ARCHIEF CD-RECENSIES SEPTEMBER 2006

 

 

archief

 

L = Thanks, but no thanks! - J J = Mediocre… - J J J = Just plain good stuff.

J J J J = Very good indeed! - J J J J J = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

 

 

Various Artists “Rubber Folk” - Kasey Chambers “Carnival”The Mercy Brothers “Strange Adventure”Loomer “Songs Of The Wild West Island”Leslie Alexander “Garden In The Stones”Keith Miles “What It Was They Became”Rowwen Hèze “Rodus & Lucius”Madeleine Peyroux “Half The Perfect World”Valerie Smith & Liberty Pike “Wash Away Your Troubles”Turnip Greens “Carry Me Down The Aisle”Butte La Rose “The Rose Mountain”Dan Montgomery “Rosetta, Please (A Love Story)”Laïs “Documenta”Jeff Finlin “Angels In Disguise” - Kate Campbell with Spooner Oldham “For The Living Of These Days”Kathy Briggs “Gorgeous Girls” - Sherry Austin “Drive On Back”Maria Muldaur “Heart Of Mine – Maria Muldaur Sings Love Songs Of Bob Dylan”Jim Lauderdale “Country Super Hits! Vol. 1” en “Bluegrass”Jeff Dernlan “Broadmoor”Mark Evans “I Crawl Out”The Ugly Buggy Boys “Aloha”Greg Brown “The Evening Call”Dale Ann Bradley “Catch Tomorrow”Old Crow Medicine Show “Big Iron World”Cam Penner & The Gravel Road “Felt Like A Sunday Night”Rick Pickren “Rails, Rogues & Wrecks” - Ryan Auffenberg “The Bright Lights EP”Pat Green “Cannonball” - Michele Dominguez Greene “Luna Roja”Kieron McDonald “Island Girl”Flogging Molly “Whiskey On A Sunday” (DVD/CD)Crooked Still “Shaken By A Low Sound”Randy Weeks “Sugarfinger” - The Whipsaws “Ten Day Bender”Michael Ubaldini “Empty Bottles & Broken Guitar Strings”

 

VARIOUS ARTISTS

“Rubber Folk”

(Gott Discs)

(4) J J J J

 

 

Medio de jaren zestig gaven de Beatles met “Rubber Soul” openlijk toe, dat de indertijd in hun thuisland aan gang zijnde folk boom ook hen niet onberoerd had gelaten. Heel wat van de songs op dat album bleken immers duidelijk door dat genre beïnvloed. En dat gegeven inspireerde BBC Radio 2 DJ Mike Harding ertoe om precies veertig jaar later een aantal van de beste Britse folkies uit te nodigen om elk één nummer van dat Fab 4-album naar hun hand te zetten. Oorspronkelijk enkel met de bedoeling om er een radioprogramma aan te wijden, maar zoals dat wel vaker gebeurt met enthousiast onthaald materiaal belandde het geheel uiteindelijk toch ook op CD. En daar kunnen we eigenlijk alleen maar blij om zijn. “Rubber Folk” is immers een erg knappe verzamelaar geworden. Lekker gevarieerd ook! Jim Moray rockt zo bijzonder lekker z’n weg doorheen “Drive My Car”, Waterson:Carthy doen meerstemmig iets moois met “Norwegian Wood”, Paul Brady pompt wat soul doorheen “You Won’t See Me”, Chris While overtreft met haar in strijkers gehulde versie van “Nowhere Man” zo ongeveer elke bestaande versie van dat liedje, Coope, Boyes & Simpson gaan met goed gevolg a capella aan de slag met “Think For Yourself”, Johnny Dickinson dompelt “The Word” slidegewijs onder in een bluesy Americana-bad, ouwe taaie Ralph McTell voelt zich duidelijk goed bij “Michelle”, Boo Hewerdine & Eddi Reader kleuren “What Goes On” voorzichtig country, John Tams’ benadering van “Girl” heeft iets bepaald filmisch over zich, Martin Simpson excelleert op de van hem bekende manier in “I’m Looking Through You”, June Tabor heeft ruim voldoende aan haar sonore stem om van “In My Life” iets heel aparts te maken, belofte Cara Dillon perst samen met Sam Lakeman een nog perfectere pop song uit “Wait, Show Of Hands leveren met hun instrumentaal bijzonder rijk en origineel aangeklede versie van “If I Needed Someone” één van de absolute hoogtepunten af en Spiers & Boden staan met hun traditionele, door een accordeonbijdrage gedragen kijk op “Run For Your Life” voor een perfect einde van een al even perfecte folkplaat. Van harte aanbevolen!

Gott Discs

 

 

KASEY CHAMBERS

“Carnival”

(Essence / Capitol / EMI Australia)

(3) J J J

 

 

 

Nummer vier voor madame Chambers. En het minste wat je erover kwijt kan, is dat hij serieus afwijkt van zijn drie voorgangers. In een productie van broerlief Nash bewandelt Kasey ditmaal beduidend meer pop- en rockgeoriënteerde paden dan voorheen. Er valt hier op de keper beschouwd zelfs nog maar weinig aan te wijzen dat het rechtvaardigt om haar onder alt. country te blijven categoriseren.

De songs zijn naar goede gewoonte best wel o.k., daar niet van, maar het blijft toch allemaal even wennen. Enkel liedjes als “Hard Road”, een van op een afstand een beetje aan Crowded House herinnerende en in duet met Bernard Fanning gebrachte ballade, de oorvriendelijke single “Nothing At All” en de hele mooie, gevoelige afsluiter “Don’t Look So Sad” grepen ons vrijwel meteen bij ons nekvel.

Commercieel gezien wellicht een hele goede zet, dit album, maar of haar fans van het eerste uur er ook aan zullen willen, dat is nog maar de vraag.

Kasey Chambers

 

 

THE MERCY BROTHERS

“Strange Adventure”

(CoraZong / Heartselling-MML)

(3,5) J J J J

 

 

 

Zo’n drie jaar heeft dit – Nochtans prima! – album erover gedaan om ook hier uiteindelijk z’n lang verdiende releasebeurt te krijgen. Onbegrijpelijk gewoon…

The Mercy Brothers zijn soul man/blues shouter/countryzanger Barrence Whitfield en de vooral van zijn prominente rol als gitarist bij de onvolprezen Radio Kings en als producer (van recentelijk ondermeer nog Alastair Moock en William Hut) bekende Michael Dinallo. In 2003 distilleerden die twee samen met gasten Vidar Busk (elektrische gitaar), Paul Kochanski (akoestische bas), Andy Plaisted (drums, percussie), Tim Kelly (dobro) en Tim Taylor (harmonica) uit genres als mountain en folk blues, soul, rock en country een album dat bijzonder lekker wegluisterde. En met uitzondering van covers van klassieke songs als “Another Man Done Gone”, “Broke Down Engine” en “Night Train To Memphis” behielpen ze zich daarbij uitsluitend met door Dinallo zelf aangedragen materiaal. Nu eens lonkend naar het werk van Reverend Gary Davis, dan weer eerder naar de Carter Family, Woody Guthrie of zelfs de jonge Cash kwamen ze bijna als terloops toch tot een volstrekt eigen rootsgeluid.

De tien songs op het indertijd verschenen origineel worden op deze CoraZong-release nu aangevuld met zes in oktober van 2003 ergens in het Noorse Oslo ingeblikte live tracks, waaronder de Woody Guthrie-compositie “California Stars” en knappe versies van Larry Greens “Long Black Train” en de traditional “Pallet On The Floor”. En daarnaast is er met de studio demo “Tennessee Blues” zelfs nóg één extra reden voorhanden om je dit album onverwijld aan te schaffen. Gewoon doen dus ook maar!

(In februari zullen The Mercy Brothers hier uitgebreid komen toeren. Boeken kan je ze via Tornado.)

CoraZong Records

 

 

LOOMER

“Songs Of The Wild West Island

(Newtone Records)

(4) J J J J

 

 

 

Net als z’n twee jaar geleden verschenen voorganger “Love Is A Dull Instrument” is “Songs Of The Wild West Island”, de nieuwe van singer-songwriter Scott Loomer en de zijnen een juweel van een alt.-countryplaat. Loomers liedjes zijn tegelijk zeer luistervriendelijk en zeer ingenieus van opvatting. Neem nu zoiets als opener “Bang The Nails”: een droom van een melodie, heerlijk gruizige zang, zalig rinkelende gitaartjes, piano, banjo, maar ook een heleboel “stoorzendertjes”. “Anastasia” is dan al een stuk makkelijker te “krijgen”. Opnieuw zo’n dijk van een song, waarin de gitaren op z’n Byrds lekker loos mogen gaan en een bijzonder functioneel ingezette pedal steel de rest doet. En “what about” ingetogen beauties als “Caramel Heart” en het samen met huisfavorietje Sarah Harmer gebrachte “Only Lovers”? Een hart van steen, dat bij zulke moordsongs onberoerd blijft. Harmer is overigens niet de enige bekende gaste hier. Ook John Dinsmore, Jackson Taylor, Miranda Mulholland en Bryden Baird gaven acte de présence tijdens de opnamen van deze nieuwe Loomer-schijf. Dinsmore en Mulholland geven ‘m respectievelijk banjo- en fiddlegewijs serieus van jetje in het zomers-vlotte “Sunday Driver Down”, Jackson Taylor komt voorbij in het hier al eerder genoemde “Bang The Nails” en Bryden Baird tekent voor de “Horns ‘O’Plenty” in de herfstige afsluiter “Endless Holiday”.

Laat die van Wilco en andere genrepioniers maar lekker moeilijk doen en hun platen aan een poppubliek proberen te slijten, denken wij dan, zolang we acts en platen als deze mogen blijven begroeten, is er voor ons vooralsnog geen vuiltje aan de lucht. Loomer rules!

Loomer

Miles Of Music

 

 

LESLIE ALEXANDER

“Garden In The Stones”

(Superoops Records)

(4) J J J J

 

 

Het kan weer niet op dezer dagen! De prachtigste CD’s blijven aan een werkelijk onwaarschijnlijk hoog tempo op onze schrijftafel belanden, de ene al knapper dan de andere. Zo is er nu weer “Garden In The Stones”, de derde van zingende liedjesschrijfster Leslie Alexander. Die had ons al met haar vorige plaat “Savage Country” een serieuze opdoffer weten te verkopen en dat doet ze met deze nieuwe schijf nog eens uitgebreid over. Voor de productie daarvan deed ze opnieuw een beroep op de ondermeer van zijn werk met de Be Good Tanyas bekende John Macarthur Ellis en collega-singer-songwriter Wyckham Porteous. En die twee zagen haar bijzonder vastberaden de al op haar vorige CD ingeslagen weg verder bewandelen. Alexander put inspiratie voor haar songs uit genres als folk, traditionele country, bluegrass en blues. En dat de bloedmooie Canadese uitsluitend vertrouwt op eigen materiaal geeft aan, hoe rotsvast ze daarbij in haar eigen kunnen gelooft. En met recht en reden ook! Luister bij gelegenheid maar eens naar het geslaagde huwelijk tussen old-time music en roots pop dat “Shady Lake” is, naar het akoestische, volledig in haar eentje gebrachte “St. Paul’s Infirmary Blues”, naar de volstrekt tijdloze Americana van opener “Lay Me Down” en titelnummer “Garden In The Stones”, naar de heerlijk ouderwetse schuifelcountry van “Tulips In A Vase”, naar de bluesy folk & roll van “Creepy Underbelly” of naar het bezwerende “Sleep”, een als bonus track aan het geheel toegevoegd duet met Jane Siberry, en ook jij zal er niet omheen kunnen, dat deze Alexander naast een fenomenaal goede zangeres ook een intrigerende verhalenvertelster is. Wie haalt haar snel voor wat optredens naar onze kontreien?

Leslie Alexander

CD Baby

 

 

KEITH MILES

“What It Was They Became”

(House Of Trout)

(4,5) J J J J J

 

 

 

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: “What It Was They Became” van Keith Miles staat voor singer-songwritermateriaal van het allerbeste soort. Al na één enkele luisterbeurt besef je waarom vaklui in de States hem al vergeleken met genregrootheden als een Guy Clark en een John Prine. De uit Virginia afkomstige, maar dezer dagen vanuit Nashville actieve Miles is immers een fenomeen, een echte meester-verteller. Over een muzikale lappendeken bestaande uit flarden country, bluegrass, swing en blues heen drapeert hij als een oude rot in het vak zijn pakkende verhalen. Daarbij weet hij zich ondermeer geruggensteund door fantastische muzikanten als Russ Pahl (gitaren, banjo, steel, dobro, jaw harp), Rick Lonow (drums, percussie), Dennis Crouch (bas), Jim Hoke (klarinet, accordeon, fluiten, harmonica, jaw & autoharp), Jack Sundrud (gitaren, elektrische bas, backing vocals), Steve Allen (gitaren) en Tony Harrell (keyboards). Zij zorgen ervoor, dat de epische hoogstandjes van Miles ook van een passende muzikale omkadering worden voorzien. Het resultaat zijn een aantal nummers waar je als fijnproever duim en vingers naar aflikt. Vooral het rustig voortkabbelende “Nolichucky Idyll” is een echte wereldsong. De manier waarop Miles daarin terugblikt op ooit tijdens een zomerse bijeenkomst bij de oever van een plaatselijke rivier door hemzelf en een stel vrienden gedane beloften spreekt tot de verbeelding. “Promises we knew we’d never keep,” stelt hij daarin door vergane tijd bijgestaan nuchter vast. In het leven loopt nu eenmaal niet altijd alles zoals je ’t droomt… In songs als deze bewijst de beste man zich zondermeer als de muzikale evenknie van de grote Kerouac.

Andere regelrechte delicatessen die hier zeer zeker ook een eervolle vermelding verdienen zijn het in bluegrass gedrenkte “Hickory Tree”, waarin Miles wijst op het belang van het op ouderwetse wijze overleveren van muzikale tradities, het aan het ingetogen werk van knapen als een Kristofferson en een Shaver herinnerende “Job To Do”, de prachtige road song “Highway 81” en de al even knappe, bluesy Mickey Newbury-cover “Just Dropped In”, meteen ook het enige niet-Miles-nummer op deze verbluffend mooie plaat. Een geheide kandidaat voor ons eindejaarslijstje! Bloedmooi!

Keith Miles

CD Baby

 

 

ROWWEN HEZE

“Rodus & Lucius”

(RHAM / Rough Trade)

(4) J J J J

 

 

 

Altijd weer iets om naar uit te kijken, zo’n nieuwe CD van Rowwen Hèze. En ditmaal hebben de heren ons wel extra lang op onze honger laten zitten. Hun laatste studioplaat, “Dageraad”, leverden ze immers af in 2003. Het wachten is echter de moeite waard geweest. “Rodus & Lucius”, vernoemd naar de twee rottweilers die de Limburgers tijdens het opnameproces van hun nieuwe schijf in de tot studio omgebouwde Peelboerderij “De Kruishoeve” in Meterik gezelschap hielden, is immers één van hun allerbeste albums so far. Met hun vertrouwde mix van in de eigen streektaal gebrachte Tex-Mex, Ierse folk, polka, pop en fanfaremuziek mikken ze ook dit keer weer beurtelings op het hart en op de benen. Qua intensiteit aan groepen als Flogging Molly en The Pogues herinnerende stampertjes als “Vechte, Valle En Opstoan” en “Krokodillelearelaarze” zijn geheide live-favorieten in wording. Meezinger “Kilomeaters” flirt dan weer openlijk met Springsteen en Earle, “Shane” is een hemeltergend mooi, van begin tot einde naar de keel grijpend eerbetoon aan bandidool Shane MacGowan en “Droemvlucht” een knappe samenwerking met Nynke Laverman, waarin Fries en Limburgs iets moois met elkaar hebben. Andere hoogtepunten: “50 Joar”, een zomerse deun, waarin Jack Poels zijn leeftijd bezingt, en het zwaar melancholische “Blaad An De Palm”. Op die momenten herinnert “Rodus & Lucius” echt aan het allerbeste van Rowwen Hèze.

Als toemaatje vind je in het bijzonder fraai vormgegeven digipack ook nog een blanco DVD-R, die het je toelaat om via een unieke code van de webstek van de groep wat al even uniek beeldmateriaal te downloaden. Ons fangeluk kan niet op…

Rowwen Hèze

 

 

MADELEINE PEYROUX

“Half The Perfect World”

(Emancy / Rounder)

(3,5) J J J J

 

 

 

Dat je niet gaat sleutelen aan een succesformule, is een oude volkswijsheid die ook Madeleine Peyroux zich ter harte lijkt te hebben genomen. En waarom zou ze ook wel? Van haar knappe vorige CD “Careless Love” werden wereldwijd immers meer dan een miljoen exemplaren verkocht. Je zou van minder een weinig gaan zweven…

Onder de vakkundige productionele leiding van Larry Klein zoekt de nog steeds als een eigentijdse uitvoering van Billie Holiday klinkende jazzpopchanteuse ditmaal haar heil in eerste instantie in een aantal covers van werk van contemporaine collega’s als Tom Waits (“(Looking For) The Heart Of Saturday Night”), Leonard Cohen (“Blue Alert” en het met een fikse snuif samba gekruide titelnummer) en Joni Mitchell. Met name haar in duet met K.D. Lang gebrachte versie van het door velen als een klassieker op het repertoire van die laatste beschouwde “River” is erg fraai. Andere pertinente hoogtepunten op “Half The Perfect World” zijn de samen met producer Klein en Walter Becker van Steely Dan gepende pure roots pop van eerste single “I’m All Right”, haar bijzonder innemende vertolking van Chaplins “Smile”, een prachtige schuifel-lezing van het vooral in de uitvoering van Nilsson in het collectieve geheugen gegrifte “Everybody’s Talkin’” en het in sympathiek Frans gebrachte “La Javanaise” van Gainsbourg. Kan je allemaal absoluut niks op tegen hebben.

Madeleine Peyroux

Rounder

 

 

VALERIE SMITH & LIBERTY PIKE

“Wash Away Your Troubles”

(Bell Buckle Records)

(4) J J J J

 

 

 

Wat we hier enkele dagen geleden al schreven over Dale Ann Bradley gaat tot op zekere hoogte ook op voor Valerie Smith. Ook die Smith is immers een ronduit fantastische bluegrasszangeres, die met elke nieuwe plaat de tussen haarzelf en genretoppers als Alison Krauss, Rhonda Vincent, Claire Lynch en co gapende kloof weer wat meer weet te dichten. En het zou ons eerlijk gezegd zelfs allerminst verbazen mocht de gemiddelde Americanafan zich eerder aangetrokken voelen tot haar nieuwe CD “Wash Away Your Troubles” dan tot het recentere werk van de genoemde dames. Zelfs al betreft het daarbij dan ook een gospelproject. Wat Smith en haar groep Liberty Pike daarop brengen getuigt immers van een veel opener karakter. Smith (zang), Becky Buller (Wat een talent!) (fiddle, clawhammer banjo, zang), Casey Grimes (bas, zang) en Jonathan Maness (gitaar, mandoline, zang) zijn zo goed op elkaar ingespeeld, dat ze werkelijk geen enkele uitdaging hoeven te schuwen. Van een acapella beauty als “Soul Phone” over het openlijk met blues flirtende “The Rain”, van iets Americanagetints als “Music To My ears” of “Wings To Fly” tot de recht-toe-recht-aan-bluegrass van “Getting Ready For Sunday” of “God’s Refrigerator” of het flink richting country lonkende “Seeds”, ze brengen het werkelijk allemaal met evenveel overtuiging en klasse. Met een speciale vermelding voor de meerstemmig gebrachte Louvin Brothers-cover “Make Him A Soldier”. Alsof er een engeltje op je tong piest, zo lekker…

Valerie Smith

CD Baby

 

 

TURNIP GREENS

“Carry Me Down The Aisle”

(Black & Tan Records)

(3,5) J J J J

 

 

Turnip Greens is een vier man sterk blues & rootscollectief afkomstig uit het Deense Arhus. Zanger Henrik B. Bruhn, gitarist Peter Skjerning, bassist Mads Mazanti en drummer-percussionist Sune S.V. Nielsen kunnen er hun uit een gemeenschappelijke interesse voor diverse muzikale stijlen uit het diepe Zuiden van de States geboren liefdesbaby in kwijt. Als muzikale invloeden noemen ze zelf ondermeer Tom Waits, Dr. John, Delbert McClinton, Snooks Eaglin, Johnny Guitar Watson, Solomon Burke, B.B. King, The Meters, Elvis, Daniel Lanois, Ry Cooder, Doyle Bramhall II, Dylan, Taj Mahal en The Black Keys.  En dat ze in hun muziek van meerdere walletjes tegelijk eten, hoeft dan ook niet echt meer te verwonderen. Eigenzinnige, langs alle kanten rammelende achterbuurtenblues op z’n Tom Waits (“Carry Me Down The Aisle”, “Gather My Bones”, “Quite Often”), recht-toe-recht-aan roots rock (“My Baby Say’ She Loves Me”), ingetogen singer-songwritermateriaal (“Kissed Her On The Cheek”, “Hostile Hospitality”), moddervette moderne gitaarblues (“Top Of The Hill”), wat meer funkgeoriënteerd spul (“Sixsixtysix”), u vraagt maar raak, de heren draaien wel… Het resultaat is een bijzonder intrigerende plaat, die zich met sprekend gemak kan meten met vergelijkbare releases uit de States. De heerlijk gruizige stem van Bruhn en de werkelijk ijzersterke songs van snarenvirtuoos Skjerning zullen daarbij de balans zelfs regelmatig in het voordeel van Turnip Greens doen overhellen.

Turnip Greens

MySpace Music

Black And Tan Records

 

 

BUTTE LA ROSE

“The Rose Mountain

(Song Isle)

(4) J J J J

 

 

 

Zondermeer een van de prettigste najaarsverrassingen so far, dit zeven tracks tellende EP’tje van Butte La Rose, een trio uit Los Angeles, CA. Drijvende kracht achter het drietal is singer-songwriter-gitarist Reed Luckett Wiley, die met zijn liedjes regelmatig het betere werk van Ryan Adams weet te evoceren. Iets waar ook het feit dat er bepaalde stemgelijkenissen tussen de twee vallen aan te wijzen wellicht niet geheel vreemd aan is. Verder bestaat de groep uit Brooke Seguin (piano, zang) en Cooper Wiley (slidegitaar, mandoline, harmonica, zang), die er samen met gastmuzikanten Leslie Van Trease (drums, gitaar, bas, piano), Nick Johns (piano) en Brian Vibberts (percussie) voor zorgen dat de liedjes van Wiley de muzikale aankleding krijgen die ze ten volle verdienen. “The Rose Mountain” groeit zodoende uit tot een lekker gevarieerd geheel dat met plezier doet terugdenken aan de hoogdagen van Whiskeytown. Dit is nog eens alt. country van het soort waarvoor je ooit van het genre bent gaan houden. Maar overtuig je daarvan vooral zelf door fraaie songs als het slepende “Jackson Square”, het catchy tweetal “Good Night Helen” en “Sunday Afternoon” of het ingetogen, op de prachtige samenzang van Wiley en Seguin terende “Think Of Me” een luisterbeurt te gunnen. (En houd je geld alvast maar klaar…)

Butte La Rose

CD Baby

 

 

DAN MONTGOMERY

“Rosetta, Please (A Love Story)”

(Makeshift Records)

(4,5) J J J J J

 

 

 

“Rosetta Please (A Love Story)” is de verbluffend mooie nieuwe CD van de man die ons in het verleden het ook al voortreffelijke “Man From Out Of State” schonk. We hebben het dan uiteraard over de dezer dagen vanuit Memphis actieve rootsy singer-songwriter Dan Montgomery. Net als voor zijn vorige CD kon die ook ditmaal weer uitgebreid terugvallen op de hulp van zijn maatje Ben Vaughn, die ook nu weer als executive producer optrad. Verder prijken op de gastenlijst ondermeer ook de namen van Duane Jarvis, Peter Case, Kim Richardson, Merrily Weeber en Kevin Jarvis. Schoon volk voorwaar!

“Rosetta Please (A Love Story)” is strikt genomen een conceptplaat. Alle negen de liedjes erop handelen immers over de relatie tussen een pas weer op vrije voeten belande bajesklant en zijn vriendin, een hoertje. Een verhaal van niet kunnen leven mét, maar al evenmin zónder. Een verhaal van pijn, pijn en nog eens pijn. En met zijn warme, soulvolle stem is Montgomery beter dan wie ook gewapend om dat te vertellen. Hoe hij het hartverscheurende keuzeprobleem van zijn hoofdpersonage weet te verklanken grenst aan het ongelooflijke. Je voelt wat die man voelt. Je leeft als het ware heel even zijn leven.

We bombardeerden “Rosetta Please (A Love Story)” dan ook niet zomaar tot onze “CD van de week”. Dit is een plaat om te hebben en van te houden. Ook een love story dus, zij het dan wel van een geheel andere orde…

Dan Montgomery

Miles Of Music

 

 

LAÏS

“Documenta”

(Virgin / EMI)

(4) J J J J

 

 

De dames van onze nationale folktrots Laïs vieren dit jaar hun tienjarig bestaan als trio en dat zullen we geweten hebben ook. Met de in een bijzonder fraai digipack gestoken, drie CD’s bevattende retrospectieve collectie “Documenta” worden we aan een vriendenprijsje alvast getrakteerd op een bescheiden overdosis aan nieuw materiaal van nachtegaaltjes Jorunn, Annelies en Nathalie. Een eerste schijfje dat als (een weinig misleidende) titel “Live In Brussels 2004” meekreeg bevat naast in de hoofdstedelijke AB gemaakte concertopnames ook op andere locaties als het CC Wemmel en de Elisabethzaal in Antwerpen (met band) ingeblikt materiaal. Het gaat daarbij om klassiekers op het Laïs-repertoire als “Doran”, “Rinaldo”, “Le Renard Et La Belette”, de Herman Van Veen-cover “Opzij”, “’t Smidje” en “Barbagal”. CD 2 luistert naar de titel “Scrapbook” en dat is ook exact wat het is, een plakboek vol van met tal van genres flirtende deuntjes en remixen daarvan, waarvan velen geboren werden uit op het eerste gezicht wat vreemde combinaties. We denken dan bijvoorbeeld aan de Frank Vanderlinden-Ad Cominotto-compositie “De Ballade Van Boon”, het Spinvis-nummer “Astronaut” of Daans “Swedish Designer Drugs”. CD 3 tenslotte grijpt terug naar de prille dagen van het Kalmthoutse trio, toen ze door die van Kadril werden ontdekt, naar de dagen waarin ze in tal van culturele centra acapella samenzingend hun publiek vaak verbijsterd achterlieten en aan hun steile opmars begonnen. “A Capella 1996” bevat hun allereerste opnames ooit.

Très joli!

Laïs

EMI

 

 

JEFF FINLIN

“Angels In Disguise”

(Korova Records / Warner UK)

(5) J J J J J

 

 

We zullen het hier tot in den treuren toe blijven herhalen: de in Cleveland, Ohio geboren en getogen Jeff Finlin is één van de allerbeste storytellers van zijn generatie. Onbegrijpelijk gewoon, dat een talent van dat kaliber tot op de dag van vandaag door zo weinig liefhebbers van het singer-songwritergenre aan de boezem werd gedrukt. Veel beter komen ze immers niet. Dat bewijst ook de opvolger van het briljante “Somewhere South Of Wonder” weer. Ook “Angels In Disguise” staat immers weer vol met lekkernijen voor allen die van een (roots)popliedje net dat ietsje meer durven te verwachten dan alleen maar een leuk melodietje. Net als bijvoorbeeld ook een Randy Newman, een Bob Dylan of een Tom Waits is Finlin naast een fantastische muzikant eigenlijk ook een beetje een schrijver. Zijn muziek luistert niet alleen lekker weg, zijn teksten staan ook altijd weer garant voor het nodige excellente leesvoer. Het enige wat je zou kunnen afschrikken is ’s mans wat aparte nasale stem. Eenmaal gewend daaraan zal je er echter niet omheen kunnen, dat deze man het ruimschoots verdient om knapen als het eerder al genoemde drietal of een John Hiatt bijvoorbeeld ook qua succes naar de kroon te mogen steken. En wij kruisen hier onze vingers opdat dat met dit deels in Colorado, deels in Nashville in het gezelschap van ondermeer de onvolprezen Will Kimbrough en Pat Buchanan opgenomen album eindelijk ook gebeuren zou.

Jeff Finlin

Korova Records

 

 

KATE CAMPBELL WITH SPOONER OLDHAM

“For The Living Of These Days”

(Large River Music / Sonic Rendezvous)

(3) J J J

 

 

Op “For The Living Of These Days”, haar elfde CD sinds ze in ’94 debuteerde met “Songs From The Levee”, zoekt Kate Campbell het andermaal in hogere sferen. Het betreft daarbij immers een met Muscle Shoals-legende Spooner Oldham ingespeeld folk-gospelproject. Oldham doet het daarbij op piano, Hammond B-3 en Wurlitzer, Campbell zelf zingt als vanouds de sterren van de hemel. En ze doet dat voornamelijk in andermans materiaal. Naast een aantal traditionals pakt ze ondermeer ook “Jesus Christ” van Woody Guthrie, “Would They Love Him Down In Shreveport” van Bobby Braddock en “They Killed Him” van Kris Kristofferson aan. Verder zingt ze ook nog de nieuwe Civil Rights Memorial Song “Faces In The Water” en zet ze met “Prayer Of Thomas Merton” een gebed van die dichter op muziek.

Het resultaat van dat alles zou ik als fan in hart en nieren van Campbell zeker niet tot haar beste platen durven te rekenen, daarvoor komt het allemaal net iets té braafjes over. Maar slecht is het zeker ook niet. Campbell is en blijft nu eenmaal een fantastische zangeres.

Kate Campbell

Large River Music

Sonic Rendezvous

 

 

KATHY BRIGGS

“Gorgeous Girls”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Een eerste bedenking die je je als luisteraar maakt bij het beluisteren van “Gorgeous Girls”, het debuut van de uit Boulder, Colorado afkomstige singer-songwriter Kathy Briggs, is, waar het met deze zangeres wel moet eindigen, als ze al op haar eersteling zó ongelooflijk sterk uit de hoek kan komen. Briggs heeft een tegelijk ongemeen krachtige en zeer warme stem, waarmee ze op dat visitekaartje op fraaie wijze negen nummers van eigen hand vormgeeft. Ijzersterke composities bovendien ook. Geschreven vanuit het standpunt van een vrouw die zeer goed weet wat ze wil. Ideale voorbeelden om die stelling mee te onderbouwen zijn “A Good Son”, een muzikale blik in de gevoelswereld van moeders met kinderen aan het front van de één of andere oorlog, en het bluesy “The Haircut”, een hilarisch verhaal over een door al té hoge verwachtingen gedragen bezoek aan de kapper.

Als invloeden somt Briggs ondermeer Patty Griffin, Sheryl Crow en Bruce Springsteen op. Lieden waarmee ze inderdaad wel het één en ander gemeen heeft. Maar daarmee is toch lang nog niet alles over deze als lerares door het dagelijkse leven stappende chanteuse gezegd. Dat ze altijd een boon voor blues en soul gehad heeft bijvoorbeeld, hoor je nog regelmatig terug in haar werk. Vooral dat eerste genre vormt samen met folk, pop en country één van de hoekstenen van het hier door haar gebrachte repertoire.

The famous last words? Kathy Briggs: a gorgeous newcomer, “Gorgeous Girls”: an equally gorgeous record. Gaan we vast nog het één en ander van horen!

CD Baby

 

 

SHERRY AUSTIN

“Drive On Back”

(Barking Topiary Records)

(4) J J J J

 

 

Al naar aanleiding van haar in 2003 verschenen debuutplaat “Drive-By Romance” dichtten we de vanuit Santa Cruz opererende zingende liedjesschrijfster Sherry Austin hier een mooie toekomst toe. En na het beluisteren van haar samen met Jim Norris geproduceerde tweede “Drive On Back” vallen we wat dat betreft graag nog eens in herhaling. Austin hijst zich met dat tweede album immers nog wat meer naar het niveau van collega’s als een Eliza Gilkyson of een Mary Gauthier. Dat doet ze met een zevental sterke eigen composities (waaronder het werkelijk uitmuntende en voor de bewindslui in haar land behoorlijk kritische “I Wouldn’t Lie To You”) en een stel zorgvuldig gekozen covers. Van Tim O’Brien leende ze zo bijvoorbeeld “Less And Less”, bij Bob Dylan en Jay Secor haalde ze “Wagon Wheel”, bij haar idool Fred Eaglesmith en Rod Picott “Gettin’ To Me” en bij Martha Scanlon “Hallelujah”. Het resultaat is een in haar geheel bijzonder charmante Americana-CD die het bij fans van zo ongeveer om het even welke van de hoger genoemde artiesten goed zou moeten kunnen doen. Vandaar ook onze dwingende vraag: wie haalt deze Austin snel eens naar onze kontreien voor wat optredens? We kijken er nu al naar uit!

Sherry Austin

CD Baby

 

 

MARIA MULDAUR

“Heart Of Mine”

(Sings Love Songs Of Bob Dylan)

(Telarc / Coda)

(3) J J J

 

 

 

Op “Heart Of Mine” wijdt de schijnbaar eeuwig jonge Maria Muldaur haar bepaald niet geringe vocale talenten aan een aantal liefdesliefdjes geplukt van het repertoire van good old Bob Dylan. Vooral wanneer ze zich daarbij in vertrouwde country-blueswateren begeeft, resulteert dat in hoogst aangenaam muzikaal vertier. We denken dan bijvoorbeeld aan heerlijk relaxte versies van bekende deunen als “Buckets Of Rain”, “Lay Baby Lay”, haar kijk op ’s mans “Lay Lady Lay”, “You Ain’t Goin’ Nowhere” en “To Be Alone With You”. Maar ook elders, zoals in het wat meer popgetinte titelnummer “Heart Of Mine”, in een zeer mooie versie van “(To) Make You Feel My Love” of in het lijzige, bij velen wellicht vooral in de uitvoering van die van UB40 en Robert Palmer bekende “I’ll Be Your Baby Tonight”, weet Muldaur volop te bekoren. Zonder daarvoor echt wereldschokkende dingen te moeten doen levert ze met haar nieuwe CD een album af, dat het verdient om ook buiten kringen van Dylan-fans een welwillend oor te vinden.

Maria Muldaur

Telarc

 

 

JIM LAUDERDALE

“Country Super Hits! Vol. 1” en “Bluegrass

(Yep Roc / Sonic Rendezvous)

(4) J J J J / (4) J J J J

 

  

 

Jim Lauderdale is een man van vele kunstjes. Alleen al van zijn inkomsten als songleverancier voor countryhitmachines als George Strait, George Jones, Patty Loveless, Vince Gill en de Dixie Chicks zou hij het er voor de rest van zijn leven gewoon kunnen van nemen. Maar zo zit de man niet in elkaar. Die financieel gezonde toestand vormt voor hem zelfs eerder een aanleiding om meer te gaan werken. Hij kan het er zich immers door permitteren om te allen tijde gewoon zijn zin te blijven doen. En dat is natuurlijk een luxesituatie.

Was zijn in 2004 verschenen samenwerking met Robert Hunter van de Grateful Dead nog een onwaarschijnlijk mooie Americanaplaat, dan kiest Lauderdale op zijn nieuwe worp resoluut voor respectievelijk bluegrass en honky-tonk. Dat hij daar voor zijn nieuwe werkgever Yep Roc Records gelijk twee nieuwe platen uit puurt, hoeft eigenlijk amper te verbazen. De man schrijft nu eenmaal aan een fenomenaal hoog tempo.

Voor “Bluegrass”, het eerste van die twee door Jon Langford van een fraaie hoestekening voorziene albums, nam hij achter de schrijftafel plaats met gerespecteerde collega’s als Joe Henry, Leslie Satcher, John Levanthal, Buddy Miller en Tony Villanueva (Derailers). Het resultaat van die samenwerkingen blikte hij samen met Randy Kohrs en Bill Vorndick in, zich daarbij bovendien geruggensteund wetend door een heuse all-star lineup van muzikanten uit het genre. “Bluegrass” is dan ook een uitmuntende plaat geworden, waaraan zo ongeveer elke bluegrassfan het nodige plezier zal kunnen beleven. Prachtige songs, knap gezongen, muzikaal allemaal dik in orde, wat wil een mens nog meer?

En dat geldt op de keper beschouwd eigenlijk ook wel voor nummer twee, “Country Super Hits! Vol. 1”. Op dat door Lauderdale aan Buck Owens (“who is singing with the Sweet Hearts in Heaven”) opgedragen album tracht hij de essentie van de klassieke countryliedjes van weleer te vatten. En opener “(She’s in a) Honky Tonk Mood Again” zet daarbij meteen de toon. Met dat vlotte, samen met co-producer Odie Blackmon gepende nummer zou Lauderdale zich indertijd van een gegarandeerd lang leven op zo menig een jukebox hebben verzekerd. Maar ook rustigere nummers als de slepers “Playing On My Heart Strings”, “Cautious” of “If You’ve Never Seen Her Smile” werken wonderwel. Net als bijvoorbeeld ook een Nick Lowe dat zo goed kan, zingt Lauderdale die deunen immers met zoveel soul, dat je haast niet anders kan dan voor de bijl gaan. Dé absolute prijsnummers hier zijn evenwel de knappe, wederom met Leslie Satcher geschreven ballad “I Met Jesus In A Bar” en de hitgevoelige afsluiter “She’s Got Some Magic Going On”, een Shawn Camp co-write die in positieve zin opvalt door z’n aparte vibe.

Jim Lauderdale

Yep Roc Records

Sonic Rendezvous

 

 

JEFF DERNLAN

“Broadmoor”

(Indie MME Records)

(3,5) J J J J

 

 

Wij moeten eerlijk bekennen, dat de naam Jeff Dernlan hier niet meteen een belletje deed rinkelen. En toch bleek het bij nader inzicht om een “oude bekende” te gaan. De dezer dagen in Philadelphia residerende singer-songwriter bleek op de keper beschouwd immers mee verantwoordelijk voor het nummer “Not That Strong”, één van de mooiste liedjes op “Tiger Tom Dixon’s Blues”, het door ons nog altijd flink gekoesterde debuut van Rod Picott. En daarmee houden we meteen ook een goed referentiepunt in handen. Net als Picott beschikt Dernlan immers over een aangename licht gruizige stem en net als hem schrijft ook hij gemakkelijk toegankelijke rootsrock- en Americanaliedjes. Voorzichtig rockende deunen als “Smile”, “Matter Of Time” of het titelnummer van zijn nieuwe CD “Broadmoor” zullen de man dan allicht ook net als zijn voormalige schrijfpartner snel een flinke schare fans opleveren in onze kontreien. Het feit dat hij in zijn thuisland ondermeer al als support act gevraagd werd door schoon volk als Kathleen Edwards, Todd Snider, Ray Wylie Hubbard en Tim Easton lijkt dat alvast alleen maar te bevestigen. In het oog houden dus, deze knaap!

Jeff Dernlan

Miles Of Music

 

 

MARK EVANS

“I Crawl Out”

(Azalea Music Group)

(4) J J J J

 

 

Het eerste wat je opvalt bij het beluisteren van “I Crawl Out” van Mark Evans is de werkelijk frappante stemgelijkenis die de beste man vertoont met Billy Joe Shaver. En als dan ook nog eens blijkt, dat de bebaarde Brit het net als deze laatste moet hebben van rootsy country en Americana songs, dan moet je als recensent al heel goed beginnen op te letten om je niet te gaan verliezen in eindeloze vergelijkingen. Dat verdient Evans immers zeker niet. Als er al één ding is, dat hij met deze in Nashville ingeblikte debuutplaat bewijst, dan is het wel, dat hij een echte kanjer van een singer-songwriter is. Meteen van bij de opener, de samen met de onvolprezen Kathy Chiavola gebrachte ballade “Pass On By”, grijpt hij je met zijn liedjes stevig bij je nekvel om je pas zo’n dikke negenendertig minuten later heel erg voldaan weer los te laten. Vooral met nummers als het van een flinke shot humor bediende “Bluer Than The Movie” – mét Darrell Scott - maakt hij flink indruk. (Hoe hij daarin beschrijft, hoe hij er via een videocassette achterkomt dat zijn vrouw hem niet alleen bedriegt, maar er bovendien ook zeer aparte fantasieën op nahoudt, zal ook bij jou gegarandeerd voor de nodige hilariteit zorgen.) Maar ook love en after love songs als “Let Me Be Gentle”, “How Low Do I Have To Go” en “If Only I Knew Where To Start”, waarin Evans zich van een heel andere kant toont, “werken” vrijwel zonder uitzondering. Hartverscheurend mooi spul gewoon! En bovendien regelmatig ook nog eens geschreven vanuit een aparte invalshoek.

Als de Brit dit constant hoge niveau ook op zijn volgende platen kan blijven aanhouden, dan hebben we er een grote meneer bij. Een vette tip van onzentwege voor de verantwoordelijken voor de affiches van de ook dit jaar weer omvangrijke reeks Americana najaarsfestivals!

Mark Evans

CD Baby

 

 

THE UGLY BUGGY BOYS

“Aloha”

(Magnet Records)

(3,5) J J J J

 

 

Van het hoesje van hun tweede CD “Aloha” laat het zich niet meteen afleiden, maar The Ugly Buggy Boys zijn wel degelijk één van de interessantste Belgische roots acts van het ogenblik. Averell T.C. McRonald (zang, gitaren), Nick “The Stick” O’Sand (drums, zang) en Holly Dee Dice Dalton (contrabas, zang) zorgen zowat overal waar ze komen ogenblikkelijk voor de nodige ambiance en dat doen ze met een muzikale hybride waarin zich ondermeer sporen van genres als (Western) swing, hillbilly, rockabilly, country blues, jazz en boogie laten aanwijzen. Met de tong diep in de wang geplant distilleren ze uit die veelheid aan stijlen een geluid dat allicht altijd en overal wel slachtoffers zal blijven maken. Spelvreugde en humor voeren hier duidelijk de boventoon. Dat moge ondermeer blijken uit het speels-swingende statement “(We like) Bananas (because they have no bone)”, een met een snuif rockabilly gekruide versie van de Andrews Sisters-hit “Boogie Woogie Bugle Boy”, de stomende lap hard country die “Knock Knock Knock” is, het jazzy “Apfelstrudel” en het afsluitende “Milka Blues”.

In een wereld waarin ernst wat al té vaak regeert vormen collectieven als deze Ugly Buggy Boys een echte verademing. Laat de kans om ergens bij jou in de buurt eens een optreden van deze drie immer vrolijke knapen mee te pikken dus vooral niet liggen. Je zal het je vast niet berouwen…

(Boeken kan je TUBB via Myriam Boone van Boogie Town Agency: boogietown@swing.be )

The Ugly Buggy Boys

 

 

GREG BROWN

“The Evening Call”

(Red House Records / Music & Words)

(4) J J J J

 

 

Zo’n kleine dertig jaar lang al maakt Greg Brown platen die in kennerskringen vrijwel zonder uitzondering op de nodige goedkeuring mogen rekenen. In de schemerzone tussen folk, country en blues dient de man dan ook zondermeer tot de allergrootsten te worden gerekend. Als singer-songwriter weet hij blijvend te boeien. En of hij het nu zoekt op het strikt persoonlijke vlak of in zijn teksten “grotere waarheden” najaagt, doet daarbij eigenlijk nauwelijks terzake. Er zijn er immers maar weinigen, die gevoelens zo treffend weten te verwoorden als hem.

Voor “The Evening Call”, zijn ondertussen drieëntwintigste CD, trok hij naar Memphis. Daar nam hij met zijn vaste maatje Bo Ramsey twaalf nieuwe eigen liedjes op. Die Ramsey tekende met Brown niet alleen voor de productie van het album, maar leverde ook essentiële bijdragen op de elektrische gitaar. Brown zelf zong natuurlijk en deed het verder ook op de mondharmonica en de akoestische gitaar.

Blikvangers zijn vooral Browns heerlijke donkerbruine mompelstem en, zoals al gesteld, zijn erg fraaie (vaak poëtische) teksten. Daarin blijkt de liefde ditmaal een erg belangrijke rol te spelen. En vooral dan de kleinere kantjes ervan. Elders tracht hij de wereld een geweten te schoppen. Dat gebeurt bijvoorbeeld zeer nadrukkelijk in het bluesy “Treat Each Other Right”, waarin hij zich openlijk afvraagt “Peace on earth, when will it ever be in sight? This old world is everybody’s beautiful home, so why can’t we treat each other right?” “If everyone is praying to whatever gods there may be, I’d say we all better pray to each other for forgiveness before we lose our sanity. We got so evil,” stelt hij, daarmee spijkers met koppen slaand.

Veel nieuwe fans zal hij er wellicht niet mee winnen, met dit nieuwe album, deze Greg Brown, maar het zou ons zeer verbazen mocht hij er zijn vaste klanten niet mee kunnen behagen. “The Evening Call” is immers een zoveelste beauty op z’n palmares.

Greg Brown

Red House Records

Music & Words

 

 

DALE ANN BRADLEY

“Catch Tomorrow”

(Compass Records)

(4,5) J J J J J

 

 

Dale Ann Bradley is gezegend met één van de allermooiste stemmen die de actuele bluegrass scene rijk is. En haar in één naam noemen met andere nachtegaaltjes als Alison Krauss, Rhonda Vincent, Alecia Nugent, Claire Lynch en Dolly Parton dient dan ook zeker niet te worden gezien als een ongezonde vorm van overdrijving. Met haar glasheldere stem weet Bradley immers net als die dames zo ongeveer alles wat ze aanraakt in puur goud te veranderen. En dat is ook op haar nieuwe, door Grammy-winnares Alison Brown geproduceerde CD “Catch Tomorrow” weer zo. Haar songs als Billy Joe Shavers “Live Forever”, de Ann Peebles-soulhit “I Can’t Stand The Rain” of Kris Kristoffersons “Me And Bobby McGee” naar haar hand horen zetten is puur genieten geblazen. En al even beklijvend zijn haar duetten met voormalig Shenandoah-kopstuk Marty Raybon en Larry Sparks. Met de eerste van dat tweetal slaat ze een mooie brug tussen country en bluegrass in Jerry Chestnuts “Holding On To Nothing”, met de tweede eigent ze zich al even knap de traditionele hymne “Pass Me Not” toe.

Andere bekende gasten op dit eigenlijk gewoon in z’n geheel verbluffend mooie album zijn ondermeer Jim Lauderdale, Andrea Zonn, Stuart Duncan, Alison Brown, Steve Gulley van Mountain Heart, Jeff White, Tim O’Brien en die van de Ierse supergroep Lúnasa. Het zal je dan ook wel niet echt meer verbazen, dat wij “Catch Tomorrow” nu al durven te bestempelen als één van dé bluegrassalbums van het jaar. En dat Dale Ann Bradley door de IBMA naar aanleiding daarvan werd genomineerd als kandidate voor haar prestigieuze “Female Vocalist of the Year”-trofee vinden wij eigenlijk ook maar niet meer dan normaal. Verplichte aanschaf gewoon!

Dale Ann Bradley

Compass Records

 

 

OLD CROW MEDICINE SHOW

“Big Iron World”

(Nettwerk / Munich)

(4) J J J J

 

 

Toen wij een paar jaar geleden tijdens een telefonisch interview bij Gillian Welch informeerden naar nieuwe namen die we zeker in het oog moesten houden, wist zij er eigenlijk niet zo direct op te sommen, behalve dan die van Old Crow Medicine Show. Die gasten zouden het zeker gaan maken… Ondertussen zijn we zo’n jaar of drie verder en wat blijkt? De ster van Ketch Secor (zang, fiddle, banjo, gitaar, harmonica), Willie Watson (zang, gitaar, banjo), Critter Fuqua (zang, slidegitaar, guitjo, banjo), Kevin Hayes (guitjo, gitaar, zang) en Morgan Jahnig (contrabas) is inderdaad serieus rijzende. En daar zal met hun door David Rawlings geproduceerde nieuwe CD “Big Iron World” zeker geen verandering in komen, wel integendeel! De vijf bewijzen hier andermaal twaalf songs lang tot de allerbeste akoestische rootsmuziekcollectieven van het ogenblik te horen. En bluegrass mag dan al het uitgangspunt vormen voor het hier door hen gebrachte, dit album zal zeker niet alleen bij de liefhebbers van dat genre aanslaan. OCMS staat immers voor een bijzonder vitale mix van elementen uit diverse door akoestische snaarinstrumenten gedomineerde stijlen. Met de energie van een jong punkbandje raast men doorheen een handvol nieuwe composities en covers van ondermeer de traditionals “Cocaine Heart” en “Let It Alone” en Woody Guthrie’s “Union Maid”. Het ene moment resulteert dat in old-time string band music of bluegrass op zijn puurst, het andere hoor je ook folk, Americana en zelfs blues.

Het is dankzij dit soort van platen dat wij ons nog lang en met veel plezier op dit bijzonder tijdrovende “labour of love” zullen blijven storten.

Old Crow Medicine Show

Nettwerk

 

 

CAM PENNER & THE GRAVEL ROAD

“Felt Like A Sunday Night”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

Zondermeer één van dé allerbeste Americana-platen van het ogenblik is “Felt Like A Sunday Night” van de Canadees Cam Penner en zijn groep The Gravel Road. Dat album heeft zo ongeveer alles te bieden wat je als liefhebber van het genre maar wensen kan. Penner heeft een heerlijke gruizige stem, schrijft knappe teksten en dito liedjes en in Jeff Drummond, Mike Little en Adam Esposito beschikt hij bovendien over een stel zeer goed op elkaar ingespeelde begeleiders. Soms rockt wat hij op zijn nieuwe CD doet gewoon lekker weg, zoals in opener “Rye Whiskey”, het met een scheut R&B overgoten “Tried n’ True”, het vinnige “Downtown” of “Manitoba”, soms is het ronduit soulvol (we denken dan bijvoorbeeld aan iets als de ballade “Eight Days”) of heeft het iets met respectievelijk bluegrass (het opzwepende “October”), country (“Be Kind”), Americana (“The Last Train Home”) en de allergrootsten der singer-songwriters (de prachtige, met Tabitha Nordby gebrachte sleper “No Stars In The City” en het al even fraaie “In A Dusty Room”). Kortom een echte kluif! En al zeker voor al wie houdt van het werk van knapen als een Fred Eaglesmith en een Robert Earl Keen.

Cam Penner & The Gravel Road

 

 

RICK PICKREN

“Rails, Rogues & Wrecks”

(Big Strike Music)

(3,5) J J J J

 

 

“Rails, Rogues & Wrecks”, de nieuwe CD van Rick Pickren, is een pretentieloze collectie “treinliedjes”. Met veel gevoel tackelt die directe afstammeling van de legendarische Buffalo Bill Cody daarop een aantal bekende “railroad songs” als “The Wreck Of The Old 97”, “This Train” en “The Rock Island Line”. Zonder daarbij de originelen geweld aan te doen weet hij er toch steeds genoeg van zichzelf in te steken om te kunnen spreken van een zeer geslaagd project. Als geheel heeft “Rails, Rogues & Wrecks” zelfs iets bepaald tijdloos over zich. Het is het soort van plaat waarvan je nu al met zekerheid kan zeggen dat je er ook binnen tien jaar nog met even veel plezier zal naar luisteren als dat nu het geval is. En het feit dat de enige twee door Pickren zelf aangedragen liedjes daarbij ook nog eens tot de beteren van het geheel behoren pleit alleen nog maar meer in zijn voordeel. Vooral “Cody & Lil’ Missie”, gebaseerd op het waargebeurde verhaal van het treinongeluk van Buffalo Bill’s Wild West Show op 29 oktober 1901, is werkelijk oorstrelend mooi.

Een aanrader dan ook voor elke liefhebber van traditionele singer-songwriter folk en country, dit album!

Rick Pickren

CD Baby

 

 

RYAN AUFFENBERG

“The Bright Lights EP”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5) J J J J

 

 

Echt veel is er soms niet nodig om je van iemands kwaliteiten te overtuigen. Dat blijkt maar weer eens naar aanleiding van de EP “The Bright Lights”, het korte, maar bijzonder appetijtelijke voorproefje op de binnenkort te verschijnen nieuwe plaat van Ryan Auffenberg, “Golden Gate Park”. Amper vier songs telt dat schijfje, maar die zijn wel van een zodanige kwaliteit, dat je er gelijk naar meer van deze Amerikaanse twenty-something van gaat snakken.

Auffenberg groeide op in St-Louis en verzeilde pas na zijn studies in San Francisco. En het is van daaruit dat hij nu met een trits zeer persoonlijke liedjes een gooi naar een carrière als singer-songwriter doet. Het eerste wat je bij het beluisteren van “The Bright Lights EP” in aangename zin opvalt is de warme, bijna bedeesd soulvol klinkende stem van de youngster. Die kleurt echt prachtig bij ballades als “Under All The Bright Lights” en “Be Kind”, waarin hij tegen een achtergrond van piano, cello en flügelhorn beurtelings herinnert aan collega’s als “die andere Ryan”, Patrick Park, Damien Rice en Josh Rouse. Knap is verder ook hoe Auffenberg uit zo diverse stijlen als Americana, folk, soul, pop en rock een compleet eigen geluid weet te distilleren, met als voorlopige hoogtepuntjes de herfstige Americana van “Missouri In The Morning” en het door een functioneel ingezette pedal steel behoorlijk countryesk overkomende “Hey, Mona Lisa”. Vooral het eerste, een in heimwee gedrenkte beauty van een song, doet echt wel het allerbeste verhopen voor de toekomst van deze knaap. To be continued!

Ryan Auffenberg

CD Baby

 

 

PAT GREEN

“Cannonball”

(BNA / Sony-BMG)

(2,5) J J J

 

 

Toen Pat Green een aantal jaren geleden bij heel wat liefhebbers van “het betere Texaanse liedje” zwaar onder vuur lag, omdat wat hij deed de geloofwaardigheid van dat genre zou aantasten, hebben wij ons meer dan eens achter het oor gekrabd. We hadden het er immers een beetje moeilijk mee, dat men er een bezwaar kon tegen hebben, dat iemand ervoor zorgde dat plots veel meer mensen naar Texaanse singer-songwriters gingen luisteren. Vooral veel jonge mensen ook. Dat plots veel meer platen werden verkocht. Dat concerten uitgroeiden tot echte happenings. Want hoe je het ook draait of keert, het succes van knapen als die Pat Green en een Cory Morrow ook heeft ook andere muzikale Lone Star Staters bepaald geen windeieren gelegd.

Door de jaren heen zijn we Green echter ook zelf stilaan afvallig beginnen worden. De man is immers steeds meer voor een commerciële koers gaan kiezen. Waar op zijn eerste platen het liedje als dusdanig nog duidelijk regeerde, konden wij ons alsmaar minder van de indruk ontdoen dat op zijn later werk de drang om ook buiten zijn thuisstaat door te breken ging primeren. Dat het gebrachte materiaal flink wat platter werd met andere woorden. En dat geldt in zeer hoge mate ook weer voor ’s mans nieuwste worp, het door Don Gehman geproduceerde “Cannonball”. Daarop probeert Green zich bij momenten voorwaar zelfs te profileren als een soort van Texaans antwoord op Bruce Springsteen en John Mellencamp. Hij kiest voor een behoorlijk rockgetint geluid, wellicht in de hoop om op die manier op grote schaal te kunnen scoren. Het resultaat van die aanpak zijn liedjes die het op Amerikaanse radiostations allicht zeer goed zullen doen, maar die ons nauwelijks nog weten te raken vanwege té stereotiep. Veelzeggend is in dat verband het feit dat een niet eens zo sterke ballade als “Dixie Lullaby” ons hier in positieve zin opvalt.

Pas op, we gunnen de beste man zijn succes nog steeds van harte. Maar of hij daarbij ook aan ons nog veel platen kwijt zal raken, dat valt ten zeerste te betwijfelen. Gezien het huidige overaanbod aan uitstekend nieuw materiaal moeten we sowieso al regelmatig keuzes maken en hij maakt het ons daarbij met albums als “Cannonball” een aanzienlijk stuk gemakkelijker…

Pat Green

 

 

MICHELE DOMINGUEZ GREENE

“Luna Roja”

(Requinto Records)

(4) J J J J

 

 

Het heeft zijn tijd geduurd, maar uiteindelijk is dit knappe album dan toch op de markt gegooid. Oorspronkelijk zou het worden verdeeld door Appleseed Recordings, maar in allerlaatste instantie zag de voorheen nog gewoon als Michele Greene door het leven stappende maakster van “Luna Roja” van die samenwerking af en koos ze voor een release via Requinto Records. De ondertussen tot Dominguez Greene herdoopte actrice/schrijfster/singer-songwriter kiest op haar nieuwe CD voor een vrijwel uitsluitend Spaanstalige aanpak. Enkel het in duet met haar hier al wel vaker geprezen collega John Gorka gebrachte “Little John” en Springsteens “Across The Border” vormen wat dat betreft uitzonderingen. Dat betekent evenwel niet dat we als niet-Spaanssprekenden inzake het begrijpen van de teksten volledig aan ons lot worden overgelaten. In het CD-boekje werden immers van alle liedjes de teksten keurig mee in het Engels afgedrukt. Een principe dat we bijvoorbeeld ook van Tish Hinojosa kennen. En die naam valt hier niet geheel toevallig. Wat Greene op haar nieuwe CD doet vertoont immers nogal wat raakvlakken met het oeuvre van die Hinojosa. Net als deze laatste durft de uit een Amerikaanse vader en een Mexicaans-Nicaraguaanse moeder geboren Greene met haar songs grenzen te overschrijden. Dat blijkt trouwens ook de rode draad die doorheen haar teksten loopt. In zowat alle liedjes spelen interpersoonlijke en geografische grenzen een belangrijke rol. Vanuit die optiek gezien is het dan ook helemaal niet vreemd, dat Greene voor de enige cover op de plaat zoals al gezegd bij Bruce Springsteen terechtkwam. Diens “Across The Border” groeit in een tweetalige versie uit tot één van de absolute hoogtepunten van “Luna Roja”, dat hier ook als geheel op een volmondig “Si!” mag rekenen. Prachtplaat!

(En louter ter informatie ook nog even meegeven, dat een deel van de opbrengsten van “Luna Roja” naar Amnesty International gaan.)

CD Baby

 

 

KIERON MCDONALD

Island Girl”

(Rhythm Bomb Records)

(4) J J J J

 

 

 

Kieron McDonald geniet hier in beperkte kring vooral bekendheid als het kopstuk van de Flatfoot Shakers. Met die uit het Australische Melbourne afkomstige rockabillygroep nam hij een drietal albums op die verschenen voor gespecialiseerde labels als Tail en Preston.

Het voorliggende “Island Girl” is echter een soloproject. Daartoe door platenbaas Ralph Braband van het Duitse Rhythm Bomb Records tijdens zijn doortocht op het Spaanse High Rockabilly Festival van vorig jaar bewogen, dook hij in Berlijn samen met de lokale Round Up Boys de studio in. Met meester-gitarist Axel Praefke en de zijnen nam hij er dertien eigen songs en een cover van Jerry Irby’s “49 Women” op. En daarbij bestrijkt hij nogal wat terrein: van de te verwachten forse moot klassieke rockabilly à la Gene en Eddie tot wat meer countrygetint spul genre Johnny Horton (“Monday Morning’s Coming”) of zelfs een wulps met z’n strooien rokje schuddende en daarbij volop richting Hawaï lonkende deun als het titelnummer.

Valt in z’n geheel maar bitter weinig op af te dingen! De zang is prima, de songs al evenzeer, de begeleiding uitstekend, de productie dik in orde – kortom, gewoon een uitstekende plaat!

Flatfoot Shakers

Rhythm Bomb Records

 

 

FLOGGING MOLLY

“Whiskey On A Sunday”

(CD/DVD)

(Side One Dummy Records)

(4) J J J J

 

 

 

Zondermeer één van dé opwindendste live acts van het ogenblik, dit Flogging Molly, en als dusdanig was het eigenlijk ook louter maar een kwestie van tijd alvorens van hen een collectie als “Whiskey On A Sunday” het daglicht zou gaan zien. Het eerste deel ervan, een ruim 106 minuten durende DVD, bevat een over een tijdsspanne van twee jaar in liefst zeven verschillende landen gedraaide documentaire over de groep. Aan de hand van materiaal verzameld in de studio, op toernee, gewoon thuis en vooral ook tijdens tal van optredens wordt knap het parcours samengevat dat de band de jongste jaren aflegde van lokale pubsensatie tot alternatieve wereldtopper. Het tweede deel, een tien tracks tellende CD, doet het voornamelijk met herwerkte versies van fanfavorieten. Van een aantal nummers (“The Likes Of You Again”, “Swagger”, “Black Friday Rule”, “Within A Mile Of Home” en “What’s Left Of The Flag”) krijgen we bijzonder vitale live-versies voorgeschoteld, van een aantal andere dan weer akoestische studiobenaderingen. En het zijn vooral deze laatsten die vrijwel meteen ons hart stalen. Hoe van de vurige rocker “The Wanderlust” een lieflijk walsje wordt gemaakt en van “Another Bag Of Bricks” een binnenkort wellicht wereldwijd in menig een Ierse pub uit volle borst meegelalde stamper roept andermaal de allerbeste momenten van Shane MacGowan en zijn Pogues in herinnering. Het enige écht nieuwe nummer hier is “Laura”, een tussen heel erg aandoenlijk en heel erg heftig twijfelend afscheidsliedje. Bijzonder straf spul!

Flogging Molly

Side One Dummy Records

 

 

CROOKED STILL

“Shaken By A Low Sound”

(Signature Sounds / Munich)

(3,5) J J J J

 

 

 

Ondanks het feit dat de groepsleden ervan elkaar nauwelijks een jaar of vijf geleden leerden kennen, heeft het uit Boston afkomstige kwartet Crooked Still al een bijzonder lange weg achter de rug. Zangeres Aoife O’Donovan en bassist Corey DiMario waren indertijd klasgenoten aan het New England Conservatory of Music in hun thuisstad. Cellist Rushad Eggleston en banjorevelatie Gregory Liszt – Onlangs nog door Bruce Springsteen ingehuurd om met ‘m te gaan toeren! - werden om hun rangen te versterken gerecruteerd in naburige scholen. Met hun frisse benadering van traditionele Amerikaanse rootsmuziek groeiden de vier al snel uit tot fanfavorieten binnen het lokale clubcircuit. En al even vlot zouden ze vervolgens ook de bezoekers van grote evenementen als het Falcon Ridge Folk Festival en het Newport Folk Festival voor de bijl doen gaan. Een verklaring voor dat blitzkriegachtig verworven succes dient te worden gezocht in een aantal factoren van uiteenlopende aard. Allereerst was er natuurlijk het gegeven dat de groep met Aoife O’Donovan beschikte over een fabelachtige zangeres. Kaliber Alison Krauss, zoiets. En uiteraard zal ook het door het gezelschap gebezigde instrumentarium wel het nodige opzien gebaard hebben. Hun cello-banjo-bas-bezetting is immers op z’n minst apart te noemen. Maar dé twee bepalende factoren voor hun steile opgang lijken ons toch in de eerste plaats hun gewaagde songkeuze en dito -benadering te zijn geweest. Neem nu bijvoorbeeld maar “Come On In My Kitchen”. Iets van bluesgrootheid Robert Johnson verbouwen tot old-time string music, tot daar nog aan toe. Maar de gitaar erin ook nog eens vervangen door een cello… Het getuigt tegelijkertijd van een zeer aparte visie en héél erg veel lef. Net zoals je heel stevig in je schoenen moet staan om songs als Dylans “Oxford Town”, Bill Monroe’s “Can’t You Hear Me Callin’” of de traditionals “Little Sadie”, “Ain’t No Grave” en “Railroad Bill” eerst van elke vorm van (overbodige) franje te ontdoen om ze vervolgens met veel bravoure naar je hand te zetten. Wat hulp van buitenaf kregen O’Donovan en co daarbij overigens wél met mondjesmaat van collegae als Casey Driessen, Ruth Ungar, John McDonald, Laurie Lewis, Tom Rozum en Scott Amendola.

Crooked Still

Signature Sounds

 

 

RANDY WEEKS

“Sugarfinger”

(In eigen beheer uitgebracht!)

(4) J J J J

 

 

 

In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw lag Randy Weeks als één van de Lonesome Strangers mee aan de basis van de ontluikende rootsmuziekscene in en om L.A., waarin ondermeer het zaad voor de carrières van Lucinda Williams, Dwight Yoakam, Jim Lauderdale, Rosie Flores en Buddy Miller werd geplant. In de muziek van dat gezelschap was country zondermeer nog de dominante factor, maar op zijn na het ontbinden van die groep verschenen soloplaten ging dat genre een alsmaar minder belangrijke rol spelen. Na het in 2000 uitgebrachte “Madeline” en “Sold Out At The Cinema” van drie jaar geleden is “Sugarfinger” inmiddels zijn derde. En die plaat staat zowat volledig in het teken van voortdurend de muzikale perfectie benaderende rootspopliedjes. Nergens opdringerig, maar wel bij elke beluistering onopvallend aan diepgang winnend. Je kent ze wel, van die typische kleine oorwurmen, die je beetje bij beetje inpalmen om je vervolgens absoluut niet meer los te laten. Met uitzondering van een bijzonder soulvolle cover van het vooral in de uitvoering van Etta James bekende “I’d Rather Go Blind” gaat het daarbij overigens uitsluitend om materiaal van eigen hand, ingespeeld met schoon volk als Tony Gilkyson, Mike Stinson, Danny McGough, Josh Grange, Don Heffington, Kip Boardman en Lisa Germano. Buitengewoon mooi!

Randy Weeks

MySpace

 

 

THE WHIPSAWS

“Ten Day Bender”

(Shut Eye Records)

(3,5) J J J J

 

 

 

Miles of Music omschreef hen eerder dit jaar al liefdevol als “Anchorage, Alaska’s antwoord op de Drive-By Truckers”, anderen meenden dan weer te maken te hebben met “Alaska’s best bewaarde rootsrockgeheim”. Je moet het hen nageven, de geloofsbrieven van dit sympathieke jonge stel bestaande uit Evan Phillips (zang, gitaar, harmonica), Aaron Benolkin (gitaar, lap steel, zang), Wade Collins (bas, zang) en James Dommek Jr. (drums, gitaar, zang) mogen er absoluut zijn. En wat meer is, op basis van hun ijzersterke debuutplaat “Ten Day Bender” lijken die volkomen gerechtvaardigd ook. De vier weten daarop immers zeer knap het midden te houden tussen gitaarbeladen roots rock en alt. country en meer op akoestische instrumenten afgestemde stijlen als bluegrass, country en folk. Soms gebeurt die kruisbestuiving zelfs binnen één en hetzelfde nummer. We denken in dat verband bijvoorbeeld aan de puike instrumental “Ass Grass Revival”, waarin een banjo en een elektrische gitaar een aardig robbertje uitvechten om de alleenheerschappij binnen dat liedje.

“Ten Day Bender” is überhaupt een lekker gevarieerd geheel. Behoorlijk heftige rootsrockers als “Petersville”, “Contraband” en het vette, zijn naam alle eer aandoende “Bootlegger’s Blues” gaan hier hand in hand met een pak minder luide nummers als de in respectievelijk lap steel en fiddle gedrenkte alt. country ballads “Hole In My Heart” en “Sweet Marie” of het rustig voortkabbelende “Shotgun Wedding” en “spielereien” van het genre van het hoger al aangehaalde “Ass Grass Revival”. Op basis daarvan zouden wij dit kwartet graag ergens op “het gouden kruispunt” tussen genrefavorieten als Reckless Kelly, de Jayhawks, Uncle Tupelo en de Drive-By Truckers willen situeren. En je begrijpt, dat het daar bepaald goed toeven is!

The Whipsaws

Miles Of Music

 

 

MICHAEL UBALDINI

“Empty Bottles & Broken Guitar Strings”

(Blackwater Records)

(3,5) J J J J

 

 

 

It’s only rock & roll, but I like it…”Empty Bottles & Broken Guitar Strings” is een soortement dwarsdoorsnede van de stilaan indrukwekkende songcatalogus van de Amerikaanse “rock & roll poëet” Michael Ubaldini. Het betreft immers een ruim twintig songs tellende collectie met speciaal daartoe in de legendarische Sun Studios in Memphis opgenomen nieuw materiaal, een stel niet eerder uitgebrachte deunen en een trits oude favorieten. Een aantal daarvan stammen nog van zijn in 1994 door Stray Cat Lee Rocker geproduceerde debuutplaat “Mystery Train”.

Aftrappen doet Ubaldini met z’n drie Sun-nummers: “The Wedding Propasal” is snedige recht-toe-recht-aan-rock & roll, “High Maintinence Engine” een streepje rammelende fun, dat qua feel verwant blijkt aan Wreckless Erics “Hit And Miss Judy”, en “Down Home Sweet Girl” een soulvolle ballade van het soort waarvan ook knapen als een Southside Johnny en een Little Steven er wel een aantal op hun repertoire hebben.

Van het overige materiaal bijten vooral het aardig naar “Runaway Boys” van de Stray Cats lonkende “Scratch My Back”, het bijzonder venijnig uit de hoek komende “The Seventh Trumpet”, waarin Ubaldini zijn gal spuwt op zo ongeveer alles wat er fout gaat in het Amerika van nu, het over een zalig rockabilly-ritme neergelegde “Jean Harlow”, de sfeervolle Americana van “Moonlight Dance”, “Dark Days Of Confusion” en het Springsteen-eske “The Sky Came Rollin’ Down”, het hortende en stotende “Memphis Bound” - Echt een dijk van een rock & roll song! - en het bluesje “World Comes Crashin’ Down” zich onmiddellijk stevig in je kuiten vast.

”Empty Bottles & Broken Guitar Strings” is typisch zo’n plaat waarvan je al van bij de eerste beluistering weet dat je er nog lang en vaak met plezier zal blijven naar teruggrijpen.

Michael Ubaldini

Miles Of Music