ARCHIEF CD-RECENSIES SEPTEMBER 2005

 

 

archief

 

januari     februari     maart     april     mei     juni     juli     augustus

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

Corb Lund “Hair In My Eyes Like A Highland Steer”Voice Of The Wetlands (Tab Benoit & others) “Voice Of The Wetlands” - Kevin Gordon “O Come Look At The Burning”Bruce Cockburn “Speechless”James McMurtry “Childish Things”Katy Moffatt “Up Close & Personal”Sufjan Stevens “Illinoise” - Robert McCreedy “It Might Kill You”Ryan Adams & The Cardinals “Jacksonville City Nights”Susan Gibson “OuterSpace”Billie Joyce “One Willing Heart” - Billy Joe Shaver “The Real Deal”Cherryholmes “Cherryholmes” - Grayson Capps “If You Knew My Mind”The Tom Russell Band “Raw Vision” - Various Artists “Brewed In Texas Volume 2”Lantana “Life Is Good” - Valerie Smith & Liberty Pike “That’s What Love Can Do”BoDeans “Homebrewed – Live From The Pabst”Dar Williams “My Better Self”Dyzack “Somewhere There’s A Monkey Laughing” - Claude Diamond “Highway Of Life”The Chapmans “Simple Man” - Kip Boardman “Hello, I Must Be…”Tom Freund & Co. “Sweet Affection”Alastair Moock “Let It Go”Kim Carnes “Chasin’ Wild Trains” - Rod Picott “Travel Log Live 2005 Vol. No. 1”The Farmers “Loaded”Lex Nelissen “Tuin Der Lusten” - One Star Hotel “One Star Hotel”The Resentments “Switcheroo”Two Tons Of Steel “Vegas” - Miss Leslie & Her Juke-Jointers “Honky Tonk Revival”Kimmie Rhodes “Ten Summers” - Nickel Creek “Why Should The Fire Die?”Marty Stuart & His Fabulous Superlatives “Soul’s Chapel”Hanna-McEuen “Hanna-McEuen” - NO Blues “Farewell Shalabiye”Laura Veirs “Year Of Meteors”Shannon McNally “Geronimo”Tim O’Brien “Fiddler’s Green” en “Cornbread Nation”The Walkabouts “Acetylene”Sam Shinazzi “Stories You Wouldn’t Believe”Lorrie Singer & Bradley Kopp “Walk Tall” - Cary Swinney “Big Shots”The Barnshakers “Twenty-One”Letty & Georgia “Plain & Simple” - Josh Lederman Y Los Diablos “Let’s Waste Another Evening”Marti Brom “Sings… Heartache Numbers”Freakwater “Thinking Of You”

 

CORB LUND

“Hair In My Eyes Like A Highland Steer”

(Stony Plain)

(3,5) J J J J

 

 

Alt. C&W? Het zou moeten kunnen! De vanuit het Canadese Alberta opererende cowboy Corb Lund bewijst het tenslotte al zo’n kleine tien jaar lang. Met als voorlopig hoogtepunt zijn in 2002 verschenen derde CD “Five Dollar Bill”. Dat was echt een machtige plaat. “Hair In My Eyes Like A Highland Steer”, zijn nieuwste, is gelijk ook het eerste waarvoor hij niet langer een bandnaam gebruikt. Nochtans zijn z’n Hurtin’ Albertans Kurt Ciesla (bas), Brady Valgardson (drums) en Grant Siemens (gitaren) er nog zeer nadrukkelijk op aanwezig. Met dat in een productie van Harry Stinson (Dead Reckoners, Steve Earle, Lyle Lovett) opgenomen album neemt hij de draad dan ook precies daar weer op waar hij ‘m in 2002 neerlegde. Alleen is het zo, dat men ditmaal klaarblijkelijk alles in het werk heeft gesteld om Lund eindelijk de aandacht te bezorgen die hij al zo lang verdient. Zo bevat de plaat bijvoorbeeld vocale gastbijdragen van groten uit het genre als een Ian Tyson (“The Rodeo’s Over”) en een Ramblin’ Jack Elliott (“The Truck Got Stuck Talkin’ Blues”) en lieten ook steelgitarist Scotty Sanders (Alan Jackson, Kenny Chesney), gitarist Kenny Vaughn (Lucinda Williams, Marty Stuart), fiddlers Stuart Duncan en Tammy Rogers (Dead Reckoners), pianist Gordon Mote (Porter Wagoner) en jodelaars Ranger Doug en Too Slim (Riders In The Sky) zich overhalen om een duit in het zakje te komen doen. Muzikaal gezien klinkt “Hair In My Eyes Like A Highland Steer” dan ook af. En bovendien is het ook nu weer zo, dat Lund bij de invulling van het begrip C&W vooral niet al té bekrompen tewerk heeft willen gaan. Truck songs als “The Truck Got Stuck” en “Hurtin’ Albertan” kunnen zo bijvoorbeeld broederlijk naast een Western swingertje als “Big Butch Bass Bull Fiddle” of eerder traditionele C&W van het genre van het al genoemde “The Rodeo’s Over”, “Little Foothills Heaven” of “The Truth Comes Out”. Maar ook Waylon-eske country rock (“Hair In My Eyes Like A Highland Steer” en “Good Copenhagen”), ludiek opgevatte barcountry (“Always Keep An Edge On Your Knife”), alternatiever overkomend spul (zoals het stomende “All I Wanna Do Is Play Cards” of het zijn naam niet gestolen hebbende “Counterfeiters’ Blues”) ontbreken niet op het menu. Wie zijn country graag wat avontuurlijker lust, moet deze Lund dus beslist eens een kans gunnen.

Corb Lund

Stony Plain

 

 

TAB BENOIT

“Voice Of The Wetlands”

(Rykodisc)

(3,5) J J J J

 

 

“Celebrate the bayou while helping to save it!” Met die gevleugelde woorden worden we uitgenodigd om ons over te leveren aan de nieuwe CD van Tab Benoit. De 37-jarige bluesgitaarvirtuoos blikte dat album in met een soort van Louisiana All-Stars-team bestaande uit Dr. John, Big Chief Monk Boudreaux, Meters-leden Cyril Neville en George Porter, Jr., Anders Osborne, Johnny Vidacovich, Jumpin’ Johnny Sansone en Waylon Thibodeaux. Dat hij zoveel schoon volk op een kluitje verzameld kreeg, heeft wellicht veel zo niet alles te maken met het feit dat “Voice of the Wetlands” vooral bedoeld is als fund raiser voor de gelijknamige non-profit organisatie die begaan is met het lot van de natuur van zijn geboortestreek. Samen staan de betrokkenen garant voor “a hot and spicy New Orleans blues party”, aldus de liner notes en daarvan is geen woord gelogen. Van broeierige Louisiana blues funk (“Bayou Breeze”) tot heerlijke soul (“Louisiana Sunshine”), van jazzy spul (het van een belerend ondertoontje voorziene “Clean Water”) tot dreigende, van de onderhuidse spanning levende swamp blues (“Lightning And Thunder”), van een akoestisch bluesje (“Kiddin’ Me”) tot een lang uitgesponnen classic in wording (“Heart Of Stone”), van een Memhis meets Louisiana-hybride (“We Ain’t Gonna Lose No More (Without A Fight)”) tot een ouderwetse Zuiderse soulbluessleper (“Weary Silent Night”), van vurige cajun (“We Make A Good Gumbo”) tot de bayou countryvariant daarvan (“Louisiana Man”) of Meter-eske funk (“Me Donkey Want Water”), zowat iedereen komt hier aan zijn trekken. En gezien de recente gebeurtenissen in New Orleans is een aanschaf van dit schijfje dan ook meer dan aanbevelenswaardig. Al was het maar om tegemoet te komen aan de welgemeende noodkreet uit opener “Bayou Breeze”: “Don’t let the water wash us away…”

Tab Benoit

Voice of the Wetlands

Rykodisc

 

 

KEVIN GORDON

“O Come Look At The Burning”

(Crowville Collective)

(4) J J J J

 

 

 

“O Come Look At The Burning”, het eerste teken van leven van de uit Louisiana afkomstige singer-songwriter/rootsrocker Kevin Gordon sinds het in 2000 verschenen “Down To The Well”, is een plaat die je van bij de eerste noten van haar openingsnummer “Watching The Sun Go Down” meteen stevig bij je nekvel grijpt om je pas goed vijftig minuten later, na het afrondende “Heart’s Not In It”, weer los te laten. En dan nog… Sterk verslavend spul is het, een beetje vergelijkbaar met het recente werk van John Hiatt: een flamboyante mix van elementen uit R&B, blues, pop en roots rock, gebracht met een verbetenheid die zich bij veel jongere honden vaak ver laat zoeken. Het geheel ontstond onder het waakzame oog van producer Joe McMahan in een huurhuis in het oostelijke deel van Nashville, waar men vijftien van de zestien beschikbare sporen van een ouderwetse tape recorder gebruikte om het in te blikken. Dat verklaart allicht meteen ook het organische karakter van het hier gebrachte materiaal. Veel dichter kan je het geluid van een live performance nauwelijks benaderen, zo lijkt ons. Enkele van de vele hoogtepunten op dit door zijn ongekende intensiteit opvallende album zijn de hortende en stotende blues van “Casino Road”, de als een dreigende onweerswolk voorbijtrekkende de luxe roots rocker “Watching The Sun Go Down” (Waaraan het album ook zijn titel ontleende!), het met de pitbull-attitude van de jonge Graham Parker gebrachte “24 Diamonds”, een soulvolle cover van wijlen Eddie Hintons “Something Heavy” en een al even geslaagde benadering van Willie Dixons “Crazy Mixed-Up World”. Lekker vet gebracht allemaal!

Kevin Gordon

Miles Of Music

 

 

BRUCE COCKBURN

“Speechless”

(Cooking Vinyl / Bertus)

(3,5) J J J J

 

 

Stellen dat Bruce Cockburn één van de bekwaamste singer-songwriters van zijn generatie is, is open deuren intrappen. Met een meer dan drie decennia beslaande carrière als stille getuige hoeft de man zich wat betreft erkenning op dat vlak ook helemaal geen zorgen meer te maken. Veel minder bekend is echter, dat hij naast een echte woordkunstenaar ook een briljante gitarist is. En daar wil men nu via “Speechless” – ondertitel “The Instrumental Bruce Cockburn” – verandering in brengen. Het betreft hier een collage van de mooiste instrumentale momenten die Cockburns platen in het verleden sierden en een aantal speciaal voor deze gelegenheid nieuw ingeblikte nummers. Wat vooral opvalt, is ’s mans eclectische benadering van de akoestische gitaar. Van country blues (“Sunrise On The Mississippi”) tot jazz (het door Django Reinhardt geïnspireerde “Rouler Sa Bosse” en “Rise And Fall” – eerder enkel verkrijgbaar op de Japanse uitvoering van “Breakfast In New Orleans, Dinner In Timbuktu”), van ontspannen finger-pick-werk (“Foxglove”) tot lang uitgesponnen stukken met een uitgesproken filmisch karakter (“Islands In A Black Sky” en “Rise And Fall”), de souplesse waarmee Cockburn deze veelheid aan stijlen dwingt bewondering af.

Nieuwe nummers zijn het meditatieve, op de dobro gebrachte “Elegy”, het ademberovende “The End Of All Rivers”, waarin de Canadees een ingenieus vraag-en-antwoord-spelletje lijkt te spelen met de echo van zijn eigen gitaar, en het slome bluesje “King Kong Goes To Tallahassee”.

Voor de doorsnee-Americana-fan is dit wellicht net iets té zware kost, voor de liefhebber van muzikale haute cuisine echter een des te vettere kluif.

Bruce Cockburn

Cooking Vinyl

Bertus

 

 

JAMES MCMURTRY

“Childish Things”

(Compadre Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Eén van James McMurtry’s sterkste wapens is meteen ook zijn zwakste plek. Zoals zoveel andere singer-songwriters beschikt de zoon van auteur Larry McMurtry (“Terms Of Endearment”, “Lonesome Dove”) over een zeer karakteristieke stem. Of je valt er meteen voor, of je moet ze gewoon niet. Dat zwaar nasale, het is inderdaad wel even wennen. Maar goed, een vergelijkbare stem heeft niet kunnen beletten, dat Lou Reed het tot wereldster schopte, dus waarom zou ze McMurtry voor onoverkomelijke problemen moeten plaatsen. Zeker omdat je al evenmin om de vaststelling heen kan, dat de man tot de allerbeste singer-songwriters van zijn generatie behoort. Dat moesten zelfs zijn meest verstokte tegenstanders toegeven, toen hij vorig jaar in volle verkiezingsstrijd het wrange protestlied “We Can’t Make It Here” als gratis download op zijn eigen website aanbood. Met één forse ademstoot blies hij alle door de regering Bush opgetrokken rookgordijnen met betrekking tot het economische welzijn van zijn thuisland weg. Een echte tour de force. Datzelfde “We Can’t Make It Here”, door auteur Stephen King “het beste Amerikaanse protestlied sinds Dylans “Masters Of War” genoemd, duikt in ongecensureerde versie opnieuw op op zijn nieuwe CD “Childish Things”. En samen met nummers als het lekker rockende en rollende, oorspronkelijk enkel voor Hungry For Music’s Peter Case tribute album bedoelde “Old Part Of Town” - met een met Joe Ely als duet gebrachte versie van de country standard “Slewfoot” de enige vreemde eend in de bijt hier - en het mede door een accordeonbijdrage van Bukka Allen in een bad van weemoed ondergedompelde “Charlemagne’s Home Town” is het daarop ook één van de meest in het oog springende tracks. Verwacht op “Childish Things” overigens geen nieuwe of wereldschokkende dingen van McMurtry. En al zeker geen politieke plaat. De man doet gewoon verder waarin hij zo goed is: het schrijven en op gepaste wijze vertolken van eigenzinnige verhalende liedjes met een kop en een staart. En meer moet dat voor ons eigenlijk ook niet zijn.

James McMurtry

Compadre Records

Sonic Rendezvous

 

 

KATY MOFFATT

“Up Close & Personal”

(Fuel / Varèse Sarabande / Universal)

(3,5) J J J J

 

 

“Up Close And Personal” is Katy Moffatts eerste live-CD. Het geheel werd ingeblikt tijdens een house concert dat de zingende liedjesschrijfster in het najaar van 2002 gaf in Albuquerque, New Mexico. Voor een beperkt publiek en enkel gewapend met een akoestische gitaar en die fantastische stem van haar werkt La Moffatt zich doorheen een set gevuld met eigen nummers, songs geschreven samen met haar broer Hugh en anderen als een Tom Russell, een Rosie Flores en een Wendy Waldeman en liedjes van collega’s als diezelfde Tom Russell, Holly Near, David Halley, Chris Smither en Jimmie Rodgers. Het intimistische karakter van het geheel werpt zich daarbij op als haar grootste troef. Je hebt bijna voortdurend het gevoel er ook zelf bij te zijn, bij te horen. En eigenlijk klonk Moffatt ook gewoon nog nooit zo goed als hier. Op “Up Close & Personal” hoor je emoties op hun puurst! Beheerste vertolkingen van liedjes als het met Tom Russell gepende tweetal “This Heart Stops For Railway Crosses” en “Walkin’ On The Moon”, de klassieker “You Don’t Know Me”, David Halley’s “Further” en Chris Smither’s “Love Me Like A Man” staan garant voor een ogenblikkelijk de kop opstekend warm gevoel vanbinnen. “Warm aanbevolen!” lijkt ons dan ook een uitermate gepaste uitmijter voor dit album dat naast een foutieve track listing eigenlijk geen minpunten kent.

Katy Moffatt

 

 

SUFJAN STEVENS

“Illinoise”

(Asthmatic Kitty Records)

(4) J J J J

 

 

Zelden een dergelijk muzikaal machtsvertoon meegemaakt als op “Illinoise”, de nieuwe van het Amerikaanse godenkind Sufjan Stevens. Je hoort het album als het ware kreunen onder ’s mans eigen ideeënrijkdom. Het lijkt wel alsof we hier met een reïncarnatie van Nick Drake in de gedaante van Van Dyke Parks te maken hebben. En zelfs daarmee is lang nog niet alles gezegd. Stevens koppelt singer-songwriter-werk op literair niveau aan een voorliefde voor orkestrale grootsheid en lonkt terloops ook geregeld naar de roots- en indiepophoek. De prachtigste melodieën worden hier bedolven onder een veelheid aan geluiden. Piano, gitaar, banjo, maar evengoed strijkers, blazers, fluit, vibrafoon en delicate koortjes. Als een soort van moderne pop-Mozart benadert hij de Prairie State, als tweede deel van een 50 staten-concept, waarin eerder ook al “Michigan” (2003) verscheen. Voor het inhoudelijke liet hij zich ditmaal vooral inspireren door het werk van dichter Carl Sandburg. En misschien is daar wel te zoeken naar een verklaring voor het feit, dat veel van de titels van de nummers op “Illinoise” zich laten lezen als kortverhalen. Een voorbeeld: “THE BLACK HAWK WAR, or, How to Demolish an Entire Civilization and Still Feel Good About Yourself in the Morning, or, We Apologize for the Inconvenience but You’re Going to Have to Leave Now, or “I have fought the Big Knives and will continue to fight them until they are off our lands!” Bent u daar nog…?

Afronden willen we met een luistertip: het betreft het met veel oog voor detail over een subtiel piano- en akoestisch gitaarlijntje heen vertelde verhaal van de seriemoordenaar John Wayne Gacy, Jr., samen met het sprookjesachtig aandoende instrumentale intermezzo “To The Workers of the Rock River Valley Region, I Have an Idea Concerning Your Predicament” en het daaropvolgende, met rockgitaren en engelenkoortjes versierde “The Man of Metropolis Steals Our Hearts” wat ons betreft zeker één van de absolute hoogtepunten hier.

Sufjan Stevens

Asthmatic Kitty Records

Miles Of Music

 

 

ROBERT MCCREEDY

“It Might Kill You”

(Eclectone Records / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 

 

Vier jaar is het inmiddels ook alweer geleden, dat de van zijn werk bij de Volebeats bekende Robert McCreedy uitpakte met zijn behoorlijk indrukwekkende solodebuut “Streamline”. In de jaren die sedertdien verstreken was hij ondermeer betrokken bij het realiseren van “Country Favorites”, de laatste van precies die Volebeats, van “Ox” van Dana Thompson en “Seven And Six” van Bellwether. Maar nu is er met “It Might Kill You” dus eindelijk een nieuwe van de beste man zelf. Daarvoor trommelde hij leden van Friends Like These, Big Ditch Road en Bellwether op en ook zijn huidige werkgever, Martin Devaney van Eclectone Records, en Martin Stockert zijn van de partij. Zij blikten samen acht liedjes in, die wezenlijke verschillen vertonen met die van zijn eersteling voor eigen rekening. Dat McCreedy een uitstekende songwriter is, dat wisten we natuurlijk al veel langer. Maar dat hij ook het experiment aandurft, wordt hier pas echt goed duidelijk. Tal van vreemde geluidjes verlenen een wat apart karakter aan zijn over het algemeen eerder herfstig aandoende liedjes, waarin liefdesproblemen nogal eens aan de orde van de dag blijken. Nummers als “Stitch” en het rond een dronken pianootje schuifelende “Frisbee” klinken zo’n beetje als The Blue Nile goes Americana en door het bedrieglijk opgewekt aandoende “It Might Kill You” en het bedwelmende “Victory Garden” waart de geest van The Byrds en tal van andere sixties-gitaargroepjes rond.

Eén groot manco: gezien het prijskaartje dat dezer dagen aan een CD hangt, had McCreedy wel wat meer uit zijn mouw mogen schudden. Het is al erg genoeg, dat oliemagnaten ons onze zuurverdiende centen ongestraft uit de zakken mogen blijven kloppen…

Robert McCreedy

Eclectone Records

Sonic Rendezvous

 

 

RYAN ADAMS & THE CARDINALS

“Jacksonville City Nights”

(Lost Highway / UMG)

(5) J J J J J

 

 

 

Met het eerder dit jaar verschenen “Cold Roses” wist hij ons bij momenten al op het puntje van onze stoel te krijgen, maar voor wat Ryan Adams op “Jacksonville City Nights”, zondermeer zijn het diepst naar zijn country roots gravende plaat tot op heden, presenteert volstaat eigenlijk maar één omschrijving: dit is ontegensprekelijk een meesterwerk, één van die albums waar je al van bij de eerste beluistering van weet, dat je er nog jaren plezier aan zal beleven. Tom Schick tekende voor de productie ervan, The Cardinals waren in licht gewijzigde personeelsbezetting opnieuw bevoorrechte getuigen. Cindy Cashdollar – op “Cold Roses” nog verantwoordelijk voor de steel- en resonatorbijdragen en wat zangpartijen – werd inmiddels vervangen door pedal steel-genie Jon Graboff.

Met oprechte verbazing lieten wij ons meedrijven op de wolk die ons hier van het ene hoogtepunt naar het andere voerde. Van de op z’n Jimmie Dale Gilmore’s over een honky-tonk pianootje en een huilende pedal steel heen gekweelde opener “A Kiss Before I Go” over de vanuit dezelfde hoek van de bar weerklinkende sluitingstijdballade “The End” en de bezadigde rootsrocker “Hard Way To Fall” tot “Dear John”, een dromerig duet met de jonge popjazzgodin Norah Jones, van de gedreven, voorzichtig aan zijn Whiskeytown-dagen herinnerende Americana van “The Hardest Part” over de kippenvelballade “Games”, het – vooral door zijn piano-omkadering - Lennon-eske “Silver Bullets”, de falsetto folk country van “Peaceful Valley” of het herfstige “September” tot het aan traditionele country-iconen als een Faron Young of een Carl Smith herinnerende en nog met Caitlin Cary geschreven “My Heart Is Broken”, van het door een jachtige rockabilly beat aangezwengelde “Trains” over de verstilde C&W van “Pa”, het ijle “Withering Heights” of het op oude folkpatronen geënte “Don’t Fail Me Now” tot de afsluitende bonus track “Always On My Mind”, waarin Adams even in de voetsporen van good old Willie Nelson treedt, u mag ons hier één moment van zwakte proberen aan te wijzen… Neen, dit is zondermeer een kandidaat voor het hoogste schavotje in ons eindejaarslijstje.

Ryan Adams

Lost Highway

 

 

SUSAN GIBSON

“OuterSpace”

(ForTheRecords)

(3,5) J J J J

 

 

Haar naam zal wellicht voor eeuwig en altijd verbonden blijven met “Wide Open Spaces”, het nummer dat door de Dixie Chicks naar de top van de charts werd gezongen en uitgroeide tot één van de best verkochte country singles aller tijden, maar het siert deze jonge Texaanse dat ze zich niet heeft laten verleiden tot het hartstochtelijk werken aan een sequel voor dit megasucces. De zelfbewuste Gibson bleef in de jaren die sedertdien verstreken gewoon resoluut haar eigen weg gaan. Op “OuterSpace”, haar tweede soloalbum – na “Chin Up” uit 2002 - nadat ze de Groobees verliet, illustreert ze opnieuw wat ze wil. En dat is niet enkel als songwriter au sérieux worden genomen, maar ook als vertolker van die eigen liedjes. En op die beide fronten slaagt ze hier met brio.

Voor tal van de nummers op haar nieuwe CD kreeg ze overigens hulp van bekende schrijvende collega’s: voor het ogenschijnlijk autobiografisch opgevatte openingsnummer “Happiest When I’m Moving” bijvoorbeeld van Jim Lauderdale, voor de zwierige moderne country van “Company Man” van Jack Saunders, voor het rootsy Americana-kleinood “Together Strong” van diezelfde Saunders en Randy Scruggs, voor de zweverige (roots)popdeun“Upon Re-Entry” van Billy Burnette en voor het muzikaal gezien (vooral door de accordeonbijdrage van Chip Dolan) enigszins als border song vermomde “Too Big Love” van Yvonne Perea en Delbi Smart. Het voorgaande geeft al aan, dat “OuterSpace” een lekker gevarieerd geheel is geworden. Ergens tussen country, folk, pop en rock nestelt Gibson zich in het gezelschap van gerenommeerde musici als een Jeff Plankenhorn, een Rick Richards, een Darcie Deaville, een Richard Bowden, een Michael O’Connor (van The Great Divide) en een Jack Saunders – om er maar enkele op te sommen – comfortabel tussen je oren. Vocaal kreeg ze hier en daar een hand aangereikt door de engelachtige Ashlee Rose.

Met de centen die ze met het hier in een in 2004 live op het Kerrville Wine & Music Festival opgenomen versie vertegenwoordigde “Wide Open Spaces” verdiende, mag deze Gibson wat ons betreft nog tot het einde van haar dagen platen van deze kwaliteit blijven afleveren. Net zoals dat voor haar grote voorbeelden Shawn Colvin, Suzanne Vega, Tracy Chapman en de Indigo Girls het geval is, zal ze er vroeg of laat ook wel een groot publiek mee gaan bereiken. En geloof ons vrij, dat verdient ze eigenlijk ook dubbel en dik…

Susan Gibson

CD Baby

 

 

BILLIE JOYCE

“One Willing Heart”

(G.I.G. Records / Inbetweens Records)

(3,5) J J J J

 

 

Een eerlijke glimp in de voorbije drie jaren van haar leven, noemt roots chanteuse extraordinaire Billie Joyce haar jongste CD in de inlay daarvan. Het schrijven van liedjes bestempelt ze terloops dan ook als haar manier om te verwerken wat er voor haar in die jaren zoal fout liep op het persoonlijke vlak. Titels als “Season For Being Alone”, “Heart Of A Fool”, “Bring Him Back” en “Romeo” vormen trouwens ook een duidelijke indicatie voor het soort van pijn waarover Joyce het hier voornamelijk heeft. Dankzij haar beurtelings aan Bonnie Raitt en Melissa Etheridge herinnerende manier van zingen en muzikale aanpak levert dat enkele bijzonder pakkende (roots)popmomenten op. Pop, rock, soul en in mindere mate ook blues blues vormen de voornaamste ingrediënten van het op “One Willing Heart” gebodene. En je kan je afvragen, wie ze dan beter in huis had kunnen halen als producer dan de Nederlandse muzikale duizendpoot BJ Baartmans. Baartmans (tal van gitaren, harmonica, keyboards) verzamelde in Léon’s Farm in het landelijke Boekend naast zijn collega’s van het collectief Songwriters United (Louis Van Empel, Eric van Dijsseldonk en Eric Devries – zang) ook nog Stephan van der Meijden (drums, percussie), Gerald van Beuningen (bassen), Mike Roelofs (piano, orgel) en Shelly Miller-Kerwin (zang) om de zangeres heen. Met z’n allen helpen zij Joyce haar ziel blootleggen op een manier die vanaf de eerste tonen van de soulvolle opener, de ballade “Season For Being Alone”, tot de laatste van de breekbare afsluiter “Goodbye Joeie” het nodige respect afdwingt. De door de band genomen als eerder traag te bestempelen nummers vormen daarbij zo ongeveer het ideale vehikel voor de bijzonder energieke en soulvolle stem van Joyce. In het tweetal “Bring Him Back” en “Real Good Man” bewijst deze laatste echter ook wat rockendere bijdragen zeker niet uit de weg hoeven te gaan.

Billie Joyce

Inbetweens Records

 

 

BILLY JOE SHAVER

“The Real Deal”

(Compadre Records / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

De laatste jaren had het er echt alle aanschijn van dat er daarboven eentje druk in de weer was om zoveel mogelijk countrylegendes aan zijn hemelse festival-line-up toe te voegen. Waylon Jennings, June Carter-Cash en haar wederhelft Johnny waren al van de partij en het zag er naar uit, dat Hij ook Billy Joe Shaver, langzaam wegkwijnend van verdriet om het abrupte verlies van zowel zijn moeder, zijn vrouw als zijn zoon Eddie, niet al te lang meer aan zijn mouw zou moeten trekken alvorens die ook zou toezeggen. Maar Shaver zou Shaver niet zijn mocht hij zo gemakkelijk voor de bijl zijn gegaan. Ondanks een wankele gezondheid – met als opvallendste getuigenis een on-stage hartaanval op 4 juli 2001 tijdens een optreden in de vermaarde Gruene Hall in New Braunfels, Texas - stortte de man zich met de moed der wanhoop op een nieuw hoofdstuk in zijn toch al rijk gevulde carrière. En het voorlopige hoogtepunt van die plotse dadendrang is wat ons betreft zondermeer zijn nieuwe CD “The Real Deal”. Daarop horen we een uiterst relaxte Shaver, die in het gezelschap van duetpartners als de nieuwe countryhitmachine Big & Rich, Kevin Fowler, Nanci Griffith, Kimmie Rhodes en Flaco Jimenez een uitstekende vorm etaleert. Voor het eerst ook zelf in de producersstoel plaatsnemend laat de man nagenoeg geen enkele gelegenheid onbenut om er ons van te overtuigen, dat we hem nog lang niet hoeven af te schrijven. Van het hitgevoelige “Live Forever” met die van Big & Rich helemaal bij het begin van het album over de heerlijke ingetogen Americana country van “It Just Ain’t There For Me No More” of “Try And Try Again”, het confessionele “Jesus Christ Is Still The King”, het lijzig swingende “Slim Chance And The Can’t Hardly Playboys” met collega-Texaan Kevin Fowler, het bescheiden rockende “I Changed My Mind” of de kippenvelballades “Valentine” en “West Texas Waltz” met respectievelijk de dames Griffith en Rhodes tot het zelfbewuste statement “(I’m) The Real Deal”, deze Shaver willen we ook helemaal nog niet kwijt! Enkel het naar ons gevoel toch wat al te vroeg op de eindejaarsfeesten mikkende “Feliz Navidad”, een als bonus track aan het einde van het album weggemoffeld duetje met Tex-Mex-koning Flaco Jimenez, had men misschien beter achterwege gelaten. Al kunnen wij ons best voorstellen, dat ook daar wel mensen mee gediend zullen zijn…

Billy Joe Shaver

Compadre Records

Sonic Rendezvous

 

 

CHERRYHOLMES

“Cherryholmes”

(Skaggs Family Records)

(4) J J J J

 

 

Het kan dezer dagen weer niet op: de ene fantastische plaat na de andere schreeuwt om onze aandacht. Met Cherryholmes belanden we daarbij in bluegrass-territorium. Het betreft hier een volbloed-familieaangelegenheid. De eerste, eerder tragische bladzijden van het verhaal van de groep werden geschreven in 1999 toen Shelly, de oudste dochter van Jere en Sandy Cherryholmes, overleed aan ademhalingsproblemen voortkomend uit een chronische hartkwaal. Om hun geesten wat te verlichten in die moeilijke dagen bezochten de overgebleven Cherryholmes samen een bluegrassfestival. En dat beviel zo goed, dat werd besloten om zich collectief ook zelf op deze muzieksoort te storten. En niet zonder succes. Cherryholmes veroverden stormenderhand de harten van vele bluegrassliefhebbers. En dat zou uiteindelijk resulteren in een platendeal met Ricky Skaggs’ platenlabel Skaggs Family Records. Hun debuut voor hun versbakken broodheer – eigenlijk al hun vierde CD - is een uiterst gevarieerde en bijzonder genietbare plaat geworden, die ongebreidelde spelvreugde koppelt aan een virtuoze instrumentbeheersing en kristalheldere zangpartijen. Voeg daar nog aan toe, dat de zes over fantastische pennen beschikken en Ben Isaacs van The Isaacs wisten te overtuigen om het geheel te produceren en alle elementen om tot grootse daden te komen lijken voorhanden. Zeker als zo’n Ricky Skaggs dan ook nog eens even voorbij komt wandelen om hier en daar ook een steentje bij te dragen.

Fantastische (vingervlugge) instrumentals als “Tallahassee”, de medley “Shelley In The Heather/Linda’s Reel” en “Coastline” worden afgewisseld met een stel uitmuntende eigen vocale composities en knappe versies van “Working Girl Blues” van Hazel Dickens, “Workin’ Man (Nowhere To Go)” van Jimmie Fadden en een als heerlijk a capella coda gebracht “No One To Sing For Me” van de Louvin Brothers. Met die vocale krachttoer onderstrepen de Cherryholmes op de valreep nog even op dat vlak één van dé groepen voor de toekomst te zijn. Hier past dan ook maar één conclusie: grote klasse!

Cherryholmes

Skaggs Family Records

 

 

GRAYSON CAPPS

“If You Knew My Mind”

(Hyena Records / Bertus)

(4,5) J J J J J

 

 

September is traditioneel een erg dure maand: de kids die weer terug naar school moeten, de eerste kou die de nood aan warmere kleding voedt, de stookolievoorraad die nog snel moeten worden aangevuld voor Koning Winter weer zijn intrede doet - iedereen heeft wel zo zijn eigen kostenplaatje rond deze tijd van het jaar. Mocht je als liefhebber van het betere singer-songwriterwerk deze maand toch nog aan het kopen van die ene CD toe komen, laat het dan vooral deze zijn. “If You Knew My Mind”, het debuut van de uit het de jongste weken zwaar geteisterde New Orleans afkomstige zonderling Grayson Capps, is immers zondermeer één van dé platen van het jaar. Net als bijvoorbeeld ook een Tom Waits heeft Capps in zijn teksten vooral aandacht voor wat er zich aan de zelfkant van de maatschappij afspeelt. Zijn aandacht gaat daarbij met name uit naar die mensen waar je normalerwijze juist niet probeert op te letten. Anderen doen hun best om te overleven, argumenteert hij, maar zij leven écht, ook al is het dan niet altijd even fraai.

Met een duidelijk al flink door het leven getekende stem haalt hij geregeld rauw uit en roept daarbij beurtelings wijlen Jimi Hendrix en Delbert McClinton in herinnering. Daarnaast weet de man ook aardig zijn weg te vinden op de mondharmonica, tal van gitaren en een enkele keer zelfs ook de drums. Muzikaal gezien situeert hij zich in het land van de swamp blues. Voor de productie tekende hij ook zelf samen met zijn ondermeer voor haar werk met Emmylou Harris en Sheryl Crow bekende wederhelft Trina Shoemaker.

Enkele van de sterkste momenten zijn het beklemmende, door een gemene slidegitaarbijdrage aangejaagde “Mercy”, de soulvolle, door een verschijning uit zijn jeugd in Brewton, Alabama geïnspireerde storysong “A Love Song For Bobby Long” en het met een bijzonder smakelijk stukje harmonicawerk ingeleide openingsnummer “Get Back Up”. Stuk voor stuk zijn het liedjes die je koude rillingen over je ruggengraat jagen. Deze Grayson Capps is gewoon een regelrechte sensatie!

Grayson Capps

Hyena Records

 

 

THE TOM RUSSELL BAND

“Raw Vision”

(Philo / Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

 

“Raw Vision” – ondertitel “The Tom Russell Band 1984-1994 – Vintage Americana” - is een alleraardigste terugblik op de eerste écht grote daden van één van de allerbeste country storytellers van het ogenblik. We horen Russell aan het werk in enkele van zijn vroegste klassiekers, die tussen 1984 en 1994 verschenen op de voor het gerespecteerde Philo-label opgenomen albums “Box Of Visions”, “The Road To Bayamon”, “Poor Man’s Dream”, “Cowboy Real” en “Hurricane Season”. Liedjes als “Gallo Del Cielo”, het nummer waarmee voor de man eigenlijk alles pas goed begon, “Navajo Rug”, dat andere duet met Ian Tyson en ondermeer ook bekend in een mooie uitvoering van Jerry Jeff Walker, het ooit nog door Johnny Cash opgenomen “Veteran’s Day”, het met Dave Alvin van The Blasters gepende “Haley’s Comet” of de Tom Pacheco co-write “Purgatory Road”, om er maar een paar te noemen, blijken ook jaren na dato nog in blakende gezondheid te verkeren en absoluut niets aan charme te hebben ingeboet. Voor de fans van het eerste uur zijn er naast twaalf oude bekenden bovendien ook nog enkele leuke extraatjes voorzien: “Oil Field Girls” en het met Greg Trooper gedeelde “Hong Kong Boy” zijn zo een stel voorheen niet verkrijgbare demo-opnames en het afsluitende “Denver Wind” zelfs een niet eerder uitgebrachte afgewerkte song (stammend van de “Poor Man’s Dream”-sessies). Wij spreken in zo’n geval graag van een voorbeeldige “Best Of”.

Tom Russell

Rounder Europe

 

 

VARIOUS ARTISTS

“Brewed In Texas Volume 2”

(Compadre Records / Sonic Rendezvous)

(3,5) J J J J

 

 

Wij mogen ze wel, die thematische verzamelaars van het Texaanse Compadre Records. Niet dat ze nu meteen uitpuilen van het wereldschokkende materiaal, dat nu ook weer niet, maar bijzonder lekker is het allemaal wel. Typische autoplaten zijn het eigenlijk. Je kent dat gevoel wel, ruitje naar beneden en ondertussen gezellig mee neuriën met de muziek op de stereo, die lange ritten zo een veel korter karakter lijkt te verlenen. Heerlijk afwisselende gehelen met hoge amusementswaarde zijn het, die hun meerwaarde vooral verdanken aan een aantal onuitgegeven nummers. In dit geval – in concreto volume 2 van “Brewed In Texas” - zijn dat aan het thema drank opgehangen bijdragen van de Randy Rogers Band (een cover van de Gary Stewart-hit “She’s Actin’ Single (I’m Drinkin’ Doubles)”), Chance, The Lost Trailers, Bob Schneider, Honeybrowne, Rick Treviño en Ray Wylie Hubbard. Vooral de nieuwe nummers van die twee laatsten zijn zeer de moeite. Treviño haalt met “Another Six Pack Under” een zwierig modern honky-tonkertje van stal en Hubbard excelleert in het bluesy “The Way Of The Fallen Is Hard”. Andere betrokkenen zijn ondermeer ook nog Charlie Robison (met zijn hit “Barlight”), Jason Boland & The Stragglers (“Drinkin’ Song”), Kevin Fowler (met de werkelijk onweerstaanbare meezinger “The Lord Loves The Drinkin’ Man”), Roger Creager & Radney Foster (met het ongemeen komische swingertje “I Say When I Drink What I Think When I’m Sober”), The Derailers (met hun onvervalste retro honky-tonk-kraker “Bar Exam”), Gary P. Nunn (met het zomerse niemendalletje “Corona Con Lima”), Asleep At The Wheel (“The Letter (That Johnny Walker Read)”), Billy Joe Shaver (“Drinkin’ Back”), de Old 97’s (“Niteclub”), Flaco Jimenez (“En El Cielo No Hay Cerveza (In Heaven There Is No Beer)” – met zelfs even een charmant mondje Nederlands), Townes Van Zandt (“Talking Thunderbird Blues”), Trish Murphy (“Scorpio Tequila”) en Guy Clark (“Out In The Parking Lot”). Van ouderwets degelijk singer-songwritermateriaal over Tex-Mex, Western swing, country en bluesy Americana tot recht-toe-recht-aan rock Lone Star State-stijl, het kan hier allemaal broederlijk naast elkaar. Enkel het gerapte en wat ons betreft terecht helemaal aan het einde van de CD weggemoffelde “I Came To Drink” van Chance had men misschien beter helemaal achterwege kunnen laten vanwege volstrekt overbodig. Voor ‘t overige echter absoluut geen kwaad woord over deze collectie Texaanse dronkemansliederen.

Compadre Records

Sonic Rendezvous

 

 

LANTANA

“Life Is Good”

(Management 101 Records)

(2) J J

 

 

Niet te verwarren met de stergitarist die met hits als “Samba Pa Ti”, “She’s Not There” en “They All Went To Mexico” de halve wereld aan zijn voeten kreeg! Lantana is de naam – met een L that is. Het betreft hier drie Texaanse schonen die ondanks een nadrukkelijke verwijzing naar hun geografische afkomst middels de karakteristieke vlag op de inlay van hun CD-debuut “Life Is Good” net iets té opzichtig lonken naar succes in Nashville. Met poppy country genre Shedaisy en co dan nog… Enkel met een liedje als het aan hun thuisstaat gewijde “Texas”, waarin – zij het ook maar met mondjesmaat – ook wat traditioneel aandoende elementen zitten verwerkt vermogen ze ons (heel) even te bekoren. Geen spek naar onze bek dus. Next please!

Lantana

CD Tex

 

 

VALERIE SMITH & LIBERTY PIKE

“That’s What Love Can Do”

(Bell Buckle Records)

(3,5) J J J J

 

 

Valerie Smith debuteerde al in 1998 met de CD “Patchwork Heart”. Dat album, het eveneens door Alan O’Bryant van de Nashville Bluegrass Band geproduceerde “Turtle Wings” uit 2000 en “No Summer Storm” uit 2002, haar eerste samenwerking met haar huidige band Liberty Pike, leverden haar sedertdien al tal van onderscheidingen op. Toch geniet Smith buiten echte kennerskringen nog lang niet dezelfde naambekendheid als bijvoorbeeld een Alison Krauss, een Rhonda Vincent of een Claire Lynch. Aan het gebrachte materiaal of aan de vocale kwaliteiten van de zangeres zal het nochtans niet liggen. Met haar lichtjes naar het hese overhellende stem beschikt Smith over één van de allermooiste binnen de actuele bluegrass scene. En aan John Wesley Lee (mandoline, mandola), Jessica Lee (bas), Matt Leadbetter (harmonieën) en Becky Buller (viool, clawhammer banjo, harmonieën) heeft ze ook een stel werkelijk uitstekende uitstekende begeleiders.

Vreemd genoeg kennen nogal wat Americana-liefhebbers Valerie Smith al wel. En dat heeft wellicht dan weer alles te maken met haar nogal gevarieerde aanpak. Wat zij en haar begeleiders brengen valt weliswaar nog duidelijk onder de noemer traditionele bluegrass, maar ze houdt van veel muziekjes en dat zullen we geweten hebben ook. Openingsnummer “Heaven Is Waiting” - één van de liefst drie door Becky Buller aangedragen liedjes hier - heeft zo duidelijk een Americana feel, “Fill My Every Need” twijfelt tussen bluegrass en (singer-songwriter) country, het in duet met Matt Leadbetter gezongen “In Those Mines” is een old-timey mijnwerkersdeuntje, “Engineer” neigt voorzichtig naar blues, “Buzzed” doet hetzelfde met jazz en “Falling” heeft zelfs een licht exotisch ondertoontje. Het songmateriaal van Buller, Megan McCormick, Sarah Majors, Lisa Aschman, Brad Davis, John Lowell en Jimmy Headrick is überhaupt erg sterk. En dan hadden we het nog niet over het door Smith zelf en haar echtgenoot Kraig gepende titelnummer, een zomerse, bijzonder radiovriendelijke ode aan l’amour, en een ingenieuze medley van de traditionals “Rocky Island” en “Sally Goodin”. Samen met de wervelende bluegrass pur van “Thunder Clouds Of Love” zijn dat zeker twee van de absolute hoogtepunten van dit ronduit uitstekende album.

Valerie Smith & Liberty Pike

Bellbuckle Records

 

 

BODEANS

“Homebrewed – Live From The Pabst”

(Back Porch / Virgin / EMI)

(3,5) J J J J

 

 

Precies tien jaar na de bestseller “Joe Dirt Car” pakken de BoDeans met een tweede live-album uit. “Homebrewed” is een keurig over twee CD’s verdeelde concertregistratie van een optreden dat de ondertussen ook alweer twintig jaar op de planken staande heren op oudejaarsavond 2004 afwerkten in het historische Pabst Theater in Milwaukee, WI. De vooral voor hun werk op het Slash-label – thuishaven van ondermeer ook de Blasters, de Del Fuegos en Los Lobos – in de jaren tachtig bekende rootsrockers illustreren daarop zowat in de vorm van hun leven te verkeren. Sam Llanas (akoestische gitaar en zang), Kurt Neumann (elektrische gitaar en zang), Bob Griffin (bas) en gasten Bukka Allen (keyboards en accordeon) en Kenny Aronoff (drums) schudden de ene melodieus rockende parel na de andere uit de mouw en bevestigen zodoende wat we na “Resolution”, hun “retour de force” uit 2004, al luidop meenden te mogen vaststellen, met name dat de BoDeans weer helemaal terug zijn van even weggeweest. Zeven van de veertien nummers van die plaat treffen we trouwens ook op de track listing van “Homebrewed” aan. De andere elf liedjes hier laten nog even hun glorieuze dagen van weleer herleven. Laten we het in dit verband dus maar houden op een voorbeeldige live-plaat, die zeker de liefhebbers van de muziek van een rockende Springsteen, een Little Steven of de jonge Mellencamp eens een beurt zouden moeten gunnen, ze zullen het zich vast niet beklagen…

Enkele vrijblijvende luistertips van onzentwege: de door Bukka Allen met een streepje accordeon opgeluisterde power ballad “If It Makes You” en het vinnige de luxe feestrockertje “Texas Ride Song”.

BoDeans

Back Porch Records

 

 

DAR WILLIAMS

“My Better Self”

(Zoë / Rounder Europe / Munich)

(4) J J J J

 

 

Met haar zesde CD, het in Woodstock, NY opgenomen “My Better Self” – “a political album in the most personal way,” aldus de zangeres zelf - bewandelt Dar Williams resoluut verder het pad dat ze met de voorganger daarvan, het bijzonder innemende “The Beauty Of The Rain” uit 2003, al had ingeslagen. Steeds nadrukkelijker zoeken haar moderne folkliedjes daarop aansluiting bij wat er in Popland anno nu reilt en zeilt. Onder de hoede van producer Stewart Lerman (The Roaches, Loudon Wainwright III) blikte ze opnieuw dertien van gewoon zeer goed tot ronduit fantastisch variërende songs in. Het grote merendeel daarvan stamt als naar goede gewoonte uit de eigen koker. Enkel de als duetten met respectievelijk Ani DiFranco en Marshall Crenshaw gebrachte covers van Pink Floyds “Comfortably Numb” en Neil Youngs “Everybody Knows This Is Nowhere” en het door Jules Shear, Rob Hyman en producer Lerman aangedragen “Echoes” vormen wat dat betreft uitzonderingen. Popmeister Crenshaw horen we overigens ook nog terug in het springerige, aan iets van Richard Thompson verwante openingsnummer “Teen For God” en in het melodiegewijs aan Natalie Merchant en haar 10,000 Maniacs herinnerende “Beautiful Enemy”. Collega Patty Larkin helpt van haar kant dan weer een handje mee in een soulvolle ode aan de door New York stromende Hudson en Soulive bezielt in het al even passioneel gebrachte “Two Sides Of The River”. Net zoals zo ongeveer alles waaraan Williams zich op “My Better Self” waagt schreeuwen die songs om de nodige radioaandacht. Het zou ons dan ook in het geheel niet verbazen mocht ze er een royaal aantal van gaan verkopen. De cover trekt alvast ook de aandacht. Met een speels uitgestoken tong - blauw na het nuttigen van een toverbal – komt ze ook daarop meteen zeer sympathiek over…

Dar Williams

Rounder Europe

 

 

DYZACK

“Somewhere There’s A Monkey Laughing”

(Munich Records)

(3,5) J J J J

 

 

Met Dyzack belanden we in de eredivisie van het behoorlijk uitgebreide peloton Nederlandse singer-songwriters. Op zijn nieuwe CD acteert de Haagse zanger-gitarist Erik Hofland ontegensprekelijk op internationaal niveau. Puntige, het experiment allerminst uit de weg gaande songs, rauwe, doorleefde zang, messcherp gitaarwerk - hij maakt het een mens bepaald niet gemakkelijk, maar dat moet natuurlijk ook niet. Door de intensiteit van de gebrachte nummers word je vanzelf wel zijn leefwereld binnen gezogen. Het heeft bij momenten allemaal iets bevreemdends, iets benauwends ook wel. De verder nog uit Arie van Duyvenvoorde (bas), Detlef Tividor Villerius (drums) en Marcel Cuypers (klarinet) bestaande groep tekent voor een geluid waarin pop, rock, blues en psychedelica keurig hand in hand gaan.

Opvallend is trouwens ook, dat zowel Villerius als van Duyvenvoorde ook als songleverancier aan de bak mogen komen. De eerste doet dat met het aanstekelijke Clash meets Cash-rockertje “Oh Susanne”, laatstgenoemde met de neurotische blues van “Traveller”, samen met het dromerige, zijn titel helemaal waarmakende “Lazy Sway” en het ijl-bezwerende “A Thousand Days” enkele van de sterkste momenten van de plaat. Een beter bewijs voor het feit dat Dyzack eigenlijk gewoon een groep is had men nauwelijks kunnen leveren.

Dyzack

Munich Records

 

 

CLAUDE DIAMOND

“Highway Of Life”

(Vettset Music)

(4) J J J J

 

 

 

Je plaatdebuut maken op je vijfenzestigste, geef toe, het is niet velen gegeven… Toch was het precies dat wat Claude Diamond vorig jaar deed met zijn CD “Diamond Dust”. Diamond proefde voor het eerst van een muzikantenbestaan in de late fifties, toen hij met het brengen van blues en rockabilly songs zijn brood trachtte te verdienen in Mississippi honky tonks in de omgeving van Natchez en Hattiesburg. Toen hij in 1960 afstudeerde werd zijn muzikale droom echter voor onbepaalde tijd weer opgeborgen. Tot vorig jaar dus! Met “Diamond Dust” verdiende hij zich toen al snel een stek in diverse roots airplay charts en vergelijkingen met groten in het vak als een John Prine en een Billy Joe Shaver.

En terecht ook, zo blijkt ook weer op zijn tweede CD “Highway Of Life”. Stemgewijs is een vergelijking met de John Prine van de laatste jaren echt wel heel voor de hand liggend. En ook tekstueel gezien sluit ’s mans aanpak dicht aan bij de manier van werken van die oude grootmeester. Het leven van alledag vormt ook Diamonds voornaamste inspiratiebron en net als Prine bedient hij zich afwisselend van een lach en een traan bij het optekenen van zijn verhaaltjes. Met elf nieuwe originals bevestigt hij in elk geval al het goede wat zijn eersteling al deed vermoeden. Naast eerder klassiek singer-songwritermateriaal (“Nashville Train” en “Someone I Need”) vormen country (“Highway Of Life” en “Her Old Address”), bluegrass (“Little Copper Wine”), cajun (“Out On The Sault”) en blues (“Talking To Strangers” en “Bluesy Blues”) de voornaamste bestanddelen van zijn smakelijke muzikale stamppot.

Warm aanbevolen!

Claude Diamond

CD Baby

 

 

THE CHAPMANS

“Simple Man”

(Pinecastle)

(3,5) J J J J

 

 

 

Het voorheen nog als eerder oerconservatief te bestempelen bluegrasswereldje onderging de laatste jaren een grondige facelift. Steeds meer jonge honden trachten het genre een stevige schop onder de kont te verkopen om het zodoende ook in het nieuwe millennium leefbaar te houden. De vernieuwingsdrang van sommigen kent daarbij nauwelijks grenzen. Acts als Nickel Creek, de Hackensaw Boys en Old Crow Medicine Show – Om er maar enkele te noemen! - schuwen het experiment absoluut niet en bepalen daarmee in grote mate mee de maatstaf die je als recensent gaat hanteren om andere nieuwkomers te wikken en te wegen. En dan blijkt al snel, dat wie zich eerder voorzichtig opstelt voortaan wel eens te licht zou kunnen worden bevonden. Terecht of niet, dat is dan nog maar de vraag. Neem nu zo’n groepje als The Chapmans. In 2002 wonnen Bill, John, Jason en Jeremy Chapman nog de felbegeerde titel van “Emerging Artist Of The Year” van de IBMA (International Bluegrass Music Association), maar vandaag de dag vallen ze nauwelijks nog op tussen zoveel aanstormend talent. En da’s eigenlijk best jammer, want hun nieuwe CD “Simple Man” – Hun derde! - heeft eigenlijk zo ongeveer alles wat je van een goede bluegrass-CD verwachten mag. De gebrachte composities zijn zonder uitzondering van uitstekende kwaliteit, de samenzang is bij momenten echt briljant, de vier zijn meesters op hun instrumenten en met de van Ricky Skaggs’ Kentucky Thunder bekende producer Darrin Vincent en de al even gerenommeerde Gary Paczosa haalde men ook voor de afwerking echte keien in huis. Voeg daar nog aan toe, dat collega’s als Ron Block van Union Station, Stuart Duncan van de Nashville Bluegrass Band, Andy Leftwich van Kentucky Thunder, dobrovirtuoos Rob Ickes van Blue Highway, fiddler Aubrey Haynie en Sonya Isaacs ook even langsliepen, dan begrijp je, dat “Simple Man” het minstens zo veel als pakweg de nieuwe Nickel Creek verdient om onder je aandacht te worden gebracht. En toch gebeurt dat niet. Waarom? Té braaf misschien in de ogen van velen? Laat je daardoor echter vooral niet misleiden! Liedjes als het al van George Jones bekende en bijna in wanhoop verzuipende “Sometimes You Just Can’t Win”, het hartverscheurend mooie, door een verkeersongeval tragisch aflopende liefdesverhaaltje “Jeanny And Tommy” of het bij Jimmy Martin geleende “You’ll Be A Lost Ball” mogen dan al wat traditioneler opgevat zijn en geregeld toenadering zoeken tot het countrygenre, het zijn en blijven bovenal schoolvoorbeelden van gedreven muzikaal vakmanschap.

The Chapmans

Pinecastle Records

 

 

KIP BOARDMAN

“Hello, I Must Be…”

(Mesmer Records)

(4) J J J J

 

 

Een instant classic noemden we zijn in 2003 verschenen debuut “Upon The Stars” hier en eigenlijk geldt dat ook wel voor de opvolger daarvan. Op het door R. Walt Vincent en Tony Gilkyson geproduceerde “Hello, I Must Be…” grossiert Kip Boardman immers opnieuw in liedjes die zich al meteen van bij de eerste beluistering knus tussen je oren nestelen. Met uitzondering van een eigenzinnige herinterpretatie van de Steely Dan-klassieker “Dirty Work” gaat het daarbij opnieuw uitsluitend om eigen nummers. Boardman (zang, bas, piano, Wurlitzer, banjo) weet daarin als geen ander de essentie van de country rock van de jaren zeventig te vertalen naar het hier en nu. In het gezelschap van ex-Lone Justice-leden Tony Gilkyson (elektrische en akoestische gitaren, banjo) en Don Heffington (drums, percussie) streelt hij voortdurend je zinnen met werkelijk wonderschone Americana. De ballades “What Are Clouds?” – met zalige backing vocals van Kristin Mooney en hier en daar een zeer functioneel streepje harp van Arturo Gerst - en “Life Would Leave Us” laten zich zo bijvoorbeeld omschrijven als het soort van liedjes waarin de Jayhawks ooit ook meesters waren, het op een broeierig orgeltje zwevende “Losing Streak” barst van zijn kant dan weer van de (country)soul, het eerder al even vermelde “Dirty Work” herinnert aan de hoogdagen van Gram Parsons en de Flying Burrito Brothers en “Spin Me Around” groeit mede door het ingenieuze arrangeerwerk van de grote Van Dyke Parks uit tot een soort alt. country-dronkemanswalsje. Enkel het venijnige “Good Place To Hide”, een rockertje waarin ook Beth Hart even haar opwachting maakt, had Boardman wat ons betreft beter achterwege kunnen laten. Het vormt gewoon een té grote stijlbreuk met de rest. Voor het overige is dit echter weer één waar feest voor het oor!

www.kipboardman.com

Miles Of Music

 

 

TOM FREUND & CO.

“Sweet Affection”

(Surf Road Records / Candy Tangerine)

(3,5) J J J J

 

 

“Sweet Affection” is de titel van het ook alweer vierde album van de man waarover Graham Parker zich nog niet zo heel erg lang geleden liet ontvallen, dat hij samen met Lucinda Williams de beste singer-songwriter van het ogenblik was. Eigenlijk betreft het een in twee grote delen uiteenvallende mini-CD. De eerste helft ervan bestaat uit drie voortreffelijke nieuwe studionummers, de tweede uit vijf in Santa Monica tijdens een Sweet Relief-benefiet opgenomen live-nummers. De helft van de inkomsten voortkomend uit de verkoop van dit geheel zullen door Freund trouwens ook worden afgestaan aan dat ondertussen zo’n tien jaar geleden door Victoria Williams opgerichte fonds, dat zich bekommert om het lot van aan ziekte ten prooi gevallen artiesten.

En wat schaft de muzikale pot hier concreet? Laat ons eerst de studiohelft maar eens even onder de loep nemen. Openingsnummer “Sweet Affection” is een fraai streepje radiovriendelijke pop, “Gentleman Of The Shade” een herfstige, met Victoria Williams gedeelde ballade en “The Duration” een slepende Americanadeun van het type waarop Freund wel een patent lijkt te hebben. Het live-gedeelte bevat naast knappe versies van de titelnummers van ’s mans CD’s “Sympatico” en “Copper Moon”, “Old N’ In The Way” en “Francie” – met een ingenieuze mandoline wah wah solo van Freund zelf – ook een heel apart duet met Victoria Williams. Freund had al te kennen gegeven, dat hij “Can’t Cry Hard Enough” samen met haar wou brengen, toen ze plots weer een hevige MS-aanval kreeg. De organisator van de benefiet reageerde daarop echter zeer alert. Hij belde Victoria met zijn GSM op, schoof die in Freunds handen en was op die manier verantwoordelijk voor een klein technisch wonder. Het - voor zover wij weten althans – eerste GSM-duet was een feit. Freund zingt zijn partijen gewoon live “en plein public” en weet die telefoongewijs beantwoordt door La Williams. En het rare van de zaak is, dat het allemaal nog werkt ook…

Tom Freund

CD Baby

Sweet Relief

 

 

ALASTAIR MOOCK

“Let It Go”

(CoraZong Records)

(4) J J J J

 

 

Even het lijstje met namen overlopen met wie de jonge Alastair Moock de jongste jaren de affiche deelde zou moeten volstaan om je ervan te overtuigen dat hij heel wat in zijn mars heeft. Openen voor of optreden met mensen als Greg Brown, Peter Case, Kasey Chambers, Slaid Cleaves, Marshall Crenshaw, Ramblin’ Jack Elliott, Mary Gauthier, Patty Larkin, Lynn Miles, Carrie Newcomer en Bill Morrissey – om er maar een paar te noemen – doe je immers niet als je niet uit het goede hout bent gesneden. En als je gerespecteerde collega’s als Mark Erelli, Ellis Paul, Tracy Grammer en wijlen Dave Carter bovendien ook nog eens bereid weet te vinden om op je platen mee te doen, dan illustreert dat alleen nog maar meer dat je in kennerskringen een serieuze mate van respect geniet. Een waardering die Moock op basis van drie eerder uitgebrachte albums (“Walking Sounds” uit ‘97, “Bad Moock Rising” uit ‘99 en het in 2002 verschenen “A Life I Never Had”) overigens ook al ruimschoots waard bleek. Met zijn schuurpapieren, een weinig aan de jonge Waits en Steve Forbert herinnerende stem bracht hij daarop een folk-Americana hybride van het betere soort. Die albums bulkten van de prachtige singer-songwriterdeuntjes en catapulteerden Moock al snel naar de status van veelbelovende nieuwkomer in de Boston scene en later ook ver daarbuiten.

En nummer vier in het rijtje, het onlangs verschenen “Let It Go”, bevestigt al het goede wat die drie voorgangers al deden vermoeden. In een productie van Michael Dinallo (Radio Kings) kiest Moock ditmaal wel voor een iets steviger geluid. Americana, folk en tot z’n naakte essentie herleide roots rock vormen de ideale muzikale achtergrond voor zijn uit het leven gegrepen liedjes. De aardig rockende opener “My Famous Leaving Song” – met vinnig mondharmonicawerk van Mark Erelli – had zo bijvoorbeeld wel van Steve Earle kunnen zijn, “Standing At Five Corners” en “Red Ribbon Waltz” bloeien dankzij een vocale samenwerking met collega Kris Delmhorst open tot respectievelijk potente Americana folk(rock) en een countrygetinte trage en titelnummer “Let It Go” is gewoon lekker twangy rootsrockspul. Stuk voor stuk ijzersterke songs en zo treffen we er hier wel meer aan. Nauwelijks nog weg te branden uit onze CD-speler daardoor dit album.

De door het kleine, maar fijne Nederlandse label CoraZong Records op de markt gebrachte versie van het album biedt overigens naar goede gewoonte enkele leuke extraatjes. In dit geval zijn dat de drie bonus tracks “I Got A Friend”, “Home Is Where The Heart Is” en “1913 Massacre”.

Alastair Moock

CoraZong Records

 

 

KIM CARNES

“Chasin’ Wild Trains”

(CoraZong Records)

(3,5) J J J J

 

 

Kim Carnes ken je wellicht nog wel als de schuurpapieren stem achter het fraaie pophitje “Bette Davis Eyes” ergens aan het begin van de jaren tachtig. Dat liedje en het erbij horende album “Mistaken Identity” zouden haar voor eens en voor altijd met het predikaat “vrouwelijke Rod Stewart” opzadelen. En met wisselend succes zou ze in de jaren die volgden nog tal van zeer mooie dingen aan – toen nog – vinyl toevertrouwen, maar dan werd het plots heel erg stil rond Carnes. Pijnlijk enerzijds, maar anderzijds stelde het haar ook wel in de gelegenheid om eens serieus te gaan herbronnen. En zo geschiedde dan ook.

Voor haar nieuwe album nam ze zich ruimschoots de tijd. Ze zocht en vond geschikte schrijfpartners in mensen als Chuck Prophet, Kim Richey, Matraca Berg, Al Anderson, Jeff Hanna (Nitty Gritty Dirt Band), Angelo en Anders Osborne. En dan weet je ’t wel zo ongeveer, he? Op het in Nashville ingeblikte “Chasin’ Wild Trains” profileert La Carnes zich inderdaad geheel en al anders als op haar eerder plaatwerk. Ze verdient met haar nieuwe CD wat ons betreft een plaatsje ergens in de buurt van grote madammen als de hier eerder al even vermelde Kim Richey. Rootsy pop en country vormen immers voortaan de sleutelwoorden tot haar oeuvre. Laat je verrassen door het met rinkelende gitaartjes opgeluisterde “All About Time”, het ronduit verbluffend mooie, samen met de onvolprezen Chuck Prophet gebrachte “Lucid Dreams”, de al even fraaie ingetogen rootspop van het mede door Anders Osborne gedragen “Runaway” en het met Matraca Berg ingezongen “If I Was An Angel” of het lekker wegrockende “You Made My Skin Burn” en je zal het al snel met ons eens zijn, dat we hier te maken hebben met een zeer aangenaam weerzien. Het mooiste liedje hebben we dan overigens nog niet eens vermeld. Dat is wat ons betreft immers het met een speels accordeon ingekleurde “Too Far Gone” dat Carnes samen met Kim Richey pende. Deze laatste en Matraca Berg waren bovendien ook van de partij bij de opname ervan. En dat helpt natuurlijk ook…

Kim Carnes

CoraZong Records

 

 

ROD PICOTT

“Travel Log Live 2005 VOL. NO. 1”

(Welding Rod Records)

(4) J J J J

 

 

Met drie albums in amper 4 jaar tijd wist Rod Picott zich spelenderwijs tot één van onze favoriete singer-songwriters van het ogenblik op te werken. En met ons die van vele anderen in de Lage Landen ook, geloof ons daarin vrij. Die aangenaam gruizige stem, die songs… Wat een aanwinst was hij ook! “Tiger Tom Dixon’s Blues” uit 2001, “Stray Dogs” uit 2002 en “Girl From Arkansas” van vorig jaar, stuk voor stuk zijn het platen die je met plezier terug op blijft leggen. En aan dat lijstje mag je nu ook het op 1000 exemplaren gelimiteerde “Travel Log Live 2005 Volume No. 1” toevoegen. Picott nam het album op 13 en 14 juli van dit jaar op in de Evening Muse in Charlotte, NC. Zelf was hij slechts gewapend met een stel goed geoliede stembanden en zijn akoestische gitaar en verder duldde hij enkel het gezelschap van Matt Mauch, die met bijdragen op dobro en lap steel en hier en daar wat harmony vocals subtiel accentjes plaatste precies daar waar een liedje er om vroeg. In al hun naaktheid klinken de nummers van Picott hier eigenlijk beter dan ooit. Klassiekers van zijn repertoire als de titelnummers van zijn drie vorige CD’s, het breekbare “Angels And Acrobats”, het ook van Slaid Cleaves bekende “Broke Down”, het al even ijzersterke “I Coulda Been The King” of “Torn In Two” varen wel bij deze noodgedwongen “minder is meer”-aanpak. Het enige wat je tegen deze fraaie akoestische live-collectie zou kunnen inbrengen is dat er wat weinig nieuwe nummers op staan. Enkel “You Can’t Talk To Me Like That Anymore” – voorheen enkel verkrijgbaar op de SpydaRadio-compilatie “Caught In The Net” – zullen de meeste fans van de man nog niet op de plank hebben staan. Maar goed, misschien bewaart Rod die nieuwigheden wel net voor een volgend volume. (Hoop doet leven!)

Rod Picott

 

 

THE FARMERS

“Loaded”

(Clarence Records)

(3,5) J J J J

 

 

2005 groeit stilaan uit tot een topjaar voor wie zat te wachten op de revival van een aantal alt. country-oeracts. Son Volt nieuw leven ingeblazen door Jay Farrar, de Knitters terug van weggeweest en nu ook de Beat Farmers aan een reïncarnatie toe… Het kan al tellen! Overigens dien je nu niet meteen op zoek te gaan naar een nieuwe van de Beat Farmers onder die naam. Bij wijze van ultiem eerbetoon aan de in 1985 overleden bezieler van de groep, de legendarische Country Dick Montana, besloten de bandleden van de nieuwe editie Buddy Blue, Joel “Bongo” Kmak, Rolle Love en Jerry Raney immers het woordje Beat uit de naam te laten vallen. Zonder Montana zou het sowieso allemaal niet meer hetzelfde zijn. Nochtans is het zo, dat deze onder de productionele hoede van Sven-Erik Seaholm opgenomen comebackplaat nog heel wat van het vuur in zich heeft, waardoor de Beat Farmers ooit op één en hetzelfde voetstuk werden geplaatst als groepen als The Blasters, Los Lobos, Rank & File en The Long Ryders. Moddervette rock (& roll) vormt nog altijd het hoofdbestanddeel van het Farmers-geluid, blues, rockabilly en country zorgen bij tijd en wijle voor het nodige pigment. “Lost In My Car”, “Impressed” en “Hard Knot” zijn zo bijvoorbeeld onder performante gitaarbijdragen kreunende lappen rood rock & roll-vlees, “Look Into Your Eyes” huppelt over een zomers banjolijntje richting bluegrassgetinte alt. country, “Sunbeam Lake” is een knappe Americana power ballad en het soulvolle “Watching The River” en de tongue in cheek country van “What Would Skalman Do” vormen de ideale showcase voor de singer-songwriter Blue. Die Blue deelt hier overigens zowel de songwriting credits als de lead vocals met Jerry Raney. Elk namen ze zes liedjes voor hun rekening. Daarbij valt op, dat Raney vooral de rock-inbreng vertegenwoordigt, terwijl het met Blue echt alle kanten uit kan. Het sterkste voorbeeld daarvan is het onweerstaanbare, in Cash-wateren verzeild geraakte “Uncle Stinky”, opgetrokken uit gelijke delen country en rockabilly en een gegarandeerde toekomstige live-favoriet.

Dat ze ook verder even invloedrijk zullen blijken, valt ten zeerste te betwijfelen. Daarvoor is er ondertussen gewoon teveel veranderd in hun muzikale habitat. Feit is echter, dat we blij zijn ze terug te hebben. Voor groepen als The Farmers zal er immers altijd wel een plaatsje vrij zijn in ons hart.

The Farmers

Buddy Blue

Miles Of Music

 

 

LEX NELISSEN

“Tuin Der Lusten”

(Inbetweens Records)

(3) J J J

 

 

Voor regelmatige bezoekers van Theater Lexor in Heerlen is Lex Nelissen allicht al lang geen onbekende meer. Hij is het immers die deze gelegenheid uitbaat. Wat minder bekend is, is dat de man er ook een eigen zangcarrière op nahoudt. Zo bracht hij ooit al een album uit met covers van pop en rock classics als “After Midnight”, “Help Me Make It Through The Night” en “He’ll Have To Go” erop. Op zijn nieuwe CD, de EP “Tuin Der Lusten”, slaat hij echter verder de dialectweg in die hij eerder met een liedje als het hier ook vertegenwoordigde “Wenn Inne Get Van Heële Zeët” van Wiel Knipa al succesvol had verkend. Zes liedjes nam hij met het duo Ivo Rosbeek en M. Emil Szarkowicz – je wellicht beter bekend als Holland & Polland - als producers op. Met zijn diepe, berookte stem weet hij daarin parlandogewijs meteen de aandacht te trekken. Vooral in die nummers, waarin hij met de nodige weemoed terugblikt op zijn eigen jeugd of meer in het algemeen de dagen van weleer, zoals “Sjaatse Op De Viever” of “Noe Weet Ich ‘T”, een Limburgse adaptatie van de Jean Gabin-klassieker “Maintenant Je Sais”. Een andere voltreffer is het chansoneske “Op ’T Terras In De Stad”, waarin hij met de tong diep in de wang geplant zijn omgeving observeert. Een glimlach laat zich dan nauwelijks nog onderdrukken…

Het is echter niet al kleinkunst, chanson en cabaret wat hier de klok slaat. De pop van het titelnummer en “Kus Mich Nog Eine Kier” of zijn al eerder vermelde rockende lofzang op zijn thuishaven Heerlen leveren het bewijs dat Nelissen zich ook in andere genres als een vis in het water voelt. Misschien moest hij zich dus maar snel weer eens aan een volwaardige langspeler wagen…

Theater Lexor

Inbetweens Records

 

 

ONE STAR HOTEL

“One Star Hotel”

(Stereo Field Recordings / Lucky Dice)

(3,5) J J J J

 

 

Die van One Star Hotel, met “Good Morning, West Gordon” verantwoordelijk voor één van de mooiste alt. country-platen van de voorbije jaren, toeren momenteel doorheen Nederland. Geen geschikter moment dan ook dan nu, moet men bij platenlabel/distributeur Lucky Dice gedacht hebben, om het voorheen enkel via importkanalen verkrijgbare debuut van de vier uit Pennsylvania nu ook eindelijk officieel verkrijgbaar te stellen in de Lage Landen. En daar mogen we blij om zijn! Die titelloze eersteling van het stel is immers net als zijn opvolger al van uitzonderlijk hoge kwaliteit. Het album bevat negen liedjes die zanger-gitarist-songwriter Steve Yutzy-Burkey door de jaren heen verzamelde, wachtend op de ideale gelegenheid om ze een faire kans te gunnen. Muzikaal gezien liggen de invloeden voor het oprapen: Wilco, Ryan Adams, Jayhawks, Gram Parsons, Neil Young,… Je zegt het maar! Yutzy-Burkey en de zijnen zijn echter zeker geen epigonen. Het is veeleer de sfeer die hun liedjes uitstralen die uitnodigt tot dergelijke vergelijkingen. Thematisch gezien focust Yutzy-Burkey op het bestaan van een in Pennsylvania opgroeiende jongeling. De pijn die regelmatig met dat groeiproces gepaard gaat wordt zeer mooi verklankt in vaak wat weemoedig aandoende muzikale miniatuurtjes, waarvan roots rock en indie pop de voornaamste bestanddelen vormen. De productie van “One Star Hotel” was overigens in handen van Mike “Slo-Mo” Brenner, die met zijn steel-inbreng geregeld een bijna even bepalende rol speelde bij het tot stand brengen van dat warme geluid als toetsenman Daryl Hirsch en de met een zalige gruizige stem gewapende Yutzy-Burkey.

One Star Hotel

Lucky Dice

 

 

THE RESENTMENTS

“Switcheroo”

(Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Het zijn drukke dagen voor de heren van het favoriete zondagavondorkestje van de Saxon Pub in Austin, Texas en hun op volledige collecties beluste volgelingen. Stephen Bruton pakte onlangs al uit met zijn nieuwe CD “From The Five”, Jon Dee Graham verraste met de EP “First Bear On The Moon” en wist bovendien door het Duitse Blue Rose Records in zijn Official Bootleg Series “Vol. 16 - Live Neustadt/Germany 24.5.2002” aan zich besteed, (Scrappy) Jud Newcomb staat vol ongeduld te trappelen om je “Byzantine” voor te schotelen en nu is er dus ook nog “Switcheroo”, na “Sunday Night Line-Up” en “The Resentments” het derde album van “the best bar band in America”.

De na de dood van haar legendarische drummer “Mambo” John Treanor verder nog uit diens – Uitstekende! – vervanger John Chipman en de ondermeer ook om zijn werk bij Poi Dog Pondering bekendheid genietende – en hier met een drietal eigen bijdragen voor zijn doen opvallend actieve - bassist-toetsenman Bruce Hughes bestaande Texaanse supergroep pakt op die plaat uit met een nieuwe king size-dosis superieure roots rock/Americana. Eigen nummers van Graham, Hughes, Newcomb en Bruton worden erop afgewisseld met even eigenzinnige als geslaagde covers van “Someday Never Comes” van Creedence Clearwater Revival, “Death Letter” van Son House, “She Gives Me Religion” van Van Morrison en “Little Bit O’ Soul” van The Music Explosion. Daarbij zijn het wat ons betreft vooral de nummers die door de schuurpapieren stem van Jon Dee Graham worden gedragen, die er echt tussenuit springen. We denken dan met name aan het lekker rammelende openingsnummer “I Will Walk With You” en het uit een pakkende mengeling van melancholie en hoop bestaande en met heerlijk rinkelende gitaartjes versierde “Message Of Hope”. Daarmee willen we echter geenszins raken aan de inbreng der vier anderen! “Switcheroo” is gewoon één heel mooi geheel. En mocht dat nog niet volstaan als beweegreden om je de plaat onverwijld aan te schaffen, bedenk dan, dat je er Graham een hele grote dienst mee bewijst. ’s Mans zoon Willie lijdt immers aan de zeldzame heupaandoening Legg Perthes en zoals ondertussen wellicht genoegzaam bekend is het Amerikaanse sociale-zekerheidssysteem in niets vergelijkbaar met dat van ons. Elke euro is momenteel meer dan welkom! Voor het goede doel dus maar?

The Resentments

Sonic Rendezvous

 

 

TWO TONS OF STEEL

“Vegas”

(Palo Duro)

(3,5) J J J J

 

 

Wat zou een mens hier in godsnaam op tegen kunnen hebben? Het uit San Antonio, Texas afkomstige vijftal Two Tons Of Steel springt op z’n inmiddels ook alweer achtste CD op zo’n aanstekelijke wijze om met elementen uit Americana, blues, country en vooral ook rockabilly dat je nauwelijks anders kan dan ze van harte aanbevelen. Van eigen nummers van zanger-liedjesschrijver Kevin Geil – naar wiens gerestaureerde Cadillac uit ’56 de groep overigens ook vernoemd werd – als het met een Zuiders trompetje opgeluisterde en tegelijk aan iets van de jonge Neil Diamond en iets van Chuck Berry (“Memphis Tennessee”) herinnerende titelnummer, het vinnig rockende “Unglued”, het door gast Riley Osbourn van een aangenaam warme B3-achtergrond voorziene ingetogen twangertje “Drive You Home Tonight” of het als een soort tegenpool voor het hier vooral in de uitvoering van Cliff Richard bekende “Lucky Lips” opgevatte “Baby You Got Me” tot een stel verrassende covers van songs van anderen, dit door Lloyd Maines geproduceerde schijfje is gewoon van a tot z af en gooit naar onze bescheiden mening dan ook terecht hoge ogen in de AMA Chart voor het ogenblik. Luister bij gelegenheid zelf maar eens naar de Cash-y boom-chick-a-boom-behandeling die “I Wanna Be sedated” van de Ramones hier mee krijgt, naar het voorwaar zelfs met een voorzichtige snuif surf gekruide betere politiereekswerk van “Secret Agent Man”, naar een al even onweerstaanbare blues-rock & roll-country-versie van het klassieke “Ice Cream Man”, naar de bijzonder twangy lezing van Monte Wardens “Your Kiss” of naar de beste versie van Billy Lee Riley”s “Red Hot” ten zuiden van de uitvoering die Robert Gordon ervan ten beste gaf ergens midden de jaren zeventig: één groot feest gegarandeerd!

Two Tons Of Steel

Palo Duro Records

 

 

MISS LESLIE & HER JUKE-JOINTERS

“Honky Tonk Revival”

(Zero Label Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Goed nieuws voor allen die de geleidelijke teloorgang van het countrygenre na de jaren zestig nooit echt hebben verteerd! Hard country heeft er in de gedaante van Leslie Lindley namelijk opnieuw een juweel om te koesteren bij. Als Miss Leslie neemt ze je op haar toepasselijk getitelde CD “Honky Tonk Revival” samen met haar Juke-Jointers mee op een reis terug in de tijd. Je waant je ogenblikkelijk in de een of andere dancehall of berookte bar ergens aan het eind van de jaren vijftig of het begin van de sixties en bij voorkeur in Texas dan nog. Stemgewijs herinnert de als lerares door het leven stappende Lindley daarbij een weinig aan coryfeeën van het genre als een Connie Smith, een Patsy Cline en een Tammy Wynette. En in Randy “Bobo” Lindley (elektrische leadgitaar en zang), Damian O’Grady (piano, gitaar en zang), Bill Howard (steel), “Big Bad Truckin’” Joe Busa (snare drum), Ricky Davis (pedal steel), Kevin Smith (bas) en Hilary Sloan (harmonieën) vond ze de ideale begeleiders om haar droom van een “nieuw oud geluid” te realiseren. Nu ja, wat heet begeleiders! Als je weet, dat de al voor zijn werk met Karl Shiflett & The Big Country Show zowat door Jan en alleman bejubelde songsmid Jake Jenkins liefst vijf van de gebrachte nummers aandroeg, dan wordt meteen duidelijk, dat de Juke-Jointers niet zomaar een achtergrondorkestje zijn.

Jenkins en Lindley vertalen bij wijze van lichtjes fantastische opener met “I’ll Be Gone Tonight” zo bijvoorbeeld op bijzonder geslaagde wijze het geluid van good old Buck Owens en zijn Buckaroos naar het heden. Elders horen we sporen van Ray Price, Loretta Lynn, Tammy Wynette, Patsy Cline en zoveel andere traditionele countryboegbeelden. Retro is voortdurend het sleutelwoord. Of “country music with a hardwood floor sound”, zoals ze het zelf zo graag noemen. Is het in swingende danspartners dan wel in typische “tear in your beer”-deunen, hier mag de steel nog rijkelijk mee huilen en het ergens in de hoek van de bar verstopte piano nog lekker rollen. En passant bewijst het gezelschap bovendien ook een goede neus te hebben voor andermans minder bekend songmateriaal. Het eigen werk wordt immers aangevuld met tal van obscure – Maar daarom zeker niet mindere! – liedjes van anderen uit de periode waar zo royaal wordt naar verwezen. We denken dan bijvoorbeeld aan het swingende “I’m Walking Slow (And Thinking About Him)” van Bobby Bare, Loretta Lynns “I’ll Sure Come A Long Way Down” en Bobby Osborne z’n sleper “Midnight Angel”.

Voor een geheel al dit passen eigenlijk maar twee woorden: absolutely fabulous!

Miss Leslie & Her Juke-Jointers

CD Baby

 

 

KIMMIE RHODES

“Ten Summers”

(Sunbird / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J

 

 

Kimmie Rhodes – Noem haar wat ons betreft gerust de Texaanse evenknie van Emmylou Harris! - heeft ons de voorbije jaren geregeld een zeer goed gevoel bezorgd. Twintig jaar staat ze ondertussen in het vak, de zoetgevooisde liedjesschrijfster, en “Ten Summers” biedt een mooi overzicht over wat ze presteerde in de laatste tien daarvan. Het album is een veertien tracks tellende bloemlezing uit platen als “West Texas Heaven”, “Rich From The Journey”, “Love Me Like A Song”, “Windblown”, de met Willie Nelson gebrachte duettencollectie “Picture In A Frame” en het met restmateriaal gevulde “Lost & Found”. Favorietjes als “West Texas Heaven”, het met Waylon Jennings gedeelde “Maybe We’ll Just Disappear”, “I’m Gonna Fly”, een samenwerking met Townes Van Zandt, “Love Me Like A Song” met Willie Nelson, “Desert Train” en het samen met Emmylou Harris en Beth Nielsen Chapman de sterren in gezongen tweetal “Send Me The Sun” en “Love And Happiness For You” illustreren uitvoerig dat Rhodes naast een songwriter’s songwriter vooral ook een fenomenale zangeres is. Niet-ingewijden die zich zullen laten verleiden tot de aanschaf van deze voorbeeldig samengestelde compilatie zullen zich daarna dan ook gegarandeerd haasten om meer van deze buitengewone artieste in huis te halen. Wedden?

 

Kimmie Rhodes

Sonic Rendezvous

 

 

NICKEL CREEK

“Why Should The Fire Die?”

(Sugar Hill / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

Van een sensationele evolutie gesproken! Waar broer en zus Chris en Sara Thile en hun maatje Sean Watkins op hun eerste twee CD’s net als goudhaantje Alison Krauss – niet toevallig allicht ook de producer van die beide albums – bluegrass nog als uitvalsbasis gebruikten en er op vakbekwame manier elementen uit pop en folk in binnen smokkelden, gebeurt op hun derde plaat eigenlijk steeds meer het omgekeerde. Pop en folk krijgen onder de hoede van producers Eric Valentine en Tony Berg stilaan de bovenhand en worden nog maar met mondjesmaat gekruid met bluegrass-invloeden. Dat Thile en Watkins het experiment niet schuwen, lieten ze al duidelijk verstaan op tal van solo-uitjes en als dusdanig komt deze ommezwaai dan ook niet geheel en al onverwacht. Je kan het trouwens ook bezwaarlijk een stap achteruit noemen. Wel integendeel! Bijna Beatle-esk aanvoelende rootspopdeunen als “When In Rome”, “Somebody More Like You” en het alweer in heerlijke harmonieën badende “Eveline” behoren zondermeer tot hun beste werk tot op heden en het ingetogen, samen met Jayhawk Gary Louris gepende “Jealous Of The Moon” en de Dylan-cover “Tomorrow Is A Long Time” schrijven wij zelfs zonder ook maar de minste vorm van terughoudendheid bij op ons lijstje met de meest memorabele Americana-momenten van 2005 tot dusverre.

Nickel Creek

Sugar Hill records

 

 

MARTY STUART & HIS FABULOUS SUPERLATIVES

“Soul’s Chapel”

(Superlatone / Universal South)

(4) J J J J

 

 

“Soul’s Chapel” is niet enkel Marty Stuarts eerste gospelalbum, het is tegelijkertijd ook het eerste deel van een trilogie van voor zijn eigen nieuwe label Superlatone te verschijnen collecties gewijd aan de rijke (muziek)cultuur van het Zuiden. Met zijn band The Fabulous Superlatives – bestaande uit drummer Harry Stinson, bassist Brian Glenn en de werkelijk sublieme gitarist Kenny Vaughan – en een stel gereputeerde gastmuzikanten als drummer Chad Cromwell en de van talloze Muscle Shoals-opnamen bekende toetsenist(-producer) Barry Beckett neemt hij ons mee op een twaalf nummers lange trip doorheen Gospelland. Daarbij valt hij geregeld terug op het werk van anderen. Afgetrapt wordt er zo bijvoorbeeld met het door Pops Staples gepende “Somebody Save Me” en het uit de koker van de hier vooral omwille van zijn recente samenwerkingen met Merle Haggard bekende Albert E. Brumley stammende “Lord, Give Me Just A Little More Time” en één van de absolute hoogtepunten van het album is het ook al aan het songbook van de Staples-patriarch ontleende en met diens dochter Mavis gebrachte “Move Along Train”. Een andere instant classic is “The Gospel Story Of Noah’s Ark”, dat ons zowaar zelfs even een weinig aan The Blasters ten tijde van hun klassieker “Hard Line” herinnerde. Stuarts kijk op het gospelgenre is trouwens überhaupt niet bekrompen van aard te noemen. Elementen uit rock, country en soul verrijken vrijwel voortdurend het ons aangereikte klankenpalet. En wat betreft het inhoudelijke heeft de man ook al een bijzonder klare kijk op wat hij wil: “It should be inspirational music; it shouldn’t condemn or threaten. It should inspire and inform.” Een statement dat door de op “Soul’s Chapel” gebrachte songs behoorlijk stevig onderbouwd overkomt.

Marty Stuart

 

 

HANNA-MCEUEN

“Hanna-McEuen”

(Dreamworks Nashville)

(3,5) J J J J

 

 

Wat betreft hun muzikale stamboom zit het voor Jaime Hanna en Jonathan McEuen allemaal wel goed. Met de Nitty Gritty Dirt Band schreven hun vaders immers een alleraardigst hoofdstukje countrygeschiedenis, culminerend in de magistrale “Will The Circle Be Unbroken”-trilogie. Op hun debuut beperken de neven zich echter zeker niet tot het klakkeloos in de voetsporen van hun ouweheren treden. Die in een coproductie met James Stroud ingeblikte plaat zoekt nogal nadrukkelijk de gouden middenweg tussen klassieke rock & roll en country te bewandelen. Harmoniegewijs belanden de twee daarbij regelmatig op Everly Brothers-territorium en dat kunnen wij hier alvast wel appreciëren. En ook hun twangy gitaarwerk willen we je zeker niet als een serieuze plus onthouden. Nu eens herinnert het allemaal een weinig aan Buddy Holly (“End Of Me”), dan weer zijn de Eagles (“Prayer For You” en “Read Between The Lines”), Springsteen (“Someone Else” en “Something Like A Broken Heart”) en Radney Foster (“Wild Eyes Of Love”) betere referenties. Fris klinkt het echter te allen tijde. En met het springerige “Tell Me” lijkt men zelfs een heuse hitkandidaat in huis te hebben.

Hanna-McEuen

 

 

NO BLUES

“Farewell Shalabiye”

(Rounder Europe)

(4) J J J J

 

 

“100% pure blend arabicana” belooft het hoesje van “Farewell Shalabiye”, het debuutalbum van gelegenheidsgroep NO Blues en die omschrijving volstond alvast ruimschoots om onze aandacht te trekken. Het concept is een geesteskind van Rob Kramer van het Productiehuis Oost-Nederland (ON), een bedrijf dat zich tot taak heeft gesteld om met als uitgangspunt popmuziek culturele projecten te ondersteunen waarin diverse culturen, muziekgenres en kunstvormen elkaar vinden. Kramer zag wel wat in een op het eerste gezicht misschien wat gewaagd aandoende kruisbestuiving tussen Americana en Oosterse muziek. Hij vond in de vooral onder zijn pseudoniem The Watchman bekende Ad Van Meurs een eerste bondgenoot voor het tot uitvoer brengen van zijn ideeën. Diens folk-blues gaat onder de NO Blues-vlag een veelbelovende relatie aan met zijn desolate spitsbroeder uit het Midden-Oosten. Haytam Safia is het, die op zijn u’d of Arabische luit zowat het ideale tegengewicht levert voor van Meurs gitaar- en dobrospel. Het trio wordt vervolledigd door Anne-Maarten van Heuvelen (The Marbletones) op de akoestische bas. En op de gastenlijst treffen we verder ook nog de namen van Ankie Keultjes (zang), Osama Mileegi (percussie) en Eric van der Lest (drums) aan.

Al van bij het instrumentale openingsnummer “The Clock” wordt meteen duidelijk, dat deze eigenaardige combinatie wel degelijk bestaansrecht heeft. En dat gevoel raak je tien nummers lang niet meer kwijt. Eigen liedjes worden door NO Blues afgewisseld met ingenieuze adaptaties van een stel traditionals. Om te beginnen is er zo bijvoorbeeld “Columbus Stockade”, waarvan door een op z’n J.J. Cale’s neuzelende van Meurs en de hem regelmatig in het Arabisch bijvallende Safia een compleet nieuw nummer wordt gemaakt. Verderop stoten we ook nog op al even warm aandoende nieuwe uitvoeringen van “Nobody’s Fault But Mine” en het klassieke “Wayfaring Stranger” – met een als naar goede gewoonte weer ronduit fantastisch klinkende Ankie Keultjes. De absolute prijsbeesten hier zijn echter het terecht op single geperste “Farewell Shalabiye” en het broeierige “The Regular”. Het eerste koppelt op organische wijze een folk song aan een traditioneel Arabisch liedje, het tweede is een lekker spannend bluesnummer dat door de u’d-inbreng van Safia nog net dat tikkeltje meer te bieden heeft.

Nog nooit waren de woorden “Warm aanbevolen!” zo op hun plaats…

Ad van Meurs (The Watchman)

Haytham Safia

Anne-Maarten van Heuvelen (The Marbletones)

Productiehuis Oost-Nederland

 

 

LAURA VEIRS

“Year Of Meteors”

(Nonesuch / Warner)

(3,5) J J J J

 

 

Op het Europese vasteland is de uit Seattle afkomstige zingende liedjesschrijfster Laura Veirs in no time uitgegroeid tot een gevestigde waarde binnen het circuit. Aan de grondslag van dat succes lag vooral haar ijzingwekkend mooie vierde CD “Carbon Glacier”, een echt pareltje vol met verstilde, emotioneel behoorlijk diepgravende beauties. Op de opvolger van die plaat, het zopas verschenen “Year Of Meteors”, kiest Veirs iets nadrukkelijker dan in het verleden voor een groepsgeluid. Meer ruimte dus voor haar begeleiders The Tortured Souls, een uit Karl Blau (bas, gitaar, zang), Steve Moore (piano, orgel) en Tucker Martine (drums, percussie) bestaand collectief, hier occasioneel aangevuld met Eyvind Kang (viool) en Keith Lowe (akoestische bas). En dat zou er wel eens op kunnen wijzen, dat bij Veirs stilaan de honger groeit om het nu eindelijk ook in haar thuisland te gaan maken.

In een productie van Tucker Martine bespeelt ze ons vrijwel voortdurend met liedjes waarin alles lijkt te draaien om in beweging zijn. Zelf spreekt ze in dit verband dan ook van “a road record”, om er even later wel ruiterlijk aan toe te voegen, dat zulks lang niet voor iedereen even evident zal zijn. Knap blijft het hoe dan ook allemaal wel. Er zijn immers maar weinig songwriters die in hun liedjes zo ver gaan bij het laten vervagen van de grens tussen wat ze uit hun persoonlijke levenssfeer plukken en wat ze al observerend tot zich nemen dan Veirs. Bij momenten verleent die manier van aanpakken een zweem van mysterie aan wat ze doet. Je vraagt je af, of ze het nu over zichzelf heeft of niet. Een antwoord op die vraag krijg je echter niet…

Van het een weinig aan Suzanne Vega herinnerende pop-folkdeuntje “Fire Snakes” helemaal bij het begin van het album tot de hyperkinetische rock van “Black Gold Blues” of het bezwerende “Lake Swimming” - met z’n Doors-orgeltje - aan het einde ervan is “Year Of Meteor” wat ons betreft één langgerekte luisterervaring van het betere soort.

Laura Veirs

Nonesuch

 

 

SHANNON MCNALLY

“Geronimo”

(Back Porch / VIRGIN /EMI)

(3,5) J J J J

 

 

Moed en volharding zijn schone deugden, dat blijkt nog maar eens. Ondanks het grillige verloop dat haar carrière totnogtoe kende, blijft schone Shannon McNally – Ook gezien hoe ze op het hoesje van haar nieuwe album steeds meer op Liv Tyler begint te lijken? - zich met de vastberadenheid van een volwassen pitbull vastbijten in haar muziek. Bewonderenswaardig is het.

Al in 1997 werd ze op basis van haar rijkelijk aanwezige capaciteiten door Capitol ingelijfd. Vervolgens zou het twee volle jaren duren alvorens ze haar debuut “Jukebox Sparrows” kon afwerken. En uiteindelijk zou die plaat dan ook nog eens drie jaar op de plank blijven liggen, om tenslotte door een tekort aan promotionele activiteiten namens haar label genadeloos te floppen. Toen al liet McNally zien een doorbijtertje te zijn. Na maanden van onderhandelen mocht ze van Capitol met een beperkt budget toch nog een tweede album inblikken. Daarvoor strikte ze Charlie Sexton als producer. Maar het afgewerkte resultaat waarmee ze samen op de proppen kwamen kon Capitol om onbegrijpelijke redenen – Weer? - niet bekoren. Men wilde McNally met een nieuwe producer opzadelen, maar daar wilde zij op haar beurt dan weer helemaal niet van weten. Opnieuw werd er dus rond de onderhandelingstafel plaatsgenomen. En nog eens zes maanden van eindeloos gepalaver zouden uiteindelijk voor de zangeres volstaan om onder haar contract uit te komen. Ze tekende vervolgens een nieuw contract bij Back Porch en zag haar tweede CD “Geronimo” zo goed twee jaar nadat hij werd ingeblikt alsnog verschijnen.

Bizar genoeg wist McNally zich intussen wel al van enige naambekendheid te verzekeren. Deze verdankt ze met name aan een tussen de bedrijven door opgenomen samenwerkingsproject met Neal Casal. “Ran On Pure Lightning” werd oorspronkelijk enkel verkocht via de eigen websites van beide artiesten, maar werd al snel opgepikt door het Duitse Glitterhouse-label en is ondertussen zelfs al aan een tweede Europese release toe via Fargo Records. De kracht van “word of mouth” zeg maar…

Maar nu is er dus “Geronimo”. En dat, beste vrienden, is een in haar geheel zeer bevredigende Americana-plaat geworden, die de ondertussen in New Orleans residerende McNally – als de wetten der logica ditmaal wél gerespecteerd worden tenminste – een stevige push in de richting van heel wat platencollecties zou moeten geven. Zweterige rockertjes à la “The Hard Way” of “Miracle Mile” worden erop afgewisseld met midtempo spul genre “Sweet Forgiveness” of “The Worst Part Of A Broken Heart” en een stel heerlijke ballads, zoals bijvoorbeeld “Geronimo”, “Pale Moon” en “Beautiful And Strange” dat zijn. Met uitzondering van dat laatste nummer, dat ze samen met Charlie Sexton schreef, en “Tennessee Blues” en “Lovin’ In My Baby’s Eyes”, pennenvruchten van respectievelijk Bobby Charles en Taj Mahal, betreft het daarbij uitsluitend eigen composities, waarin het mooi is om te horen hoe roots rock en country elkaar blindelings weten vinden. Een gegeven waaraan de bijdragen van gasten als Tony Garnier, Ian McLagan, de eerder al vermelde Charlie Sexton en Greg Leisz wellicht ook wel niet helemaal vreemd zullen zijn. Het stralende middelpunt van de belangstelling is en blijft echter de prachtige lichthese stem van McNally zelf – een soort light-uitvoering van Stevie Nicks.

Shannon McNally

Back Porch

 

 

TIM O’BRIEN

“Fiddler’s Green” / “Cornbread Nation”

(Sugar Hill / Munich)

(4) J J J J / (4) J J J J

 

  

 

Dubbele muzikale bevalling ten huize O’Brien! En of we d’r blij mee zijn! De man hield aan zijn jongste studioverblijf zoveel uitstekend materiaal over, dat hij besloot om ons niet één, maar gelijk twee nieuwe albums voor te schotelen. In zijn ijver om het hele folk-palet tussen de in zijn eentje wat op de gitaar of de fiddle aanmodderende enkeling enerzijds en een voldragen bandgeluid anderzijds te bestrijken blikte hij liefst vierentwintig songs in, die zich bij nader inzicht perfect in twee evenwaardige groepen lieten opdelen. Van opzet lijken “Fiddler’s Green” en “Cornbread Nation” zo op het eerste gezicht nochtans niet erg van elkaar te verschillen. Op beide platen staan originelen en traditionals broederlijk naast elkaar. Op beide platen wordt aan een al te strak zittend – beurtelings op de Amerikaanse (Appalachen) en de Ierse leest geschoeid – folk-keurslijf ontsnapt door het toevoegen van klassieke countryliedjes in O’Brien-stijl à la “California Blues” en “Busted”. Alleen is het zo, dat “Fiddler’s Green” eerder intimistisch van karakter is en “Cornbread Nation” wat extroverter, wat ritmischer. Beide albums weten echter voortdurend het beste uit twee culturen in zich te verenigen en dat levert tal van plaatjes van liedjes op. Op “Fiddler’s Green” raakten wij zo helemaal bedwelmd door de schoonheid van de samen met zijn zus Mollie gebrachte vertolking van de traditional “Fair Flowers Of The Valley”, het zwaar melancholische, met als enige begeleiding de arcobas van Edgar Meyer en de eigen fiddle uit de mouw geschudde “Foreign Lander”, heerlijke versies van “Pretty Fair Maid In The Garden” en “Long Black Veil” en een in het gezelschap van Kenny Vaughan (gitaar), Dennis Crouch (bas), Kenny Malone (hand drum), Stuart Duncan (fiddle) en Chris Thile van Nickel Creek (mandoline) ingeblikte uitvoering van Gordon Lightfoot’s “Early Morning Rain”. Op “Cornbread Nation” vielen we ondermeer voor het licht bluesy opgevatte “Hold On”, de old-time Americana pur van “Moses”, het door een funky mandoline en dito baritonsax aangevuurde titelnummer, het over een jazzy achtergrond heen gecroonde “The Foggy Foggy Dew” en huiveringwekkend mooie benaderingen van de Harlan Howard-compositie “Busted” en Jimmie Rodgers z’n “California Blues”.

Kiezen hoeft wat ons betreft dan ook absoluut niet: beide albums krijgen hier in één adem het predikaat “stevige aanrader” mee.

Tim O’Brien

Sugar Hill Records

 

 

THE WALKABOUTS

“Acetylene”

(Glitterhouse / Munich)

(4) J J J J

 

 

Wel wel wel, van een verrassing van format gesproken! Waar velen door de snelle opeenvolging van solo-albums van Chris Eckman en Carla Torgerson al luidop durfden te speculeren over een nakend einde van The Walkabouts, pakt de groep uit Seattle zo ongeveer out of the blue uit met haar sterkste teken van leven sinds platen als “Scavenger”, “New West Motel” en “Setting The Woods On Fire”. (Alhoewel… De vooruitgeschoven single “Devil In The Details” had het eigenlijk allemaal al voorzichtig een beetje aangekondigd.) In het gezelschap van producer Tucker Martine – zie ondermeer ook Jesse Sykes, Laura Veirs en Jim White – vinden The Walkabouts zich hier zo ongeveer opnieuw uit. Oud-bassist Michael Wells werd terug binnengehaald en draagt in niet geringe mate bij tot een wezenlijk rauwer geluid dan we dat van Torgerson en co de laatste jaren gewoon waren geraakt. Het door de politieke (wan)toestanden in hun eigen land (en ver daarbuiten) geïnspireerde “Acetylene” rockt bij momenten met een aan Neil Young en Crazy Horse verwante verbetenheid en leeft voor een groot stuk van de bijzonder spitante gitaarbijdragen van Eckman. Zonder dat daarbij de Walkabouts-identiteit volledig uit het oog wordt verloren overigens.

Grote plaat van een groep die het al lang verdient om grootschalig door te breken.

The Walkabouts

Glitterhouse Records

 

 

SAM SHINAZZI

“Stories You Wouldn’t Believe”

(Laughingh Outlaw / Bertus)

(3) J J J

 

 

De naam Sam Shinazzi deed bij ons niet meteen een belletje rinkelen, maar nader onderzoek wees uit dat de beste man onder het pseudoniem The C-Minus Project tussen 2001 en 2003 al wel twee - in zijn eigen land relatief succesvolle - platen opnam. Dankzij “Long Drive Home” (2001) en “Less Than Perfect Day” (2003) mocht de uit Sydney afkomstige singer-songwriter het podium al delen met o.a. Bonnie Prince Billy, Lou Barlow, Evan Dando, The Pernice Brothers, Josh Rouse en Hayden. Mooi gezelschap, waar je uiteraard niet zomaar tussen belandt. Daarnaast schreef hij ondermeer mee aan enkele nummers van het hier een poosje geleden al besproken debuut van Jenny Queen, “Girls Who Cry Need Cake”.

“Stories You Wouldn’t Believe”, ’s mans debuut onder eigen naam, kreunt een weinig onder een al te zware titel. Het verhalende karakter van zijn liedjes is immers niet van die aard dat wij er meteen stevig van onder de indruk kwamen. Tekstueel gezien valt Shinazzi daarvoor gewoon te vaak terug op relationele problemen, daaruit volgende breuken, hevig verlangen naar en dies meer. Dat neemt evenwel niet weg, dat van zijn liedjes wel een zekere charme uitgaat. Op zacht rinkelende gitaren drijvende Americana popdeunen als “Breakdown”, “I Don’t Belong Here” en “Until Sunrise” of voorzichtig rockende songs als “Out Of The Question” zullen het bijvoorbeeld wel goed doen in kringen waar de Lemonheads en de hogervermelde Josh Rouse op enige bijval kunnen rekenen en in zijn wat bezadigdere momenten komt Shinazzi zelfs aardig dicht in de buurt van wat de hier op handen gedragen Karl Broadie doet. Wat dat laatste betreft denken we bijvoorbeeld aan de melancholische roots pop van “My Friend And A Free Day” of “The Drifter”. Het sterkste nummer van de plaat is wellicht het op een bijzonder knappe melodie geënte “Scotty Come Home”, waarin Shinazzi het erover heeft, dat hij, telkens wanneer hij Natalie Merchant van de 10.000 Maniacs aan het werk hoort, gaat denken aan en hevig verlangen naar z’n (bijna?) ex. Dat is wél zo’n liedje, dat wij meteen als memorabel zouden durven bestempelen. Héél radiogeniek ook.

Sam Shinazzi

Laughing Outlaw

Bertus

 

 

LORRIE SINGER & BRADLEY KOPP

“Walk Tall”

(Redboot Records / Inbetweens Records)

(3,5) J J J J

 

 

Lorrie Singer en haar levensgezel Bradley Kopp leveren met “Walk Tall” een album af dat als eerste kennismaking al behoorlijk kan tellen. Het songmateriaal erop is door de band genomen van werkelijk uitstekende kwaliteit. Anders dan vergelijkbare muzikale koppels als Buddy & Julie Miller, Sarah Lee Guthrie & Johnny Irion of Stacey Earle & Mark Stuart vertrouwen Singer en Kopp dan ook niet op hun eigen schrijftalenten, maar gaan ze in de leen bij vooral daarvoor gerespecteerde collega’s als Gretchen peters, Greg Trooper, Fready Steady Krc, Michael Woody, Robert McEntee, Julie Miller, Jon Ims en John Scott Sherrill. Dat levert een lekker gevarieerd geheel op, waarin de twee voornaamste troeven van het duo een uitstekende voedingsbodem vinden. Dat zijn enerzijds de beurtelings een weinig aan Mary-Chapin Carpenter, Patty Loveless en vooral ook Bonnie Raitt herinnerende stem van Singer, anderzijds het virtuoze gitaarwerk van Kopp, die wat dat betreft overigens in het verleden al uitgebreid zijn sporen verdiende achter ondermeer Alejandro Escovedo, Charlie Robison, Jimmie Dale Gilmore, Jimmy LaFave en Jeff Talmadge.

Elementen uit pop, soul, folk en country vallen op “Walk Tall” samen tot een bijzonder aangenaam wegluisterend geheel. Het ene moment (country)rocken de twee een aardig eindje weg (zoals in het door Bryan Adams en Gretchen Peters gepende “Backslider” of het door Patterson Barrett van een lekker vette pianobijdrage voorziene titelnummer), het andere zoeken ze hun heil in folky Americana (zie bijvoorbeeld de – toepasselijk gekozen – ingetogen afsluiter “Closing Time” of Greg Troopers “Hannah’s Dreams”, wat ons betreft het absolute prijsbeest hier), roots pop/rock (à la Julie Millers “Rachel” of het door Michael Woody en Thom Hardell aangedragen “I Start Hurting All Over Again”) en eerder introspectief poppy countrymateriaal (genre “’67 Pontiac”).

Lorrie Singer

Bradley Kopp

Inbetweens Records

CD Baby

 

 

CARY SWINNEY

“Big Shots”

(Johnson Grass)

(4) J J J J

 

 

Cary Swinney is met “Big Shots” bepaald niet aan zijn proefstuk toe. De uit Lubbock, TX afkomstige singer-songwriter maakte in het verleden al voorzichtig op zich opmerkzaam met de prima albums “Human Masquerade”(1997) en “Martha” (2000), die helaas echter geen van beide echt de aandacht kregen die ze op basis van hun kwaliteit eigenlijk wel verdienden. Hopelijk kan nummer drie in het rijtje, het lekker gevarieerde “Big Shots”, een dergelijk lot ontlopen. Opnieuw springt Swinney daarop immers bepaald niet krenterig met werkelijk subliem singer-songwritermateriaal om. Tal van vergelijkingen dienen zich aan: het ene moment komt hij even scherp uit de hoek als een Steve Earle (zoals in het met een flinke dosis old-time en bluegrass opgewaardeerde “Noah’s Ark” of het weirde, een weinig Tex-Mex-georiënteerde “American History”), het andere kruipt hij in de huid van een scherpe observator-verteller à la John Prine (zie bijvoorbeeld de ingetogen Americana-pareltjes “A Hero On A Square” en “Livin’ In My Head”). Andere vergelijkingspunten: Terry Allen, James McMurtry, Guy Clark, Slaid Cleaves, Kris Kristofferson, Blaze Foley en Townes Van Zandt. Nogal veel namedropping vind je? Deze man verdient het! Hij is gewoon zo goed.

Carey Swinney

Miles Of Music

CD Baby

 

 

THE BARNSHAKERS

“Twenty-One”

(Goofin’ Records)

(3,5) J J J J

 

 

 “Twenty-One” is de titel van een op 1000 exemplaren gelimiteerd mini-CD’tje van de uit het Finse Helsinki afkomstige Barnshakers. Het naast de nieuwe studio-opname “Twenty-One” ook zeven live ingeblikte nummers bevattende schijfje werd uitgebracht naar aanleiding van het eerder dit jaar georganiseerde Oneida Bingo & Casino’s Rockin’ 50’s Fest II. En als er al één ding is wat die in maart van dit jaar op het Rock & Roll Ball in het plaatsje Valkeakoski in hun thuisland opgenomen live tracks duidelijk illustreren, dan is het wel dat de reputatie die de Barnshakers wereldwijd in rockabillykringen genieten volkomen terecht is. Vesa “Vern” Haaja is naast een uitstekende, een beetje aan de jonge Dave Alvin herinnerende zanger immers ook een uitmuntende songwriter en gitarist, Jussi “Lester Peabody” Huhtakangas zie je zelden zonder zijn behoorlijk mean klinkende elektrische gitaar of hij moet net in de weer zijn met zijn steel, Miika Salminen tekent doorlopend voor een retestrakke drumbeat, Harri “Boogie Boy Harris” Saanio laat als een bezetene de goede tijden rollen achter zijn piano en Mika Liikari lijkt nadrukkelijk op zoek naar blaren op zijn vingers op zijn staande bas. Hun gebundelde krachten staan vrijwel voortdurend synoniem voor vuurwerk. Sterkste momenten vinden wij naast het duidelijk op de Blasters-leest geschoeide “Twenty-One”, de aan respectievelijk het repertoire van Wynn Stewart, Lew Williams en Carl Perkins ontleende stampertjes “Come On”, “Bop Bop Ba Doo Bop” en “Everybody’s Trying To Be My Baby”. Maar eigenlijk vormt “Twenty-One” gewoon als geheel een uitnodiging om dit vijftal uit te nodigen voor elke gelegenheid waar een wild feestje zich opdringt. Ambiance verzekerd!

The Barnshakers

Goofin’ Records

 

 

LETTY & GEORGIA

“Plain & Simple”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Op de juiste manier gebruikt kan het verleden een zeer dankbare inspiratiebron vormen, dat bewijzen Letty Stoneman en Georgianna George Pollock op hun derde CD “Plain & Simple” ten voeten uit. Met veel zin voor detail koppelen de twee in het gezelschap van klasbakken als Bryan Sutton (akoestische gitaren, banjo), Mark Fain (bas), John Catchings (cello), Tom Roadie (tamboerijn, percussie), Aubrey Haynie (mandoline, fiddle) en Randy Kohrs (dobro) het beste uit traditionele genres als old-time en bluegrass aan een eigentijds folk-, country- of singer-songwritergevoel à la een Nanci Griffith of in mindere mate ook wel een Gillian Welch. Dat doen ze in tien eigen liedjes en geslaagde covers van Carly Simons “Anticipation” en Delbert McClintons “Two More Bottles Of Wine”. Wat naast de ijzersterke eigen composities van de twee vooral opvalt, is hun vocale complementariteit. Beurtelings nemen Stoneman en Pollock de lead vocals voor hun rekening. En telkens als de een ’n wat prominenter plaatsje onder de spots opeist, valt de ander met ijzingwekkend mooie harmonieën in. Deze voorbeeldige verstandhouding mondt uit in een rootsplaat om terstond verliefd op te worden.

Letty & Georgia

CD Baby

 

 

JOSH LEDERMAN Y LOS DIABLOS

“Let’s Waste Another Evening”

(Nine Mile Records)

(4) J J J J

 

 

We hebben hier al wel eens vaker een lans gebroken voor de muziek van de uit Boston afkomstige singer-songwriter Josh Lederman en zijn groep Los Diablos en zo lang zijn muziek niet op een wat grotere schaal doorbreekt zullen we ook zeker niet nalaten om dat te blijven doen. Waarom vraag je je af? Wel gewoon omdat Los Diablos één van de allerleukste roots bands van het ogenblik is. Getroost je maar eens de moeite om hun nieuw album “Let’s Waste Another Evening” een luisterbeurt te geven en je zal ons ongetwijfeld in die mening bijtreden. Wat Lederman en co brengen is een onweerstaanbare mix van elementen uit Keltische folk, Americana, Zydeco, Klezmer, country, rock en pop. De meest voor de hand liggende vergelijking is die met The Pogues, niet in de laatste plaats omdat Ledermans voordracht die van zuipschuit Shane MacGowan aardig benadert. Wat het zevental op zijn nieuwe CD brengt overklast het latere werk van de Ieren echter ruimschoots. Dit mag wat ons betreft zo naast hun klassieker “If I Should Fall From Grace With God”. Een avondje doorgebracht met deze duivels is dus verre van verloren, wat de titel ook moge beweren. Met een goed glas whisky of ander geestrijk vocht in de buurt is het heerlijk toeven in de buurt van klasse-liedjes als “Sunday Morning”, “The Waltzing Ladies” of “My Sweet Caroline”.

Josh Lederman Y Los Diablos

CD Baby

Miles Of Music

 

 

MARTI BROM

“Sings… Heartache Numbers”

(Goofin’)

(4,5) J J J J J

 

 

Op de nummer 1-stek van de jongste editie van de Far Chart prijkt niet geheel ten onrechte het nieuwe album van Marti Brom, “Sings… Heartache Numbers”. Verrassenderwijze pakt de vurige, tegenwoordig vanuit Texas actieve brunette daarop niet langer uit met het van haar inmiddels welbekende rockabilly-vuurwerk, maar trakteert ze op een set in hartzeer gedrenkte, klassiek geschoolde country. Onder de vakbekwame leiding van producer Justin Treviño – hier eveneens actief op gitaar en bas - en in het uitgelezen gezelschap van Bobby Flores (fiddle), Debra Hurd (piano), Levi Mullen (leadgitaar), Dickie Overbey (steel), Kevin Smith (bas), Buck Johnson en Lisa Pankratz (beiden drums) tackelt Brom ditmaal met veel brio een reeks country classics van weleer. Een leuk gegeven is dat ze daarbij de nummering van de tracks verwerkt heeft in de songtitels. Via het vooral in de uitvoering van Norma Jean bekende “1 Way Ticket To The Blues” gaat het zo keurig over het aan het repertoire van Hank Locklin ontleende “Alone At A Table For 2”, Ronnie Self z’n “3 Hearts Later”, de Connie Smith-versies van het inmiddels zo’n beetje suf gecoverde “4 Walls” en “5 Fingers To Spare”, Norma Jeans “Whiskey 6 Years Old”, Patsy Cline’s “7 Lonely Days”, Red Bailey z’n tearjerker “8 Weeks In A Barroom”, Tammy Wynette’s hartverscheurende “Apartment #9”, “10 Minutes Till Heartaches” van Leona Williams, Johnny Paychecks “A-11”, Roger Millers versie van “The 12th Of Never” tot de ogenschijnlijke afsluiter “13 Steps Away” van Jimmy Dean. Enkel in de titel van het vervolgens nog verrassend als ghost track opduikende “Heartaches By The Number” (van de hand van Harlan Howard) zit om evidente redenen geen cijfertje verwerkt. Veertien nummers lang worden we ondergedompeld in een sfeertje dat onmiskenbaar herinnert aan de zestiger hoogdagen van het countrygenre. De dagen waarin fiddle en steel nog regeerden in Nashville. Wat “Sings… Heartache Songs” zo speciaal maakt, is dat de plaat met gemak vergelijkingen met de toppers uit die periode kan doorstaan. Marti Brom is immers een echt vocaal fenomeen. Wie zweert bij het materiaal van pakweg een Patsy Cline of een Tammy Wynette zal hier dan ook gegarandeerd een flinke kluif aan hebben.

Marti Brom

Goofin’ Records

 

 

FREAKWATER

“Thinking Of You”

(Thrill Jockey / Bang!)

(4) J J J J

 

 

Zes lange jaren verstreken er sinds het verschijnen van het laatste Freakwater-album “End Time”. En al waren er tussentijds met “Cut Yourself A Switch” van Catherine Irwin en “Dragging Wonder Lake” van Janet Beveridge Bean dan nog wel enkele absoluut niet te versmaden solo-zoethoudertjes, het doet toch enorm veel plezier de twee op “Thinking Of You” weer ongegeneerd in elkaars armen te horen vallen. Op dat onder de hoede van Tim Rutili ingeblikte zevende album dulden Irwin en Beveridge Bean naast hun vaste maatjes Dave Gay (bas) en Jon Spiegel (pedal steel) en het voltallige Califone – de groep van Rutili – ook nog Graeme Gibson (orgel), Evelyn Weston (zingende zaag), Jacob Smith (piano) en James Elkington (elektrische gitaar) naast zich. Het resultaat van die samenwerking is hun misschien wel beste plaat tot op heden. Niemand vult het begrip alt. country in zoals Freakwater dat daarop doet. Hun perverse kijk op bluegrass, honky-tonk en countrypolitan is werkelijk uniek. Mede door vrij onopvallend in hun repertoire binnengeloodste elementen uit folk, rock en andere genres creëren ze een geheel eigen geluid. Meestal klinkt dat nog eerder traditioneel, zoals bijvoorbeeld in het hartverscheurend mooie, de tragische dood van één van Woody Guthrie’s dochters bezingende “Cathy Ann”, het relaxte, half gefluisterde “Double Clutch” en het breekbare, enkel en alleen op de engelachtige samenzang van de twee frontvrouwen terende “Sap”, waarbij je onwillekeurig aan Emmylou Harris gaat denken, maar zo nu en dan maakt een eigentijds gevoel van onbehagen zich toch al van het aangeboden songgoed meester. We denken dan bijvoorbeeld aan het door verschillende messcherpe gitaarinterventies van Tim Rutili meedogenloos opengereten “Buckets Of Oil” – Think Loretta Lynn’s “Van Lear Rose”! – of aan het weirde, op een Zuiders ritme neergelegde en hier eigenlijk best wel een beetje uit de toon vallende “So Strange”. Dat laatste is wat ons betreft overigens wel het enige smetje op een voor de rest werkelijk grootse plaat.

Freakwater

Thrill Jockey Records

Bang!

 

 

Opgelet!!!!! Voortaan recycleren we onze eerdere besprekingen in een archief!!!!!

 

Klik hier voor de recensies van de maand augustus.

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums van:

 

Ad Vanderveen “Fields Of Plenty”The Spongetones “Number 9”David McCormack & The Polaroids “The Truth About Love” - Bobby Flores “Too Many Rivers”Alanis Morissette “Jagged Little Pill Acoustic” - Slick Fifty Seven “Love Lost Exhaust”John Reischman & The Jaybirds “The Road West”Michael Ubaldini “Avenue Of Ten Cent Hearts”Arno Adams & BJ Baartmans “Dans Met Mich” - Abigail Washburn “Song Of The Traveling Daughter”Foghorn Stringband “Weiser Sunrise”Hackensaw Boys “Love What You Do”Stephen Bruton “From The Five” - Delbert McClinton “Cost Of Living”Tom Wilson & Bob Lanois “The Shack Recordings Volume One”Cowboy Junkies “Early 21st Century Blues”Pieta Brown “In The Cool”Dale Watson & His Lone Stars “Heeah!!”Richard Thompson “Front Parlour Ballads”Carrie Newcomer “Regulars And Refugees”The Supahip “Seize The World”Cory Morrow “Nothing Left To Hide”Waco Brothers “Freedom And Wheep” - Kate Campbell “Blues And Lamentations”Eliza Gilkyson “Paradise Hotel”The South Austin Jug Band “Dark And Weary World”The Knitters “The Modern Sound Of… The Knitters”Open Road “Lucky Drive”Various Artists “Telluride Bluegrass Festival 30 Years”Uncle Earl “She Waits For Night”Lisa Redford “Lost Again”Alex Ryan “Bloom”Jimmie Dale Gilmore “Come On Back”Celilo “Ricochet” - Clumsy Lovers “Smart Kid”Ellen Gomez “The Company Of Angels” - Joe Fournier “Three Chord MacGyver”Big Blue Hearts “Here Come Those Dreams Again”Brian Setzer “Rockabilly Riot! Volume One – A Tribute To Sun Records”Tom Russell & Andrew Hardin “Hearts On The Line” (DVD)