen It Coming”Cowboy Jack Clement “Guess Things Happen That Way” - Jimmy Buffett “License To Chill”Fred Eaglesmith “Dusty”Lisa Hayes “Sweet Forgiveness” - Chuck Prophet “Age Of Miracles”Mark Sheehy “Rock, Paper, Jesus”The Hoyle Brothers “Back To The Door” - Charlie Robison “Good Times”Floyd Tillman “The Influence” - Buddy Miller “Universal United House Of Prayer”Chris Whitley “Weed”Kate Campbell “The Portable Kate Campbell” en “Sing Me Out”Janette & Joe Carter “Last Of Their Kind” - The Silos “When The Telephone Rings”The Nitty Gritty Dirt Band “Welcome To Woody Creek” - Greg Parker “On The Break”Tom Corbett “Cloudless Blue Sky”Lisa Loeb “The Way It Really Is” - DB Harris & His Men Of Action “Contagious Heartache”James Sasser “Southside Of Sorrow” - The Arlenes “Going To California”Cathy Rivers “Ascension” - Richard Shindell “Vuelta”Sue Foley “Change”The Crickets “The Crickets And Their Buddies” - Chip Taylor & Carrie Rodriguez “Angel Of The Morning EP”Po’ Girl “Vagabond Lullabies”Pierce Pettis “Great Big World” - Kevin Fowler “Loose, Loud & Crazy”Dan Tyler “I Hope” - Bob Rea “Black Highway”Mark Jungers & The Whistling Mules “One For The Crow”Various Artists “Modern Day Troubadours” en “The Grass Is Always Bluer”Johnny Bush “HonkyTonic” - Thomas Denver Jonsson & The September Sunrise “First In Line EP”Various Artists “Closer To The Music”

 

TERESA JAMES & THE RHYTHM TRAMPS

“Oh Yeah”

(Black & Tan Records)

(3.5) J J J J

 

Ze werd geboren en getogen in Houston, Texas, maar de jongste jaren verbleef ze in Los Angeles en van daaruit verbaasde ze vriend en vijand met de knappe CD’s “The Whole Enchilada” en “Live”, platen die haar vergelijkingen met de grote Janis Joplin en vooral ook Bonnie Raitt (Een fan! Net als bijvoorbeeld ook Levon Helm van The Band.) opleverden. En met “Oh Yeah”, haar derde, zelf geproduceerde en opnieuw in het gezelschap van The Rhythm Tramps ingeblikte album, stelt ze al diegenen die zich in het verleden tot zulke stoute uitspraken lieten verleiden andermaal volledig in het gelijk. James heeft een stem als een klok, is een uitstekende pianiste en heeft in wederhelft Terry Wilson bovendien een rechterhand die verdraaid goed weet hoe hij een prima bluesliedje op papier moet krijgen. Bij negen van de dertien hier gebrachte nummers was hij dan ook op z’n minst betrokken. Uitzonderingen zijn het funky “Come Up And See Me (Timms & Siegel), het soulvol naar New Orleans lonkende “Easy Come, Easy Go” (Gibson & Katona), het van Glen Clark en Billy Swan geleende “I Want It All” en John Martyns ballade “May You Never”. Van de Wilson-nummers bleven ons vooral de jazzy late night blues sleper “Wind Cries The Blues”, het mede door John “Rabbit” Bundricks’ subtiele B3-bijdrage volop aan tal van sixties en seventies soulklassiekers herinnerende “Just When I Thought” en het met een fraai streepje bottleneck ingeleide “When The Wind Dies Down” bij. Blanke blues en soul van zeer hoog niveau zeg maar. En die geregelde uitstapjes naar New Orleans, die maken het allemaal alleen nog maar boeiender… Samen met ondermeer Sue Foley en Susan Tedeschi mag je James dan ook zondermeer tot dé grotere bleke bluesmadammen van het moment rekenen.

www.teresajames.com

www.black-and-tan.com

www.crossroads.nl

 

 

ELVIS COSTELLO & THE IMPOSTERS

“The Delivery Man”

(Lost Highway)

(4) J J J J

 

Elvis Costello heeft het zijn fans de jongste jaren bepaald niet gemakkelijk gemaakt. Als een draaikont zonder gelijke fladderde hij dartel van het ene genre naar het andere. Klassiek, jazz, soul, country, filmmuziek,… Het leek de man hoegenaamd geen barst te kunnen schelen of zijn volgelingen nog wel mee konden of niet. Maar met “The Delivery Man”, zijn debuut voor het Lost Highway-label van Lucinda Williams, zal hij velen die aan het twijfelen gingen weer terug over de streep trekken. Dat in de buurt van Oxford, Mississippi met de Imposters (drummer Pete Thomas, keyboardgeweldenaar Steve Nieve en bassist Davey Farragher) opgenomen album bevat immers muzikale verwijzingen naar enkele van zijn beste momenten als “Blood & Chocolate”, “Imperial Bedroom” en “King Of America”. En bovendien zijn er gastbijdragen van ondermeer Lucinda Williams zelve en Emmylou Harris, die aan het geheel nog een zekere meerwaarde verlenen. Williams springt vocaal bij in de venijnige countryrocker “There’s A Story In Your Voice” en Harris geeft liefst driemaal acte de présence. Zowel in de soulvolle countrysleper “Heart Shaped Bruise”, als in de pianoballade “Nothing Clings Like Ivy” en het afsluitende “The Scarlet Tide”, een op de ukelele begeleide duetversie van het liedje dat Alison Krauss ook al bracht op de soundtrack bij de film “Cold Mountain”, bewijst ze eens te meer haar uitzonderlijke vermogen om zich aan de zijde van anderen in te leven in vreemd materiaal.

“The Delivery Man” moet het echter zeker niet alleen hebben van die in het oog springende verschijningen van anderen. Van bij de onder dreunende piano-, bas- en gitaarbijdragen van The Imposters kreunende opener “Button My Lip” is meteen duidelijk dat Costello er eindelijk weer eens echt zin in heeft. En het ingetogen (en bijzonder soulvolle) “Country Darkness” mag wat ons betreft zo langs zijn beste werk staan. En nog zo’n bijzonder intens pareltje is het met de legendarische soulproducer Jerry Ragovoy gepende “Either Side Of Town”. Opvallend trouwens hoe Costello ditmaal duidelijk opteert voor een gevarieerd aanbod waarin rockers en rustiger materiaal elkaar in evenwicht lijken te moeten houden. Naast het al genoemde “There’s A Story In Your Voice” knallen zo ook “Bedlam”, “Needle Time” en eerste single “Monkey To Man” lekker uit de boxen. Dat laatste noemt Costello zelf trouwens een verlengstuk voor “The Monkey”, een al uit 1954 stammende single van de uit New Orleans afkomstige liedjesschrijver Dave Bartholomew.

Samengevat: Elvis is back in the building! En al is het dan ook die met zijn brilletje maar, met albums als dit onder de arm mag hij alle dagen weer even langslopen.

www.elviscostello.com

www.losthighwayrecords.com

 

 

CHRIS STUART & BACKCOUNTRY

Mojave River

(Backcountry Music)

(4) J J J J

 

Regelmatige bezoekers van deze pagina’s weten dat wij al van bij z’n debuut “Angels Of Mineral Springs” een geweldige boon hebben voor Chris Stuart en z’n groep Backcountry. En terecht ook zoals zou blijken bij de fantastische opvolger van die plaat, “Saints And Strangers”. En nummer drie is opnieuw zo’n schot midden in de roos. Op “Mojave River” trekken Stuart zelf (gitaren en zang), Janet Beazley (banjo en zang), Ivan Rosenberg (resonator en clawhammer banjo) en Mason Tuttle (bas en zang) weer alle beschikbare registers volop open. Maar daar waar op andere bluegrassplaten de drang om de eigen virtuositeit in de verf te zetten nogal eens storend durft te werken, wordt hier voortdurend gemusiceerd in functie van het liedje. Geen noot teveel dus. En het eindresultaat is er ook naar!

Met uitzondering van het openingsnummer, een knappe door Beazley op de banjo voortgestuwde bluegrassversie van Townes Van Zandts “Dollar Bill Blues”, bevat “Mojave River” enkel eigen composities. En net als op “Saints And Strangers” zijn het vooral de door Stuart zelf gepende rustige – erg rootsy aandoende – nummers die hier de diepste indruk hebben nagelaten. Het door z’n heerlijke samenzang opvallende titelnummer bijvoorbeeld of het aangenaam beklemmend werkende “Sin Stealer”. En ook het hemeltergend mooie “Rider On This Train” zou bepaald niet misstaan hebben op de (in onze ogen nog altijd) perfecte voorganger van dit schijfje. Voor het muzikale tegengewicht voor Stuarts ingetogen beauties zorgen Ivan Rosenberg (met het sprankelende “Don’t Throw Mama’s Flowers Away” en de sfeervolle instrumental “Ullapool/The Sleeping Tide”) en Janet Beazley (met het met een Iers aandoende fluit ingeleide “The Jealous Crow” en het speels uitnodigende “Take Me Into Your Heart”).

Het zal straks stevig drummen worden voor een plaatsje in ons eindejaarslijstje, maar de kans dat ook dit album van Stuart en de zijnen daarin weer hoge ogen zal gooien lijkt ons op dit moment toch zeer reëel…

www.chrisstuart.com

 

 

THOSE POOR BASTARDS

“Country Bullshit”

(Lonesome Wyatt Records)

(3) J J J

 

 “Rising from the depths of misery and despair come Those Poor Bastards” prijkt er veelzeggend op het hoesje van hun debuut-EP “Country Bullshit”. En in de weirde, als een soort van intro fungerende rede “Raw & Bleeding” laat dit door Hank Williams III op handen gedragen tweetal bovendien ook nog eens weten alle commerciële rotzooi te zullen mijden als de pest. “This is country music the way it was meant to be: raw and bleeding,” luidt het daarin. De oude Williams krabt zich ergens daarboven wellicht eens achter het oor… Maar de jongste omschreef het werk van Lonesome Wyatt (zang, gitaar) en The Minister (banjo, bas, etc.) al liefdevol als “The best gothic country I have heard to this day.” Zo ver willen wij op basis van dit amper vijf tracks tellende CD’tje nog niet meteen gaan. Maar liedjes als het spookachtige “Black Dog Yodel” – stel je een Cash of een Waits voor aan de slag met die van Sixteen Horsepower – en de hypnotiserend werkende countryhybride “Pills I Took” of het op een dronken banjolijn voortwaggelende “Radio Country” (waarin de huidige commerciële country bullshit-stations een fikse veeg uit de pan meekrijgen) getuigen wel van een enorm potentieel. En liefhebbers van country noir à la Johnny Dowd, Sixteen Horsepower, Handsome Family en konsoorten doen er alleszins goed aan dit eigenzinnige duo even te checken.

www.thosepoorbastards.com

CD Baby

 

 

ANNE LOUISE GENEST

“Big Dream”

(Caribou Records)

(4) J J J J

 

 “Big Dream” is de titel van het in een productie van Bob Hamilton opgenomen zopas verschenen tweede album van de Canadese Anne Louise Genest. En op die opvolger van haar lovend onthaalde debuut “Trouble” van twee jaar geleden laat Genest opnieuw horen zowel een uitstekende zangeres als een misschien nog wel betere songsmid te zijn. In het grensgebied tussen (verhalende) country, bluegrass en blues- en roots-georiënteerde Americana mag ze zondermeer tot de interessantste artiesten van het moment worden gerekend. En ja, dan hebben we het effectief over mensen als een Mary Gauthier, een Caroline Herring, een Kate Campbell, een Julie Lee of een Chris Stuart. Luister bij gelegenheid maar eens naar het door Bob Hamilton van fraai dobrowerk voorziene “You Like Leaving”, het bijzonder sfeervolle “Paradise Road” of het enigszins bevreemdend aanvoelende “Albert Road Revisited” en je zal het snel met ons eens zijn. Wie het bovenstaande artiestenkransje wel naar waarde weet te schatten – geheel of gedeeltelijk – en Genest nog niet zou kennen, is dan ook een gouden tip rijker. Bijzonder warm aanbevolen!

www.algenest.com

www.caribourecords.com

 

 

LACY J. DALTON

“The Last Wild Place

(Song Dog Records)

(3) J J J

 

 “The Last Wild Place” markeert voor Lacy J. Dalton een terugkeer naar haar roots. De van stevige mainstream country hits als “Takin’ It Easy”, “Black Coffee” en “Crazy Love” bekende zangeres was immers in de eerste plaats ook een getalenteerde liedjesschrijfster. Maar dat aspect van haar moest in Nashville al snel wijken voor die fenomenale stem die haar later de bijnaam “Country’s Bonnie Raitt” zou opleveren. Nu ze de thuishaven van het merendeel van alle commerciële country de rug heeft toegekeerd kan Dalton echter weer volop zichzelf zijn en levert ze met “The Last Wild Place” het levende bewijs voor de stelling dat oude liefdes niet roesten. Liedjes als “Listen To The Wind”, “The Wanderers” en haar gepersonaliseerde versie van de hondvriendelijke traditional “Old Dog Blue” herbergen elementen uit zowel country, Americana als folk en herinneren her en der een beetje aan het werk van één van Lacy’s eigen jeugdheldinnen Joan Baez. Noem het maar een aangenaam weerzien…

www.lacyjdalton.com

CD Baby

 

 

KENNY JACOBSON

“Take Everything I Ever Wanted”

(Orange Loam Music)

(3.5) J J J J

 

 “Take Everything I Ever Wanted”, het tweede album van singer-songwriter Kenny Jacobson – zijn eerste was er één met college band Picture This, is een behoorlijk gevarieerde aangelegenheid geworden. Zelf heeft de man het in dat verband gevraagd naar zijn invloeden over Ryan Adams, Neil Young, Ellis Paul en… Bakersfield honky-tonk. En de elf eigen liedjes op zijn nieuwe CD laten eigenlijk nog ruimte voor een heleboel andere vergelijkingen. Nummers als het met Diana Rose gebrachte en in pedal steel gedrenkte “Licking My Wounds”, het ingetogen “Good Conversation” of het met wonderschone harmonieën van de ons totaal onbekende Coraly Serrano gezegende “Least Of All Me” laten zich nog ondubbelzinnig als melancholische alt. country omschrijven. Maar elders, zoals in “Love You More”, “What I Want, What I Need, And What I Get” of “The Others” en het door de blazers van Save Ferris bevleugelde “Hallelujah” komen respectievelijk de zingende liedjesschrijver, de countryartiest en de soulliefhebber in Jacobson meer aan bod. Een speciale vermelding tenslotte ook nog voor “Never To Die”. Dat blijkt immers een op de klassieke murder ballad-leest geschoeide lap country die het een kleine halve eeuw geleden beslist niet slecht zou hebben gedaan.

www.kennyjacobson.com

CD Baby

 

 

JASON RINGENBERG

“Empire Builders”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Dat lang niet alle Amerikanen even hoog oplopen met de door de politieke vaandeldragers van hun land gevaren koers is in het muzikale aanbod van dit jaar al meermaals duidelijk gebleken. En op zijn nieuwe CD “Empire Builders” is Jason Ringenberg de volgende om zijn onvrede te uiten. Dat album bevat meerdere niet mis te verstane bedenkingen bij het door Bush en co gevoerde beleid. In het door collega-singer-songwriter Jim Roll in een wat bizar muzikaal pak gewrongen openingsnummer “American Question” stelt hij zich de vraag:

“Are we an empire all alone

Throwing the world a rubber bone?

Or can we export dignity

Respecting those who disagree?”

Veel duidelijker kan je je grieven met betrekking tot met name de gevoerde buitenlandse politiek niet uiten, lijkt het ons. Al raak je ook met uitspraken als “We need to take their oil if they still resist” (in het zonder namen te noemen toch duidelijk voor die ene voorbestemde “New-Fashioned Imperialist”) of “Are we an empire loose and fast / Or can we find peace at last? / Is the answer here at home / Or buried in a foreign storm?” (in het in een jazzy experiment verpakte afsluitende gedicht “American Reprieve”) al een aardig eindje verder…

Het is evenwel niet al politiek wat de klok slaat hier. “Link Wray” is zo bijvoorbeeld een passend ingekleurd eerbetoon aan de gelijknamige gitaarcultheld met The Legendary Eddie Angel en Jimmy Lester van Los Straitjackets op respectievelijk gitaar en drums en met Kristi Rose en Molly Felder als 50’s getint meidenkoortje van dienst, “Rainbow Stew” biedt een eigenzinnige kijk op dat Merle Haggard-nummer, “Half The Man” is een rootsy country-loflied aan het adres van zijn vader en “Chief Joseph’s Last Dream” (over de laatste momenten van een Indiaans stamhoofd en mét mooi fingerpickwerk van de man zelf) en “Eddie Rode The Orphan Train” (een cover van een liedje van Jim Roll) zijn ingetogen singer-songwriter stuff. “Tuskegee Pride” (over een in Tuskegee als gevechtspiloot opgeleide kleurling) en “Rebel Flag In Germany” zijn aangename countryrockers, waarin het thema verdraagzaamheid op subtiele wijze aan bod komt. En “She Hung The Moon (Until I Died)” tenslotte, is gewoon een erg mooi, als ballade verpakt liefdesliedje, waarin Fats Kaplin excelleert op de steelgitaar.

Leuk is ook, dat Ringenberg in de uitleg bij een oude familiefoto op het CD-hoesje laat weten Belgische voorvaderen te hebben. Dat schept toch zoiets als een band…

www.jasonringenberg.com

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

DAN ZANES

“Parades And Panoramas”

(Festival Five Records)

(3) J J J

 

Waar is de tijd gebleven dat Dan Zanes met de goddelijke single “I Still Want You” en het bijhorende album “Boston, Mass.” als frontman van The Del Fuegos zijn eerste moment de gloire in Rootsrockland liet optekenen? Een eeuwigheid lijkt het ondertussen wel geleden… En toch is die Zanes nog altijd erg actief. De voorbije jaren zelfs ronduit hyperactief. Vorig jaar nog verscheen de collectie folky zeemansliedjes “Sea Music”. En tussen 2001 en 2003 nam hij met een stel vrienden liefst vier albums op die probeerden elk onderscheid tussen leeftijden compleet te doen vergeten. En nu is er dus “Parades And Panoramas”, waarmee Zanes “The American Songbag” (1927), één van de minder bekende werken van de Amerikaanse dichter Carl Sandburg, even in de kijker wil plaatsen. Dat doet hij aan de hand van vijfentwintig van de “280 ballads, hobo songs, spirituals, steamboat, railroad and lumberjack songs, close harmony ditties, colonial songs, love songs” die Sandburg in zijn werk verzamelde. Die krijgen van Zanes opnieuw een soort van 21ste eeuwse folkbehandeling mee. Tussen de banjo-, mandoline-, djembe-, accordeon-, tuba-, bas-, orgel-, trompet- en andere geluiden door zorgt hij er met zijn gruizige stem voor dat liedjes als “Railroad Bill”, “Wailin’ Willie” en zelfs de “Cuckoo Waltz” nooit in meligheid ontaarden. En – eerlijk is eerlijk - eigenlijk bevalt Zanes ons in zijn nieuwe hoedanigheid van langsom beter. “Parades And Panoramas” is in elk geval een aangename moderne folkplaat.

www.festivalfive.com

CD Baby

 

 

RAY BONNEVILLE

“Roll It Down”

(Red House Records / Music & Words)

(3.5) J J J J

 

“Roll It Down”, het vijfde album van de Canadees Ray Bonneville, dateert eigenlijk al van vorig jaar, maar zoals dat in Rootsland wel vaker gebeurt, werd het pas veel later opgepikt door het een nochtans uitstekende reputatie genietende folk- en singer-songwriter-georiënteerde Amerikaanse label Red House Records (in de Benelux verdeeld door Music & Words). In het gezelschap van gerenommeerde muzikanten als Richard Bell (Bonnie Raitt, The Band), Colin Linden (Bruce Cockburn, Blackie & The Rodeo Kings), Joel Zifkin (Kate & Anna McGarrigle) en Joey Spampinato (NRBBQ) beweegt Bonneville zich op dat schijfje vrijwel voortdurend in hetzelfde vaarwater als Daniel Lanois, J.J. Cale, Bob Dylan en Eric Clapton. Met Lanois deelt zijn werk dankzij collega-producers Rob Heaney en Colin Linden vooral een zekere sonische verleidingskracht. Een vergelijking met Dylans “Oh Mercy” ligt zo bijvoorbeeld regelmatig erg voor de hand. Met Cale deelt Bonneville dan weer zijn nasale stem en zijn gitaarspel. Al liggen met betrekking tot dat laatste ook Clapton en Knopfler constant op de loer. Toch is het vooral de Cale-associatie die steek lijkt te houden. Net als deze laatste kiest Bonneville immers voor een voornamelijk naar het intimistische overhellend rootsy bluesgeluid, waarin zowel folk als country ook de nodige aandacht krijgen. In zoverre zelfs, dat het ons niet zou verwonderen als een leek zijn liedjes wel eens aan Cale zou durven toe te dichten. Maar mooi is het allemaal zeker wel. Vooral het ingetogen “Oxford Town”, waarvoor de man Jonell Mosser uitnodigde voor de harmonieën, het Dylaneske “Under The Bridge”, het een beetje aan Guy Clark en Bill Chambers herinnerende “I Been A Train” en het relaxt gepickte “Walk With Me” mogen wat ons betreft ook hier alle dagen op de radio. Graag zelfs!

www.raybonneville.com

www.redhouserecords.com

www.musicwords.nl

 

 

TH’LEGENDARY SHACK*SHAKERS

“Believe”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4.5) J J J J J

 

Terwijl het vorig jaar verschenen en ronduit adembenemende “Cockadoodledon’t” hier nog altijd een beetje nazindert schudden Col. J.D. Wilkes en Th’Legendary Shack*Shakers met “Believe” onder het motto “Southern by the Grace of Goth” alweer een nieuwe moot niets of niemand ontziende innovatieve blues uit de mouw. Rock & roll, zigeunermuziek, punk, polka, blues, folk, rockabilly en country, ze vinden allemaal wel weer ergens hun draai in het eigenzinnige brouwsel dat de drie ook ditmaal weer serveren. Jason Ringenberg noemt het “The best American music being made today”. En als dat al niet het geval zou zijn, dan behoort wat Wilkes (blues harp en zang) en kompanen Mark Robertson (slap bass) en David Lee (gitaren) hier weer afleveren toch zeker tot het opwindendste wat dat continent momenteel te bieden heeft. Enkele noten van twangbeladen stampertjes als “Agony Wagon” of “Creek Cats” zullen wellicht al wel volstaan om ook jou daarvan te overtuigen. En spul als de eigenzinnige murder “ballad” “County Of Graves”, de gitzwarte blues (rock) van “Where’s The Devil… When You Need Him?”, het bezwerende (punky) “All My Life To Kill” of de gemuteerde country van “Cussin’ In Tongues” doen vervolgens de rest wel. Onweerstaanbaar gewoon! Ringenberg heeft verdorie volmondig gelijk…

www.cockadoodledont.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

CC ADCOCK

“Lafayette Marquis”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Als je jarenlang het beleg op je brood – en nog wel wat meer ook – verdiend hebt in de muzikale entourage van klappers als de legendarische Bo Diddley en Buckwheat Zydeco en bovendien knapen als David Hidalgo van Los Lobos en Doyle Bramhall II tot je persoonlijke vrienden mag rekenen, dan kan het welhaast niet anders of je bent muzikaal gezien van goeden huize. En dat is de tweeëndertig jaar oude, uit Lafayette, Louisiana afkomstige gitaarbeul CC Adcock dan ook. Charles Clinton Adcock, want zo heet de man voluit, stond al vanaf zijn veertiende op de planken en debuteerde plaatgewijs op zijn drieëntwintigste tot zowat eenieders tevredenheid voor het gereputeerde Island-label (met “CC Adcock”, zes jaar later gevolgd door “House Rocker”). Later verzorgde hij vooral muziek bij films en hield hij zich verder onledig met het produceren van andermans albums of met het zwaaien van de scepter binnen het all-star swamp-pop collectief Lil’ Band O’ Gold (“Southwest Louisiana’s answer to the Texas Tornados”).

Maar nu is er dus eindelijk ook weer eens een nieuwe plaat van de man zelf. En dat is een erg aanstekelijk geheel geworden. Adcock plukt daarop immers naar hartenlust van de vruchten van de rijk gevulde muzikale fruitboom van zijn thuisstaat. En de gumbo die zodoende ontstaat, is bijzonder smakelijk. Zydeco, cajun, swamp rock en Louisiana blues zijn met je ogen dicht te verwachten ingrediënten. Maar ook R&B, funk en lekker vuige rock & roll zijn Adcock duidelijk niet vreemd. In “Loaded Gun” rockt ie zo op zijn gitaar een aardig eindje weg, het met maatje Bramhall gepende “Love N’ Gold” heeft dan weer een klassieke soul groove en “Runaway Life” is cajun aan een rock-infuus. En dan zijn er nog “Y’All’D Think She’d Be Good To Me”, “All 4 The Betta” en “Blaksnak Bite” waarin respectievelijk Adcocks funky ego, zijn twangy kant en een Latin mood even de bovenhand nemen. Om maar te zeggen, dat het hier op elk moment werkelijk ook elke kant uit kan. En precies dat maakt van deze nieuwe van “die met zijn slangenleren boots” zo’n intrigerend schijfje. Lekker spannend! En zo zien we ze hier graag komen…

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

JULIE LEE

Stillhouse Road

(Compadre / Sonic Rendezvous)

(4.5) J J J J J

 

Met sprekend gemak één van de mooiste releases van het jaar binnen het nochtans alsmaar drukker bevolkt rakende Americana marktsegment, dit. Hoewel het strikt genomen niet echt om een geheel en al nieuwe plaat gaat, want op haar debuut voor Compadre Records herneemt Julie Lee flink wat nummers van een stel eerder in eigen beheer uitgebrachte albums (“Stones”, “Many Waters”, “Made From Scratch”). Dat kan de pret echter niet drukken, want “Stillhouse Road” groeit met de hulp van een aantal van de meest getalenteerde muzikanten in Nashville en verre omstreken als een Vince Gill, een Alison Krauss, een Colin Linden, een Rob Ickes, een Dave Pomeroy en een Tammy Rodgers uit tot een droom van een luisterplaat. Met haar prachtige stem weet Lee je keer op keer opnieuw diep te raken. Elementen uit bluegrass, country, folk, jazz en blues sijpelen op subtiele wijze in haar muziek binnen en versmelten daar tot één adembenemend mooi organisch geheel. Tekstgewijs gaat ze ondermeer dieper in op familiegerelateerde onderwerpen, raciale kwesties, de liefde en religie. En dat levert het ene hoogtepunt na het andere op. Van de hemelse, met Alison Krauss gebrachte ballade “Many Waters” over de wat aparte bluegrass van “Soapbox” of het bluesy “Sojourner Truth” tot de prachtige rootsy country van het titelnummer, het door Rob Ickes van een fraai dobrogewaad voorziene “Another You” of het devote “(Jesus) He’s My Man”, in de verste verte niet één moment van zwakte te bekennen hier. En elkeen die zo nu en dan wel eens iets van Alison Krauss, Iris Dement of Nanci Griffith tot zich neemt zal dit dan ook voor geen geld ter wereld willen missen.

www.julielee.org

www.compadrerecords.com

www.sonic.nl

 

 

ERNIE PAYNE

Coercion Street

(Black & Tan Records)

(4) J J J J

 

Wie in zijn CD-collectie een speciaal plaatsje voorzien heeft voor John Hiatts “Crossing Muddy Waters” en de jongste van JW Roy, die kan het volgende eigenlijk gewoon overslaan. Gewoon even snel naar de platenboer over en weer lopen en er je blind “Coercion Street”, het debuut van de zwarte Amerikaanse singer-songwriter Ernie Payne, aanschaffen, da’s dan dan de boodschap. Net als genoemde heren op die bewuste albums grossiert Payne op zijn eersteling immers voornamelijk in rustige, enigszins bluesgetinte nummers. En bovendien is er ook een zekere niet te ontkennen stemgelijkenis met de twee. Voeg daar aan toe een tot het absoluut essentiële herleide instrumentatie – met een opvallende rol voor respectievelijk gitaren, mandoline en dobro – en een vlekkeloze productie en je houdt over een dot van een Americana-album, waarvan dankzij subtiele hints naar het deltabluesgenre een ongelooflijke warmte afstraalt. Een absolute aanrader!

www.black-and-tan.com

CD Baby

 

 

JAKE BRENNAN & THE CONFIDENCE MEN

“Love And Bombs”

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4.5) J J J J J

 

Elk kalenderjaar heeft voor de muziekliefhebber-in-hart-en-nieren wel zo z’n muzikale surprises in petto. En 2004 vormt wat dat betreft gelukkig absoluut geen uitzondering. Nels Andrews, Justin Rutledge, Thomas Denver Jonsson, Matt Bauer, Dawn Kinnard,… Ga er maar aan staan… We zijn dit jaar allerminst slecht bedeeld geworden. En al zeker niet als je ook nog even “Love And Bombs”, het spetterende solodebuut van de voorheen in het hardcore collectief Cast Iron Hike actieve Jake Brennan, in rekening brengt. Met The Confidence Men fietst die Brennan op z’n eersteling voortdurend heen en weer tussen Americana, pop en recht-toe-recht-aan rock, daarbij terloops tegelijkertijd van de wel bijzonder lekkere walletjes van zowel Paul Westerberg, Tom Petty, als Elvis Costello snoepend en er bij wijze van toetje nog een gezonde dosis Clash bij nemend. In een productie van de stilaan legendarische Paul Q. Kolderie (Morphine, Uncle Tupelo, Radiohead, Pixies, Hole e.v.a.) laat hij liedjes als het door de sprankelende mandoline van Jimmy Ryan (Blood Oranges, Catie Curtis) ingeleide rootspop-oorwurmpje “Believe Me”, het als duet opgevatte Americanajuweel “Two Of A Kind”, het ingetogen twangende “Sarah’s Got A New Favorite Song”, het wel heel erg naar Costello overhellende (en diens cynisme delende) “She’s Got Everything And You Got Me” en stomende rootsrockertjes als “Annie May”, “Shake ‘Em On Down” of Moe Bandy’s “It Was Always So Easy (To Find An Unhappy Woman Until I Started Looking For Mine)” uitgroeien tot materiaal waar je al na één beluistering niet meer zonder wil. Correctie: niet meer zonder kan! En dan durven wij al wel eens te gewagen van een echte superplaat!

(p.s.: Voor snelle beslissers is er nog meer goed nieuws, want bij de eerste persing van dit schijfje zit immers bij wijze van verrassing de aan de man en zijn werk gewijde DVD “Singer-Songriot”.)

www.confidencemen.com

www.yeproc.com

www.sonic.nl

 

 

CHRIS RICHARDS

“Tumblers & Grit”

(Lake Effect Records)

(3.5) J J J J

 

In de afdeling “Ook in Nashville gebeuren zo nu en dan best nog wel eens aardige dingen…” scoort “Tumblers & Grit”, de tweede CD van de jonge Chris Richards erg hoog. Neem nu zo’n ingetogen Americanapareltje als “Bells Of Odilia”, zo’n prachtliedje alleen al verdient het eigenlijk om deze CD onverwijld een kans te gunnen. Maar gelukkig is er nog meer, veel meer zelfs… Onder de vakbekwame productionele leiding van R.S. Field (John Prine, Billy Joe Shaver, Buddy Guy e.v.a.) en met klassemuzikanten als Old Crow Medicine Show-fiddler Ketch Secor, pedal steel- en dobrovirtuoos Lloyd Green, keyboard- en accordeontovenaar Steve Conn en gitaarwonder Kenny Vaughan voortdurend te zijner beschikking mag Richards elf nummers lang bewijzen uit het goede singer-songwriterhout gesneden te zijn. “To Sing The Blues” en “Jam The Breeze” – een reprise van het titelnummer van zijn eerste CD - presenteert hij zo als bijzonder radiovriendelijke rootsy country, “Crazy Too” en “Hang On To The Moon” zijn wonderschone ballads, “Nashville Gas” en “Honkytonk Graveyard” levendige odes aan het adres van “real country” en “One Foot met z’n typische gypsy feel, “Hearts Like These”, een duet met Dawn McCoy”, en het al eerder aangesproken “Bells Of Odilia” werkelijk oorstrelend mooie Americana. File under country staat er dan wel, maar dat moet je dus vooral niet al té letterlijk opvatten…

www.chrisrichards.com

Miles Of Music

 

 

ROSS WILSON

“Country & Wilson”

(Sound Vault Records)

(3.5) J J J J

 

 “Country & Wilson”, de titel van Ross Wilsons jongste CD, mag dan al een weinig misleidend zijn, ons zal je verder over dit even aanstekelijke als gevarieerde schijfje allerminst horen mopperen. Dit jaar staat de OZ precies veertig jaar in het vak, maar hij klinkt hier frisser dan ooit. In een coproductie met Nash Chambers – broer van Kasey, zoon van Bill, ja – waagt hij zich aan een behoorlijk uiteenlopende reeks van roots-georiënteerde stijlen. En als er al één ding is wat daarbij nog maar eens overduidelijk blijkt, dan is het wel dat het ex-Daddy Cool en –Mondo Rock-kopstuk nog altijd een fantastische song in de vingers heeft. Van de Americana soul à la Nick Lowe van het samen met zijn landgenoot Paul Kelly gepende “It Matters To Me” over de twangy roots pop van “Under The Waves (And Far Away)” of de rockabilly van het toepasselijk getitelde – op een onbewaakt moment uit de locker van Jerry Lee Lewis gerolde – “Rockabilly Women” tot de Cash-Down-Under-Country van “(I Was On) MTV In The 80s”, een prachtig - met de tong diep in de wang geplant gebracht - ouderwets krakend eerbetoon aan de peetvader van de Australische country scene “slimdusty.com” en een doorleefde versie van Hank Williams’ “The Angel Of Death”, je krijgt hier hoegenaamd geen seconde de tijd om je te vervelen. Een grote meneer, die Ross Wilson…

(p.s.: Ondertussen werkt Wilson alweer aan een nieuwe plaat. De opvolger voor “Country & Wilson” wordt een volledig akoestische aangelegenheid. Iets om naar uit te kijken, als je ’t ons vraagt.)

www.rosswilson.com.au

CD Baby

 

 

ROD PICOTT

“Girl From Arkansas

(Welding Rod / Lucky Dice)

(4) J J J J

 

Que c’est beau l’amour! Voor zolang als het allemaal duurt natuurlijk… Dat mocht onlangs ook muzikale vriend des huizes Rod Picott aan den lijve ondervinden. De man, die zich met zijn fantastische debuutplaat “Tiger Tom Dixon’s Blues” en de al even knappe opvolger daarvan “Stray Dogs” net als zijn maatje Slaid Cleaves terecht in de kijker van een hele schare rootsmuziekliefhebbers in de Lage Landen wist op te werken, zag onlangs zijn relatie met zijn vriendin en labelpartner Alicia Bequette op de klippen lopen. En dat vertaalt zich bijna als vanzelfsprekend ook naar de songs op zijn derde CD “Girl From Arkansas”. Waar Picott op zijn vorige in mooie liedjes als “Angels And Acrobats” de liefde nog als muze bezigde, overheerst ditmaal een gevoel van melancholie. Wat we krijgen is Picott van zijn meest kwetsbare kant. Hij lijdt en dat steekt hij bepaald niet onder stoelen of banken. Even de titels van de ten gehore gebrachte nummers overlopen spreekt wat dat betreft al boekdelen: “No Love In This Town”, “That’s Where My Baby Lives”, “Girl From Arkansas”, “Gone”, “Last Goodbye”, ze wijzen allemaal in één en dezelfde richting… Dat laatste nummer schreef Picott overigens nog met zijn ex-vriendin. En daarmee is het één van de drie co-writes op “Girl From Arkansas”. Verder stoten we ondermeer ook nog op “Wrecking Ball”, het allereerste nummer dat hij ooit samen met Slaid Cleaves schreef en dat ook al terug te vinden was op diens prachtige, in 1997 verschenen CD “No Angel Knows”.

Het gaat er op “Girl From Arkansas” dus al bij al een flink stuk ingetogener aan toe als op Picotts eerste twee platen. Dat neemt echter niet weg, dat de man met dit onder de hoede van producer David Henry (Cowboy Junkies, Guster) grotendeels gewoon live in de studio opgenomen schijfje opnieuw een kanjer van een album heeft afgeleverd. Zo eentje van het type dat je bij elke beluistering weer een beetje meer gaat inpalmen. En wie op de voorgangers ervan net als ons precies voor de wat introvertere nummers viel, waarin Picotts schuurpapieren stem het best tot uiting kwam, die zal ook met dit - zijn hattrick vol makende - geheel zijn pret niet op kunnen. Picott profileert zich daarop immers eens te meer als één van dé grote aanstormende singer-songwritertalenten in Rootsland. Warm aanbevolen derhalve ook!

www.rodpicott.com

www.luckydicemusic.com

 

 

SUSAN COWSILL

“Just Believe It”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3.5) J J J J

 

Wat oudere jongeren onder ons zullen zich Susan Cowsill vooral herinneren als het zingende tamboerijnwondertje dat met The Cowsills in de jaren zestig grote hits scoorde met liedjes als “Hair”, “The Rain, The Park And Other Things (Flower Girl)” en “We Can Fly”. Anderen zullen dan weer met plezier terugdenken aan haar vocale rol in de schaduw van acts als Dwight Twilley, Jules Shear en The Smithereens in de jaren tachtig. Maar in Americanakringen verdankt ze haar bekendheid toch vooral aan haar aandeel naast ondermeer Peter Holsapple en ex-Bangle Vicky Peterson in de “supergroep” The Continental Drifters.

Als de logica gerespecteerd wordt, zal bij haar volgende release evenwel niemand nog naar dat roemruchte verleden verwijzen, maar gewoon naar haar knappe solodebuut “Just Believe It”. Op die plaat weet Cowsill (zang, gitaren, tamboerijn, piano en triangel) zich geruggesteund door haar wederhelft en ex-Continental Drifter Russ Broussard (drums, percussie, gitaar en zang), Rob Savoy (The Bluerunners, Thousand Dollar Car, Cowboy Mouth / bassen, glockenspiel en zang) en Chris Knotts (Flatware / gitaren, piano, glockenspiel, strumstick en zang). En ze laat er zich stilistisch gezien niet al teveel beperkingen op opleggen. Melancholisch sixties georiënteerd spul (“Wavona Morning”, “Wavona Night” en “Gazebo”), van rinkelende gitaren en mandolines stralende rootspop (“Palm Of My Hand” - met een cameo voor Counting Crows’ Adam Duritz en in een wat rechtvaardigere wereld een geheide hit - en “Just Believe It”), naar Americana neigend midtempo materiaal (“Christmas Time”), power pop (“I Know You Now (Love)” en het strijdvaardige “Talkin’”), New Orleansiana (het deels in het Frans, deels in het Engels gebrachte miniatuurtje “Wavona Afternoon”), een prachtballade (“Nanny’s Song” – met wat vocale bijstand van Lucinda Williams), een Sandy Denny-cover (het breekbare, haar werkelijk op de stem gegoten “Who Knows Where The Time Goes”), een night-time piano-instrumental (“Wavona Twilight”), bezwerende folkrock (“Crazy”) of gewoon rock tout court (“White Light Of Winter”), met haar kristalheldere stem lijkt Cowsill echt alles aan te kunnen. En wat bijdehantere radiojongens zullen hier mits wat geduld dan ook vast wel wat hitgevoelig materiaal op weten te scoren. Een zoveelste carrière lonkt dan ook voor Susan Cowsill…

Susan Cowsill

www.bluerose-records.com

www.sonic.nl

 

 

ANAIS MITCHELL

“Hymns For The Exiled”

(Waterbug Records)

(4.5) J J J J J

 

Om maar meteen klare taal te spreken: Anais Mitchell d’r tweede CD “Hymns For The Exiled” is één van de sterkste folk georiënteerde albums van de laatste jaren. Overrompelend in al zijn eenvoud en dus des te doeltreffender. Al van bij het openingsnummer is meteen duidelijk dat deze artieste iets te vertellen heeft. De teksten zijn zowel persoonlijk als politiek getint, maar beslist niet op een opdringerige wijze. Eerder relativerend, maar ook poëtisch en integer. (De teksten zijn voor de liefhebbers daarvan trouwens beschikbaar op haar homepage.)

Gepassioneerd is de juiste omschrijving voor deze bijzondere muziek, waarvan de oorsprong bij de singer-songwriters uit de zestiger en zeventiger jaren ligt. Zonder daarbij echter te vervallen in kopieerwerk, het is immers allemaal zondermeer eigentijds te noemen. De spaarzame instrumentatie, de structuur van de songs en haar zang vloeien boeiend ineen, geen geforceerde toeren hier. Alles is gewoon zeer spannend en puur.

Haar biografie leert ons dat Mitchell afkomstig is uit de Amerikaanse staat New England, in het verleden ook al de ideale voedingsbodem voor vele anderen binnen het folkgenre. In Vermont studeerde ze vreemde talen en politieke wetenschappen. Daarnaast ontwikkelde ze er ook haar gedrevenheid voor de muziek verder in de praktijk. Haar debuut-CD werd gemaakt tijdens een over zes maanden uitgesmeerd verblijf in Texas. Op het gerenommeerde “Kerrville Folk Festival” won ze aansluitend in 2003 de “New Folk Award”. Het krachtige vervolg op die eersteling staat als een huis. Een grote belofte voor de toekomst heeft zich geopenbaard.

www.anaismitchell.com

www.waterbug.com/mitchell.html

 

 

KEVN KINNEY

“Sun Tangled Angel Revival”

(Compadre / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Voor onze eerste kennismaking met singer-songwriter Kevn Kinney moeten we al een aardig eindje terug in de tijd. Naar 1988 meer bepaald, toen hij met zijn groep Drivin’ n’ Cryin’ de opvolger van hun debuut “Scarred But Smarter” afleverde voor Island Records. Met dat album, “Whisper Tames The Lion”, en de opvolgers ervan, “Mystery Road” uit ’89 en met name ook “Fly Me Courageous” uit ’91, wist hij ook toen al in (rockkringen) in de Lage Landen van zich te doen spreken. En ook zijn eerste twee soloplaten “MacDougal Blues” en Down Out Law” waren van die aard dat Kinney hier door de jaren heen altijd een streepje voor is blijven behouden. Terecht overigens, zoals ook het in 2000 verschenen “The Flower And The Knife” – een persoonlijk favorietje van Ctrl. Alt. Country – en het van twee jaar geleden daterende “Broken Hearts And Auto Parts” aantoonden.

En nu is er dus “Kevn Kinney’s Sun Tangled Angel Revival”. En daarover kunnen we eigenlijk heel kort zijn: dat is gewoon een ijzersterke plaat! Met Bryan J. Howard (Slackdaddy) op de bas, Dave V. Johnson (Drivin’ n’ Cryin’) achter het drumstel, Gibb Droll (Gib Droll Band) op de gitaar en met ook ander schoon volk als Dave Schools van Widespread Panic, Adam Muzik van Southern Bitch en Edwin McCain ten gepaste tijde binnen handbereik illustreert Kinney op dat album zijn veelzijdigheid, zowel als zanger als als liedjesschrijver. Van de beheerste, qua intensiteit een weinig aan Neil Young verwante gitaarrock van “(Welcome To The) Sun Tangled Angel Revival” over het op een zalig orgelbedje wegronkende “Fly Your Flag High” – met een hoofdrol voor die lekker hese scheur van ‘m – of het met een flard “Viva Las Vegas” versierde countryfolkdeuntje “In The Land Of Plenty” tot ingetogen, bijzonder soulvolle singer-songwriter stuff als “Everything’s So Different Now” of de vette recht-toe-recht-aan rock van “Baby I Just Wanna Go Home”, het gaat er weer allemaal in als zoete koek. En al zeker het door de licht psychedelisch gekleurde instrumental “The Great North Myrtle Beach Pan Cake Massacre” ingeleide, een beetje aan de bluesy rock escapades van Lenny Kravitz herinnerende “Madman Blues” en het zijn charmes voor een flink stuk aan zijn steelbegeleiding ontlenende countryfolkliedjes “This Train Don’t Stop At The Millworks Anymore”, dat zijn wat ons betreft immers de onbetwiste hoogtepunten op een sowieso al erg knap geheel.

www.kevnkinney.com

www.compadrerecords.com

www.sonic.nl

 

 

GREG BROWN

“In The Hills Of California

(Red House Records / Music & Words)

(3.5) J J J J

 

 “In The Hills Of California” is een mooie, tweeëndertig tracks tellende dubbele bloemlezing uit de door Greg Brown tussen 1997 en 2003 op het jaarlijks weerkerende Kate Wolf Music Festival verzorgde optredens. Ruim tweeënhalf uur lang is het daarop weer genieten geblazen van de warme, donkerbruine stem van de stilaan tot een levende folklegende uitgegroeide zingende en liedjes schrijvende wederhelft van Iris Dement. In het gezelschap van gerespecteerde collega’s als Nina Gerber, Garnet Rogers, Pete Heitzman, Karen Savoca, Bill Griffin, Dave Moore en Shawn Colvin presenteert Brown eigen pareltjes als “Lullaby”, “Mose Allison Played Here”, “Rexroth’s Daughter”, “Your Town Now” en “Where Is Maria” naast covers van ondermeer “Don’t Let Me Down” van Lennon & McCartney, “Tequila And Me” van Kate Wolf, “You Really Got A Hold On Me” van Smokey Robinson en de traditional “I Shall Not Be Moved”. Voor de fans is het leuk om weten, dat negen van de liedjes hier voor het eerst in een uitvoering van de man verschijnen. En dat de opbrengsten van het album naar een goed doel – het Jugulbandi (Music And Arts As Education) Program – gaan, is ook mooi meegenomen. Redenen genoeg voorhanden dus om ook dit Brown-project snel weer aan je hart te drukken. Wij maken ons alvast sterk, dat je ‘t je op de er stilaan weer aankomende koude winteravonden niet zal beklagen, want dit is uitgelezen gezelschap.

www.gregbrown.org

www.redhouserecords.com

www.musicwords.nl

 

 

CLARENCE “GATEMOUTH” BROWN

“Timeless”

(Hightone / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

Al meer dan vijftig jaar lang draait Clarence “Gatemouth” Brown mee op de grote bonte mallemolen die blues heet. Sinds zijn debuut in 1947 geldt hij als één van de belangrijkste vernieuwers op het vlak van de elektrische gitaarblues. Een reputatie die hij voor een groot stuk te danken heeft aan zijn eclectische ingesteldheid. Blues, jazz, country, bluegrass, cajun, R&B, funk, calypso en aanverwanten, je vindt ze in zijn omvangrijke repertoire allemaal wel ergens terug.

En ook zijn jongste worp voor het Hightone-label is zo’n smeltkroes van stijlen: van lui achterover leunende jazzy instrumentals als “Soft Wind” of Duke Ellingtons “Satin Doll” over door blazers gedragen funky soul (Joe Zawinuls “Mercy, Mercy, Mercy”, soulvol gecroonde country (“Tennessee Blues”), jump (het bezadigde “Jumpin’ The Blues”), slome bluesslepers (“For Now So Long” en het ellenlang uitgesponnen “The Drifter”), een wulpse fiddle country instrumental (“Six Levels Below Plant Life”), honky-tonk met een bluesy randje (“Dark End Of The Hallway”) tot een zonder-woorden-uitvoering van de Righteous Brothers-hit “Unchained Melody”.

Toch blijkt de titel van de plaat al bij al wat te hoog gegrepen. Goed is het allemaal wel, daar niet van, maar tijdloos, da’s toch nog net even iets anders… Het zou overigens best wel eens Browns laatste album kunnen zijn. Bij de man werd immers onlangs longkanker geconstateerd. En dat belooft dus niet al te veel goeds…

www.gatemouth.com

www.hightone.com

www.sonic.nl

 

 

SPLIT LIP RAYFIELD

“Should Have Seen It Coming”

(Bloodshot / Bertus)

(4) J J J J

 

Al sinds 1996 bezorgen Kirk Rundstrom en zijn kompanen van Split Lip Rayfield het voorheen nogal eens als wat oubollig bestempelde bluegrassgenre met enige regelmaat een adrenalinestoot van jewelste. Met hun op hol geslagen benadering ervan maakte het viertal uit Wichita, Kansas vrijwel onmiddellijk furore in wat alternatiever en avontuurlijker ingestelde countrykringen en ver daarbuiten. En een hele horde enigszins gelijkgestemde geesten (Hackensaw Boys, Old Crow Medicine Show, Hayseed Dixie, om er zomaar voor de vuist weg enkele te noemen…) zou dan ook snel in hun voetsporen treden. Gevolg: Split Lip Rayfield is ondertussen niet langer echt een buitenbeentje meer.

Jeff Eaton blijft dat echter wel. Van in het begin was hij het die met zijn zelf gefabriceerde gas tank bass telkens weer in de kijker liep. Op dat zonderlinge snaarinstrument bepaalde hij de door zijn copains aan te houden maat. Kirk Rundstrom van zijn kant nam het gitaarwerk voor zijn rekening, Eric Mardis geselde als een bezetene de banjo en Wayne Gottstine riskeerde tot herhalens toe de toppen van zijn vingers bij het aan een verschroeiend tempo bewerken van de mandolinesnaren. Het resulteerde tot op heden in vier albums - drie studio, één live – vol okselfrisse punkgrass. En dat is op hun nieuwste, “Should Have Seen It Coming”, niet anders. Al hoor je wel dat de heren stilaan een dagje ouder aan het worden zijn. Ondanks vertrouwd klinkende wervelwinden van liedjes als “Lonely Man Blues”, “Truth & Lies” en titelnummer “Should Have Seen It Coming” komt het geheel toch wat bezadigder over als in het verleden. Nummers als “Don’t Believe That You’re Someone”, “Honestly” en “Used To Be” zijn gewoon heel knappe rustige rootsy Americana en instant-meezingers als “”Down South Sally” of “Hundred Dollar Bill” zullen ondanks het nog steeds voorhanden zijnde scherpe randje ook oudere, wat meer traditiegebonden bluegrassliefhebbers niet langer voor de borst stoten. Split Lip Rayfield lijkt dan ook klaar voor een doorbraak op wat grotere schaal. En wat ons betreft beschikt men met de prachtig in harmonie gebrachte afsluiter “Just Like A Gillian Welch Song” alvast over het ideale breekijzer om elke tot dusverre gesloten blijvende radiodeur terstond te forceren. Feestelijk schijfje gewoon!

www.splitliprayfield.com

www.bloodshotrecords.com

www.bertus.nl

 

 

COWBOY JACK CLEMENT

“Guess Things Happen That Way”

(Dualtone / Bertus)

(4) J J J J

 

Met “Guess Things Happen That Way” waagt gerenommeerd liedjesschrijver-producer Cowboy Jack Clement zich voor het eerst sinds 1978 – toen zijn “All I Want To Do In Life” bij Elektra / Asylum verscheen - ook weer eens aan een eigen nieuwe plaat. Pas zijn tweede overigens. En dat mag toch wel enige verbazing wekken… De man, die in 1956 door Sam Phillips werd ingehuurd om als zijn rechterhand te fungeren bij het legendarische Sun Records en op die manier betrokken was bij uit die tijd stammende spraakmakende opnames van Charlie Rich, Roy Orbison, Jerry Lee Lewis en de jonge Johnny Cash, en later ondermeer ook zwarte cowboy Charley Pride, John Hartford, Townes Van Zandt, Waylon Jennings, Doc Watson en U2 – op “Rattle And Hum” was dat – produceerde, klinkt op die onverwachte nieuwe worp zeer ontspannen. In tegenstelling tot wat je zou mogen verwachten, hoor je echt nergens aan, dat hij met die plaat letterlijk vijfentwintig jaar bezig geweest is. Het klinkt allemaal af, dat zeker, maar nergens geforceerd. En dat hangt wellicht voor een groot stuk samen met het gebrachte materiaal, dat voornamelijk uit eigen liedjes bestaat. Enkel een verrassende (soulvolle) country(rock)lezing van “No Expectations” van de Stones, de door Peck Chandler gepende C&W van “There Ain’t A Tune”, een bijzonder liefdevolle omarming van Allen Reynolds’ “Dreaming My Dreams With You” en de feestelijke afsluiter “Off To Join The World” van de hand van Shawn Camp en Mark D. Sanders vormen wat dat betreft uitzonderingen.

Uiteraard zullen verder ook de betrokken muzikanten wel zo hun belang hebben gehad. Even diep ademhalen daarvoor… The Jordanaires, Shawn Camp, Ronnie McCoury, Tim O’Brien, Joey Miskulin, Billy Burnette, Matraca Berg, Pat McLaughlin, Hank Singer, Mark Howard en wijlen Johnny Cash, om er zomaar een stel uit te pikken… Laatstgenoemde steekt een handje toe in het zomers zwoele titelnummer en in het door Clement geschreven “Ballad Of A Teenage Queen”, dat hij zelf ook al opnam.

Samengevat: sterke songs, een voorbeeldige instrumentale invulling daarvan, een puike productie - Of wat had je gedacht! - en een aantrekkelijke gebronsde stem – meer moet dat absoluut niet zijn! Country op z’n mooist!

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

JIMMY BUFFETT

“License To Chill”

(Mailboat Records / Bertus)

(3) J J J

 

Wel duizend en één redenen laten zich bedenken om Jimmy Buffett hartsgrondig te haten en er met een wijde boog omheen te gaan op deze pagina’s. En het feit dat hij de jongste jaren wat al té nadrukkelijk naar chart succes gehengeld heeft door in Nashville grote namen voor een cameo op zijn platen te rekruteren is daarvan zeker niet de minste. Om nog maar te zwijgen van zijn overdreven tekstuele voorliefde voor zonovergoten stranden bij valavond met de obligate margarita binnen handbereik. En toch slaagt de man er op de één of andere manier telkens weer in om ons ook enigszins te bekoren. Niet dat we ons nu meteen tot de Parrotheads – zijn hondstrouwe fanschare – rekenen, maar toch. Op elke Buffett-plaat staan er minstens een handvol liedjes die illustreren welk een uitstekende songwriter hij wel is. En dat is op “License To Chill”, zijn jongste, niet anders. Op dat door Michael Utley en Mac McAnally geproduceerde album werkt Buffett zich omringd door Nashville-coryfeeën als Clint Black, Kenny Chesney, Alan Jackson, Toby Keith, George Strait en Martina McBride en ander schoon volk als Bill Withers en Nanci Griffith doorheen een stel eigen liedjes en covers van nummers van Hank Williams, Jerry Garcia, John Hiatt en Guy Clark. Met name het aan het omvangrijke oeuvre van deze laatste ontleende “Boats To Build” (gebracht met Alan Jackson), het geinige zomerse niemendalletje “Simply Complicated”, het met mooizinger George Strait uitgevoerde “Sea Of Heartbreak”, het naar Buffetts normen erg rootsy “Coastal Confessions” (met een opvallende instrumentale hoofdrol voor gitarist Sonny Landreth) en de mooie ballad “Someone I Used To Love” (met Nanci Griffith) zijn het die ditmaal de balans een weinig naar de positieve kant doen overhellen. Andere nummers als het met de hier in onmin gevallen country-nationalist Toby Keith gezongen “Piece Of Work” of het samen met de heren-hitmachines Chesney, Black, Jackson, Strait en (weer) Keith vertolkte “Hey Good Lookin’” had Buffett wat ons betreft rustig achterwege mogen laten.

Een wat gespleten mening is dus wat we hier aan overhouden. Maar dat heeft de Amerikaanse platenkopende menigte er alvast niet van weerhouden om Buffett aan de nummer één-stek in de country charts te helpen. Hij heeft dus uiteindelijk gekregen waar hij om vroeg…

www.margaritaville.com

www.mailboatrecords.com

 

 

FRED EAGLESMITH

“Dusty”

(A Major Label / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Benieuwd hoe zijn devote fans, de zogeheten Fredheads, hierop zullen reageren, want dit is bepaald niet langer de Fred Eaglesmith die we de voorbije jaren zo enorm hebben leren waarderen. Zijn Nederlandse verdeler sprak vooraf in verband met Fredjes nieuwste zelfs van zijn “love album”. En als je louter op de ervan afstralende sfeer afgaat, zit daar wel iets in. Maar dan mag je vooral niet naar de teksten luisteren…

Het door Scott Merritt geproduceerde en bij momenten overvloedig in de strijkers badende “Dusty” is een album van het kaliber zoals je dat eerder van iemand als Bruce Springsteen zou verwachten. Overwegend ingetogen liedjes cirkelend rond Freds rasperige stem en zijn als vanouds erg mooie, maar voor de gelegenheid wel erg desperaat aandoende teksten. “I 75” is er zo bijvoorbeeld eentje. Een poëtische benadering van het vaak ellendig eenzame leven op de baan. En ook het op een zee van wanhoop ronddobberende “Ship” – met fraai aangepast toetsenwerk van Merritt – staat voor de songwriter Eaglesmith op zijn allerbest.

Toch is het allemaal wel even wennen. Glockenspiel, samples, Wurlitzer-Spielereien, … Geef toe, dat het allemaal dingen zijn die je nu niet meteen associeert met een album van de Canadese alt. country rocker. En bij een eerste beluistering was het toch wel even slikken om te moeten vaststellen dat echt snedige stuff hier totaal ontbreekt. Maar die aanvankelijke (lichte) ontgoocheling maakte al vrij snel plaats voor een diep gevoel van sympathie. Liedjes als het als een soort van border song opgevatte “Carne Del Toro” of het zeer nadrukkelijk naar Springsteen ten tijde van het klassieke “Nebraska” verwijzende tweetal “Codeine” en “Wichita” maken van “Dusty” immers zo’n typisch groeiplaatje. En zijn dat op termijn niet juist de leukste?

www.fredeaglesmith.com

www.sonic.nl

 

 

LISA HAYES

“Sweet Forgiveness”

(Gracye Records)

(3.5) J J J J

 

In februari van dit jaar bespraken we hier de CD “Where Angels Fear To Go” van Lisa Hayes. Ondertussen nam ze dat album uit de handel, omdat er onder de noemer “Sweet Forgiveness” een nieuwe versie van verscheen. Vijf van de liedjes werden geremasterd, vier ervan kregen een likje pedal steel, pianobijdragen werden verwijderd en Will Sexton verzorgde op enkele nummers nieuwe backings. En ook aan de volgorde van de liedjes werd wat gesleuteld. Dit is bij wijze van opfrissertje wat we enkele maanden geleden over Hayes en haar muziek wisten te vertellen:

 

“Er zijn zo van die artiesten die eigenlijk gewoon nog net onder de noemer country vallen, maar die desondanks toch ook aanslaan bij een wat alternatiever ingesteld luisterpubliek. Men denke bijvoorbeeld maar aan een Allison Moorer, een Shelby Lynne of een Lari White. Of voortaan ook aan de uit Oregon afkomstige, maar dezer dagen een stekje in Austin betrekkende debutante Lisa Hayes. Zij blikte met het veelbelovende groepje The Violets voor Straightline Records, een filiaal van Atlantic, ooit wel de CD “Sun” in, maar dat album kreeg nooit een echte kans doordat het sublabel op de fles ging net toen het er voor de groep ging om spannen. Het gevolg was wel, dat de Violets splitten en Hayes er dus voortaan alleen voor stond. In alle rust schreef ze dan maar een dertigtal songs bij elkaar en tien stuks daarvan vinden we nu terug op haar in eigen beheer uitgebrachte solodebuut “Where Angels Fear To Go”.

Op deze door David Kitay (vooral bekend om zijn werk met David Baerwald) geproduceerde CD word je vooral omver geblazen door de geweldige stem van Hayes, die ons bij momenten daadwerkelijk deed denken aan de eerder al vernoemde Allison Moorer – ongemeen krachtig en soulvol komt ze hier voortdurend uit de hoek en trekt ze alle liedjes naar zich toe. Daarbij gaat het om country die zich alleszins grotendeels als mainstream laat omschrijven, maar die door het gebezigde instrumentarium toch ook net dat ietsje meer te bieden heeft, dan wat men ons vanuit Nashville steevast voorschotelt. Lap steel, banjo, mandoline, accordeon, fiddle – hier kan het nog allemaal. En wat meer is, het zijn kanjers als Michael Thompson en Al Garth (beiden uit de entourage van de Eagles), producer Kitay, Don Heffington en Chuck Bramlet die er mee zorg voor dragen dat alles hier op zijn pootjes valt, waardoor “Where Angels Fear To Go” kan uitgroeien tot een bijzonder aangenaam wegluisterende plaat, waarop de absolute uitschieters het titelnummer, “Real Thang” en het afsluitende “Sweet Forgiveness” zijn. Drie lappen soulvolle (alt.?)country die alleen al de aanschaf van dit album rechtvaardigen.”

www.lisahayesmusic.com

http://www.cdbaby.com/cd/lisahayes

 

 

CHUCK PROPHET

“Age Of Miracles”

(New West / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

Moeilijke opgave leek het vooraf voor ex-Green On Red-gitarist Chuck Prophet om voor z’n chef d’oeuvre “No Other Love” een opvolger klaar te stomen. Dat was immers één van dé absolute hoogtepunten van 2002 geweest. Maar met “Age Of Miracles” klaart de man de klus met brio. Dat nieuwe album blijkt een net zo gevarieerde en even intrigerende muzikale ontdekkingsreis als die zo fel gesmaakte voorganger. Openingsnummer “Automatic Blues” staat zijn titel getrouw voor een stevige lap funky grootstadsblues met opvallende hoofdrollen voor het koperwerk van Ralph Carney en de gitaar van de meester zelve. Titeltrack “Age Of Miracles” is op zijn beurt dan weer licht psychedelisch aandoende en ongegeneerd tegen pop aan schurkende trage singer-songwriter stuff, “You Did (Bomp Shooby Dooby Bomp)” heeft op lijzige wijze iets met zowel roots rock, G-funk als hip-hop, “Smallest Man In The World” is ondanks een likje strijkers één van de weinige nummers hier die nog vrij uitgesproken flirten met alt. country en “West Memphis Moon” is roots pop met een aardige injectie Memphis soul. Dat soul-meets-roots-rock-gevoel kenmerkt ook het met de legendarische Dan Penn geschreven “Heavy Duty”, terwijl twee Kim Richey co-writes, “You’ve Got Me Where You Want Me” – gebracht met wederhelft Stephanie Finch - en “Pin A Rose On Me” dan weer eerder te bestempelen zijn als respectievelijk vertederende melancholische roots pop en de soulvollere variant van dat laatste genre. En met het ons enige tijd geleden ook op de jongste Kim Carnes-CD “Chasin’ Wild Trains” al opgevallen en samen met Angelo en diezelfde Carnes gepende “Just To See You Smile” lijkt zelfs een heuse (roots)pophit voorhanden. Ons hoor je dan ook allerminst klagen over deze deels zelf en deels door Eric Drew Feldman geproduceerde nieuwe schijf van Prophet. Wel integendeel!

www.chuckprophet.com

www.newwestrecords.com

www.sonic.nl

 

 

MARK SHEEHY

“Rock, Paper, Jesus”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

It’s only rock ‘n’ roll, but I like it… Dat was het gevoel dat hier overheerste na een eerste beluistering van “Rock, Paper, Jesus”, de derde CD van de uit Chicago afkomstige Americana / roots rock singer-songwriter Mark Sheehy. En ook enkele draaibeurten verder staat die aanvankelijke bedenking nog steeds als een huis. Sheehy, die in het verleden zijn sporen reeds verdiende bij rockcollectieven als The Sapphires, Scarecrow, J-200 en Red Star Belgrade, heeft immers duidelijk een knappe song in de vingers. Dat is van bij “Orion’s Belt”, een aftrap op z’n Stones, een soort ver achterneefje van “Brown Sugar”, lijzig soulvolle rock met piano en gitaren à volonté, meteen zonneklaar. Die Stones, de Black Crowes en Uncle Tupelo lijken de voornaamste referenties, maar een zekere punk attitude kan de man bepaald ook niet ontzegd worden. “Mama Mama” en “The Demise Of Eric Johnson” rocken zo lekker vet, het een stuk rustiger opgevatte “Breakdown Lane” en “I Said Yeah” leunen wat nadrukkelijker richting alt. country over, “Guess I Was Thinking” is aan een klassieke gitaarriff opgehangen roots rock en de melodieuze bluesrocker “Turn Out The Lights” krijgt dankzij een functionele accordeonbijdrage van Ed Torrez een shot Tex-Mex toegediend. En de echte prijsbeesten zitten klaarblijkelijk allemaal wat meer in de staart van het album opgeborgen. “You And Me” is er zo één: de luxe roots rock met melodieus gitaarwerk en warm-ruige zang. En nog zo’n oorwurm is het dankzij het orgelwerk van de al eerder vermelde Torrez tot een zomerse lap rock open bloeiende “All I Want”. En dan vergaten we nog bijna “Old Maid”. Alt. country op z’n Waits. Een bar tegen sluitingstijd, een dronken piano, dito tuba, licht beschonken zang. Een echte beauty.

Voor herhaling vatbaar!

www.marksheehy.com

CD Baby

 

 

THE HOYLE BROTHERS

“Back To The Door”

(Loose Booty)

(3.5) J J J J

 

File under “Real Country” prijkt er fier op het artwork van de CD “Back To The Door” van The Hoyle Brothers. En dat staat daar meer dan terecht ook. Op hun onder de vakkundige leiding van bekende producer Mark Hallman opgenomen debuut laat het vijftal uit Chicago immers een bijzonder frisse indruk na. “Call Heaven”, “Cry If You Want To”, “Back To The Door” en “This Life I Chose” zijn beheerste staaltjes honky-tonk met een hoog anno nu-gevoel, waarin zanger Jacque Judy niet kan verbergen dat zijn stem iets weg heeft van die van Ray Benson van Asleep At The Wheel. “Got Hammered” is dan weer een feestelijk honky-tonk stampertje van het type dat de heren idolen Haggard en Jones dezer dagen het liefst lijken te vermijden, “What If I” en “All The Right Places” zijn door de pedal steel van Brian Wilkie op sleeptouw genomen klassieke countryslepers, “Trucker’s Life” en “Truck Attack” lonken swingend naar een publiek op veel wielen, het opgewekte “Relief’s Just A Swallow Away” en het weemoedige “Home” horen thuis in de categorie drinking songs, “Mama I’m Sorry” benadert op z’n Tex-Mex de al even traditionele cheating-materie en het afsluitende, zwaar op het leadgitaarwerk van Steve Doyle leunende “Penny Pinchin’” is prima Western swing. Duidelijk voor elk wat wils dus op deze bijzonder geslaagd te noemen eersteling.

www.thehoylebrothers.com

 

 

CHARLIE ROBISON

“Good Times”

(Dualtone / Bertus)

(4) J J J J

 

Met zijn broer Bruce en Jack Ingram was Charlie Robison één van die artiesten in wie majors na de vrij onverwachte doorbraak op grote schaal van Pat Green plots wel brood zagen om de Texaanse muziekmarkt ook voor een breder publiek toegankelijk te maken. Het was dan ook geen toeval dat ze alle drie bij dezelfde platengigant onderdak vonden en dat hun lot (via het live-album “Unleashed”) zelfs even aan dat van elkaar verbonden werd. De verhoopte grote doorbraak op korte termijn bleef echter uit. En zoals dat dan wel vaker gaat werden de drie even snel ook weer gedumpt door hun nieuwe broodheer. Daardoor kon het gebeuren dat Charlie Robison plots bij Dualtone belandde, één van die jongere, voornamelijk op Americana toegespitste labels die kwaliteit nog hoog in het vaandel voeren. En om eerlijk met je te zijn, ons verbaast het dan ook hoegenaamd niet dat Robison met zijn debuut voor dat platenhuis meteen één van zijn beste platen ooit aflevert. Hij lijkt er alvast zelf niet rouwig om te zijn een stapje terug te hebben moeten zetten. In het bijzonder positivistisch ingestelde titelnummer van het album geeft hij aan de boel maar de boel te laten zijn, want “… we gonna have a good time”. En die belofte wordt nagekomen ook! In het gezelschap van goede maatjes als Eamon McLoughlin (fiddle), Keith Robinson (drums, percussie), Scott Esbeck (basgitaar), David Grissom (gitaren), Riley Osbourn (keyboards), Glenn Fukunaga (doghouse bass), Chip Dolan (accordeon), Rich Brotherton (mandoline), Ted Roddy (harmonica), schoonpa Lloyd Maines (steelgitaar, dobro, lap steel) en vrouwlief Dixie-kippetje Natalie Maines, broer Bruce en Robyn Ludwick (harmonieën) straalt Robison op zijn nieuwste tegelijk een ongelooflijke zelfzekerheid en een voorheen ongekende innerlijke rust uit. Het merendeel van de elf daarop gebrachte composities zijn van eigen hand. Enkel het aangenaam weemoedige “El Cerrito Place” - met een opvallende vocale cameo voor wederhelft Natalie - en het zijn titel alle eer aandoende “Big City Blues”, beide geleend van coming man Keith Gattis, de vroege-uurtjes-country van “The Bottom”, van die andere grote belofte Waylon Payne, en Terry Allens zalige “Flatland Boogie” zijn vreemde eenden in de bijt. Met de andere liedjes gooit Robison weer volop olie op het vuur van de discussie over wie er nu de betere zanger, respectievelijk liedjesschrijver van de twee is, hijzelf dan wel zijn broer Bruce. En een licht bluesy stukje als “Love Means Never Having To Say You’re Hungry”, rootsy country à la “Magnolia” of een prachtballade als “Always” doen de balans voor het ogenblik alvast weer even in zijn voordeel overhellen. Met dat soort van deunen zal Robison trouwens ook nu weer rustig op twee paarden kunnen blijven wedden. Zowel Americana- als countryliefhebbers zullen daardoor immers met volle teugen kunnen genieten van “Good Times”.

www.charlierobison.com

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

FLOYD TILLMAN

“The Influence”

(Heart Of Texas Records)

(3.5) J J J J

 

Op 22 augustus van vorig jaar overleed met Floyd Tillman op 88-jarige leeftijd binnen korte tijd een zoveelste countrylegende. De man, die in de late jaren veertig bekendheid verwierf als leverancier van grote hits als “I Love You So Much It Hurts Me”, “Slippin’ Around” en “I’ll Never Slip Around Again” en verder van zich deed spreken als één van de eersten om de elektrische gitaar om te gorden voor het brengen van pure honky-tonk, zou het op die manier niet meer zelf meemaken, hoe het resultaat van een eerbetoon door tal van gerespecteerde collega’s de winkelrekken zou halen. Dolly Parton, Mel Tillis, Ray Price, George Jones, Connie Smith, Willie Nelson, Hank Thompson, Merle Haggard, Darrell McCall, Leona Williams, Johnny Bush, Justin Trevino, Frankie Miller en Lawton Williams werden immers bereid gevonden om met Tillman een duet in te zingen voor wat later zijn ultieme plaat bleek te zijn. Op “The Influence” grasduinen de man en zijn vrienden op gemoedelijke wijze wat rond in zijn eigen rijk gevulde songcatalogus en dat levert een collectie erg fraaie klassiek gestijlde honky-tonk op. Enkel Jerry Irby’s “Drivin’ Nails In My Coffin” (gebracht met George Jones), Larry Fullers “I’m Still In Love With Every Girl” (met producer van dienst Justin Trevino) en Lawton Williams’ “It Just Tears Me Up” (ooit Tillmans laatste single en hier gebracht met Williams zelf) zijn geen eigen composities. Voor het overige is dit één groot feest der herkenning. “Slippin’ Around” (met een weer goddelijke Dolly Parton), “It Makes No Difference Now” (met Mel Tillis), “I Gotta Have My Baby Back” (met mooizinger Ray Price), “I Love You So Much It Hurts Me” (met Connie Smith), “This Cold War With You” (met The Hag), “They Took The Stars Out Of Heaven” (met The Honky-Tonk Caruso Johnny Bush), “Each Night At Nine” (met Willie Nelson),… Hier gaat een echt countryhart gegarandeerd nog eens ongegeneerd voor uit de bol. Tillman bleek ondanks zijn gezegende leeftijd immers nog zeer goed bij stem en met muzikanten als Johnny Gimble (fiddle, mandoline), Bobby Flores (fiddle), Floyd Domino (keyboard), Justin Trevino (bas) en Dave Kirby (gitaar) in de buurt zat het ook wat dat betreft allemaal snor. En al zullen we die karakteristieke brede glimlach van ‘m in de toekomst dan ook moeten missen, met “The Influence” als extra duwtje in de rug zal Tillman in de harten van veel countryliefhebbers nog lang voort blijven leven.

www.floydtillman.com

Hitsound Records

 

 

BUDDY MILLER

“Universal United House Of Prayer”

(New West / Sonic Rendezvous)

(4.5) J J J J J

 

Eenenvijftig is de man ondertussen, maar hij heeft de door velen zo gevreesde “big five-o” duidelijk niet aan zijn hart laten komen, want met “Universal United House Of Prayer” levert hij wat met sprekend gemak zijn beste plaat tot op heden is af. Miller heeft na zijn recente overstap van Hightone naar New West dan ook niets aan het toeval overgelaten. Voor zijn vijfde CD voor eigen rekening omringde hij zich met enkele van de beste liedjesschrijvers en muzikanten van het ogenblik. Het uit die samenwerking resulterende geheel is een songcyclus met als thema de ziel. Een gospelplaat zo je wil. Maar dan wel gospel in de geest van pakweg een Marvin Gaye of een Pops Staples en niet het soort muziek dat men dezer dagen zo massaal aan christenen probeert te slijten.

Het album wordt afgetrapt met een soulvolle rootsrockversie van wijlen Mark Heard z’n “Worry Too Much”. En je moet al bijna van steen zijn om je daarin niet te laten meeslepen door de werkelijk kippenvel verwekkende gospelstemmen van Regina en Ann McCrary, twee dochters van Fairfield Four-stichter Rev. Sam McCrary. Vervolgens krijgen de Louvin Brothers een beurt in een met een flinke shot Americana en gospel geïnjecteerde versie van hun “There’s A Higher Power” drijvend op leuke harmonieën en een speelse fiddle-bijdrage. Via het bluesy “Shelter Me”, één van de vier songs gesigneerd Buddy & Julie Miller, belanden we dan bij enkele van de absolute hoogtepunten van deze an sich al ijzersterke plaat. Het betreft een over ruim negen minuten uitgesmeerde versie van Bob Dylans “With God On Our Side”, waarin Miller zich echt de ziel uit het lijf zingt, en de ingetogen hymne waaraan het album aanvankelijk zijn titel zou ontlenen, “Wide River To Cross”, een duetje met de dezer dagen omnipresente Emmylou Harris. “Fire And Water” is dan gewoon rustig voortkabbelende Americana, het met Jim Lauderdale gepende “Don’t Wait” een bluesy – wat swampy ook wel – rootsrocker en “This Old World” een speelse old-timey rootsdeun waarin duidelijk de hand van co-writer Victoria Williams herkenbaar is. En dan is er “Is That You”. Opnieuw een stand-out. In dat gospeleske liedje spreekt Miller op deemoedige wijze rechtstreeks tot God: “Did you wear a crown, and was it made of thorns? … Did you go down to Hell and back for me?” De eeuwig wederkerende vraag… Resten nog “Returning”, een op bijzonder expressief gitaarwerk terende soulvolle rootsrocker (geschreven met opnieuw Jim Lauderdale), en het met zijn a capella gospel intro ogenschijnlijk van de soundtrack van “O Brother, Where Art Thou?” weggelopen “Fall On The Rock” van de hand van zijn vrouw Julie.

Hier gaan we absoluut niet moeilijk over doen. Dit is een uitgesproken kandidaat voor de titel van “Plaat van het jaar”. Zeg dat Ctrl. Alt. Country het gezegd heeft!

Buddy Miller

www.newwestrecords.com

www.sonic.nl

 

 

CHRIS WHITLEY

“Weed”

(Fargo / PIAS)

(3.5) J J J J

 

Met “Weed” en “War Crime Blues” maakte het Franse Fargo Records onlangs twee Chris Whitley-albums commercieel beschikbaar, die voordien enkel via ‘s mans webstek of op zijn concerten te koop werden aangeboden. De hier en nu behandelde helft van dat tweeluik, “Weed”, nam Whitley in z’n eentje op. Het betreft een 16 tracks tellende, akoestische gezondheidswandeling doorheen z’n eigen oeuvre. Lekker rauwe versies van liedjes van eerdere albums als “Living With The Law”, “Din Of Ecstasy” en “Terra Incognita” zijn het resultaat van z’n twee-sporen-huiswerk. Wat bij zo’n aanpak overblijft is natuurlijk de naakte essentie: Whitley’s messcherpe voordracht, zijn ijskoude gitaarwerk en eigen composities, die in het geheel geen tierlantijntjes nodig hebben om te overleven. Noem het wat ons betreft contemporaine blues met een behoorlijk urbaan karakter. Straffe kost is het in elk geval.

www.chriswhitley.com

www.fargorecords.com

 

 

KATE CAMPBELL

“The Portable Kate Campbell”

“Sing Me Out”

(Compadre Records / Sonic Rendezvous)

(2 X 4) J J J J

 

Wat kan het recensentenleven toch verdomd mooi zijn… Enkele dagen geleden bespraken we hier al de heruitgave van haar debuut “Songs From The Levee”. Maar zoals we je maanden geleden in onze nieuwsrubriek al wisten mee te geven heeft haar nieuwe platenlabel Compadre Records blijkbaar grootse plannen met Kate Campbell, want gelijktijdig verschenen er ook nog twee nieuwe albums van haar. Hoewel nieuw misschien een wat ongelukkig gekozen omschrijving is. Zowel “The Portable Kate Campbell” als “Sing Me Out” bevatten immers onder de productionele supervisie van Will Kimbrough herwerkte versies van ouder materiaal van Campbell.

Het grote verschil tussen de twee schijfjes schuilt ‘m vooral in de instrumentale benadering ervan. Op “The Portable Kate Campbell” mag hier en daar de stekker nog even in het stopcontact, op “Sing Me Out” is elke elektrische bijdrage taboe. Het eerste album groeit op die manier uit tot een soort van “best of”. Het merendeel van Campbells bekendste nummers passeert hierop de revue. “Moonpie Dreams”, “Visions Of Plenty”, “Rosemary”, “Rosaryville”, “Galaxie 500”, “Crazy In Alabama” en tal van andere het leven in het Zuiden bezingende folk-country-liedjes krijgen met de hulp van Will Kimbrough (gitaren, dobro, mandoline, banjo), Dave Jacques (bas), Paul Griffith (drums, percussie), Steve Conn (accordeon, Wurlitzer, piano, orgel), Richard McLaurin (pedal steel), Chris Carmichael (strijkers) en Neil Rosengarten (trompet, trombone) een voorzichtige muzikale facelift. En even het lijstje met de harmoniërende stemmen overlopen betekent wat meer inzicht verwerven in de hoge mate van respect die Campbell onder haar collega’s geniet. Jonell Mosser, Will Kimbrough, Kim Richey, Nanci Griffith, Pat Buchanan en Jeff Black namen immers zonder mopperen genoegen met een plaatsje in de schaduw van de weer beurtelings een weinig aan Lucinda Williams en vooral ook aan Emmylou Harris herinnerende gastvrouwe. Een iets prominentere rol is weggelegd voor Rodney Crowell, met wie Campbell voor “A Perfect World” een duet aanging.

“Sing Me Out” werd met nagenoeg dezelfde bezetting ingeblikt. Maar op dat album zijn het naast de zalvende stem van Campbell zelf vooral instrumenten als de resonator, de akoestische bas, de fiddle, de banjo, de ukelele, de dobro, de slide en de mandoline die het totaalbeeld bepalen. Daardoor bekom je natuurlijk vanzelf een meer roots-georiënteerd geluid. Ook hier trouwens een bloemlezing uit het verzamelde werk van Campbell so far. Enkel onder het licht gospeleske countrybriljantje “Would You Be A Parson” staat in kleine lettertjes 2004 te lezen.

Voor de fans van Campbell zullen het vooral kostelijke dagen worden. Voor al diegenen die haar nog niet kennen wacht echter een royale introductie tot één van de meest onderschatte oeuvres binnen het huidige Americana-aanbod. Want hoe onwaarschijnlijk dat voor kenners ook moge klinken, Campbells verkoopscijfers schommelen steeds weer rond de tienduizend stuks wereldwijd. En dat is echt wel beschamend weinig voor iemand met zoveel klasse… Hoog tijd dus om daar met z’n allen verandering in te brengen!

www.katecampbell.com

www.compadrerecords.com

www.sonic.nl

 

 

JANETTE & JOE CARTER

“Last Of Their Kind”

(Dualtone / Bertus)

(3.5) J J J J

 

Wat na het al bij al vrij onverwachte dubbeloverlijden van Johnny Cash en z’n wederhelft June Carter vorig jaar een beetje te voorspellen viel, gebeurt de jongste maanden ook steeds nadrukkelijker. Alsmaar meer Carter-gerelateerd materiaal vindt zijn weg naar de schappen. Er was bijvoorbeeld al het zalige Carter Family-eerbetoon “The Unbroken Circle”, er was de vijfdelige JSP-box set gewijd aan de familie, en nu is er de CD “Last Of Their Kind” van Janette & Joe Carter. En dat is een plaat die zich warm laat aanbevelen aan eenieder die net als ons met volle teugen heeft genoten van June’s laatste worp “Wildwood Flower”. Twee door het leven getekende stemmen serveren hier regelmatig op het randje van het vals zingen af twaalf tussen folk, country en Americana balancerende deuntjes die aan de rijke Carter Family-traditie bepaald geen afbreuk doen. In een productie van John Carter Cash buigen de twee stokoude besjes zich over een stel A.P. Carter-liedjes als “Stern Old Bachelor”, “The Poor Orphan Child”, “Little Darling Pal Of Mine” en “Kitty Waltz”, die worden afgewisseld met eigen originelen als “Living With Memories”, “Right At Home”, “Morning Sunlight”, “Pole It Reba”, “If Only I Were A Child Again”, “Close Of A Day” en “Through The Eyes Of An Eagle”, en één enkele traditional, met name het openingsnummer “A Few More Years”. En net zoals dat op de laatste albums van zowel Cash als zijn eega het geval was, laten zich ook hier nogal wat verwijzingen naar een nakend einde optekenen. Misschien ontleent ook dit album wel net daaraan zijn charme. Als je Janette en Joe met onvaste stem hoort verkondigen “A few more years / A few more tears / And we shall lay / Our burdens down”, dan komt die boodschap bepaald geloofwaardig over. En als ze zichzelf zo’n beetje als de laatsten der familie-Mohikanen bestempelen in de titel van de plaat, dan laat dat gegeven ook al weinig aan de verbeelding over. Noem dit dan ook maar een soort chroniek van een aangekondigde dood. En profiteer er vooral ook van, nu het nog kan… Een goede raad die we trouwens ook zo best wel aan iedereen die dit leest zouden willen meegeven.

www.carterfamilyfold.org

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

THE SILOS

“When The Telephone Rings”

(Dualtone / Bertus)

(4) J J J J

 

Het kan verkeren in een artiestenbestaan… Toen de uit New York afkomstige Silos, de groep rond meesterbrein Walter Salas-Humara, in 1990 na enkele platen in eigen beheer met hun titelloze debuut voor RCA uitpakten, leek hun broodje zo goed als gebakken. Critici droegen de band nadien letterlijk op handen en vergelijkingen met acts als de Byrds, de Velvet Underground en R.E.M. waren niet van de lucht. Velen zagen invloedsgewijs in The Silos zelfs al een groep van hetzelfde kaliber als pakweg The Replacements of Hüsker Dü. Maar die illusie zou niet al te lang stand houden, want Salas-Humara en de zijnen werden korte tijd later genadeloos gedumpt door hun platenlabel. En in de jaren die volgden zouden ze ondanks een handvol goede tot uitstekende albums nooit meer op dezelfde manier in de kijker lopen.

Maar nu is er dus “When The Telephone Rings”. En het goede nieuws is dat dezelfde mensen die nog niet zo heel erg lang geleden Damien Rice aan zijn doorbraak in de States hebben geholpen hun schouders nu ook onder “Holding On To Life”, de soulvol rockende eerste single van dat album met een opvallende vocale bijrol voor Mary Lee Kortes (Mary Lee’s Corvette), hebben gezet. Misschien zit er uiteindelijk dus toch nog wel iets in voor de New Yorkers. En ze zouden het verdienen ook. “When The Telephone Rings” markeert immers een terugkeer naar hun roots. Vergelijkingen met hun invloedrijke tweede album “Cuba” en het al aangesproken “The Silos” dringen zich zelfs onwillekeurig op. Richard Lloyd (Television) rijt zo bijvoorbeeld met een messcherpe gitaarbijdrage het openingsnummer “The Only Love” open tot een bijzonder catchy rock song. En het meteen daaropvolgende rootsy pareltje “Whistled A Slow Waltz” biedt naast de singer-songwriter Salas-Humara ook Drew Glackin op de mandoline en Mary Rowell op de viool de gelegenheid om te excelleren. “Ready For Anything” is aansluitend een midtempo-blijvertje en het na de al eerder vermelde single ingezette “Innocent” rockt genadeloos melodieus voor zich uit. En zo gaat het maar door. Titelnummer “When The Telephone Rings” is misschien wel het allermooiste liedje van het geheel. Met Glackin ditmaal druk in de weer op de lap steel wordt weemoed het decorum. “Even in New York / How I long for New York / When the telephone rings,” jammert Salas-Humara op zijn Westerbergs en dan weet je dat het allemaal wel goed zit. Dit nieuwe album van The Silos zal dan ook een hart onder de riem betekenen van al diegenen die de groep de jongste jaren al zo’n beetje hadden afgeschreven. Dit zijn immers weer de Silos zoals ze die ooit leerden kennen en waarderen, met roots rock op zijn fijnst.

www.thesilos.net

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

NITTY GRITTY DIRT BAND

“Welcome To Woody Creek

(Dualtone / Bertus)

(4) J J J J

 

Ik zou mezelf nu niet meteen tot de schare onvoorwaardelijke fans durven te rekenen, die de Nitty Gritty Dirt Band in hun nu bijna veertigjarige bestaan ongetwijfeld hebben verworven. Hun “Will The Circle Be Unbroken?”-trilogie schonk mij bij momenten het allerhoogst denkbare muzikale genot, dat is een feit. Maar hun andere platen vermochten dat lang niet altijd. Hun nieuwe CD werd hier dan ook op een enigszins tweeslachtig gevoel onthaald. Maar nauwelijks een track of twee ver bij het beluisteren van “Welcome To Woody Creek” bleken alle aanvankelijke twijfels alweer lang weggesmolten als een ijsje onder een broeiend hete zomerzon. Jeff Hanna, Jimmy Ibbotson, Bob Carpenter, Jimmie Fadden en John McEuen hadden er duidelijk zin in toen ze het album inblikten. Ze gingen daarbij trouwens ook niet over ijs van één nacht. De eerste aanzet tot het geheel werd reeds gegeven in de lente van 1996, toen de vijf voor het eerst samenkwamen bij Ibbotson thuis – in Woody Creek - om er aan nieuw materiaal te werken. Toch zou het nog duren tot na hun contributie aan het onlangs verschenen Carter Family-eerbetoon “The Unbroken Circle” alvorens de opnamen effectief zouden worden aangevat. In hun Rocky Mountains-thuishaven, of wat dacht je… Opvallendste liedjes zijn op het eerste gezicht een weldadig aan bluegrass blootgestelde versie van “Get Back” van de Beatles en een ingetogen en bijzonder respectvolle benadering van Gram Parsons’ “She”. Maar of dat nu ook de mooiste liedjes van de plaat zijn is nog maar de vraag. Het door Fadden op zijn harmonica op gang geblazen rootsy zonnestraaltje helemaal bij het begin, “Walkin’ In The Sunshine”, het volop van Jeff Hanna’s slidewerk profiterende “Forever Don’t Last”, het melancholische “Jealous Moon” en de erg sfeervolle instrumental “Midnight At Woody Creek” hoeven daar voor ons alvast in het geheel niet voor onder te doen. En dat zijn allemaal eigen songs. De Dirt boys krijgen hier ditmaal dan ook een erg mooi rapportcijfer mee. “Welcome To Woody Creek” is zo’n typisch Americana-groeiplaatje, lijkt ‘t ons…

www.nittygritty.com

www.dualtone.com

www.bertus.nl

 

 

GREG PARKER

“On The Break”

(Whitewall Records)

(3.5) J J J J

 

Wie het kleine niet eert, enzoverder… Wij lieten ons dan ook graag verrassen door nobele onbekende Greg Parker met een vijf tracks tellende debuut-mini luisterend naar de voor de man hopelijk visionaire titel “On The Break”. Daarop doet hij zowat alles zelf. Enkel voor de catchy opener en gedroomde single “Get In Line Caroline” mocht z’n vriend Adam Hill mee tekenen. En diezelfde Hill hanteert ook de elektrische gitaar op het van hartzeer doordrongen “A Heart Is A Terrible Thing To Break”.

“Honky-tonk power pop”, “maximum C&W” en “21st century countrypolitan” zijn enkele begrippen die ons door de man zelf op basis van eerder over hem verschenen recensies worden aangereikt om zijn wat aparte sound onder woorden te brengen. Wat er ook van zij, hij beschikt in elk geval over een buitengewoon twangbeladen stem, ergens tussen pakweg een Chris Isaak, een Tom Armstrong en een Michael Stipe in.

“Get In Line Caroline” komt daardoor aangezwengeld aardig dicht in de buurt van het perfecte huwelijk – Een contradictio in terminis? - tussen rockabilly en country, “Disaster Waiting To Happen” is klassieke honky-tonk maar dan wel met een pop feel en met een lekker streepje harmonica als opvallend ornament, “A Heart Is A Terrible Thing To Break” begint als een ballade om geleidelijk aan open te bloeien tot een fraai stukje op rinkelende gitaren terende rootsrock, “Molly Dear” is het rustpuntje hier, een ballade over een op Molly Ringwald gelijkend en de perfecte liefde belichamend meisje, en “Kathleen” tenslotte is countryeske power pop gespeeld met een punk attitude.

Dat drie van de vijf liedjes meisjesnamen in hun titel hebben is overigens puur toeval, verzekert Parker ons. Hij heeft er zo eigenlijk maar een vier- of vijftal en drie daarvan belandden om uiteenlopende redenen op deze eersteling van ‘m. En dat schijfje doet eigenlijk nu al reikhalzend uitkijken naar meer. Het countrygenre heeft immers steeds meer nood aan het soort van creatieve aanpak waarvoor Greg Parker hier vijf nummers lang garant staat.

www.itsgregparker.com

CD Baby

 

 

TOM CORBETT

“Cloudless Blue Sky”

(Round Hole Records)

(4) J J J J

 

Met zijn mandoline- en gitaarspel oogstte Tom Corbett jarenlang bijval in de rugdekking van andere, bekendere artiesten. In 2001 trad hij evenwel zelf op het voorplan met “Upstairs At Charlie’s”, een album dat vrijwel overal meteen een warm onthaal genoot. Daarop bewees de man ook zelf een uitstekend songwriter te zijn. En zijn zopas verschenen tweede, “Cloudless Blue Sky”, staaft die vaststelling - voor zover dat nog nodig was - alleen nog maar meer.

Het album straalt precies die warmte af, die je achter de zonnige cover ervan vermoedt. Van bij de cajuneske opener “When I Get My Wheels” ben je meteen verkocht. Corbett hanteert daarop zelf mandoline en gitaar en zingt met zijn goudbruine stem samen met Herb Pedersen de sterren van de hemel. David Hidalgo van Los Lobos levert een gesmaakte accordeonbijdrage en Phil Salazar doet hetzelfde op de fiddle. “Rear View Mirror” is vervolgens rootsy Americana aangelengd met een flinke scheut bluegrass. En ditmaal zijn het Bill Knopf op de banjo, Bill Bryson aan de bas en Greg Leisz op de dobro die het rootsgevoel voeden. “Island Calypso” is dan weer Americana meets reggae, “Raging Bull”, met naast opnieuw Hidalgo ook Robin en Linda Williams, heeft iets met Mexico, “Something ‘Bout The Blues”, met beeldig slidegitaarwerk van Greg Leisz, exploreert bluesgronden en Scott Foxx z’n “Fishin’” - één van de twee liedjes hier die Corbett niet zelf schreef - is gewoon opgewekte bluegrassy folk van het type waarvoor je alle dagdagelijkse zorgen meteen even aan de kant schuift. En ook voor mountain music is er ruimte. In het van Joe Stuart en Mitch Jayne geleende “The Whole World ‘Round” meer bepaald, waarin een opvallende rol is weggelegd voor Bill Knopf op de banjo. In het ingetogen titelnummer “Cloudless Blue Sky”, een prachtige ballad, maken Robin en Linda Williams al harmoniërend opnieuw mee het mooie weer en “Mary’s Kissin’ The Quaker” blijkt aansluitend een instrumentale showcase voor Corbetts talenten op respectievelijk gitaar, mandoline en tenor banjo. Het bijzonder opgeruimde “Let My Pony Run” twijfelt dan tussen bluegrass, folk en country, “On A New York Evening” is een warm aanvoelend rootsy folkliedje en het afsluitende “Hello Dad” is een erg persoonlijke ballade, geschreven door Corbett kort na de dood van zijn vader.

Een optelling leert al snel, dat “Cloudless Blue Sky” een echt juweeltje van een plaat is. Liefhebbers van de muziek van artiesten als Laurie Lewis en Tom Rozum, Robin en Linda Williams, Chris Stuart & Backcountry en Chip Taylor en Carrie Rodriguez zullen ook hier vast hun hart aan kunnen ophalen. Letterlijk warm aanbevolen dan ook dit album.

www.tomcorbett.net

CD Baby

 

 

LISA LOEB

“The Way It Really Is”

(Zoë / Rounder Europe / Munich)

(3) J J J

 

Een veel mooiere start als deze die Lisa Loeb in 1994 met het aan de succesfilm “Reality Bites” ontleende “Stay (I Missed You)” nam, kan je je als artiest nauwelijks wensen. Het liedje schoot meteen door naar de top van de Amerikaanse hitlijsten en her en der werd Loeb al genoemd als hét toekomstige boegbeeld van het vrouwelijke singer-songwriters-gild aan de andere kant van de oceaan. Maar zoals dat wel vaker gebeurt in dergelijke gevallen werd de soep bepaald niet zo heet gegeten als ze werd opgediend. Loeb werd zelfs gewoon een nummer in de one hit wonder-catalogus. Verdere grote hits bleven uit en ondanks een meer dan verdienstelijke albumverkoop zou ze in de volgende jaren de ene platenstal na de andere verslijten. Via Geffen belandde ze achtereenvolgens bij A&M en Artemis en nu dus Rounder. Daar tekent ze voor haar inmiddels vijfde CD – zes als je de met Elizabeth Mitchell ingeblikte collectie kinderliedjes “Catch The Moon” meerekent – “The Way It Really Is”. En daarop doet ze ook nu weer gewoon wat ze eigenlijk het beste kan, en dat is het vertolken van zelf gepende pop- en rockliedjes met duidelijke folkinslag. Loeb mag immers graag de akoestische gitaar omgorden, waarvan het geluid mooi bij haar zachte, soms tegen het fluisteren aan schurkende voordracht kleurt. Elf liedjes over het leven en meer specifiek de liefde – en vooral het beëindigen daarvan - zijn het resultaat. Het mooist vonden wij de relaxte power pop van “Probably”, de op een zachte beat rondhuppelende eerste single “Fools Like Me”, het al even catchy rockertje “I Control The Sun” en de mooie, breed uitwaaierende pop van de met Dweezil Zappa geschreven afsluiter “Now I Understand”, waarvoor naast Zappa Jr. zelf ook huisfavorietje Jason Falkner even langs kwam. Wereldschokkend is het zeker allemaal niet, mooi daarentegen wel. Van ons mag het popprinsesje-met-het-zware-brilletje dan ook gerust nog wat doorgaan met het maken van aangenaam wegluisterende schijfjes als dit. Mensen die wel eens iets van Jewel, van Edie Brickell of van Juliana Hatfield in huis hebben gehaald zullen hier wellicht ook wel het nodige plezier aan beleven.

www.lisaloeb.com

www.roundereurope.com

www.munichrecords.com

 

 

DB HARRIS & HIS MEN OF ACTION

“Contagious Heartache”

(Nighttime Records / Lucky Dice)

(4) J J J J

 

Met zijn totale speelduur van amper meer dan vierendertig minuten herinnert “Contagious Heartache”, de een stuk gevarieerdere opvolger van “Can I Return These Flowers?” van DB Harris And His Men Of Action, volop aan de hoogdagen van de klassieke vinylplaat, aan tijden waarin kwaliteit door de band genomen nog een stuk belangrijker was dan kwantiteit. En er zijn hier wel meer elementen voorhanden die een omschrijving als retro rechtvaardigen. Er is om te beginnen natuurlijk die aparte stem van de man. Harris heeft wat van Orbison in de aderen, zoveel is zeker. En ook wel wat van Malo. Maar in tegenstelling tot diens Mavericks blijft hij bepaald niet in country alleen steken. Rockabilly, sixties pop, Americana, rootsrock, surf instrumentals – “Contagious Heartache” doet wat dat betreft een beetje denken aan de bekende reclamespot over Belgische kazen, waarin een verdwaasde klant als antwoord op zijn ignorante bestelling “Van elk een stukje graag!” een paar honderd verschillende kaassoorten krijgt voorgeschoteld. Met hetzelfde overdonderde gevoel als die man blijf je ook hier achter. “Van alles wat” lijkt immers ook het leitmotiv van DB Harris en de zijnen. En allemaal even aanstekelijk nog ook. Tien eigen songs, waaronder co-writes met ondermeer Brad Fordham, Brian Hofeldt van de Derailers, surfgitaarbeul Teisco Del Rey en de onvolprezen Monte Warden, en een cover van John T. Loudermilks “Torture” – hier wellicht bekender als “Coeur Blessé” (Petula Clark) – krijgen we opgedist. “Love Don’t Run” is een op bijna smekende toon gebrachte ballade met mooi harmonieerwerk van songbird Susanna Van Tassel. En diezelfde Van Tassel tilt ook de al eerder aangesproken versie van “Torture” mee op naar een heel hoog niveau. Een gedroomde single gewoon, dat liedje. Elders gaat het er over het algemeen een flink stuk pittiger aan toe. Zoals bijvoorbeeld in de tussen surfgitaren en Herb Alpert-trompetjes twijfelende instrumental “Men Of Action Theme Song” of in de twangy, een weinig aan Buddy Holly schatplichtige opener “Girls Gone Wild”, waarin hand claps, een surfbeat, een guitorganbijdrage van Teisco Del Rey en speelse oo-wa-hoos van het Girls Gone Wild Trio (Caroline Casey, Karen Poston en opnieuw Van Tassel) bijdragen tot een heel apart sfeertje. Of in het met uit de sixties weggelopen gitaren en een hoog Orbison-gehalte gezegende “Back To My Guitar”. Het zijn maar enkele voorbeelden van de vele liedjes hier die zich al meteen van bij een eerste beluistering met kleine weerhaakjes tussen je oren lijken vast te priemen.

DB Harris heeft met deze aan besmettelijk hartzeer gewijde plaat de klip van “de moeilijke opvolger” dus duidelijk met brio omzeilt en het zou ons dan ook ten zeerste verbazen mocht hij er zijn fanbasis niet gevoelig mee kunnen verbreden. Wij houden het in elk geval op een ijzersterke schijf en willen vooral niet nalaten ze je hier warm aan te bevelen.

www.nighttimeman.com

Lucky Dice

 

 

JAMES SASSER

“Southside Of Sorrow”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3.5) J J J J

 

 “Southside Of Sorrow” is het sterke debuut van James Sasser als soloartiest. Eerder verdiende hij zijn sporen in de groep Junco Parker. En in een coproductie met Bill Feldmann en met de nodige hulp van de elite van de in en om Portland beschikbare musici bewijst hij ook op zijn eersteling voor eigen rekening jouw en onze aandacht meer dan waard te zijn. De elf liedjes daarop schreef hij zelf – in zijn eentje of met muzikale partner Anthony Ferretti. Stilistisch gezien bestrijkt hij nogal wat gebied. Country(rock), alt. country, bluegrass, singer-songwriter-materiaal, op “Southside Of Sorrow” bewijst debutant Sasser van veel markten thuis te zijn. Het titelnummer van de plaat lijkt zo bijvoorbeeld wel op het lijf van Dwight Yoakam geschreven, “Boxcar Baby” is sprankelende traditionele country met een behoorlijk hoog bluegrassgehalte, het van spijt overlopende “Your Desire” is catchy akoestische country folk, terwijl het wat snedigere “Lost And Found” zich door een weldadige gitaarinbreng duidelijk als alt. country profileert. Het van rinkelende Byrdsgitaartjes voorziene “Nearly November” en het ook al niet van een forse injectie bluegrassgevoel verstoken gebleven “Don’t Be Wasting My Time” zijn dan weer gewoon prima West Coast country. Deze en andere liedjes maken van “Southside Of Sorrow” het soort van plaat dat je keer op keer opnieuw met plezier uit de hoes zal blijven halen. En James Sasser verdient het op basis daarvan in de toekomst nauwgezet in het oog te worden gehouden. Talent heeft hij immers zat, zoveel is wel duidelijk…

www.jamessasser.com

CD Baby

 

 

THE ARLENES

“Going To California

(Loose / Munich)

(4) J J J J

 

Als de Britse vakpers weer eens met veel omhaal een product van eigen bodem in de kijker tracht te plaatsen, dan weet je al bijna bij voorbaat dat een weinig voorzichtigheid geboden is. Chauvinisme – hoe mooi en goed bedoeld ook in dit verband – verblindt immers maar al te vaak. En dat karaktertrekje is de eilandbewoners nu eenmaal bepaald niet vreemd. Gelukkig komen er zo nu en dan ook wel eens acts van ginder overwaaien die de loftrompet ook effectief verdienen. En tot deze laatste categorie behoren zeker ook The Arlenes. Big Steve en Stephanie Arlene en kompanen bewezen twee jaar geleden met het voortreffelijke “Stuck On Love” al tot heel mooie dingen in staat te zijn. En hun nieuwe CD “Going To California” bevestigt eigenlijk alleen maar al het goede wat we toen al in hen meenden te mogen horen. Knappe liedjes, twee uitstekende stemmen, prachtige samenzang, bij momenten heerlijk rinkelende gitaartjes, een gevarieerd instrumentarium, een cleane productie, alle ingrediënten om van een geslaagde Americanaplaat te mogen spreken zijn weer in royale mate aanwezig. En voor één keer zijn we het dan ook volmondig met onze Engelse confraters eens. “Going To California” hoeft inderdaad in niets onder te doen voor wat de Amerikaanse concurrentie dezer dagen zoal klaarmaakt. Wel integendeel. Liedjes als het door nachtegaaltje Stephanie op een bed van zacht huilende steelklanken neergelegde “Married Life” en het speelse tegengewicht daarvoor, het met een aardige snuif fiddle gekruide en door Big Steve himself gezongen “Travelling Song” – om er maar willekeurig twee te noemen – zijn gewoon grote klasse. De productie van het album was overigens in handen van de tegenwoordig in Amsterdam woonachtige Mike Stewart. En op de gastenlijst prijken ronkende namen als Jon Dee Graham, Kevin Russell, Claude Bernard en Max Johnston (The Gourds), Louis, Floyd Domino en Michael Hardwick.

www.thearlenes.com

www.loosemusic.com

www.munichrecords.com

 

 

CATHY RIVERS

“Ascension”

(Alto Voltaje Records)

(3.5) J J J J

 

Voor de opvolger van haar vorig jaar verschenen debuutplaat “Bleached”, de zes tracks tellende albumette “Ascension”, ging de niet op een tattoo meer of minder kijkende Cathy Rivers opnieuw een samenwerkingsverband aan met haar muzikale compadre en gitaarwonder Teddy Morgan. Die tekent samen met Rivers natuurlijk voor het leeuwendeel van het snarenwerk. Verder stoten we hier ondermeer ook op Richard Medek (drums en percussie), Eric Heywood (Son Volt / pedal steel), Joey Burns (Giant Sand, Calexico / bas en accordeon), Nick Luca (piano, orgel, accordeon), Jimmy Carr (“vibes”), Jon Penner (Junior Brown / elektrische bas) en Leah Stanley (cello). Dat gedistingeerde gezelschap helpt Rivers aan een desert rock-geluid dat zich ergens in de buurt van dat van acts als Calexico en Giant Sand laat situeren, maar dan moet je er wel een zangeres met een stem als een klok – bestaande uit gelijke delen Hynde, Williams en Nicks – bij denken. Je voelt hier als het ware het hete woestijnzand voortdurend tussen je tenen schuren. En met nummers als “Western Wind”, “Desolation”, “Tennessee Gentleman” of “Out Of My Head” – het enige dat ze met Morgan schreef – verleent Rivers aan het begrip onderkoelde twang een heel aparte dimensie. Ze behoort dan ook zonder ook maar de minste twijfel tot die categorie van rootsrockers die ook hier een vrij grote kans op slagen lijken te hebben. Iets wat het hier eerder al genoemde Calexico en Giant Sand haar trouwens al hebben voorgedaan…

www.cathyrivers.com

Miles Of Music

CD Baby

 

 

RICHARD SHINDELL

“Vuelta”

(Koch)

(3.5) J J J J

 

De live-registratie “Courier” even buiten beschouwing gelaten heeft het nagenoeg vier jaar geduurd alvorens Richard Shindell ons met “Vuelta” eindelijk een opvolger voor “Somewhere Near Patterson” voorschotelt. En daarbij moet ons meteen van de lever, dat het toch altijd een wat delicate aangelegenheid blijkt om een objectief oordeel te vellen wanneer een van je persoonlijke favorieten nieuw werk aanbiedt. Zeker na zo’n toch relatief lange “rustperiode” zijn de verwachtingen immers hooggespannen.

“Fenario” opent het album nog geheel binnen de bandbreedte van Richards eigenzinnige stijl: een poëtische song, spannend, intens gedragen, wat mij betreft een klassieker van jewelste. Zondermeer een bevestiging van de stelling dat wij hier wel degelijk te maken hebben met één van de absolute toppers binnen het moderne folkgebeuren. De volgende song, de enige van dit album die niet van Shindells hand is, is “Waist Deep In The Big Muddy”, een klassieker van de illustere Pete Seeger, een verhalende song over een patrouille in Louisiana, neergezet in een 1942-scenario. “Cancion Sencilla” - bij uitzondering in het Spaans – is een liefdesverklaring aan zijn vrouw. Een vertaling van dat nummer is, mits je dat wenst natuurlijk, aan te treffen op Shindells homepage.

Een aantal jaren geleden is deze in Lakehurst, New Jersey geboren artiest met zijn gezin vertrokken naar Argentinië. En Zuid-Amerikaanse invloeden zijn dan ook wel degelijk terugvindbaar op dit album. En dat zeker niet in het minst door de instrumentale inkleuring ervan door lokale band Puente Celeste. Het album werd overigens in zijn geheel opgenomen te Buenos Aires en kent gastbijdragen van ondermeer Lucy Kaplansky en Tracy Grammer.

Stijlvol en sfeervol zijn wederom de kernwoorden voor deze overwegend akoestische plaat. Rijk gevuld, maar niet overdadig! “Vuelta” markeert een sterke terugkeer! (Liske)

www.richardshindell.com

 

 

SUE FOLEY

“Change”

(Ruf / Munich)

(3.5) J J J J

 

Hoe lekker een potje blues met de stekker d’ruit kan klinken bewees Eric Clapton nu goed twaalf jaar geleden met zijn “Unplugged”-CD. De man lag er zelfs mee aan de basis van een heuse rage. En die mag dan intussen alweer een poosje overgewaaid zijn, dat maakt het plezier dat je zal beleven aan het nieuwe album van de vurige roodharige Canadese blueszangeres-gitariste Sue Foley er zeker niet minder om. “Change”, haar negende album, werd in december van vorig jaar op vergelijkbare wijze live ingeblikt in Hugh’s Room in Toronto. Zonder dat ze er zelf erg in had eigenlijk. De set die ze die avond afwerkte bestond uit vijf eigen liedjes (“Goin’ Down The Road Again”, “Doggie Treats”, “Change”, “Mournin’ In The Morning” en “Shake That Thing”) en een zevental covers van songs die ze thuis nogal eens speelt. Van Memphis Minnie brengt ze zo “Bad Luck Woman” en “Me And My Chauffeur”, van Jimmy Reed “You Don’t Have To Go”, van WC Handy “Careless Love”, van Mississippi Mathilda “Hardworking Woman” en van Bessie Smith “Sugar In My Bowl”. Een beetje een vreemde eend in de bijt lijkt zo op het eerste gezicht George Harrison z’n “Here Comes The Sun, maar zelfs dat kunstje flikt Foley op briljante wijze. Zelf neemt ze naast de zang uiteraard ook het gitaarwerk voor haar rekening. Mike Turenne was de bassist van dienst, Tom Bona hanteerde de drum sticks en Graham Guest plaatste her en der wat keyboardaccentjes. Het resultaat is wat wij een lekker sexy plaatje zouden willen noemen.

www.suefoley.com

www.rufrecords.de

www.munichrecords.com

 

 

THE CRICKETS

“The Crickets And Their Buddies”

(Sovereign Artists / Synergy)

(3) J J J

 

Een plaat die het momenteel verre van kwaad doet in de AMA Chart is “The Crickets And Their Buddies”, het album waarop de begeleiders van wijlen Buddy Holly in het gezelschap van heel wat bekende compadres een aantal van de grootste hits van hun voormalige chef nog eens afstoffen. En dat werkt in een flink aantal van de gevallen best aardig. De country twist die “That’ll Be The Day” mede onder invloed van Rodney Crowell meekreeg kon hier bijvoorbeeld meteen op een goedkeurend knikje rekenen. En de manier waarop Tonio K. – Wel, wel, wel, leeft die ook nog! - en Peter Case “Not Fade Away” naar zich toetrokken stemde ook al meteen tot tevredenheid. Een beetje blues, een beetje country, een beetje rock, zoiets… Met wat pittig smoelschuifwerk als extra pigment. Eric Clapton vond in “Someone, Someone” dan weer het ideale vehikel om nog eens te laten horen dat hij één van de beste blanke bluesstemmen aller tijden is. En over mooie stemmen gesproken… J.D. Souther klinkt hier echt als een soort country-Buddy Holly in het ingetogen “Everyday”. En Nanci Griffith bewijst in “Heartbeat” niet voor het eerst altijd al een grote bewonderaarster van de rocker uit Lubbock te zijn geweest - een echt “labour of love” en dat hoor je eraan ook. Heel vrijblijvend klinkt “Blue Days, Black Nights” in de uitvoering van Holly’s tijdgenoot Bobby Vee. Op basis van wat hij hier laat horen zou je hem zo het advies willen geven zich snel ook maar eens aan een Americana-plaat te wagen. Het zou hem wel eens zeer goed kunnen af blijken te gaan. Albert Lee kleurde “Learning The Game” dan weer als pianoballade in. En Waylon Jennings vond net voor zijn dood nog net even de tijd om “Well… All Right” van het nodige stemgruis te voorzien. Graham Nash klinkt opvallend opgewekt in “Think It Over”. En John Prine laat een onvermoede kant van zichzelf bewonderen in het lekker rockende “Oh Boy!”. Verder stoten we ondermeer ook nog op Phil & Jason Everly (“Rave On”), Vince Neil (“I Fought The Law”) en Johnny Rivers (“Love’s Made A Fool Of You”). En bovendien presenteren The Crickets zelf ook nog “The Real Buddy Holly Story” en “Love You More Than I Can Say”.

Samenvattend zou je kunnen stellen dat het in Nashville onder het waakzame oog van sterproducer Greg Ladanyi opgenomen “The Crickets And Their Buddies” ideaal krachtvoer voor nostalgici is. Maar door de royale inbreng van nogal wat schoon vreemd volk valt een aanschaf ervan zeker ook door anderen te overwegen.

www.thecrickets.com

CD Baby

 

 

CHIP TAYLOR & CARRIE RODRIGUEZ

“Angel Of The Morning (EP)”

(Train Wreck Records / Rounder Europe)

(3.5) J J J J

 

Een bijzonder leuk tussendoortje, dit… Na hun voortreffelijke samenwerkingen op de door heel wat rootsmuziekliefhebbers met open armen ontvangen albums “Let’s Leave This Town” en “The Trouble With Humans” pakken Chip Taylor en Carrie Rodriguez nu uit met hun eigen tegelijk heel erg soulvolle en rootsy versie van het door Taylor geschreven en het door ondermeer P.P. Arnold en Merrilee Rush de hitlijsten ingezongen “Angel Of The Morning”. Dat nummer wordt aangevuld met vijf respectievelijk in maart in het Noorse Oslo en in mei in Austin, Texas opgenomen live-versies van de al eerder verschenen duetten “Laredo”, “Let’s Leave This Town”, “Do Your Part”, “Don’t Speak In English” en “We Come Up Shining”. En als uitsmijtertje is er nog het vrolijke (en ook al in Austin ingeblikte) “I Wasn’t Born In Tennessee”, oorspronkelijk van Taylors “Last Chance”-album uit ’73 en inclusief een heuse yodel van de man zelf. Die neemt verder ook de akoestische gitaarbijdragen en het harmonicawerk voor zijn rekening. Carrie van haar kant zingt als naar goede gewoonte het blauw van de hemel en excelleert op de fiddle. Het klinkt hier allemaal net iets scherper als op de oorspronkelijke uitvoeringen. En het doet alweer reikhalzend uitkijken naar de volgende doortocht van de twee door de Lage Landen, want zoals deze twee stemmen elkaar complementeren – we hebben het hier al wel eens eerder aangegeven – is eigenlijk gewoon te mooi om waar te zijn…

Chip & Carrie

www.roundereurope.com

 

 

PO’ GIRL

“Vagabond Lullabies”

(Nettwerk)

(3.5) J J J J

 

Tussen haar ongetwijfeld erg drukke werkzaamheden bij de ondertussen redelijk succesvolle Be Good Tanyas door vindt zangeres-multi-instrumentaliste Trish Klein (zang, akoestische en elektrische gitaren, slide, banjo, harmonica) toch nog regelmatig de tijd om een bijdrage te leveren aan de groep Po’ Girl, waarvan ze samen met Allisson Russell (zang, akoestische gitaar, klarinet, pennywhistle) en nieuwkomer Diona Davies (zang, fiddle, akoestische gitaar, banjo) de creatieve spil vormt. Het eerste resultaat van die samenwerking, het naar de groep vernoemde “Po’ Girl” (op Hightone), bespraken we hier vorig jaar al. En nu is er dus nummer twee in het rijtje, “Vagabond Lullabies”. Daarop nemen de drie elk op hun beurt de leadvocalen voor hun rekening. Al dient daar dan toch wel onmiddellijk bij te worden gezegd, dat het toch vooral de dames Russell en Klein zijn die zich op dat vlak nadrukkelijk manifesteren.

Po’ Girl staat net als de Be Good Tanyas voor een charmante, ook al enigszins intimistische kruisbestuiving tussen folk en (alt.) country. Maar anders dan bij die groep sijpelen ook invloeden uit tal van andere genres in het muzikale spectrum van Po’ Girl binnen, waardoor hun muziek eigenlijk best wel wat toegankelijker wordt. Zo stoten we in “Take The Long Way” en “Driving” bijvoorbeeld op bijna gefluisterde – en in het geheel niet storend werkende – raps van CR Avery. En “Tell Me A Story” helt met name door de slidebijdrage van Klein en de zachtjes jammerende lap steel van Aaron Joyce vervaarlijk over naar de countrykant. “Mercy” en één van de beide hier aangeboden versies van het lijfnummer van de groep “Poor Girl” zitten op hun beurt dan weer een beetje in het vaarwater van de Cowboy Junkies ten tijde van “The Caution Horses” of recenter nog Tres Chicas. En in het van een bezielde a capella-intro voorziene “Movin’ On” – met verderop ook harmonieën van Carolyn Mark, Rae Spoon, Kate Fenner en Luther Wright – vloeien elementen uit de jazz-, country- en rootshoek rimpelloos in elkaar over. “Prairie Girl Home” en “Corner Talk” zijn ingetogen singer-songwriter-materiaal. Terwijl “South Of Nowhere” en “I’ve Got The Time” gewoon heel erg fraaie Americanadeuntjes met wonderschone harmonieën blijken voor te stellen. Opvallend is verder ook nog het feit dat ook alt. folk-icoon Ani DiFranco even binnenwipte om vocaal haar steentje bij te dragen tot “Walk On And Sing”.

www.pogirl.net

www.nettwerk.com

 

 

PIERCE PETTIS

“Great Big World”

(Compass Records)

(4) J J J J

 

Treffend vermeldt de achterzijde van het artwork van Pierce Pettis’ laatste CD “a performer with a rocker’s heart, a troubadour’s soul and a poet’s touch”. Voor hen die 's mans activiteiten reeds enige tijd volgen zal dit album dan ook wederom tot verplichte aanschaf leiden, want het niveau van de songs van de (voortreffelijke) voorgangers ervan wordt hier op meesterlijke wijze gecontinueerd. De teksten zijn doordacht, persoonlijk, spiritueel en weerspiegelen alledaagse gebeurtenissen, die voor eenieder herkenbaar zijn, maar slechts door weinigen zo subliem kunnen worden verwoord. Zoals die van "Alabama 1959" bijvoorbeeld, een beeldende, nostalgische song, waarvoor hij inspiratie vond bij het bekijken van oude familiefilms, en die van "Great Big World", een slaapliedje, waarin hij zijn zoon geruststelt voor de nacht en hem indirect ook bescherming aanbiedt tegen de grote boze wereld daar buiten.

De muziek werd grotendeels live uitgevoerd. Slechts hier en daar was er nood aan overdubs. En die directe wisselwerking tussen de musici onderling komt de spontaniteit van dit album zeer zeker ten goede. Muzikale bijdragen waren er van een stelletje uitgelezen muzikanten. Allison Brown (banjo), Stuart Duncan (viool en mandoline), Kenny Malone (percussie), Danny Thompson (akoestische bas) en Gary West (elektrische bas en productie), om er slechts een aantal daarvan te noemen. Pettis' eigen gitaar is daarbij voortdurend nadrukkelijk, maar niet overheersend aanwezig. Op compositorisch vlak kreeg hij ditmaal steun van o.a. David Wilcox en Dana Cooper - beiden op singer-songwritervlak ook niet geheel onverdienstelijk aan de slag.

Deze "Southern Man" heeft wat mij betreft dan ook wederom een juweel van een album afgeleverd. Twaalf songs is dit achtste album van hem rijk. Ze zullen allicht niet voor iedereen bestemd zijn, maar een warm hart kan deze subtiele toondichter toch niet ontzegd worden. Live schijnt de toonzetting van de songs overigens nog ingetogener te zijn. Daar erkenning door de huidige muzikale "hogere machten" (lees: trendsetters) echter uitblijft, zullen we hem voorlopig wellicht nog moeten ontberen in de Lage Landen. Volgens zijn concertagenda geeft hij binnenkort wél een aantal concerten in Engeland. Onder andere met Rod Picott. Wie weet wat er in de toekomst dus misschien toch nog te gebeuren staat... (Liske)

http://www.piercepettis.com/index.php

http://www.compassrecords.com/artists_pettis.html

 

 

KEVIN FOWLER

“Loose, Loud & Crazy”

(Equity Music Group)

(4) J J J J

 

De naam Kevin Fowler prijkt al een tijdje hoog op het lijstje met onze favoriete Texaanse singer-songwriters / countryartiesten. En daar zal, afgaande op hetgeen hij te bieden heeft op zijn nieuwe CD “Loose, Loud & Crazy”, ook niet al te snel verandering in komen ook. Fowler bewijst daarop immers eens te meer als geen ander de kunst te verstaan om good time stuff uit de pen te knijpen. Wie zijn ondertussen zo stilaan tot Texaanse country classic uitgegroeide “Beer, Bait And Ammo” kent, weet precies wat we daarmee bedoelen. Liedjes als het titelnummer “Loose, Loud & Crazy”, dat hij schreef samen met Bart Butler en Jamie Richards, het met een flinke dosis swing geïnjecteerde “Get Along”, het aan twang bepaald geen tekort vertonende rockertje “Ain’t Drinkin’ Anymore”, het met Mark Chesnutt gebrachte “Political Incorrectness”, “Long Neckin’ (Makes For Short Memories)”, het cajuneske “Triple Crown” of de remake van het geestige drinklied “Lord Loves The Drinkin’ Man” nestelen zich meteen knus tussen je oren en nodigen ook gelijk volop uit tot meezingen. En wat te denken van het live ingeblikte “Don’t Touch My Willie”? Daarin houdt de protagonist van het verhaal zijn ogenschijnlijk wat al té opdringerige nieuwe vriendin bij het begin van hun eerste nachtje samen voor om toch maar vooral van zijn Willie af te blijven. Daarvoor kennen ze elkaar immers nog niet goed genoeg… Hilariteit alom natuurlijk als blijkt dat het om zijn exemplaar van Willie Nelsons “Red Headed Stranger” gaat. (Haggard en Jones mogen overigens al wel…)

Om het allemaal maar eens met een in Amerikaanse vakbladen nogal eens opduikend zinnetje te omschrijven: “This record’s got fun written all over it!” En daar nemen wij in dit geval graag genoegen mee!

www.kevinfowler.com

 

 

DAN TYLER

“I Hope”

(Intuit Music)

(3) J J J

 

Dan Tyler is een in Nashville residerende singer-songwriter die na twintig behoorlijk succesvolle jaren als songleverancier voor anderen (als The Nitty Gritty Dirt Band, Eddy Arnold, Bobby “Blue” Bland, The Cox Family, Kenny Rogers, Joni Harms en The Oak Ridge Boys) onlangs eindelijk aan het opnemen van zijn eigen debuut-CD toekwam. En de vraag lijkt gerechtvaardigd, waarom hij daarmee zo lang gewacht heeft, want die eersteling mag er best wel wezen. Elf zelf gepende liedjes telt het door collega-singer-songwriter Joe Pisapia geproduceerde “I Hope”. En daarin leren we Tyler kennen als een zachtgevooisde meesterverteller. Van het volop aan David Goodman refererende reisverhaaltje helemaal bij het begin, “Costa Rica”, over het in één adem met de verkoop van een huis het einde van liefst twee relaties bezegelende “Ernest Day” en het soulvolle, met een streepje keyboards opgeluisterde “Even The Bad Times Are Good” tot het op poëtische wijze in een soort westernjasje gestoken groene gedachtengoed van “I Am The River” of zijn vooruitblik op het ultieme afscheid in het titelnummer, het hapt eigenlijk allemaal zowat even gemakkelijk weg. Noem het maar aangename luistercountry. En daar zal het feit dat hier nogal royaal wordt omgesprongen met bijdragen op klassieke countryinstrumenten als de banjo, de dobro en de steelgitaar wellicht niet geheel vreemd aan zijn.

(p.s.: Wie zich vorig jaar door ons liet leiden om zich “Northern Rain” van Duncan Walters aan te schaffen beschikt daarmee over een aardig referentiepunt.)

www.dantyler.net

CD Baby

 

 

BOB REA

Black Highway

(Shiney Dime Music)

(4) J J J J

 

Een bevriende radiocollega (Bedankt, Ray!) zette ons onlangs op het spoor van Bob Rea. En daar zullen we hem nog wel een poosje dankbaar voor blijven ook. De ons tot hiertoe volslagen onbekende Bob Rea is immers wat je noemt een regelrechte revelatie. De man schrijft fantastische liedjes, hij heeft een zachte, donkerbruine stem, een weinig verwant aan die van door velen precies daarom bewonderde collega’s als John Prine, John Gorka, Jeff Talmadge en Ray Wylie Hubbard, en hij blijkt bovendien ook nog eens een uitstekende gitarist te zijn in de traditie van een Mark Knopfler en een J.J. Cale, zij het dan wel met een over het algemeen wat diepgewortelder rootsgevoel. Eén beluistering van liedjes als het bijzonder sfeervolle titelnummer, het met een snuifje grensexotisme gekruide “What Might’ve Been” en het door zijn enigszins bluesy karakter opvallende “Birmingham” zullen wellicht al wel volstaan om ook jou onvoorwaardelijk voor de muzikale charmes van Rea te doen bezwijken en je dit album onverwijld aan te schaffen. Want dit is, om het met de titel van één van zijn liedjes te omschrijven, gewoon “Magic”.

www.bobreamusic.com

 

 

MARK JUNGERS & THE WHISTLING MULES

“One For The Crow”

(American Rural Records)

(4) J J J J

 

Met zijn werkelijk uitstekende vorige CD “Standing In Your Way” legde de Texaanse singer-songwriter Mark Jungers de lat voor zichzelf erg hoog. Hoe volg je immers een nagenoeg perfect album op? Beter kan moeilijk… Je kan natuurlijk altijd gewoon in herhaling vallen, maar dan loop je uiteraard het risico om daarop te worden afgerekend. En dus koos Jungers eieren voor zijn geld en gooide het roer enigszins om. Met “One For The Crow” gaat hij voor een meer bandgericht geluid. Op die manier hoopt hij de sfeer van zijn live act zo dicht mogelijk te benaderen. Daarvoor liet hij zich assisteren door Lars Goransson, de man die eerder dit jaar de prestigieuze Austin Music Award voor beste producer in de wacht sleepte.

Op een bont gekleurd palet doopt Jungers zijn penseel nu eens in country, dan weer in bluegrass, folk, blues of eerder singer-songwriter georiënteerd materiaal. En het daaruit ontstane werkje is er opnieuw één dat je aandacht meer dan verdient. Opener “Just Can’t Wait” is sprankelende Texaanse roots pop / country met fraai harmonica- en mandolinewerk van respectievelijk Jungers zelf en Wes Green, “Bucky’s Car” dan weer eerder (country)folk met een bluegrassrandje en “Walking Down The Road” en “You Left The First Time” bluesy countryrock. Typisch Texaans singer-songwritermateriaal krijgen we ook opgedist in de story song “Guns & Dust”. En opvallend zijn verder zeker ook de hillbilly folk van het op een Telefunken Magnetophon uit 1960 live in mono opgenomen “Dig”, de een teloorgegane vriendschap bezingende en behoorlijk heftige afsluiter - een gegarandeerde toekomstige live-favoriet – “Fool Like Me” en de melodieuze rootsrock van “Learned By Now”, een ode aan een schijnbaar eeuwig durende jeugd.

Jungers bevestigt dus! En dat is gezien die knappe voorganger al een hele prestatie te noemen…

www.markjungers.com

CD Baby

Miles Of Music

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Modern Day Troubadours”

(3) J J J

“The Grass Is Always Bluer”

(4) J J J J

(Nettwerk)

 

 “Modern Day Troubadours” en “The Grass Is Always Bluer” zijn twee recent bij het Nettwerk-label verschenen thematische verzamelaars. De eerste van de twee focust zoals de titel dat al laat uitschijnen op een aantal hedendaagse zingende en schrijvende medemensen. Al moet je dat vooral niet al te strikt opvatten. Met “Give My Love To Rose” van Johnny Cash zaliger, “Last Goodbye” van ook al wijlen Jeff Buckley en “One More Cup Of Coffee” van Ol’ Bob Dylan zijn immers ook een aantal stukken voorhanden die je nu niet meteen onder die noemer zou verwachten. Als tegengewicht fungeren namen als David Mead (“Beauty”), Sondre Lerche (“Sleep On Needles”), Ed Harcourt (“She Fell Into My Arms”), Jay Farrar (“Barstow”), de lichtjes fantastische en hier onlangs nog besproken Griffin House (“Liberty Line”), Ron Sexsmith (“From Now On”), Matthew Jay (“Let Your Shoulder Fall”), The Devlins (“There’s A Light”), Neil Finn (“Driving Me Mad”), Sam Roberts (“Brother Down”) en Daniel Lanois ( in het met Emmylou Harris gebrachte “I Love You”). Dat resulteert in een sfeervolle collectie luisterliedjes, waarop een mooi evenwicht wordt gevonden tussen materiaal uit de eigen catalogus en andere – vaak wat poppy - songs die er in dit verband wel degelijk toe doen. Alleen jammer dat er – zoals dat bij dit soort collecties wel vaker het geval is – geen nieuw materiaal wordt gepresenteerd. Een pluspunt is dan weer wel, dat een gedeelte van de opbrengsten naar Big Brothers Big Sisters (een organisatie die instaat voor de persoonlijke begeleiding van jongeren in de States) gaat.

Zo’n goed doel is er overigens ook voor “The Grass Is Always Bluer”. Daar is het de veel bekendere Sweet Relief-organisatie die op haar stukje van de koek mag rekenen. En op die op Americana en aanverwante genres toegespitste verzameling krijgen we wel enkele nieuwe nummers voorgeschoteld. Van Shelley Campbell treffen we er “Unsatisfied” op aan, een liedje dat op haar nog te verschijnen album “Blue Ridge Reveille” zal staan, en van de ons voorheen totaal onbekende Nathan het knappe “Sunset Chaser” van zijn op stapel staande CD “Jimson Weed”. Verder materiaal van ondermeer The Jayhawks (“Stumbling Through The Dark”), Radiogram (“Summer Song Summer”), Rhonda Vincent (“Can’t Take It With You When You Go”), The Be Good Tanyas (“Rain And Snow”), Gillian Welch (“No One Knows My Name”), Oh Susanna (“Down By The Quarry”), Jason Ringenberg (en Steve Earle in “Bible And A Gun”), Emmylou Harris (“Deeper Well”), Lucinda Williams (“Car Wheels On A Gravel Road”), Iris Dement (“Our Town”), Iron & Wine (“The Rooster Moans”) en The Old Crow Medicine Show (“Tell It To Me”). De namen vertellen in dit geval zowat het hele verhaal. Een sterke verzameling liedjes, waarvan je er ongetwijfeld al een heleboel in je collectie zult hebben zitten, maar dat neemt niet weg dat dit schijfje voor een uitstekende promotor van het Americana-genre kan doorgaan. Aangenaam luistervoer voor onderweg bijvoorbeeld.

www.nettwerk.com

 

 

JOHNNY BUSH

“HonkyTonic”

(BGM Records)

(4) J J J J

 

Voor het eerst sinds lang lijkt de toekomst Texaanse countrylegende Johnny Bush weer stralend toe te lachen. De man overwon na een jarenlange strijd immers een zeldzame stemaandoening die het hem geruime tijd onmogelijk maakte om op zijn niveau te zingen. En hij is er nu duidelijk klaar voor om de op die manier opgelopen achterstand zo snel mogelijk te gaan inhalen. Op zijn tweeënzestigste klinkt “The Country Caruso” – zijn ooit op basis van zijn vocale lenigheid verdiende koosnaampje - scherper dan ooit en bewijst hij met sprekend gemak dat klassiek gestijlde country ook anno nu nog perfect leefbaar is. Blikvangers op “HonkyTonic”, zijn nieuwe CD, zijn enkele duetten met collega-Texanen als Kevin Fowler (“Ol’ What’s Her Name”), Tommy Alverson (“Jones On The Jukebox”), Stephanie Urbina Jones (“Some People Just Get Lucky”), Cooder Graw (“Gotta Get Drunk”) en vooral ook Willie Nelson (datzelfde “Gotta Get Drunk” en de door Bush zelf geschreven klassieker op Nelsons live-repertoire “Whiskey River”). Maar ook in zijn eentje kan hij het nog hoor! Dat illustreert Bush ondermeer op zwierige versies van “What Made Milwaukee Famous” en “I’ll Be There” en in hartverscheurend mooie slow songs als “The Door”, “Tonight Her Memory’s Raisin’ Hell” en “Puttin’ Out An Old Flame”. In een productie van Bill Green levert de man eigenlijk gewoon één van de allermooiste CD’s van de jongste tijd in zijn genre af. Niks nieuws onder de zon natuurlijk, maar wél country van het type waarvoor honky-tonks ooit in no time volliepen.

www.johnnybush.com

www.bgmnetwork.com

 

 

THOMAS DENVER JONSSON & THE SEPTEMBER SUNRISE

“First In Line EP”

(Kite Recordings)

(4) J J J J

 

 “First In Line” is de eerste single getrokken van het vrijwel in alle uithoeken van Americanaland even lovend onthaalde debuut van de jonge Zweed Thomas Denver Jonsson en zijn band The September Sunrise. Van dat liedje treffen we op dit EP’tje maar liefst twee versies aan. Enerzijds de sfeervolle albumuitvoering, anderzijds een in duet met Rosie Thomas – en met Damien Jurado voor de gelegenheid de harmonica bespelend – opgenomen liveversie, die klinkt als een eigentijdse kijk op Gram en Emmy op hun artistieke hoogtepunt. Verder zijn er nog enkele nieuwe liedjes (het verstilde tweetal “The City And The Outside World” en “Stranger At Ease” – met Thomas Denver Jonsson steeds meer op dezelfde golflengte als de jonge Neil Young) en het aan “Hope To Her” ontleende “24 Seven”. Samen goed voor ruim een kwartier wonderschone alt. country van één van de grootste nieuwe talenten die dit jaar de neus aan het venster staken.

www.thomasdenver.com

www.kiterecordings.com

Miles Of Music

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Closer To The Music”

(Stockfisch Records)

(3) J J J

 

 “Closer To The Music” is een het motto van het Duitse Stockfisch Records perfect illustrerende verzamelaar. Deze Super Audio CD bevat tussen 1998 en 2004 bij het label verschenen muziek van een hele reeks over het algemeen relatief onbekende singer-songwriters. Uitzonderingen wat dat betreft zijn David Munyon, hier vertegenwoordigd met “Words Of Love” van één van zijn twee nieuwe CD’s “Seven Leaves In A Blue Bowl Of Water” en “Save The Whales In Placerville And Hickston” van “Poet Wind”, en de Texaanse chanteuse Sara K., van wie het bluesy “Turned My Upside Down”, het melancholische “The Painter” en het live-duet met Chris Jones “Stop Those Bells” op deze collectie werden opgenomen. Die Jones is trouwens ook zelf nog eens vertegenwoordigd hier met het van wanhoop doordrongen drinklied “Set ‘Em Up, Joe” en het al even desperate “No Sanctuary”, allebei afkomstig van de CD “Roadhouses & Automobiles” en dat lijkt ons op basis van die twee liedjes een stevige aanrader voor singer-songwriterfanaten. Twee liedjes ook van de Brit Mike Silver, met name “Not A Matter Of Pride” en “Angel In Deep Shadow”, een stel akoestische pareltjes van een buitengewoon begenadigde zingende liedjesschrijver-gitarist met een bijzonder fijn oor voor melodieën. Iets wat trouwens ook van Steve Strauss kan worden gezegd. Ook het van hem hier geserveerde tweetal “Mr. Bones” en “Argyle Bridge” staat muzikaal gezien als een huis. Blijven nog over: de folky bijdragen van de in Frankrijk wonende Engelse bard Chris Stephenson (“Captain Of The Loving Kind” en “Moon In The Glass”), het meer vertelde dan gezongen “Hotels & Dreamers” – dat ons heel even aan Ronny Elliott deed denken - en “Wheel Of Fortune” van Allan Taylor en de door de zachte bariton van David Roth gedragen verhalende liedjes “Pearl Diver” en “Before I Die”.

Al bij al een zeer mooie, ook door haar opvallende samenhang uitblinkende collectie singer-songwritermateriaal. Enkel de prijs ervan valt wat tegen. Voor een introductie tot het artiestenaanbod van één label – hoe goed ook - zal wellicht niemand graag het volle pond betalen…

www.stockfisch-records.de

www.in-akustik.com