ARCHIEF CD-RECENSIES SEPTEMBER 2008

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

MELANIE DEKKER “Acoustic Ride” - ANNIE KEATING “Belmont” - JASON ALLEN “The Twilight Zone” - JASON BOLAND & THE STRAGGLERS “Comal County Blue” - BECKY SCHLEGEL “For All The World To See” - BART OOSTINDIE “Welcome To The Costume Ball” - RAIN PERRY “Cinderblock Bookshelves” - BACKYARD TIRE FIRE “The Places We Lived” - FAYSSOUX “Early” - HOLMES “Basement Tapes EP” - KRIS DELMHORST “Horses Swimming” - SUSAN KANE “Highway Bouquet” - BENJI HUGHES “A Love Extreme” - AUSTIN COLLINS “Roses Are Black” - CAROLINE CASEY & THE STRINGSLINGERS “This Broken Crown” - LAURIE LEWIS & THE RIGHT HANDS “Live” - PATTY LOVELESS “Sleepless Nights – The Traditional Country Soul Of Patty Loveless” - OTIS GIBBS “Grandpa Walked A Picketline” - RANDALL BRAMBLETT “Now It’s Tomorrow” - HEYBALE! “The Last Country Album” - STEPHEN SIMMONS “The Blame’s On U.S.” - DANIELLE TALAMINI “The Road Rises” - THE SACRED SHAKERS “The Sacred Shakers” - THE STARLITERS “Stop Kiddin’” - TANEYTOWN “East Of Everything” - AGGIELAND “Heading For The Sun” - URBAN HILLBILLY QUARTET “Bring In The Sails” - DARRELL SCOTT “Modern Hymns” - JUDE JOHNSTONE “Mr. Sun” - SOLAS “For Love And Laughter” - CHRIS BRECHT “The Great Ride” - RANCHO DELUXE “True Freedom” - ARTHUR GODFREY “Broken Wings” - DESERT RADIO “Asleep At The Wheel” - RUTHIE FOSTER “The Phenomenal Ruthie Foster” - MARK ERELLI “Delivered” - THE BITTERSWEETS “Goodnight, San Francisco” - CAMERON LATIMER “Fallen Apart” - THE BASEBALL PROJECT “Vol. 1: Frozen Ropes & Dying Quails” - HAUNT “The Deep North” - GRAYSON CAPPS & THE STUMPKNOCKERS “Rott-N-Roll” - GLEN CAMPBELL “Meet Glen Campbell” - KITTY, DAISY & LEWIS “Kitty, Davis & Lewis” - THE BAND OF HEATHENS “The Band Of Heathens” - BLUE MOUNTAIN “Omnibus” en “Midnight In Mississippi”

 

MELANIE DEKKER “Acoustic Ride” (md)

(3***)

Mocht u de komende dagen niet weten wat gedaan, dan kan u misschien eens een optreden van de Canadese zingende liedjesschrijfster Melanie Dekker meepikken. Samen met Marjan De Baene zal zij neerstrijken in de Charlatan in Gent (25/9), in Toogenblik in Haren (26/9), Bij Marianne in Lebbeke (27/9), in CC Ghildhof in Tielt (2/10), in de Buster in Antwerpen (3/10) en in CC De Ploter in Ternat (4/10). Tijdens die laatste gig zullen overigens ook Neeka en Heather Frahn hun opwachting maken.

Wat je van Dekker verwachten mag? Wel, dat laat zich misschien nog het best verwoorden aan de hand van een korte bespreking haar laatste CD “Acoustic Ride”. Daarop laat de Canadese schone zich in een grotendeels akoestisch gehouden setting van haar beste kant bewonderen. De negen zelf gepende liedjes op het album variëren van melodieuze (rootsy) pop tot dito folk(rock) en etaleren een bijzonder aardig schrijfhandje. Maar dé voornaamste troefkaart van Dekker lijkt ons toch haar knappe stem te zijn. Haar vocale lenigheid zal het haar alvast een stuk gemakkelijker maken om haar naar eigen zeggen voornamelijk de “ups and downs of love” verkennende songs verkocht te krijgen.

Melanie Dekker

 

ANNIE KEATING “Belmont” (In eigen beheer uitgebracht!)

(4****)

Annie Keating is één van de genodigden op het binnenkort naar goede jaarlijkse gewoonte weer in het Nederlandse Groningen plaatsvindende TakeRoot Festival (4 oktober, De Oosterpoort). En ons zou het absoluut niet verbazen, mocht ze daar voor velen als dé absolute revelatie worden ervaren. Met het materiaal van haar derde CD “Belmont” beschikt ze alvast over een erg sterke hand kaarten. Critici verdrongen zich de voorbije maanden als het ware met superlatieven. Met name veel gehoorde vergelijkingen met grote dames als een Lucinda Williams, een Bonnie Raitt en een Gillian Welch en mannelijke collega’s als John Prine en Willie Nelson geven aan, hoe sterk de nieuwe van Keating wel is. Dat naar het plaatsje in Massachusetts waar ze opgroeide vernoemde album is wat je noemt een echt juweel van een Americana singer-songwriterplaat. In twaalf voornamelijk akoestisch gehouden eigen liedjes regeren intimiteit en emoties. Met zachte twang verleidt de momenteel vanuit New York actieve Amerikaanse je al meteen vanaf de eerste noot van openingsnummer “For The Taking”. Vooral met haar tussen Americana, country en folk strandende ballades scoort ze daarbij wat ons betreft ontzettend hoog. Niet meteen vallen voor ongelooflijk knappe liedjes als het al genoemde “For The Taking”, titelnummer “Belmont”, “It Already Hurts When You Leave”, “Flowers Bloom”, “Backs To The Wind” en “Valentine” lijkt ons bijna onmogelijk. En ook de occasioneel opduikende rootsrockertjes hebben het gewoon. Van het uit een bluesy vaatje tappende en door Trina Hamlin van een lekkere stoot harmonica bediende “On The Road By 10” tot het meer richting country voortrollende duo “I’ve Got You” en “Drive”, ook daarover absoluut geen kwaad woord. En het lijkt ons dan ook nog louter een kwestie van tijd voor men over deze Keating met net zo veel respect zal praten als over haar hoger genoemde collega’s. Verdienen doet ze dat wat ons betreft alleszins!

Annie Keating

CD Baby

 

JASON ALLEN “The Twilight Zone” (Smith Entertainment / Image Entertainment)

(3,5****)

De vanuit New Braunfels, Texas al een aantal jaren flink aan de weg timmerende Jason Allen verkent op zijn vierde CD “The Twilight Zone” nogal nadrukkelijk nieuw terrein. Op dat door hemzelf samen met Tommy Detamore geproduceerde album beperkt hij zich hoegenaamd niet langer tot country alleen. Dat wordt meteen al in openingsnummer “I Can’t Let You Go” duidelijk. Daarin serveert Allen het soort van nostalgische Americana, waarin bijvoorbeeld ook een James Intveld en een Jim Lauderdale nogal eens plegen uit te blinken. En ook het daaropvolgende “Jenny Lee”, een knap duet met collega Deryl Dodd, kan je bezwaarlijk nog pure country noemen. Daarvoor is de knipoog richting rockabilly en R&B erin al bij al een beetje té opvallend. En dan is er “I Can’t Hide This Heartache”, dat klinkt als Chris Isaak gone country. Wél country dus, maar toch ook weer met dat amper definieerbare ietsje meer. Een heel mooi nummer alleszins, die ballade. Vervolgens gaat het via het aparte “Been There Done That” naar het heftig met de heupen schuddende, op geslaagde wijze country aan rock & roll koppelende “Elvis Tonight”. Ook weer alles behalve vintage Allen. Dat is “You Make My World Go ‘Round” dan weer juist wél, net als de Stevie Wonder-cover “I Just Called To Say I Love You” overigens, dat hier tussen de laag vliegende fiddleklanken door uitgroeit tot onvervalste retrostijl honky-tonk. Een gedurfde cover, maar hij werkt wel degelijk. En dat laatste geldt eigenlijk voor zo ongeveer alles op “The Twilight Zone”, een in haar geheel erg lekkere moderne countryplaat met het nodige respect voor het verleden.

Jason Allen en MySpace

 

JASON BOLAND & THE STRAGGLERS “Comal County Blue” (Apex Nashville / Thirty Tigers)

(4****)

Heel wat nadrukkelijker nog dan op de voorgangers ervan treedt Jason Boland op zijn nieuwe CD “Comal County Blue” in de sporen van de legendarische outlaws. Met name Waylon Jennings zaliger lijkt een geweldige indruk op hem te hebben nagelaten. En dan helpt het natuurlijk wel, als je stem ook een weinig op die van je grote voorbeeld lijkt. Als luisteraar krijg je hier bij momenten zelfs de indruk, dat Jennings zich weer heel even onder de levenden bevindt. Een mooier compliment kan je Boland amper maken, zo lijkt ons.

Op “Comal County Blue” bestrijkt Boland tekstueel gezien nogal wat terrein. Zowel zijn persoonlijke demonen, het leven in zijn geheel als politiek getinte onderwerpen komen erop aan bod. In “Bottle By My Bed” kijkt hij zo bijvoorbeeld terug op nu toch al 4 “droge” jaren na een leven van balanceren op de rand van zijn graf dankzij overdadig drankgebruik, “Sons And Daughters Of Dixie” is een zoveelste Katrina-song en met titelnummer “Comal County Blue” laat Boland ons getuige zijn van een ontsnappingspoging uit een verstikkend bestaan in een klein stadje, dat wordt achtergelaten om zijn geluk te gaan beproeven in Austin.

Dé prijsnummers op “Comal County Blue” zijn wat ons betreft echter feestnummers “The Party’s Not Over”, een bijzonder swingend traditioneel countryduet met Robert Earl Keen, en het afsluitende “Outlaw Band”, een soort van vitaal-nerveus groepscredo in onvervalste Red Dirt-countryrockstijl, nog geschreven door Bob Childers zaliger en zijn maats Randy Crouch en Layle Stagner.

Zondermeer Bolands sterkste tot op heden! En dat het in de States momenteel verkoopt als een trein kan je dan ook absoluut geen toeval noemen.

Jason Boland & The Stragglers en MySpace

 

BECKY SCHLEGEL “For All The World To See” (Lilly Ray / Select-O-Hits / 160 Records)

(4****)

We worden dezer dagen dus écht wel verwend, he! Ook Becky Schlegels zesde blijkt immers weer een echte voltreffer. Op uitermate elegante wijze het beste uit bluegrass, country, Americana en folk verenigend zoekt ze met “For All The World To See” nadrukkelijk aansluiting met de absolute toppers in die genres. We denken dan bijvoorbeeld aan andere nachtegaaltjes als een Alison Krauss, een Rhonda Vincent, een Dolly Parton of een Nanci Griffith. Haar vrijwel voortdurend een zekere natuurlijke tristesse etalerende sopraanstem behoort alvast tot de allermooiste van het moment. En ook haar liedjes zijn zonder ook maar de minste uitzondering ronduit geweldig te noemen. Echt, je hoeft hier absoluut geen uren naar te luisteren om tot het besef te komen, dat deze Schlegel aan de vooravond van een heel mooie carrière staat. In het gezelschap van schoon volk als Bo Ramsey, Brian Fesler, Randy Kohrs, Jeff Midkiff, Tim Hennessey, Jim White, Peter Mayer en anderen treft ze op “For All The World To See” elfmaal resoluut het hart van de roos. Iets waar de hele wereld nu inderdaad maar eens akte van moest gaan nemen…

Becky Schlegel

CD Baby

 

BART OOSTINDIE “Welcome To The Costume Ball” (Inbetweens Records)

(3,5****)

Het mag dan al wel zijn eerste volwaardige langspeler zijn, maar dat weerhoudt er Bart Oostindie absoluut niet van om met “Welcome To The Costume Ball” meteen een prominente stek binnen de nochtans bloeiende Nederlandse singer-songwriterscène op te eisen. Wat een plaat! Kan zó in het rek langs heel wat toppers uit de jaren zeventig! Wij hoorden er alvast heel wat uiteenlopende invloeden uit die bewuste periode in: van James Taylor tot Steely Dan, van de vroege Cocker tot Jackson Browne en heel wat anderen. Héél mooi, hoe Oostindie uit die veelheid aan invloeden toch tot zijn eigen ding weet te komen! Op de opvolger van zijn einige wapenfeit totnogtoe, de EP “Grandson”, blijkt variatie troef. Zo is het met guest vocals van Shannon Lyon verrijkte “Nothing More” bijvoorbeeld een streepje op bijzonder soulvolle wijze gebrachte rootspop, stoeit “1,2,3” mede dankzij de gesmaakte inbreng van toetsenman Mike Roelofs op zomers lome wijze met een jazzy funkritme, groeit de remake van het al van “Grandson” bekende “Little Lullaby” door subtiele viool- en cellopartijen uit tot een heus poppareltje, is “The Question” louter stilistisch gezien voorzichtig verwant aan het werk van knapen als Ben Harper en Lenny Kravitz, “Where I Belong” op zijn beurt poppy Americana en “Day Is Done” tegelijk een van veel eerbied getuigende “tip of the hat” aan het adres van idool Nick Drake en een fraai eerbetoon aan een verloren vriend. Al bij al een ideale gezel voor in goed gezelschap doorgebrachte late uurtjes, deze bijzonder fraaie eersteling.

Bart Oostindie

Inbetweens Records

 

RAIN PERRY “Cinderblock Bookshelves” (Precipitous Records)

(4****)

Laat het ons maar meteen bekennen: in dit geval werden we in eerste instantie aangetrokken door de namen van de bij het project betrokkenen. Op “Cinderblock Bookshelves” van Rain Perry prijken immers duetten met Eliza Gilkyson, Sara Hickman en Victoria Williams. En laat dat nu toevallig drie dames zijn, die wij een bijzonder warm hart toedragen. En dan was er bovendien ook nog het feit, dat de plaat geproduceerd werd door Mark Hallman, in een recent verleden nog piekend met ondermeer Eliza Gilkyson en Christene LeDoux.

En – Om een lang verhaal kort te houden! – Hallman doet dat ook met Perry weer. Haar “Cinderblock Shelves” is immers een dijk van een Americana singer-songwriterplaat. Een plaat, waarvoor Tom Russell terecht de woorden “grand and masterful” in de mond nam. Net als ons zal ook hij wellicht met een van verbazing wijd open hangende mond hebben geluisterd naar Perry’s behoorlijk intense en bovenal extreem persoonlijke liedjes, gekruid met een veelheid aan anecdotes, verzameld op de lange weg van een door de scheiding van haar ouders, de dood op jonge leeftijd van haar moeder en een leven in armoede getroubleerde jeugd naar haar huidige bestaan als zingende liedjesschrijfster. Perry klinkt daarin als een soort van kruising tussen de al genoemde Eliza Gilkyson, Laura Cantrell, Shawn Colvin en Suzanne Vega, al durft zij wel eens regelmatiger aan het (roots)rocken te gaan. Dat is bijvoorbeeld het geval in het samen met Victoria Williams gebrachte, haar eigen jeugd mooi samenvattende “Wild Child”, in “Girl In The Boy’s Room” en “Girl On The Side”.

Samengevat: “Cinderblock Bookshelves” koppelt een erg mooie stem aan tegelijk intelligente, erg transparante en zeer persoonlijke songs. En dat, beste vrienden, blijkt ook hier weer een winnende combinatie!

Rain Perry

CD Baby

 

BACKYARD TIRE FIRE “The Places We Lived” (Hyena / Bertus)

(3,5****)

Edward Anderson (zang, gitaren, toetsen, percussie), Matt Anderson (bas, zang, percussie) en Tim Kramp (drums, percussie) wisten zich in geen tijd op te werken tot chouchous van enkele toonaangevende Amerikaanse muziekblogs. Als Backyard Tire Fire maakten ze daardoor ook buitengewoon snel furore in alternatieve rockkringen aldaar. De door zijn manier van zingen een beetje aan Jonathan Richman herinnerende Anderson en zijn maats grossieren in even simpele, als aanstekelijke indie pop en rock songs, die charmant rammelend om je aandacht bedelen. Haal Cake, de hier al de revue gepasseerde Richman, de jonge Waits, Josh Rouse en cult act Big Star samen door de blender en het resultaat van die daad zou van smaak het op “The Places We Lived” gebodene wel eens kunnen benaderen. Noem het maar “pure roots pop for now people”.

Backyard Tire Fire

Hyena Records

Bertus

 

FAYSSOUX “Early” (Red Beet Records)

(4****)

Zelfs al zegt haar naam je zo op het eerste gezicht helemaal niets, laat je vooral niet misleiden, je kent haar gegarandeerd wél. Als toen nog Fayssoux Starling was ze immers mee verantwoordelijk voor het bij momenten echt fabelachtig mooie harmonieerwerk op de Emmylou Harris-platen “Luxury Liner”, “Quarter Moon In A Ten Cent Town”, “Elite Hotel” en “Pieces Of The Sky”. Ze zong zelfs enkele heuse duetten met La Harris. Remember “Spanish Is A Loving Tongue” en “Green Rolling Hills”.

Dat was echter allemaal vóór het moment in de tweede helft van de jaren zeventig, toen ze nogal plots besloot er de brui aan te geven en een carrière in de muziekbusiness liet schieten voor een “steady job” als lerares. Een definitieve beslissing, zo leek het lang, want het zou tot laat in de nineties duren, alvorens Fayssoux McLean onder impuls van de toen ook zelf nog relatief onbekende Peter Cooper voorzichtig haar eerste stappen terug in de muziek zette. En het zou uiteindelijk nog eens meer dan tien jaar duren voor we daar ook concrete resultaten van onder ogen zouden krijgen. Maar de ondertussen als journalist, zanger, songsmid en producer naam gemaakt hebbende Cooper bleef al die tijd volharden. Hij moest en zou met haar een plaat maken! En dat werd dus “Early”.

En wat een mooi geheel is dat wel niet geworden! Fayssoux haalt daarop moeiteloos hetzelfde torenhoge niveau als Emmylou Harris in haar allerbeste dagen. Met eigen songs als “Early” en “I Know It’s Over”, knappe vertolkingen van haar ooit nog door haar grootmoeder aangeleerde traditionals als “The Blackest Crow”, “Amen Children” en “Weepin’ Mary” en covers van materiaal van oude vrienden en collega-songwriters als Rodney Crowell, David Ezell, Rufus Shoffner, Larry Murray, Paul Craft en Bill Halley treedt ze zonder blikken of blozen in de voetsporen van haar voormalige werkgeefster. Met haar mooi uitgebalanceerde mix van traditionele folkliedjes, old-time gospeldeunen, wat meer contemporaine countryrock en liefdesliedjes in balladeverpakking zal ze gegarandeerd harten doen smelten aan de lopende band. En vooral dan met de liedjes, waarin Emmylou Harris nu op haar beurt tekent voor de harmony vocals. Zowel “The Blackest Crow”, titelnummer “Early” als “I Know It’s Over” groeien daardoor uit tot echte beauties. The stuff that dreams are made of! En Harris is lang niet de enige bekende gaste op “Early”. Ook Ricky Skaggs, de Whites, David Ball, Joy Lynn White, Jen Gunderman en pedal steel-legende Lloyd Green maakten hun opwachting en werkten mee aan wat echt een dijk van een plaat geworden is.

Fayssoux en MySpace

Red Beet Records

CD Baby

 

HOLMES “Basement Tapes EP” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5****)

Singer-songwriter Holmes pakt in afwachting van een binnenkort te verschijnen volwaardige opvolger voor zijn sterke CD “Stop Go” van vorig jaar alvast uit met een zoethoudertje. Het betreft het jammer genoeg slechts vijf eenheden tellende “Basement Tapes”. Dat EP’tje biedt in al z’n gevarieerdheid andermaal een prima staalkaart van ’s mans kunnen. Geopend wordt er bijzonder sterk met het misschien nog het best als modernistische power pop te omschrijven “Go Computer” om vervolgens via een fraaie, volledig in steelklanken gehulde akoestische versie van het al van “Stop Go” bekende “Prove Me Wrong Again” en het van opzet een weinig aan het werk van Ben Folds herinnerende “Gone” uit te komen bij een volledig onthaaste, bijna jazzy aandoende interpretatie van de David Bowie-hit “Let’s Dance” en het misschien wel mooiste nummer van allemaal, de behoorlijk Beatle-eske afsluiter “Not A Political Song”. Fans van knapen als de al eerder genoemde Ben Folds, Beck en de onlangs elders op deze pagina’s nog besproken Benji Hughes moeten hier zeker ook aan. Het mag dan al maar een tussendoortje zijn, het is er wel eentje dat kan tellen…

Holmes en MySpace

 

KRIS DELMHORST “Horses Swimming” (Signature Sounds)

(3,5****)

 

De EP “Horses Swimming” komt zó kort na “Shotgun Singer”, dat je in dit geval eigenlijk niet van het gebruikelijke tussendoortje mag gewagen. Neen, het is veeleer een aanvulling op die straffe laatste van Kris Delmhorst.

“Horses Swimming” is een zes eenheden tellende collectie van alle overbodige franje ontdane liedjes. En zó horen wij Delmhorst op de keper beschouwd nog het liefst van al. In een volledig akoestische setting, enigszins dromerig, voornamelijk in de weer met ballades en liefdesliedjes. In dit geval bijvoorbeeld met “Made Of Time”, een na “Shotgun Singer” op de plank blijven liggen deuntje, met “Early Everlasting”, een met haar Redbird-collega Jeffrey Foucault ingespeeld duet, of met “Anybody’s Heaven”, een vanachter de piano gebracht prachtliedje. Very charming indeed!

Kris Delmhorst

Signature Sounds

 

SUSAN KANE “Highway Bouquet” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5****)

Wie zweert bij zelf hun materiaal aandragende Americana-nachtegaaltjes als een Nanci Griffith, een Caroline Herring, een Diana Jones en een Christene LeDoux moet bij gelegenheid beslist ook eens een oor te luister leggen bij Susan Kane. Die heeft zonet met “Highway Bouquet”, de opvolger van haar al in het najaar van 2004 verschenen debuut “So Long”, immers opnieuw een pracht van een CD afgeleverd. Onder de vakkundige productionele leiding van Billy Masters (o.a. ook Cry Cry Cry, Richard Shindell, Suzanne Vega) verkent ze daarop met brio de schemerzone tussen country, folk en blues. En haar bijzonder fraaie, honingzoete stem blijkt daarbij een te duchten wapen. Als een volleerde sirene doet Kane je niets vermoedend binnen. En al na één enkele draaibeurt van “Highway Bouquet” zal je wellicht samen met ons Sloan Wainwright op je blote knieën zitten te bedanken, dat ze haar ooit nog als rockzangeres debuterende collega de goede raad gaf het toch maar als folkie te gaan proberen. Hieraan zou anders immers een wel bijzonder groot talent verloren zijn gegaan.

Het materiaal op “Highway Bouquet” laat zich grotendeels in twee groepen onderverdelen. In een aantal van de liedjes gaat Kane resoluut voor een wat schaarsere akoestische aankleding, terwijl ze elders ondermeer een Hammond B3, een Wurlitzer en elektrische gitaren mee de dienst laat uitmaken en het daar allemaal net best wat “voller” mag klinken. En het moet gezegd, beide benaderingen gaan haar zeer goed af. Haar veelal van bitterzoete teksten voorziene liedjes gaan er in elk van de twee gevallen ongeveer even lekker in. Of het nu gaat om voorzichtig rockende Americana genre openingsnummer “Ring The Bells” of meezingertje “Big Baby”, kale volbloed-Americana type de Hunter & Garcia-cover “To Lay Me Down” (Met een fraaie dobrobijdrage van Billy Masters!) of de prachtballades “Nothing At All” en “Love Has No Pride”, naar bluegrass neigend spul à la “The Tale Of Missus” of iets heel persoonlijks als “Kesey”, hier moet je gewoon van houden, willen of niet! Probeer het zelf maar eens uit, je zal het je absoluut niet beklagen…

Susan Kane

CD Baby

 

BENJI HUGHES “A Love Extreme” (New West / Sonic Rendezvous)

(3***)

Een hoogst apart geval, dit. En – Wellicht juist daarom! – door sommigen alvast gebombardeerd tot dé hype van het moment. Maar dat vinden wij Benji Hughes toch net iets té veel eer bewijzen. De door zijn weelderige baardgroei en wilde manen meteen in het oog springende songwriter uit North Carolina mag dan al duidelijk zijn weg weten met een (alternatief pop- en rock)liedje, hij doet naar ons gevoel net een beetje te fel zijn best om op te vallen. En dat vinden wij eigenlijk alleen maar heel erg jammer. Door een teveel aan spielereien leidt hij immers de aandacht van de essentie af, te weten zijn teksten. En laat die nu net een veel beter lot verdienen…

Al bij al niet meteen een plaat dus die we aan regelmatige lezers van deze pagina’s zouden durven aan te bevelen, deze dubbelaar. “A Love Extreme” lijkt ons dan meer iets voor fans van muzikale avonturiers genre een Beck.

Benji Hughes

New West Records

Sonic Rendezvous

 

AUSTIN COLLINS “Roses Are Black” (Fat Caddy / Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Met het door zijn buddy Billy Cerveny geproduceerde “Something Better” leverde Austin Collins nu goed drie jaar geleden een werkelijk ijzersterke eersteling af. De Texaan legde met dat uitzonderlijke debuut de lat voor zichzelf meteen zó hoog, dat velen zich terecht de vraag gingen stellen, of hij dat geweldige niveau in de toekomst nog wel zou kunnen blijven aanhouden, laat staan het overtreffen. En daar lijkt Collins zich in de aanloop naar zijn tweede terdege van bewust te zijn geweest. Hij wist, dat hij door met een loutere doorslag van “Something Better” op de proppen te komen wellicht zijn eigen artistieke ruiten zou ingooien. En dat was nu net wat hij na die vliegende start van ‘m niet wilde. Daarom trok hij ditmaal de vooral van zijn werk met Centro-Matic bekende Will Johnson als producer aan. En samen met hem ging hij resoluut op zoek naar een wat gruiziger, in z’n geheel wat minder gepolijst geluid. Een opzet, waarin de beide heren met brio slaagden. “Roses Are Black” beantwoordt immers perfect aan dat vooropgestelde profiel. Collins’ alternatieve country klinkt door een weldaad aan ingezette elektrische gitaren inderdaad een aardig stuk scherper dan voorheen. En dat komt z’n ook ditmaal veelal weer erg persoonlijke songs op de keper beschouwd alleen maar ten goede. De flink opgevoerde muzikale spanning accentueert de daarin vertolkte grote gevoelens immers alleen nog maar meer. We noemen in dat verband bijvoorbeeld het melancholische countryrockertje “Broken”, het een weinig “unheimlich” aandoende “Out Loud”, het gitaargewijs aardig richting ome Neils Crazy Horse en aanverwante groepen overhellende “House Without Windows” en de afsluitende pianoballade “Goodbye Houston”, waarin (de eigen) onzekerheid inzake relaties en de liefde in het algemeen op een bijna pijnlijke manier worden blootgelegd. Op momenten als deze wordt plots overduidelijk, waar Collins de mosterd eigenlijk vandaan heeft. Een hele trits namen flitsen je spontaan door het hoofd: Uncle Tupelo, Son Volt, Ryan Adams, Steve Earle, Neil Young, Gram Parsons,… Enfin, zo’n beetje “the usual suspects”. En daar is in dit geval hoegenaamd niks mis mee. De songs van Collins zijn immers ronduit uitstekend, zijn zang is van het ongemeen lekkere gruizige type en in de Rainbirds beschikt hij bovendien ook over een stel uitstekende begeleiders, die zijn liedjes voortdurend precies daarheen stuwen, waar hij ze graag gehad had. En meer moet dat voor ons tot nader order alvast absoluut niet zijn…

Austin Collins

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

CAROLINE CASEY & THE STRINGSLINGERS “This Broken Crown” (El Toro)

(3,5****)

Wat een lekkere plaat is dit toch! Wij kunnen er alvast niet van afblijven! Heerlijk, hoe Caroline Casey en haar maats van de Stringslingers de late jaren vijftig en de vroege sixties laten herleven in twaalf liedjes, die in elke “honky-tonk in town” gegarandeerd tot een niet te controleren opstoot van adrenaline zullen leiden. Klassieke two-steps, tear in your beer stuff, hillbilly-stampertjes, Casey kent duidelijk haar klassiekers en lijkt ze met haar ongewoon lenige stem ook zo ongeveer allemaal probleemloos aan te kunnen. Luister bijvoorbeeld bij gelegenheid maar eens naar het in duet met aanstormend talent Brennen Leigh gebrachte en duidelijk aan wijlen Buck Owens schatplichtige “This Broken Crown”, naar het met zomers mariachikoper opgewaardeerde “Treshold Of Heartache”, naar het tussen de nochtans prominent aanwezige fiddles door nogal nadrukkelijk met rockabilly flirtende “Caffeine, Nicotine”, naar de uit gelijke delen hartzeer en alcohol opgetrokken trage “Six Empty Bottles” of naar het Western-swingertje “That Kiss Is There” en je zal wellicht net als ons al snel geneigd zijn om Kim Fowley erin te volgen, als hij naar aanleiding van het verschijnen van dit album Caroline Casey spontaan uitriep tot de “Honky-Tonk Queen Of Austin”. All hail the new queen!

Caroline Casey & The Stringslingers

El Toro Records

CD Baby

 

LAURIE LEWIS & THE RIGHT HANDS “Live” (Spruce & Maple / Sonic Rendezvous)

(4****)

Amper te geloven eigenlijk, maar dit is dus écht de eerste reguliere live-CD van de toch al een kleine eeuwigheid actieve Laurie Lewis. En op dat in het voorjaar van 2007 op een drietal verschillende locaties ingeblikte geheel zijn de bluegrassdiva en haar kompanen Tom Rozum (mandoline en zang), Scott Huffman (akoestische gitaar), Craig Smith (banjo) en Todd Phillips (akoestische bas), ook wel The Right Hands, zeer goed op dreef. Het is het soort van album, waar zo’n warme gloed van afstraalt, dat je als luisteraar ogenblikkelijk spijt gaat hebben, dat je er niet bij was op één van de bewuste concerten. Lewis en Rozum tonen zich als vanouds briljante vertolkers (Werkelijk kristalheldere zangpartijen!) en ook het bijzonder vaardige spel van alle andere betrokkenen leidt enkel en alleen tot enthousiaste reacties. Prachtig gewoon, hoe men zich hier materiaal van onder anderen Kate MacLeod, Jimmy Martin, Si Kahn, Billy Joe Shaver, Sarah Elizabeth Campbell, Stephanie Davis, Irving Berlin en Kate Long eigen maakt en daarbij voortdurend oog blijft hebben voor de nodige variatie. Uptempo songs worden op bijzonder stijlvolle wijze afgewisseld met fraaie ballades en ander trager (traditioneel) rootsy spul. En precies daardoor wordt dit album tot de echte aanrader die het in onze ogen zondermeer is. Onze luistertips (Al moet je dit album eigenlijk vooral in z’n geheel genieten!): bijzonder fraaie lezingen van Billy Joe Shavers “Live Forever” - Met een vocale hoofdrol voor Rozum! - en de traditional “Going To The West”, een ook al héél erg knap en héél erg bevlogen “Tall Pines”, het volledig a capella gebrachte “The Rope” en vooral ook de kippenvelballade “Love Chooses You”, één van de relatief weinige Lewis-songs hier, maar wél één van dé allermooiste.

Laurie Lewis & The Right Hands

Sonic Rendezvous

 

PATTY LOVELESS “Sleepless Nights” (Saguaro Road)

(4****)

Mocht je er na haar recente bluegrassexcursies nog steeds niet van overtuigd zijn, dat Patty Loveless van alle binnen het commerciële countrysegment actieve zangeressen zondermeer de allerbeste is, dan geeft ze je met “Sleepless Nights – The Traditional Country Soul Of Patty Loveless” nu toch wel definitief het nakijken. Op die zorgvuldig geselecteerde collectie covers brengt ze een werkelijk hartverwarmend eerbetoon aan een stel van haar eigen helden. In het gezelschap van een uitgelezen groep muzikanten, waarvan er heel wat nog zelf de gouden jaren van het countrygenre actief meegemaakt hebben, tackelt ze hits van onder anderen Gram Parsons & Emmylou Harris, George Jones, Ray Price, Webb Pierce, Hank Williams en Hank Locklin. En ze doet dat voortdurend met zoveel overgave, dat het zo goed als onmogelijk wordt om hier ongevoelig voor te blijven. Het is zondermeer heerlijk te horen, hoe ze zich zwierig doorheen klassiek liedgoed als “There Stands The Glass”, “He Thinks I Still Care”, “Sleepless Nights”, “Please Help Me I’m Falling”, “There Goes My Everything” en “Cold Cold Heart” croont. En als er al één van haar muzikanten is, die daarbij een aparte vermelding verdient, dan is het wel Al Perkins. Diens pedal steel ontpopt zich in heel wat van de hier gebrachte nummers immers tot Loveless’ beste maatje.

Patty Loveless

Saguaro Road Records

 

OTIS GIBBS “Grandpa Walked A Picketline” (Wanamaker / Lucky Dice)

(4,5*****)

In de afdeling “Singer-songwriters” zijn we de jongste tijd bepaald verwend geworden. Er gaat immers haast geen week meer voorbij, of er belanden wel een aantal zeer goede tot ronduit uitstekende albums op onze stapel nog te bespreken materiaal. Wil je als songsmid in die hoorn des overvloeds nog echt opvallen, moet je dus al met iets heel speciaals op de proppen komen. En laat dat nu precies zijn, wat Otis Gibbs met “Grandpa Walked A Picketline” onlangs opnieuw gedaan heeft. Op die opvolger van het ook al uitstekende “One Day Our Whispers” profileert hij zich andermaal twaalf nummers lang als een contemporaine geestesgenoot van groten uit het genre als een Jimmie Rodgers, een Woody Guthrie, een Townes Van Zandt, een Steve Earle en een Butch Hancock. In de liedjes op “Grandpa Walked A Picketline” schildert hij “zijn” Amerika. Aan de hand van lang niet altijd even alledaagse protagonisten gunt hij je een blik in de weke onderbuik van “the land of plenty”. Boeiende verhalen zijn het, waarin het persoonlijke en het politieke op wonderlijke wijze hand in hand gaan. En als je daarbij dan ook nog eens over een stem als die Gibbs mag beschikken, dan kan het geluk van een luisteraar als deze jongen hier al helemaal niet meer op. Dit is schuurpapier van het allerbeste soort. Zelfs het hardnekkigste eelt op je ziel zal hiertegen absoluut niet bestand blijken!

En dan hadden we het nog niet over de setting, waarin “Grandpa Walked A Picketline” werd ingeblikt. Die zou je ook al zo ongeveer ideaal kunnen noemen. Voor de productie van zijn nieuwe plaat kon Otis Gibbs om te beginnen al een beroep doen op niemand minder dan de alom voor zijn werk gerespecteerde Chris Stamey. En verder zag hij ondermeer ook nog Don Dixon (bas), Al Perkins (pedal steel, dobro), Will Rigby (drums), Chris Carmichael (fiddle), Tim Easton (mandoline, harmonica, zang), Ed Pettersen (tamboerijn) en Amy Lashley (zang) hun duit in het zakje komen doen. Aan schoon volk absoluut geen gebrek dus… Het resultaat? Een nergens minder dan bloedmooi album.

Otis Gibbs

Lucky Dice

 

RANDALL BRAMBLETT “Now It’s Tomorrow” (New West / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Voor een c.v. van het kaliber van dat van Randall Bramblett zouden heel wat collega’s van ‘m ongetwijfeld met veel plezier een arm geven. En toch is de beste man er tot op heden nog steeds niet in geslaagd om écht naam te maken. Hij is wat je noemt een typische “musician’s musician”, iemand die in het adressenboekje van veel heel wat bekendere collega’s met stip genoteerd staat omwille van zijn muzikale expertise. Zo deden in het verleden ondermeer Steve Winwood, Robbie Robertson, Levon Helm en Bonnie Raitt, om er maar enkelen te noemen, al een beroep op zijn diensten. De multi-instrumentalist Bramblett scoorde dus vooralsnog een stuk beter dan de singer-songwriter in de man. En daarin moest zo stilaan maar eens verandering gaan komen. Want ook de opvolger van “Rich Someday”, “Now It’s Tomorrow”, is weer een bepaald knappe plaat geworden. Anders dan op die vorige schijf gaat Bramblett daarop ditmaal resoluut voor een wat meer rockgeoriënteerd geluid. Het Americana-gevoel, dat “Rich Someday” nog in grote mate beheerste, moest wijken voor een veel pittiger, vaak ook behoorlijk funky aandoend geluid. En dat zit Bramblett vraiment als gegoten. Het laat hem immers toe, echt alle registers open te trekken, als zanger, als songsmid én als instrumentalist. “Now It’s Tomorrow” groeit daardoor op geheel natuurlijke wijze uit tot een lekker gevarieerd geheel. Fraaie (roots)popliedjes als het soulvolle duo “Everybody Glows” en “Some Mean God” worden afgewisseld met rockende broertjes genre het met pittige gitaren gekruide “Sun Runs” of het enigszins bevreemdende “Mess About It” en funky stuff à la “Used To Rule The World”. Op z’n best vinden wij Bramblett daarbij in de wat tragere nummers. Twee heel mooie voorbeelden daarvan zijn het vooral sfeergewijs een weinig aan een Crowded House in topvorm herinnerende “Don’t You Waste Your Time” en het afsluitende “Where A Life Goes”, een dot van een ballade, waarin onze protagonist van dienst ons voorwaar heel even aan Eric Clapton deed denken.

Randall Bramblett

New West Records

Sonic Rendezvous

 

HEYBALE! “The Last Country Album” (Shuffle 5 / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Fraai plaatje! Vijf met een brede grijns om de mondhoeken richting Nashville gestrekte middenvingers! U heeft iets met knapen als Dale Watson, Ed Burleson en Roger Wallace? Dan mag u aan dit geweldige kleinood ook absoluut niet voorbij! Heybale!, een soort van honky-tonk supergroep tegen wil en dank, serveert immers uitsluitend country van het allerzuiverste soort. Beïnvloed naar eigen zeggen door “those who are dead and near dead”, de Cashen, Owensen, Jenningsen, Nelsons en Haggards van deze wereld, zeg maar. Earl Poole Ball, Redd Volkaert, Kevin Smith (ex-High Noon, nu Dwight Yoakam), Tom Lewis (ex-Wagoneers, nu Raul Malo) en Gary Claxton verheffen drinken, bedriegen en zwelgen in pech op “The Last Country Record” op ouderwets lekkere wijze weer tot nationale sporten. Hun country is zó klassiek van snit, dat je amper verschillen zal opmerken met die van de eigen helden van weleer. Met her en der wat hulp van gasten als Cindy Cashdollar (steel, dobro), Elana James (fiddle), Casper Rawls (akoestische gitaren), Erik Hokkanen (fiddle), Hunt Sales (drums) en Raul Malo (zang) doen zij hier zo ongeveer alles op een manier, waarop in Nashvegas al sinds jaar en dag wordt neergekeken. Claxton, Ball en Volkaert nemen daarbij afwisselend de plaats in de spits in. En ook wat betreft het aangedragen songmateriaal delen ze de aandacht netjes onder elkaar. Liefst zeven van de twaalf gebrachte songs zijn overigens eigen liedjes. De instrumental “Heybalin’” werd bovendien geleverd door vriend des huizes Erik Hokkanen. En verder zijn er ondermeer covers van Tom T. Halls “That’s How I Got To Memphis” en Willie Nelsons “Mr. Record Man”. In de afdeling country “without a doubt” één van dé releases van het jaar!

Heybale!

Sonic Rendezvous

 

STEPHEN SIMMONS “The Blame’s On U.S.” (Locke Creek Records)

(3,5****)

Wat de muzikale invulling ervan betreft wijkt de EP “The Blame’s On U.S.” eigenlijk amper af van wat Stephen Simmons op z’n eerdere platen bracht. Zoals op “The Superstore”, “Last Call”, “Drink Ring Jesus” en “Something In Between” situeert hij zich ook op dat nieuwe schijfje weer ergens in de buurt van het werk van collega-singer-songwriters als Steve Earle en Ryan Adams. Samen met Joe McMahan (elektrische gitaar, pedal steel, percussie) en David Egan (Wurlitzer) brengt Simmons (zang, akoestische gitaar, harmonica, percussie) daarop ditmaal echter louter politiek beladen songs. In volle Amerikaanse verkiezingsstrijd verkondigt hij in die protestliedjes nog eens even duidelijk, hoe hij staat tegenover de absurde oorlogspolitiek van zijn land en de in zijn ogen verantwoordelijken daarvoor. Titels als “The Blame’s On U.S.” en “Bloody Mess” spreken wat dat betreft boekdelen.

Stephen Simmons

CD Baby

 

DANIELLE TALAMINI “The Road Rises” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5****)

Ze ziet er fantastisch uit, heeft een ongemeen mooie, vaagweg een weinig aan Patty Griffin herinnerende stem en schrijft bovenal ook zalige liedjes. Dat is in een notendop samengevat Danielle Talamini, een bijzonder veelbelovende nieuwe zingende liedjesschrijfster uit New York, die voor de opnames van haar plaatdebuut “The Road Rises” helemaal naar het verre Texas afzakte. En daar hoort ze afgaande op het op haar eersteling gebodene eigenlijk ook veel meer thuis. Talamini’s forte blijken immers fraaie rootsy liedjes te zijn, die beurtelings onder vlaggen als alt. country, Americana en roots rock dienen. In een productie van Dwight A. Baker dient ze er daarvan op haar visitekaartje tien op. En met name de daarop ruim in de meerderheid verkerende ballades tonen haar als een gigantisch nieuw talent. Je denkt vrijwel meteen aan een Patty Griffin, een Maria McKee, een Joy Lynn White, dat soort van sterke vrouwen! Diezelfde passie, diezelfde warme gloed, datzelfde grote hart… En dat bedoelen we dan als een serieus compliment! Deze Talamini is er immers duidelijk eentje voor “the long run”! Wie al op z’n maiden release materiaal van het kaliber van het deluxe-rootsrockertje “Pack My Bags” of de zich op bijzonder soulvolle wijze in je geheugen griffende trage “Save Me” te bieden heeft, voor diens toekomst hoef je absoluut niet te vrezen. En dan hadden we het nog niet eens over de als een achteloos op vasttapijt achtergelaten brandende sigarettenpeuk langzaam een gaatje in je hart uitvretende ballad “Mercury Running”, een echte moordsong!

Danielle Talamini

CD Baby

 

THE SACRED SHAKERS “The Sacred Shakers” (Signature Sounds / Continental / Munich)

(4****)

Dé ideale naam eigenlijk voor deze als bij toeval ontstane groep met een zwak voor oertraditionele Americana. Old-time, country, bluegrass, blues en vooral ook gospel vormen de muzikale speeltuin van de Sacred Shakers, een achtkoppig collectief uit de omgeving van Boston, dat met louter akoestische instrumenten ruim veertien nummers lang op de poorten van de rootshemel klopt. Opvallendste verschijning daarbij is Eilen Jewell, die als naar goede gewoonte ook hier weer de sterren van de hemel naar beneden zingt in “Ready To Go Home”, “Twelve Gates To The City”, “Taggin’ Along With Jesus” en “Travelin’ Shoes”. Maar ook Daniel Fram, Greg Glassman en Eric Royer leveren als leadvocalist erg gesmaakte prestaties af. En dan hadden we het nog niet eens over de samenzang, die vrijwel voortdurend niets minder dan subliem is. Wat ons betreft een waar genot voor het oor dan ook, deze smaakvolle collectie overgeleverde liedjes en covers van the late great Hank Williams en George Jones.

The Sacred Shakers

Signature Sounds

Continental

 

THE STARLITERS “Stop Kiddin’” (El Toro)

(3,5****)

Authentieke Western swing, hillbilly bop en rockabilly afkomstig uit Milaan? Je gelooft het amper en toch is het zó! “Of all places” Milano! En wat meer is: Max Ammons (zang, gitaren), Bobby Vain (staande bas, zang), Serge Peacock (steelgitaar, zang) en Frank Dee (drums, zang) klinken bovendien ook nog eens een stuk “echter” en hechter dan heel wat van hun Amerikaanse collega’s anno nu. Het al sinds 1995 hard aan de weg timmerende viertal raast op “Stop Kiddin’” op buitengewoon aanstekelijke wijze doorheen negen eigen songs en een zevental honky-tonk en rockabilly covers. En daarmee presenteren ze zich vooral als een act, die live een waar feest moet zijn. Zoals zoveel van hun collega’s op het terzake flink gespecialiseerde Spaanse El Toro Records (Huismotto: The sound will charge you!) verkopen ze je effectief ogenblikkelijk een flinke dreun, die nog geruime tijd blijft nazinderen. Je waant je bij deze Starliters in geen tijd ergens aan het eind van de fifties. En daar blijkt het dan twijfelen tussen brillantine en Stetson…

Sterk, héél sterk!

(Met als absolute uitschieters wat ons betreft het rete-swingende, met de tong diep in de wang geplant gebrachte “This Chick Drinks More Than Me” en het afsluitende, door gast Jerry Boogie met een flinke snuif roodhete piano op smaak gebrachte R&Billy-stomertje “Who Who Boogie”.)

El Toro Records

CD Baby

 

TANEYTOWN “East Of Everything” (CoraZong Records)

(3,5****)

Taneytown, het is niet langer alleen de titel van een liedje van ons aller Steve Earle en een stadje in de States, maar sinds enkele jaren ook de naam van één van de beste Americana acts van Nederland. Singer-songwriter Edwin Jongedijk en zijn maats Joost Prinsen (gitaar, zang), Benjamin Vernooij (toetsen, accordeon, zang), Martin Wieringa (bas, harmonica) en Niek Stok (drums, percussie, zang) zijn met “East Of Everything” inmiddels al aan hun tweede werkstuk toe. En dat is opnieuw een verdomd goede plaat geworden! Het merendeel van de songs erop schreef ook ditmaal weer Jongedijk. Enkel voor “Road Song”, “Dog Eat Dog”, “I Don’t Need You Anymore” en “Harvest Time” liet hij zich daarbij assisteren door z’n gitaarmaatje Prinsen. Maar dat blijkt op de keper beschouwd niet tot heel erg grote verschillen te leiden. Zowel Jongedijk als zijn partners in crime steken immers nergens onder stoelen of banken zwaar beïnvloed te zijn door iconen als Bruce Springsteen, Steve Earle en Johnny Cash. Iets wat wat ons betreft ook absoluut niet hoeft. Zo lang ze zoals hier en nu aan hun Americana- en rootsrockliedjes maar voldoende eigenheid blijven meegeven om niet als epigonen te kunnen worden afgedaan, mogen ze rustig verder om zich heen blijven kijken. Want wat ze brengen is bijzonder lekker, laat daarover vooral geen twijfel ontstaan! En dat gerespecteerde Amerikaanse artiesten als Amanda Shires (zang en fiddle), David Henry (cello) en Dave Hadley (steelgitaar en dobro) hun medewerking aan “East Of Everyhting” verleenden, is als je ’t ons vraagt dan ook absoluut geen toeval! Natuurlijk, er is en blijft wel de stemgelijkenis tussen Jongedijk en Springsteen. En er zijn - Oók waar! - in ’s mans liedjes, vooral dan de tragere, heel wat sporen terug te vinden die naar The Boss leiden. Maar een kniesoor, die zich daaraan stoort! Jongedijks teksten zijn immers erg, erg knap en hij en zijn kompanen zijn ondertussen zo goed op elkaar ingespeeld, dat ze zo menig een Amerikaanse act een flink poepje laten ruiken. Een beetje chauvinisme is hier dan ook duidelijk op zijn plaats. Dit is ontegensprekelijk Americana straight from the heart, zij het dan wel met een Nederlands randje…

Taneytown

CoraZong Records

CD Baby

 

AGGIELAND “Heading For The Sun” (I-C-U-B4-T Records / Music & Words)

(3,5****)

JW Roy zou er in één nummer op meedoen. En ook Osama Maleegi van NO Blues zou van de partij zijn. Véél meer bijkomende goede redenen hadden wij alvast niet nodig om met net iets meer dan gemiddelde belangstelling uit te kijken naar “Heading For The Sun”, de nieuwe plaat van Aggie de Kruijf en Stephan Jankowski oftewel Aggieland. Met hun debuut “Welcome To Aggieland” hadden de voormalige Very Girl en haar kompaan hier immers al een zeer degelijke indruk nagelaten. En al het goede van dat visitekaartje bevestigen ze nu met hun tweede ook volledig. Met tien nieuwe eigen nummers eisen ze daarop nog nadrukkelijker dan voorheen een stek in de kopgroep van het Nederlandse Americana-peloton op. Luister bijvoorbeeld bij gelegenheid maar eens naar fraaie liedjes als de in warme steelklanken gedrenkte ballade “Fading Memory”, de met Afrikaanse percussie flirtende folkpopdeunen “Hollywood” en “Follow The Sun”, “For The Last Time”, het hier eerder al aangehaalde, adembenemend mooie duet met JW Roy, of het rond de lentefris rinkelende gitaar van Jankowski dansende “Moonlight Dancer”, een echte wolk van een rootspopdeun, en je zal ons daarin wellicht zonder aarzelen bijtreden! Wat een mooie stem toch! En welk een knappe liedjes ook! Om het snel en heel erg to the point met één enkel Engels woord te omschrijven: “Gorgeous!”

Aggieland

Music & Words

 

URBAN HILLBILLY QUARTET “Bring In The Sails” (House Of Mercy Recordings)

(3***)

“Bring In The Sails” is ondertussen toch ook alweer de achtste plaat van het vanuit St. Paul, MN actieve Urban Hillbilly Quartet. De groep rond singer-songwriter Erik Brandt doet het daarop ditmaal met zes songs. Drie daarvan zijn volslagen nieuw, twee zijn covers (“Truck Driving Man” en “Sneaky Radar”) en eentje is een remake van een al wat ouder eigen nummer. Dat handjevol songs blikte men al in juli van vorig jaar in één dag in.

“Bring In The Sails” zou Europese organisatoren moeten warm krijgen om The Urban Hillbilly Quartet voor hun festivals en andere gigs vast te leggen. Benieuwd of het daarin zal slagen! Het gaat hier immers niet meteen om de gemakkelijkste muziek, want de Americana van Brandt en co is nogal eigenwijs van karakter. Fervente eclectici als ze zijn verkennen deze grootstadshillbillies binnen een relatief kort tijdsbestek nogal wat terrein. Het titelnummer is zo bijvoorbeeld dreigende, onder een flinke laag gitaren bedolven atmosferische rootsrock, waarin de Tragically Hip en Neil Young voortdurend om het hoekje loeren, “I Knew” eerder rustige alt. country, “Truck Driving Man” een smeuïge countryrocker, “Revelation Blues” zijn titel getrouw bluesy alternative rock en “Escape Route” mede door nerveus snarenwerk en een karakteristieke orgelbijdrage een soort van kruising tussen iets van The Doors en The Triffids.

Urban Hillbilly Quartet

 

DARRELL SCOTT “Modern Hymns” (Full Light / Appleseed / Music & Words)

(5*****)

Echt een onwaarschijnlijk mooie plaat, dit! De man, die met z’n “Hank Williams’ Ghost” vorig jaar nog de “Americana Song of the Year” afleverde, doet het op zijn nieuwe CD “Modern Hymns” uitsluitend met materiaal van anderen. Zijn missie is ditmaal een eerbetoon aan de eigen helden van weleer, aan de songwriters die hem hielpen vormen tot wie hij nu is: van Gordon Lightfoot tot Joni Mitchell en Kris Kristofferson, van Mickey Newbury tot Paul Simon en Bob Dylan, van Guy Clark tot John Hartford en Hoyt Axton, van Adam Mitchell tot Leonard Cohen en het duo Pat Metheny en Lyle Mays. “Modern Hymns” is wat je noemt een echt “labour of love”. De adoratie die spreekt uit de liner notes ademt hier ook daadwerkelijk uit elke groef. Scott heeft duidelijk zijn hele ziel en zaligheid in dit project gelegd! Met zijn soulvolle tenorstem voortdurend als een betrouwbare bondgenoot en geruggensteund door een klein leger aan gerespecteerde collega’s als Del McCoury, Sam Bush, Tim O’Brien, Dirk Powell, Andrea Zonn, John Cowan, Stuart Duncan, Jonell Mosser, Mary Gauthier en Alison Krauss trekt hij songs als “All The Lovely Ladies” (Lightfoot), “Urge For Going” (Mitchell), “Jesus Was A Capricorn” (Kristofferson), “Frisco Depot” (Newbury), “That Old Time Feeling” (Clark) en andere op geheel en al natuurlijke wijze volledig naar zich toe. Met speciale vermeldingen van onzentwege voor een met Mary Gauthier, Alison Krauss en de Fisk Jubilee Singers gedeelde, het nodige kippenvel verwekkende uitvoering van Leonard Cohens “Joan Of Arc” en een al even pakkende benadering van John Hartfords “Nobody Eats At Linebaugh’s Anymore”. Dit is rootsmuziek op z’n allermooist!

Voor ons zondermeer één van dé platen van het jaar, dit ondanks alles opvallend samenhangende geheel. Van eenzelfde torenhoog niveau als vergelijkbare projecten van Nanci Griffith (“Other Voices / Other Rooms”) en Lyle Lovett (“Step Inside This House”) in het verleden. U zou daarmee genoeg moeten weten…

Darrell Scott

Appleseed Music

Music & Words

 

JUDE JOHNSTONE “Mr. Sun” (Bojak)

(3,5****)

Haar vorige CD “Blue Light” werd over het algemeen behoorlijk enthousiast onthaald. Echt abnormaal kan je het dan ook niet noemen, dat Jude Johnstone op haar nieuwe plaat de daarop al ingeslagen weg verder bewandelt. Ook op “Mr. Sun” regeren daardoor andermaal gesofisticeerde, in jazz- en torch song-arrangementen gehulde (roots)popliedjes, die door bijdragen van topmuzikanten als een Freddy Koella, een Stephen Bishop, een Danny Frankel en een David Piltch, om er maar enkele te noemen, tot ideaal luistervoer voor in de late uurtjes worden opgewaardeerd. Pas dan, als het kleed van een al té jachtig geleid leven weer eens even afgelegd is, is het echt optimaal genieten geblazen van de mooie teksten en het fraaie, bij momenten een weinig aan de jonge Carole King herinnerende zangwerk van Jude Johnstone. Héél erg mooi vonden wij zo bijvoorbeeld het subtiel met zwoele Braziliaanse ritmes stoeiende tweetal “Mr. Sun” en “Over Easy” en de ogenschijnlijk als een soort van antwoord op het van haar vorige CD “Blue Light” bekende “That’s Why I’m Leaving You” opgevatte “Don’t Tell Me That It’s Over”.

Jude Johnstone - Bojak Records

CD Baby

 

SOLAS “For Love And Laughter” (Compass)

(3,5****)

Er zullen er zich ongetwijfeld wel enkelen onder jullie bevinden, die zich de vraag zullen stellen, waarom we hier in godsnaam aandacht besteden aan Solas. Da’s immers een folkgezelschap, niet? Klopt! Maar dan wel eentje van het type, waar je bij elke ruimdenkende muziekliefhebber kan mee aankomen, zo lijkt ons. Het al sinds 1994 aan de weg timmerende collectief met als thuishaven New York laat immers al jaren een frisse wind doorheen het folkgenre waaien. In de handen van Seamus Eagan (fluiten, banjo, mandoline, gitaar, percussie), Winifred Horan (fiddle), Mick McAuley (accordeon, concertina, zang), Eamon McElholm (gitaren, zang) en nieuwkomer Mairéad Phelan (zang) blijkt op een traditionele Ierse leest geschoeide folk plots héél erg sexy. En dat heeft wellicht alles te maken met de bijzonder open benadering van het genre door de vijf. Hun roots ontkennen ze vrijwel nergens, maar tegelijk staan ze toch ook met één voet stevig in het heden. Iets wat zich op “For Love And Laughter” duidelijk uit in een geslaagde mélange van nieuw gearrangeerde traditionals, eigentijdse covers en zelf aangedragen materiaal. Zo kan het, dat je hier overgeleverd spul als “Seven Curses” of “The Gallant Hussar” aantreft naast eigenzinnige interpretaties van liedjes als Antje Duvekots “Merry Go Round” of Rickie Lee Jones’ “Sailor Song” en zelf gepende nummers als Seamus Eagans “Sunday’s Waltz / Solo Double Oh” (Een echte beauty!) of Horans “My Dream Of You”. Het resultaat van die aanpak is een heerlijk gevarieerd geheel, dat beurtelings aanmoedigt tot het zetten van wat speelse danspasjes op een hardhouten vloer of uitnodigt tot wegdromen bij een glaasje van het één of andere geestrijke vocht. Folk op z’n aantrekkelijkst! (En met gastrollen van ondermeer The Duhks, Natalie Haas en Dirk Powell!)

Solas

Compass Records

 

CHRIS BRECHT “The Great Ride” (Dead Leaf Records)

(5*****)

Wat een plaat! Hier niet de volle pot van vijf sterren aan uitreiken zou niets minder dan misdadig zijn! En dat voor een debuut! Niets dan uitroeptekens…

De uit Colorado afkomstige, maar dezer dagen zijn brood vanuit Texas verdienende Chris Brecht is nog eens wat je noemt een echt natuurtalent. En “The Great Ride”, zijn eersteling, is een plaat waarover in een rechtvaardige wereld binnen enkele jaren met evenveel ontzag zal worden gepraat als over pakweg “Heartbreaker” van Ryan Adams, “Highway 61 Revisited” van Dylan of “Exile On Main Street” van de Stones. Mooi gezelschap, niet? Maar “The Great Ride” is dan ook niets minder dan een instant classic. Prachtig gewoon, hoe de met een lekker ruige, wat nasale stem gezegende naamgenoot van één van de grootste dramaturgen ooit in een productie van de ondermeer van zijn werk met de al genoemde Adams en Son Volt Bekende Brad Rice hier de gouden middenweg weet aan te houden tussen alt. country, folk en roots rock. Dylan, Guthrie, de Stones, Neil Young, het zijn duidelijk invloeden, maar onze man blijft in de eerste plaats toch vooral zichzelf. In onvervalste beatnikstijl neemt hij de huidige Americana scene “by surprise”.

Beter worden ze absoluut niet (meer) gemaakt!

Chris Brecht

CD Baby

 

RANCHO DELUXE “True Freedom” (In eigen beheer uitgebracht!)

(3,5****)

Rancho Deluxe is een vanuit Californië actief countryrocktrio bestaande uit de broers Jesse Jay (gitaren, mandoline, bas, zang) en Graham (bas) Harris en hun buddy Mark Adams (zang, gitaar). Díe Harris-boys zijn zoons van Greg Harris, de man die samen met Sneaky Pete Kleinow de Burritos doorheen de jaren tachtig loodste. Ze hebben het dus duidelijk van geen vreemden!

“True Freedom” is al het tweede album van Rancho Deluxe. Eerder verscheen van de groep al het door gerenommeerde bladen als No Depression en Dirty Linen behoorlijk lovend onthaalde “Rancho Deluxe”. En net als daarop zoeken de Harris-broertjes en Adams ook op die nieuwe weer naar het ideale evenwicht tussen country, Americana, rock & roll en bluegrass. Ze doen dat met veertien eigen liedjes, waarvan de grote meerderheid werd aangedragen door zanger Adams. En ze vonden nogal wat topmuzikanten bereid om hen bij de opnamen daarvan een handje te komen helpen. Naast hun vader Greg (harmony vocals, gitaar, mandoline en banjo) passeren zo ook Don Heffington (drums en percussie), Mike Witcher (dobro en lap steel), Jaydee Maness (pedal steel), Skip Edwards (piano, orgel en keyboards) en Megan Lynch (fiddle en zang) de revue. Dat “True Freedom” louter muzikaal gezien staat als een huis, zal dan ook wel niemand echt verbazen zeker?

De songs blijken helaas niet allemaal even sterk. Op hun best vinden wij die van Rancho Deluxe in het heerlijk twangende rockertje “Ghost Town”, waarin je van achter elke plots openzwaaiende saloondeur de lekkere gitaar- en fiddleklanken om de oren komen vliegen, in de zwaar op de pedal steel van Maness en het orgel van Edwards leunende Americana ballad “Semi-Cool Cube”, in de jachtige, ergens tussen countryrock en bluegrass geboren instrumentals “Bone Rock Breakdown” en “Templeton Gap”, in het ook in diezelfde buurt ontstane instant-meezingertje “Mercy Me” en in de weemoedige afsluiter “Whiskey And Saturday Nights”. Elders durft wat de heren brengen echter nogal eens richting wat commerciëlere countryvaarwateren af te dwalen. En dan gaat natuurlijk vroeg of laat ook het gevaar om een beetje tussen twee stoelen in te vallen beginnen te dreigen… Wordt dus een kwestie van duidelijke keuzes maken, zo lijkt ons!

(“True Freedom” is overigens één van de vele albums, die je door CD Baby bij wijze van introductie aan een echte spotprijs worden aangeboden. Kies drie verschillende CD’s uit het rijke aanbod van hun “$5 Sale” en je ontvangt ze in plaats van aan hun normale prijs aan vijf dollar. Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen…)

Rancho Deluxe

CD Baby

 

ARTHUR GODFREY “Broken Wings” (Gallant-Godfrey Publishing)

(4****)

“Broken Wings” is de uitstekende nieuwe CD van Arthur Godfrey, de uit Boston afkomstige, maar sinds 2004 in Nashville residerende singer-songwriter, die in 2005 vriend en vijand al eens verraste met het ijzersterke “Amen”. De tweevoudige winnaar in het prestigieuze John Lennon Songwriting Contest grossiert daarop andermaal in wat hij noemt “my own urban Americana”. In een productie van de ondermeer van zijn werk voor en met Nanci Griffith, David Olney, Steve Young en Mary Gauthier bekende en geroemde Thomm Jutz levert hij elf opnieuw erg knappe songs af, die vanuit een folkbasis vertrekkend ook andere genres als Americana, country, bluegrass, blues en rock durven aan te doen. En daarin profileert hij zich wat ons betreft als een songsmid hors catégorie, beurtelings berekend scherp uithalend en diep, diep ontroerend. Zo kregen wij bijvoorbeeld een immense brok in de keel bij de als een liefdesliedje aan zijn naaste familieleden opgevatte kippenvelballade “Broken Wings”, deelden de onderhuidse woede vervat in het sfeervolle “March Of The Infant Soldiers” en knikten ook al instemmend bij het horen van de Dylaneske sneer richting met name de Amerikaanse Vrouwe Justitia, voor wie racisme jegens de zwarte medemens helaas nog steeds niet (volledig) tot het verleden blijkt te behoren. Godfrey wikt en weegt voortdurend zorgvuldig, schildert als het ware met woorden, maar gaat daarbij amper een onderwerp uit de weg. Racisme, dakloosheid, religie, oorlog, de dood, je zegt het maar! Hier staat een man met een visie! En voeg daar dan nog aan toe, dat hij met een voorzichtig aan die van de jonge Tom Waits herinnerende stem ook nog eens over het ideale medium beschikt om zijn verhalen aan de man te brengen, en je begrijpt, dat we hier te maken hebben met een waarachtige ruwe diamant.

Arthur Godfrey

CD Baby

 

DESERT RADIO “Asleep At The Wheel” (Desert Radio / Shut Eye)

(3,5****)

Heel even werden we verward door de titel van deze plaat. Tiens, tiens, tiens, een nieuwe van Asleep At The Wheel… Dat we daar nog niet eerder iets over gehoord hadden… Niet dus! “Asleep At The Wheel” bleek bij nader inzicht gewoon de titel van het debuutalbum van Desert Radio, een vanuit het Canadese Vancouver actief vijftal, dat in z’n nog jonge bestaan vooral in kringen van Amerikaanse autosportfreaks al enige bekendheid wist te verwerven. Eén van z’n liedjes, met name het extreem radiogenieke rockertje “February Day”, werd door NASCAR immers gebruikt in Daytona in een als eerbetoon aan de legendarische racer Dale Earnhardt bedoelde montage. Een andere song, het al even bevlogen “Redwood Tree”, werd dan weer gebruikt door de Amerikaanse biergigant Budweiser. De sterren stonden na goed en wel vijf jaar met andere woorden plots uitstekend voor Desert Radio en een eersteling kon bijgevolg ook niet al te lang meer uitblijven. En dat werd dus het van die misleidende titel voorziene “Asleep At The Wheel”. Een plaat die, als we de bio van de groep zouden geloven tenminste, dient te worden ondergebracht achter de bordjes rock en Americana. En laat het ons daar nu eens absoluut niet mee eens zijn, zie… ’t Is immers niet zo, dat je, omdat er her en der even een fiddle, een mandoline of een dobro in je songs opduikt, automatisch ook onder de noemer Americana komt te vallen. Ja, toch?

Verder hier overigens geen kwaad woord meer over de vijf van Desert Radio. Daarvoor zijn hun liedjes gewoonweg te sterk. Het bij momenten als een soort van kruising tussen Buffalo Tom en Hootie & The Blowfish klinkende vijfmanschap maakt heerlijk melodieuze gitaarrock, grotendeels gedragen door de wel bijzonder lenige ruwe stembanden van voorman Scott Larson en het lekker pittige snarenwerk van leadgitarist Kevin Coles. Het merendeel van de liedjes op “Asleep At The Wheel” wordt door die droomcombinatie wat wij zouden willen noemen “radiorijp”. En ze zouden naar ons gevoel dan ook absoluut niet misstaan hebben op de affiche van zo menig een inlands zomerfestival, deze knapen. Maar goed, wat niet is kan nog komen! Misschien iets voor volgend jaar…?

Desert Radio

Shut Eye Records

CD Baby

 

RUTHIE FOSTER “The Phenomenal Ruthie Foster” (Blue Corn / Proper / Rough Trade)

(4,5*****)

 

Een nieuwe distributiedeal heeft ervoor gezorgd, dat het fantastische “The Phenomenal Ruthie Foster” zopas ruim anderhalf jaar na zijn maiden release een tweede keer op onze schrijftafel belandde. Nu zijn wij van nature nogal lui en dus vallen we hier gewoon even in herhaling. Dit is wat we al in april van vorig jaar over deze werkelijk magistrale schijf te vertellen hadden.

De Heer zij geloofd! Hij was het immers die Ruthie Foster al op zeer jonge leeftijd de juiste weg wees. De Texaanse kleurlinge deed haar eerste zangervaring op in het lokale kerkkoor, in haar thuisstad Gause, ergens hartje Lone Star State. Later zou ze een klassieke opleiding voltooien, opteerde vervolgens voor een carrière bij de Navy, alvorens in New York te belanden om er uiteindelijk toch nog een muzikale carrière na te gaan jagen. Daar zou ze echter niet al te lang blijven. Heimwee begon haar al snel serieus parten te spelen en dus trok ze onverrichterzake opnieuw naar Texas terug, naar Austin meer bepaald. En daar lukte het plots allemaal wel. Getuige daarvan haar vier vorige platen: “Full Circle”, “Crossover”, “Runaway Soul” en “Stages”.

En als we dan toch al aan het prijzen zijn, dan doen we er Malcolm “Papa Mali” Welbourne meteen ook maar bij. Die wist er Foster de voorbije maanden immers ten volle van te overtuigen, welk een machtig wapen haar stem eigenlijk wel is. Als producer zorgde hij ervoor, dat, veel meer dan dat op haar voorgaande CD’s het geval was, op “The Phenomenal Ruthie Foster” de stem van Foster volledig centraal staat. Alles draait nu echt om die fenomenaal mooie soulstem van ‘r. En dat levert bij momenten zeer spectaculaire dingen op. Haar versie van Lucinda Williams’ “Fruits Of My Labor” is er bijvoorbeeld zo één. Wij zullen heus niet de enigen zijn die er met kippenvel over heel het lijf sporen van de grote Otis Redding menen te mogen in herkennen. En ook het verkapte titelnummer van de plaat, “Phenomenal Woman”, Fosters muzikale adaptatie van het gelijknamige gedicht van Maya Angelou, waarin alles draait om zelfaanvaarding, is zondermeer groots te noemen. Een zachte Wurlitzerlijn, een regelmatig invallend kerkkoortje en dan die warme, uitermate lenige vocalen van Foster zelf, je moet al bijna van steen zijn om hiervoor niet te smelten! En van dat kaliber staan hier wel meer songs op! We noemen bijvoorbeeld nog opener “’Cuz I’m Here” en “Harder Than The Fall”, broeierige ballades van het slag waarvoor ook Bill Withers en Al Green in hun hoogdagen regelmatig tekenden, de funky, voorzichtig richting de grote Aretha Franklin lonkende eigen compositie “Heal Yourself”, Fosters doorleefde vertolkingen van “People Grinnin’ In Your Face” van Son House, “A Friend Like You” van Eric Bibb en “Up Above My Head (I Hear Music In The Air)” van Sister Rosetta Tharpe en zeker ook het swampy, samen met haar vriendin Cyd Cassone gepende “Beaver Creek Blues”, waarin op de achtergrond de krekels van puur genoegen ongemeen stevig uit de bol gaan.

Absoluut geen misplaatste titel dus! “The Phenomenal Ruthie Foster” is inderdaad fenomenaal goed. Het moet zo ongeveer van de hemelse laatste van James Hunter geleden zijn, dat we nog zo door een soulplaat werden gepakt. Quasi een certitude voor onze jaarlijstjes dan ook!

Ruthie Foster

Proper Records

 

MARK ERELLI “Delivered” (Signature Sounds / Rounder Europe / Munich)

(4****)

Mark Erelli heeft ons ditmaal net iets langer dan we dat van hem gewoon zijn laten wachten op nieuw materiaal. En daar had hij zo zijn redenen toe ook. In de goed en wel twee jaren die verstreken sinds het verschijnen van het hemeltergend mooie “Hope & Other Casualties” werd hij niet alleen uitgenodigd door z’n voormalige labelmaatje Lori McKenna om als haar support act te fungeren tijdens de “Soul 2 Soul”-tournee van countrysupersterren Tim McGraw en Faith Hill, hij werd ook vader van een flinke zoon. En die twee gebeurtenissen lijken Erelli op het eerste gehoor flink te hebben beïnvloed. De zin om eindelijk weer eens iets op te kunnen nemen was na twee jaar duidelijk heel erg groot. En ook op mentaal vlak is Erelli duidelijk veranderd. Op “Delivered” verdeelt hij zijn aandacht nadrukkelijk over zijn verantwoordelijkheden als vader enerzijds en die ten opzichte van zijn land en landgenoten anderzijds. De sociaal-kritische troubadour bleef dan wel, maar het vaderschap maakte van hem toch ook een andere, zeg maar wat meer gerijpte man. Het mooiste voorbeeld om die verandering van (levens)houding mee te illustreren is wel het openingsnummer van de plaat. Daarin begint Erelli een dag nogal zwaar op de hand met het maken van bittere bedenkingen bij wat er zo al uit de radio weerklinkt over gebeurtenissen in ondermeer het Midden-Oosten en New Orleans, om vervolgens na zijn hart eens grondig te hebben gelucht zijn vrouwtje stevig aan de borst te drukken en haar onder het motto “Hope Dies Last” met een wat geruster gemoed uit te wuiven als ze naar haar werk vertrekt.

Ook naar de muzikale invulling van “Delivered” toe heeft zich Erelli’s nieuw gevonden gespleten persoonlijkheid overigens niet helemaal onbetuigd gelaten. Het materiaal daarop laat zich immers duidelijk in twee grote groepen onderverdelen. “Baltimore”, “Shadowland”, “Five Beer Moon” en “Unraveled” zijn respectievelijk nerveuze, nogal energieke en eerder bedaarde rockertjes van het slag waar bijvoorbeeld de fans van Ryan Adams en Neil Young wel weg mee zullen weten. Het al genoemde “Hope Dies Last”, “Not Alone” en “Delivered” (Met verbluffend mooi harmonieerwerk van Aoife O’Donovan van Still Crooked!) vallen dan weer onder de noemer country folk, “Volunteers” doet banjogewijs iets moois met een Americana-gegeven, “Abraham” heeft een expliciet gospelesk randje en “Man Of The Family”, over zijn vooraf klaarblijkelijk flink onderschatte nieuwe verantwoordelijkheden als jonge vader, is gewoon heel erg mooie rootspop. Op “Delivered” bestaat er duidelijk een tegenstelling tussen de sluimerend aanwezige rocker in Erelli en zijn meer bedaarde folky alter ego met andere woorden.

Als geheel misschien net ietsje minder dan z’n voorganger, maar al bij al toch weer een erg knappe plaat, waarop voornamelijk op tekstueel vlak zeer veel te beleven valt.

Mark Erelli

Signature Sounds

 

THE BITTERSWEETS “Goodnight, San Francisco” (Compass Records)

(3,5****)

“Goodnight, San Francisco” is na hun in 2006 verschenen debuut “The Life You Always Wanted” en de live-CD “Long Way From Home” het derde teken van leven van Hannah Prater (zang, akoestische gitaar, piano), Chris Meyers (zang, gitaren, piano, Wurlitzer, keyboards) en Steve Bowman (zang, drums, percussie) oftewel The Bittersweets. En om maar meteen met de deur in huis te vallen: “Goodnight, San Francisco” is een erg mooie plaat geworden. In een productie van de ondermeer aan Mindy Smith te linken Lex Price en met her en der wat bijstand van schoon volk als Thad Cockrell, bassisten Dave Jacques en Kyle Andrews, pedal steeler Russ Pahl, gitaristen Doug Lancio en Jason Lehning, cellist David Henry en toetsenmannen James DiGirolamo en John Deaderick tekenen Prater en co ditmaal voor een twaalf songs tellend geheel, dat in de categorie folk-pop ongetwijfeld hoge ogen moet kunnen gooien. Prater zelf is immers een fantastische zangeres, die met haar gouden strotje op het emotionele vlak in elk liedje spelenderwijs het onderste uit de kan weet te halen. En Chris Meyers is dan weer een songsmid, die perfect lijkt aan te voelen, welk materiaal die Prater precies nodig heeft. Om het met een streekgebonden uitdrukking te zeggen: de mayonaise pakt hier. De verschillende deeltjes van de puzzle passen perfect! En eigenlijk valt niet één van de twaalf door de drie hier gebrachte liedjes uit de toon. Heerlijke, veelal behoorlijk weemoedig aandoende miniatuurtjes zijn het, die bijvoorbeeld fans van de hoger al even genoemde Mindy Smith, een Edie Brickell ook wel of een Natalie Merchant een zalige herfst zouden moeten kunnen bezorgen. Wij zijn er alvast behoorlijk weg van!

Compass Records

 

CAMERON LATIMER “Fallen Apart” (Black Hen Music / Rounder Europe / Munich)

(3,5****)

Met de vanuit Vancouver actieve singer-songwriter Cameron Latimer lijkt zich quasi vanuit het niets een zoveelste Canadees goudhaantje voor de toekomst aan te dienen. En dan schrijven we bewust quasi, want de beste man droeg in een recent verleden ondermeer al een steentje bij aan de groep The Seams en aan plaatwerk van andere artiesten uit de buurt als Barney en Dustin Bentall en Ridley Bent. Met die laatste twee toerde hij als The Bottle And The Truth overigens ook al uitgebreid door zijn thuisland.

“Fallen Apart” is evenwel ’s mans solodebuut. En op die door producer John MacArthur (“Johnny”) Ellis (Zie bijvoorbeeld ook Barney en Dustin Bentall!) in goede banen geleide eersteling toont hij zich een man van veel talenten. Als er al één ding is, dat Latimer absoluut lijkt te hebben willen vermijden, dan is het wel, dat men hem wat al té gemakkelijk in één hokje zou kunnen onderverdelen. Als zijn voornaamste invloeden gelden zo uiteenlopende groten als Elliott Smith, Jeff Tweedy, Lyle Lovett en Django Reinhardt. En van de aanpak van elk van die vier tref je hier bij nader inzicht ook effectief wel de nodige elementen aan. Iets wat er alvast voor zorgt, dat “Fallen Apart” in de eerste plaats opvalt door een wel erg gevarieerd karakter. Het kan hier eigenlijk echt elk moment alle kanten op. Zo is openingsnummer “Empty Saddle” bijvoorbeeld een pracht van een Americana-trage met de gloedvolle pedal steel van Ellis nadrukkelijk in één van de hoofdrollen, doet het met zijn Seams-maatjes deGroot en Dobres gepende “Heartbreaker” iets moois met pop en Western swing, is “The Ranch” sfeervol twangende countryrock, mikt “Fallen Apart” duidelijk op erkenning in de alternatieve singer-songwriterhoek en rockt “Gin Train” tegen een hikkende banjo aan op z’n Bright Eyes. En dan zijn er ook nog de bijzonder fraaie countryballade “The Beach House”, het naar Reinhardt en Lovett tegelijk lonkende swingertje “High Lonesome”, de ijzig mooie alt. country van “Hayfield” en “Who Shot My Paw”, een met maatje Dustin Bentall geschreven muzikale verwijzing naar roots pop en jazz.

Knap debuut zondermeer!

Black Hen Music

 

THE BASEBALL PROJECT “Vol. 1: Frozen Ropes & Dying Quails” (Yep Roc / Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Na het moment ergens aan het begin van de jaren negentig waarop Steve Wynn en Scott McCaughey (Young Fresh Fellows, Minus 5) elkaar voor het eerst ontmoetten, bleef tussen de twee heren regelmatig één en hetzelfde project terug ter sprake komen. De twee bleken tot wederzijds genoegen allebei verstokte baseballfans en waren het er al snel over eens geraakt, dat ze ooit samen eens een conceptalbum enkel en alleen gewijd aan die gemeenschappelijke passie moesten gaan maken. Het zou uiteindelijk nog jaren duren, voor dat er ook effectief van kwam, maar met “The Baseball Project, Vol. 1: Frozen Ropes & Dying Quails” hielden ze uiteindelijk wel woord. Samen met Linda Pitmon (drums, percussie, zang) en R.E.M.’s Peter Buck (gitaren, elektrische sitar, mandoline, bouzouki, bas) leverden ze zopas de eerste dertien van een reeks liedjes verhalend over spelers als Satchel Paige, Ted Williams, Black Jack McDowell, Willie Mays en Curt Flood af. Sprankelende, heerlijk melodieuze roots pop en rock is het, van het type dat we vooral van McGaughey door de jaren heen gewoon zijn geraakt. Ook als je van baseball helemaal geen kaas gegeten hebt absoluut niet te versmaden dus. Liedjes als het door McCaughey accordeongewijs van een aantrekkelijk exotisch randje voorziene “Fernando”, de lekkere meezingrocker “Ted Fucking Williams” met z’n aan T. Rex verwante drumroffel of het over breed uitwaaierende gitaren gedrapeerde “Jackie’s Lament” behoren wat ons betreft zelfs gewoon tot het allerbeste wat de heren Wynn en McCaughey recentelijk nog hebben afgeleverd. En dat wil in hun geval toch wel iets zeggen…

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

HAUNT “The Deep North” (Nine Mile Records)

(3,5****)

’t Was wel even schrikken om Matt Hebert tijdens de eerste minuten van “The Deep North” bijna te horen verzuipen tussen er genadeloos in hakkende overstuurde gitaren. Wat een contrast toch met de veelal zachte alt. country, die in het verleden voor een groot stuk zijn werk domineerde. Wellicht niet in geringe mate de invloed van de ondermeer van zijn werk met Spouse en als producer van Winterpills en de Pernice Brothers bekende Jose Ayerve. Hij laat de ditmaal voornamelijk rond het gegeven hoop cirkelende songs van Hebert hier bij momenten werkelijk alle hoeken van het canvas zien. Het daardoor ontstane contrast tussen enerzijds gitaarzwangere rootsrock en eerder introverte alt. country / Americana anderzijds maakt van “The Deep North” zeker één van Heberts interessantere platen so far. Ook uitermate geschikt voor de alternatieve Europese markt, zo lijkt ons.

Haunt

Nine Mile Records

 

GRAYSON CAPPS & THE STUMPKNOCKERS “Rott-N-Roll” (Hyena / Bertus)

(4****)

“Rott-N-Roll” staat na het akoestische “Songbones” en de heruitgave van z’n “Stavin’ Chain”-project eindelijk weer eens voor écht nieuw materiaal van Grayson Capps. Op die vierde CD van ‘m pakt de man in het gezelschap van gitarist Tommy MacLuckie, bassist Josh Kerin en drummer John Milham oftewel The Stumpknockers opnieuw met succes uit met de van hem ondertussen vertrouwde gumbo van ruwe Southern soul, rammelende vuilnisbakkencountry en roadhouse blues, al ligt de nadruk ditmaal daarbij wel wat meer op de rocker dan op de singer-songwriter Capps. Zeg maar “Rott-N-Roll” dus, een door een aantal van zijn devote fans gebruikte term om zijn muziek mee te omschrijven. Het uitermate aanstekelijke “Gran Maw Maw” is zo een eigenzinnig naar het verleden lonkend stampertje, waarin rock & roll en blues andermaal duidelijk verre familie van elkaar blijken, “Psychic Channel Blues” een Waitsiaanse sleper bulkend van de soul, “The Waltz” een allesbehalve orthodoxe (rock)invulling van dat gegeven, “Big Black Buzzard” de armen wijd open richting acts als de Drive-By Truckers uitstrekkende Southern rock, “The Sun Don’t Shine On Willy” zwaar op de hikkende gitaar van MacLuckie lenende Southern Gothic twang-a-billy en “Big Ole Woman” een loepzuivere bluesrocker extraordinaire. Bijzonder straf spul weer allemaal! En dat zeker niet in de laatste plaats omdat bij Capps naar goede gewoonte ook op tekstueel vlak weer het nodige te beleven valt. Hij is een echte meester in het tot leven brengen van personages en plaatsen in zijn songs. Al is lang niet alles wat hij vertelt louter fictie. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het nummer “Guitar”, één van ’s mans meest persoonlijke songs so far en je zal meteen begrijpen, wat we daarmee bedoelen. De twijfel, die daaruit spreekt, is tekenend voor de rusteloze zoeker, die Capps zelf is en wellicht altijd wel zal blijven.

Grayson Capps

Hyena Records

Bertus

 

GLEN CAMPBELL “Meet Glen Campbell” (Capitol)

(3,5****)

Dit hadden we dus echt niet van ‘m verwacht, he! Nu kan in de nadagen van de “American”-platen van wijlen Johnny Cash weliswaar veel, maar dit, neen dit hadden we absoluut niet zien aankomen… Stel je voor, de man die medio de jaren zeventig de hitlijsten nog onveilig maakte met zeemzoete dingen als “Rhinestone Cowboy”, “Sunflower” en “Southern Nights” gaat plots alternatief. Want dat doet hij dus inderdaad op zijn comebackplaat “Meet Glen Campbell”. Campbell tackelt daarop materiaal van Travis (“Sing”), Tom Petty & The Heartbreakers (“Walls” en “Angel Dream”), de Foo Fighters (“Times Like These”), Jackson Browne (“These Days”), de Replacements (“Sadly Beautiful”), U2 (“All I Want Is You”), de Velvet Underground (“Jesus”), Green Day (“Good Riddance (Time Of Your Life)” en John Lennon (“Grow Old With Me”). En het moet gezegd, hij doet dat verdomde goed ook. En al heeft het dan ook lang niet allemaal meer met country te maken wat hij hier doet, de beste man lijkt zich in de met zorg voor dit project gekozen liedjes als een vis in het water te voelen. In openingsnummer “Sing” blijft hij al bij al vrij dicht in de buurt van het origineel van Travis, “Walls” van Tom Petty & The Heartbreakers bedient hij van een flinke shot melodrama, “Angel Dream” van datzelfde gezelschap laat hij liefdevol openbloeien tot een aangenaam wegluisterend countryrockertje en “Times Like These” van de Foo Fighters, één van dé grootste verrassingen toch hier, blijkt ook als rootspopdeun in zijn uitvoering absoluut niet te versmaden. Iets wat eigenlijk ook wel gezegd kan worden van het zijn titel hier echt alle eer aandoende “Sadly Beautiful” van de Replacements, Velvet Undergrounds “Jesus” en Green Days “Good Riddance (Time Of Your Life)”. En dan zijn er nog het wel erg toepasselijke “Grow Old With Me” van Lennon, Jackson Browne’s “These Days” en U2’s “All I Want Is You”, drie fraaie (roots)popdeunen, die Campbell ook al als gegoten blijken te zitten. We kunnen dus eigenlijk alleen maar zeggen: “Chapeau, mijnheer Campbell! En dat u ze nog lang moge mogen…”

Glen Campbell

Capitol Records

 

KITTY, DAISY & LEWIS “Kitty, Davis & Lewis” (Sunday Best / Rough Trade)

(3,5****)

In de Britse vakpers heeft men al een poosje de mond vol over dit jeugdige drietal en met hun debuutplaat rechtvaardigen de drie youngsters ook daadwerkelijk elk positief woord dat de laatste maanden al over hun verschenen is. Respectievelijk vijftien, zeventien en achttien jaar oud zijn ze, de drie, maar dat hoor je eigenlijk enkel aan hun duidelijk nog jonge stemmen. Wat Londenaar Lewis Durham en zijn zussen Kitty en Daisy muzikaal klaarmaken klinkt immers volstrekt tijdloos. Op hun titelloze eersteling pakken ze uit met een volledig analoog ingespeelde mix van blues, R&B, swing, country en rock & roll, die zo ongeveer elke vorm van affiniteit met doorsnee-jongelingen anno nu mist. Dit klinkt zo authentiek (fifties) en aanstekelijk allemaal, dat je je als luisteraar constant afvraagt, wat de ouders van deze drie in godsnaam hebben gedaan om hun nageslacht zó ver te krijgen. Want zeg nu zelf, kids van die leeftijd in de weer horen met instrumenten als een banjo, een lap steel, een harmonica, een double bass, een ukelele, een trombone en een accordeon, het doet bepaald vreemd aan. En al zeker omdat ze op die instrumenten ook nog eens zeer bedreven blijken te zijn. Enkel wat betreft het schrijven van eigen materiaal blijkt er eigenlijk nog wat werk aan de winkel. Zelf droegen ze immers slechts twee songs aan. De overige acht zijn covers van materiaal, dat hun vader hun pleegde voor te zingen toen ze nog jong waren.

Kitty, Davis & Lewis

Sunday Best

 

THE BAND OF HEATHENS “The Band Of Heathens” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Okay, okay, je hebt gelijk, met onze bespreking van dit kleinood zijn we inderdaad rijkelijk aan de late kant. De vijf van The Band Of Heathens wisten ondertussen immers reeds door te stoten tot zowel de top van de AMA Chart als die van de Euro Americana Chart en dat zou eigenlijk al ruim genoeg moeten zeggen. Hun studiodebuut is wat ons betreft een typisch geval van een de som van zijn aparte delen flink overstijgend geheel. Net als ons heb ook jij wellicht al albums van de drie frontmannen van de groep in de kast staan. Maar hoe goed die CD’s van Gordy Quist, Colin Brooks en Ed Jurdi ook al waren, geen van alle kunnen ze op tegen deze door bassist Seth Whitney en drummer John Chipman (Zie ook The Resentments!) ondersteunde collectieve prestatie van de heren. In een productie van Ray Wylie Hubbard en met verder ondermeer ook nog gastbijdragen van Patty Griffin, Gurf Morlix, Stephen Bruton en Chip Dolan overstijgen de liedjes van het trio songwriters hier niet alleen moeiteloos hun eigen ouder materiaal maar ook dat van het gros van hun concurrenten anno nu.

“This I Know” is zo bijvoorbeeld op ingetogen wijze knap aan ons aller Creedence refererend spul, “Maple Tears” een door Gordy Quist samen met collega-songsmid Adam Carroll gepende en met nachtegaaltje Patty Griffin gebrachte droom van een countryballade, “Heart On My Sleeve” gitaarzwangere Roots Rock met een dik verdiende dubbele hoofdletter R, “Jackson Station” prima verhalende Americana met een opvallende knipoog naar The Band, “Second Line” heeft onderhuids iets met de blues en in “40 Days” mag de excellente singer-songwriter in Jurdi quasi en passant nog eens even de bovenhand halen. En dan zijn er ook nog “Unsleeping Eye”, een bijzonder lekker swamprockertje, “Cornbread” een kortstondige, maar erg intense flirt met old-time folk en blues, “Nine Steps Down”, een zich meteen knus tussen je oren nestelend Americana-meestampertje en “Hallelujah”, een wat donkerder en ruiger aandoende deun, die het wel eens heel erg goed zou kunnen gaan doen bij fans van acts als de Black Crowes, de Drive-By Truckers en Ray Wylie Hubbard.

Een heerlijk gevarieerd geheel dus, dat je je bij voorkeur aanschaft in de gelimiteerde deluxe-editie, die naast het eigenlijke album ook nog eens de in juni van vorig jaar opgenomen DVD “Live At Antone’s” bevat. Ook die staat met 13 nummers en een speelduur van om en bij de tachtig minuten immers ruimschoots garant voor het nodige muzikale plezier.

The Band Of Heathens

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

BLUE MOUNTAIN “Omnibus” en “Midnight In Mississippi” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(4**** en 4****)

  

Van een onverwachte comeback gesproken! Nooit gedacht, dat Cary Hudson en Laurie Stirratt elkaar na hun op de klippen gelopen huwelijk nog eens opnieuw in de armen zouden gaan vallen! Zelfs niet op artistiek vlak. Maar goed, tijd heelt klaarblijkelijk echt alle wonden en samen met drummer Frank Coutch staan de twee ondertussen dus toch aan de vooravond van een nieuw tijdperk in hun carrière samen. En dat het hen wel degelijk menens is, moge blijken uit het feit dat ze ons direct met liefst twee nieuwe CD’s om de oren slaan. Nu ja, nieuw is misschien niet echt het juiste woord om “Omnibus” mee te omschrijven, maar toch… Dat album bevat louter nieuw ingespeelde versies van songs van hun indertijd nog via Roadrunner Records verschenen en ondertussen niet zo gemakkelijk meer verkrijgbare CD’s “Dog Days”, “Homegrown” en “Tales Of A Traveler”, stuk voor stuk platen die goed tegen de tand des tijds bestand bleken. En daarom kon “Omnibus” met z’n verse uitvoeringen van “Blue Canoe”, “Myrna Lee”, “Lakeside”, “Soul Sister”, “Generic America”, “When You’re Not Mine”, “Wink Of An Eye”, “Bloody 98”, “Mountain Girl”, “Band Called Bud”, “Poppa”, “Hippy Hotel”, “The One That Got Away” en “Sleeping In My Shoes” hier ook al snel op de nodige sympathie rekenen.

“Midnight In Mississippi” is dan een heel ander verhaal. Daar betreft het immers wél vrijwel allemaal nieuwe nummers, waarin Hudson, Stirratt en Coutch als vanouds actief zijn in de schemerzone tussen alt. country en rootsrock en –pop. (Enkel de nummers “Butterfly” en “By Your Side” verschenen eerder op de eerste soloplaat van Hudson!) Een weinig bezadigder wellicht als weleer, maar voor het overige is er niet zo heel erg veel veranderd. De meerderheid van de op “Midnight In Mississippi” gebrachte liedjes werd, zoals dat ook in het verleden al het geval was, aangedragen door Cary Hudson. Slechts voor een viertal ervan liet hij zich assisteren door ondermeer Laurie Stirratt, haar broer John, Carrie Garcia, Chesley Pearman en Shannon McNally. Zijn samenwerking met die laatste, het toepasselijk getitelde openingsnummer “Groove Me”, een zomerse rootspopdeun, zet een weinig de toon voor wat volgt. Heel wat van het materiaal hier klinkt immers behoorlijk optimistisch: nu eens wat meer rockend (“By Your Side”, “She’s A Wild One”, “Midnight In Mississippi”), dan weer eerder poppy (“70’s Song”, “Emily Smiles”, “Butterfly”). Met als absolute hoogtepunt wat ons betreft de mede door een fraaie orgelbijdrage van Rob Cento een aardig eindje richting de rootshemel gestuwde sleper “Pretty Please”. Dat nummer, het ingetogen americanapareltje “On A Rainy Day”, het sympathiek hikkende, volop met de blues flirtende “Skinny Dipping” en het hier al eerder genoemde, op lentefris rinkelende gitaren geënte “She’s A Wild One” zijn slechts enkele van de vele krenten in een pap rijk daaraan.

Voor ons is het dan ook overduidelijk: zowel “Omnibus” als “Midnight In Mississippi” zijn absolute aanraders. (En al zeker voor de wat nostalgischer ingestelden onder ons…)

Blue Mountain

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous (“Omnibus”) - Sonic Rendezvous (“Midnight In Mississippi”)

 

Home