CAC Banner.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES SEPTEMBER 2009

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

TOM GILLAM “Had Enough?” - GORDIE TENTREES “Mercy Or Sin” - VARIOUS ARTISTS “The Best Is Yet To Come: The Songs Of Cy Coleman” - CATIE CURTIS “Hello, Stranger” - CORB LUND “Losin’ Lately Gambler” - THE FIRST MILES “Ride Against The Wind” - KRIS KRISTOFFERSON “Closer To The Bone” - THE PINES “Tremolo” - BRAY VISTA “Let It Ride” - THE WAILIN’ JENNYS “Live At The Mauch Chunk Opera House” - BEN WINSHIP & DAVID THOMPSON “Fishing Music II” - BOULDER ACOUSTIC SOCIETY “Punchline” - ZACHARY RICHARD “Last Kiss” - THE LOVELL SISTERS “Time To Grow” - RICHMOND FONTAINE “We Used To Think The Freeway Sounded Like A River” - CELILO “Bending Mirrors” - MICHAEL DE JONG “For Madmen Only” - PHIL SMITH “Goldmine” - NOËLLE HAMPTON “Thin Line” - BEN MALLOTT “Look Good, Feel Good” - DELBERT MCCLINTON & DICK50 “Acquired Taste”

 

TOM GILLAM “Had Enough?” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

In de twee jaren die verstreken tussen het verschijnen van zijn laatste studioplaat “Never Look Back” en zijn nieuwe, “Had Enough?”, verkaste rootsrocker Tom Gillam naar het Texaanse muziekmekka Austin. En dat zulks ook niet onopgemerkt aan zijn muziek voorbij zou gaan spreekt bijna vanzelf. Al was het maar, omdat hij daar in de Lone Star State snel nieuwe muzikale vrienden lijkt te hebben gemaakt. Zo stootten we bij het doornemen van de gastenlijst voor “Had Enough?” bijvoorbeeld op de namen van bluesgrote Guy Forsyth, Micky Braun (Micky & The Motorcars), Penny Jo Pullus, Ed Jurdi (Band Of Heathens), Al Durham, Michael “Cornbread” Taylor en Vicente Rodriguez (allen Alejandro Escovedo Band). En bij het beluisteren van die nieuwe plaat konden we niet voorbij dat zekere “je ne sais quoi”, eigen aan zoveel Texaanse muziek. Lekker is het alleszins allemaal! Van het gespierd rockende “Real Thing” over het met Penny Jo Pullus gebrachte en eerder onder de noemer “reflectief” vallende “Ready To Begin” tot het swampy stampertje “Ride” - Met opvallende hand- en spandiensten van Ed Jurdi en Guy Forsyth! – of de fraaie ballade “Weary Game”, van het zich sfeervol voortslepende “Tear In The Rain” over het soulvolle, door toetsenist Craig Simon aangebrachte “Million Miles Away” tot het op z’n Zuiders rockende titelnummer of het melodieuze rootsrockertje “(When You) Come Around”, van het door de elektrische gitaren van Gillam zelf en Craig Simon aangevuurde “She Was A Dancer…” over het met een flinke scheut pop overgoten en volop naar airplay lonkende “Nothing” tot het afsluitende “Good Morning”, van kneusjes absoluut geen sprake hier! En het antwoord op de vraag uit de titel van deze plaat is wat ons betreft dan ook een volmondig “No!”

Tom Gillam

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

GORDIE TENTREES “Mercy Or Sin” (Yukon / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Onlangs nog werd Gordie Tentrees door de hier op handen gedragen Fred Eaglesmith goed genoeg bevonden om tijdens een doortocht doorheen de Benelux als zijn voorprogramma te fungeren. En dat zegt veel zo niet alles over het materiaal van de Canadese singer-songwriter. Aan de goede smaak van Eaglesmith twijfelen we hier als “Fredheads” immers niet… Maar eigenlijk heeft Tentrees dat soort van introductie gewoon helemaal niet nodig! Als je “29 Loads Of Freight” en “Bottleneck To Wire”, zijn beide vorige platen, al in je bezit zou hebben, dan weet je met welk een klasbak je hier van doen hebt. En als dat nog niet zo zou zijn, dan volstaat één enkele beluistering van ’s mans nieuwste, “Mercy Or Sin”, vast wel om ook jou over de streep te trekken. Tentrees is immers een echte meester wat betreft het brengen van story songs. Daarbij nu eens lekker rootsy rockend (“No Integrity Man”, “Devil Talks”, het countryeske “Same Old Blues”), dan weer gewoon achteroverleunend en op lijzige wijze verhalend (“Alfred”, “Hey Mama”, “Traveling Song Man”, “Mercy Or Sin”, het bluesy “Rambling’s Gonna Be The Death Of Me”, “Daylight”, “Blue Motel Room”, “Ross River”) of zich aan een de ziel zoekende ballade overgevend (“Carpenter Girl”) herinnert hij beurtelings een weinig aan de al genoemde Eaglesmith, aan Kelly Joe Phelps en aan zijn landgenoot Cam Penner. En dat maakt wat ons betreft van de grofgevooisde Tentrees een talent, dat het verdient om binnen afzienbare tijd op veel grotere schaal aftrek te vinden.

Gordie Tentrees

Sonic Rendezvous

 

VARIOUS ARTISTS “The Best Is Yet To Come: The Songs Of Cy Coleman”

(New West Records / Sonic Rendezvous)

(3***)

Cy Coleman wordt vaak in één adem genoemd met Cole Porter, Irving Berling en de Gershwins. Zijn bijdragen aan “The Great American Songbook” zijn dan ook wat je noemt gemeengoed. Zonder de man zelf daarvoor te moeten kennen ben je er ongetwijfeld vertrouwd mee. Reden genoeg alvast vonden ze bij New West Records om aan de vijf jaar geleden overleden Coleman, die op 14 juni van dit jaar tachtig had moeten worden, een postuum eerbetoon te wijden. En daartoe werden flink wat dames met straffe stemmen aangesproken. Doen hun duit in het zakje: Patty Griffin, Jill Sobule, Fiona Apple, Madeleine Peyroux, Ambrosia Parsley, Julianna Raye, Sam Phillips, Perla Batalla, Sara Watkins, Sarabeth Tucek, Nika Costa en Missy Higgins. En zoals bij zoveel tributes leidt dat tot op de keper beschouwd eerder gevarieerde resultaten. Niet enkel wat betreft de muzikale benadering van de gecoverde songs, maar ook wat betreft de kwaliteit ervan. Heel erg knap gebracht vonden wij ondermeer Patty Griffins verleidelijke bewerking van “The Best Is Yet To Come”, “I Live My Love” in de super-uitvoering van Madeleine Peyroux, de sfeervolle atmosferische pop-invulling van “Then Was Then And Now Is Now” door Ambrosia Parsley, de alternatieve pianobenadering van “You Fascinate Me So” door Sam Phillips, de jazzy lezing van “Too Many Tomorrows” door Sara Watkins, de eigenzinnige torch song-draai, die Sarabeth Tucek aan “Where Am I Going?” meegaf, en Missy Higgins’ soulvol stoeiwerk met “(I’m) In Love Again”. De overige zes liedjes overstegen wat ons betreft de grauwe middelmaat echter amper of zelfs helemaal niet. Maar goed, misschien denkt u daar wel helemaal anders over en zal dit schijfje binnenkort door uw huis schallen als ideale soundtrack bij gezellige tafeltaferelen met uw beste vrienden. Kan best!

Cy Coleman

New West Records

Sonic Rendezvous

 

CATIE CURTIS “Hello, Stranger” (Compass / Music & Words)

(4****)

Voor haar nieuwe CD “Hello, Stranger” wist zingende liedjesschrijfster Catie Curtis zich te omringen met een heus Americana-topensemble. En in de elf liedjes erop – Vijf eigen nummers, zes interpretaties van songs van anderen! – horen we haar dan ook echt op haar best. Heerlijk relaxt zingt ze zich in het uitgelezen gezelschap van Alison Brown (banjo, gitaar), Stuart Duncan (fiddle, clawhammer banjo, mandoline), George Marinelli (akoestische gitaren, mandoline, Resophonic), Kenny Malone (drums, percussie), Todd Phillips (akoestische bas) en Darrell Scott (backing vocals, gitaar) een weg doorheen ondermeer Richard Thompsons “Walking On A Wire”, A.P. Carters “Hello Stranger”, Cat Stevens’ “Tuesday’s Dead” en John Martyns “Don’t Want To Know (No Evil)”. Maar naast het ronduit verbluffend mooie, in duet met Mary Gauthier gebrachte titelnummer waren het toch vooral haar eigen liedjes, die ons het stevigst bij het nekvel grepen. Dingen als het door Stuart Duncan van fraai banjowerk voorziene openingsnummer “100 Miles”, het met collega Mark Erelli gepende “Passing Through”, het lekker persoonlijke “Dad’s Yard” – Erg mooie tekst! – en het in een ronduit weldadig aandoend bad van fiddle, banjo en mandoline ondergedompelde “Deliver Me” behoren wat ons betreft zondermeer tot het allerbeste wat Curtis tot op heden al afleverde. En dat is gezien de toch behoorlijk constante kwaliteit van haar werk een serieus compliment, zo lijkt ons.

Catie Curtis

Compass Records

Music & Words

 

CORB LUND “Losin’ Lately Gambler” (New West / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

In zijn thuisland heeft de Canadese cowboy Corb Lund al lang niets meer te bewijzen en ook in Europese kringen van rootsmuziekminnaars is zijn ster al een poosje flink rijzende. Niet meer dan logisch dan ook, dat hij zijn pijlen met zijn nieuwste in eerste instantie richt op de bakermat van het countrygenre, de States. En daartoe vond hij in New West Records allicht dé geknipte partner. Dat label grossiert immers in de eerste plaats in kwaliteit. Commerciële potentie is daarbij mooi meegenomen, maar zeker geen noodzaak. En dat verschaft Lund meteen de broodnodige ademruimte. Zijn alternatieve C&W krijgt bij New West eindelijk het platform, waar de beste man eigenlijk gewoon al heel erg lang recht op had. En dat doet hem hoorbaar goed ook! Ongegeneerd trekt hij op “Losin’ Lately Gambler” nog eens zijn hele register open. Met als resultaat een lekker gevarieerd geheel. Van storyteller-Tex-Mex op z’n Marty Robbins in “Devil’s Best Dress” tot bedaard stompende rockabilly in “Steer Rider’s Blues”, van een talking bluesje (“Talkin’ Veterinarian Blues”) tot lijzige, voorzichtig humoristisch ingekleurde Western swing (het aan Willie P. Bennett opgedragen “It’s Hard To Keep A White Shirt Clean”), van outlaw country (het Wayloneske “Chinook Wind”) tot onversneden rock & roll  (“The Only Long Rider I Know”), Lund brengt het allemaal met één en dezelfde vanzelfsprekendheid. Uit elke hier geproduceerde noot hoor je, dat hij al meer dan zijn deel van het vereiste leergeld betaald heeft. Het leven “on the road” en dat “on stage” maakten van hem beetje bij beetje een performer van het allerbeste soort. En dat wordt met het afsluitende nummer, een heerlijk geraffineerde medley van “Rye Whiskey” en “Time To Switch To Whiskey”, alleen nog maar eens extra beklemtoond. Dat in Australië live ingeblikte nummer biedt Lund op z’n allerbest. Van a capella tot boom-chicka-boomend in één en dezelfde adem! Producer Harry Stinson zag dat het allemaal goed was en lachte de tanden middels een brede grijns volledig bloot.

Corb Lund

New West Records

Sonic Rendezvous

 

THE FIRST MILES “Ride Against The Wind” (Little Bad Bear / Attack / Labelkollektiv)

(3,5****)

“Ride Against The Wind”, de tweede van het Deense vijftal The First Miles, is het soort van plaat dat enkele beluisteringen nodig heeft om je volledig over de streep te krijgen. Maar als je er eenmaal voor gevallen bent, dan is het meteen ook wel goed raak. Dan ga je met volle teugen genieten van de elf voortdurend tussen Heartland rock, de rootsy variant daarop en alt. country zwevende songs erop. En dat is in bepaald niet geringe mate de verdienste van Jeppe Foldager. Wat een geweldige stem heeft die man! Zalig hees, rauw, echt druipend van de emoties. Met zo’n vocale geweldenaar in je midden kan er eigenlijk amper iets misgaan, denk je dan. En als het toch even geduurd heeft voor we echt voor de opvolger van “Aim For The Heart, Go!” uit 2005 vielen, dan heeft dat ook niets te maken met die Foldager. Wél met het feit, dat niet alle songs op deze nieuwe schijf van hem en zijn kompanen even sterk zijn. Met name als de nadruk wat meer op het gitaarwerk komt te liggen blijven wij ook nu nog niet altijd bij de les. Dan steekt zelfs af en toe het gevoel op, dat we dit al wel eens meer en beter gehoord hebben. Maar als Foldager en co wat gas terug nemen, zoals in de semi-ballade “I Wait”, het nog een weinig subtieler aangepakte “Black Heart” of het door een krekelkoor ingeleide streepje alternatieve kampvuurcountry “Without My Path, Where Would I Be?” dan is het wel gelijk prijs. Dan hoor je ons inziens pas echt duidelijk, dat deze vijf knapen uit Aalborg het gros van hun Amerikaanse concurrentie meer dan waard zijn.

The First Miles

 

KRIS KRISTOFFERSON “Closer To The Bone” (New West / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Oorspronkelijk zou de nieuwe van Kris Kristofferson “Starlight And Stone” gaan heten, maar op de valreep besloot men het album vooralsnog onder een andere titel, met name “Closer To The Bone”, uit te brengen. En dat is op de keper beschouwd een veel toepasselijkere ook. Op de opvolger van zijn succesvolle comebackplaat “This Old Road” van een jaar of drie geleden gaat het country-icoon immers daadwerkelijk tot op het bot. In een productie van Don Was en met de hulp van onder anderen ondertussen wijlen Stephen Bruton (gitaar en zang), Jim Keltner (drums) en Wallflower Rami Jaffee (toetsen en accordeon) levert hij een album af, dat zonder schroom langs de fameuze “American”-CD’s van zijn betreurde vriend Johnny Cash mag plaatsnemen. Om de woorden van Esquire naar aanleiding van z’n voorganger hier maar eens even te herhalen: “A stripped-down stunner!” Qua instrumentarium beperkt tot een absoluut minimale invulling en daarmee volop ruimte latend voor die ondertussen heerlijk verweerde stem, ’s mans akoestische en occasioneel ook zijn mondharmonica. In combinatie met lekker persoonlijke teksten over thema’s als de eigen sterfelijkheid, zijn familie, de liefde en verliezen levert dat ruim 33 minuten luistervoer van het allerbeste soort op. Met als absolute primus inter pares voor ons het aan Johnny Cash geadresseerde “Good Morning John”. Koude rillingen gegarandeerd! Andere hoogtepunten opsommen is eigenlijk een volstrekt zinloze bezigheid. Elk van de elf nummers op “Closer To The Bone” is er immers eigenlijk gewoon één! Op zijn drieënzeventigste levert Kristoferson wat ons betreft met deze nieuwste worp gewoon zijn allerbeste plaat ooit af.

Kris Kristofferson

New West Records

Sonic Rendezvous

 

THE PINES “Tremolo” (Red House / Music & Words)

(3,5****)

“Zo vader, zo zoon!” Het is maar een uitdrukking, maar toch… Bij het bespreken van CD’s kan ze alvast met enige regelmaat uit de kast. Zoals ook nu weer, naar aanleiding van “Tremolo”, na hun naar zichzelf vernoemde debuut uit 2004 en “Sparrows In The Bell” van twee jaar geleden, al het derde album van The Pines, de groep bestaande uit David Huckfelt (akoestische gitaar, zang) en Brendan Ramsey (akoestische en elektrische gitaren, toetsen, harmonica, zang), de zoon van gitaarmaestro Bo. De jonge Ramsey en zijn kompaan blinken daarop uit in een gezapig voortkabbelende hybride van pop, rock, folk, blues en alt. country. Acht van de tien tracks op “Tremolo” droegen de twee zelf aan. Enkel voor “The Skipper And His Wife” en “Spike Driver Blues” ging men in de leen bij respectievelijk Spider John Koerner en Mississippi John Hurt. En die twee liedjes vertonen dan ook net wat meer hang naar de blues dan de rest hier. De overige songs moeten het meer hebben van een enigszins atmosferische, bij momenten bijna hypnotiserende uitstraling, niet zelden in de hand gewerkt door gastgitaarbijdragen van pa Bo en toetsenwerk van broer Alex Ramsey. Zij reiken de songs van The Pines een helpende hand bij het balanceren op het slappe koord tussen pop en rock tout court en wat meer rootsy varianten daarvan. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het van een veelzeggende titel voorziene “Lonesome Tremolo Blues”, naar het lieflijke “Meadows Of Dawn” of naar het nerveus-zweverige “Pray Tell” en je zal wellicht meteen aanvoelen, wat we daarmee precies bedoelen. Dit lijkt ons het soort van rootsmuziek, waarmee je ook mensen die anders niet eraan toe komen van de schoonheid van veel in dat genre gemaakte liedjes zou kunnen overtuigen. En dat an sich, beste vrienden, is al bepaald geen geringe verdienste…

The Pines

Red House Records

Music & Words

 

BRAY VISTA “Let It Ride” (Bray Vista)

(3,5****)

Als men het je niet op voorhand gezegd zou hebben, zou niets maar dan ook niets je ertoe leiden te denken, dat dit negenkoppige gezelschap actief is vanuit Ierland en niet vanuit country-bakermat de States. Onder de vakkundige productionele leiding van Jim Lauderdale (Yep!) en Leo Pearson pakken de Ieren op deze opvolger van hun al in 2006 verschenen LP-debuut “Sing My Darling” immers opnieuw uit met 12 bijzonder knappe eigen Americana-liedjes. Die zijn niet alleen erg melodieus van aard, maar kunnen ook tekstueel hun mannetje staan. En toch hebben we daarmee nog niet de grootste troeven van Bray Vista aangekaart. Dat zijn wat ons betreft de bij momenten erg fraaie samenzang en de enorme spelvreugde, die de negen hier vrijwel voortdurend etaleren. Dat enthousiasme straalt op je af als luisteraar en laat je volop genieten van songheerlijkheden als het ingehouden twangende “This Time Is The First Time”, het door de aanstekelijke zang van Alison Byrne gedragen en zalig rockende “If It’s Alright”, de naar traditioneel model geboetseerde sleper “Never Letting Go” en het met bluegrass dwepende “If You Will” om er maar enkele te noemen. Goed spul zondermeer en het ontdekken derhalve ook meer dan waard!

Bray Vista

 

THE WAILIN’ JENNYS “Live At The Mauch Chunk Opera House” (Red House / Music & Words)

(5*****)

Zelf mochten wij tot op heden nog niet het genoegen smaken om deze drie dames live aan het werk te zien, maar daarin zal bij hun eerstvolgende doortocht doorheen de Benelux gegarandeerd verandering komen. Op basis van wat Heather Masse (zang, staande bas), Nicky Mehta (zang, akoestische gitaar, drums, harmonica, ukelele) en Ruth Moody (zang, akoestische gitaar, banjo, accordeon, bodhrán) en hun vast hulpje Jeremy Penner (viool, mandoline) op “Live At The Mauch Chunk Opera House”, hun op 30 augustus van vorig jaar voor een select publiekje van connoisseurs in Jim Thorpe, Pennsylvania ingeblikte nieuwe CD, ten gehore brengen, zullen wij ons dan zelfs de benen van onder het lijf vandaan lopen om als één van de allereersten een kaartje te kunnen bemachtigen. Dit is zó ontzettend mooi! Van een onaardse schoonheid haast! Alsof er een engeltje op je tong plast, zo lekker! In werkelijk perfecte harmonie tackelen Masse, Mehta, Moody en Penner naast een weinig eigen werk ook “Deeper Well” van David Olney, “Summertime” van de Gershwins, de traditionals “Bold Riley” en “Motherless Child”, Leadbelly’s “Bring Me Li’l Water, Silvy”, “One More Dollar” van Gillian Welch en David Rawlings en last but not least “Calling All Angels” van Jane Siberry. Hun samenzang is daarbij voortdurend zo verbluffend knap, dat je je bijna ogenblikkelijk in de rootshemel waant. Veel dichter kan je ons inziens de (live-)perfectie niet benaderen! Zalig gewoon!

The Wailin’ Jennys

Red House Records

Music & Words

 

BEN WINSHIP & DAVID THOMPSON “Fishing Music II” (Snake River Records)

(3,5****)

Wie zo nu en dan graag al hengelend wat tijd doorbrengen mag en bovendien houdt van op de akoestische leest geschoeide Amerikaanse rootsmuziek zit bij dit project van Ben Winship en David Thompson goed. Ook op de opvolger van het al erg lovend onthaalde “Fishing Music” grossieren de twee immers weer in akoestische folk-, blues- en swingdeuntjes geïnspireerd door vis, hengelen en rivieren. En daarbij laten ze zich assisteren door flink wat kanjers uit het Americana-genre. Jeffrey Foucault draagt zo bijvoorbeeld het lichtvoetige bluesje “Mayfly” bij. En Tim en Molly O’Brien duiken op in respectievelijk “Gone Fishin’”, “Wade In The Water”, “I Caught A Keeper”, “Church Of The Wandering Stream”, “Everybody’s Fishin’” en “The Winding Stream”. Dat laatste liedje, geleend van A.P. Carter, is wat ons betreft hét absolute klapstuk hier. En dat is in niet geringe mate de verdienste van Aoife O’Donovan van Crooked Still, die met haar engelenzang als naar goede gewoonte garant staat voor het nodige kippenvel. Andere betrokkenen zijn ondermeer ook nog Rob Ickes, Billy Novick, Jeff Newsom, Margo Valiante, Mike Dowling, John Lowell, Ben Demerath en Leon Hunt. Voor de productie van het geheel tekenden Ben Winship en David Thompson zelf.

Fishing Music

CD Baby

 

BOULDER ACOUSTIC SOCIETY “Punchline” (Nine Mile / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Als je voor het eerst de naam ervan leest, ga je er bijna vanzelfsprekend van uit hier met een zoveelste traditionele Amerikaanse rootsmuziek praktizerend collectiefje te maken te hebben. Maar niets blijkt op de keper beschouwd minder waar! Wat Scott McCormick (accordeon, piano, orgel, zang), Scott Aller (drums, zang), Kailin Young (violen, zang) en Aaron Keim (akoestische bas, gitaren, lap steel, ukelele, banjo, blazers, zang) brengen heeft eigenlijk maar bitter weinig meer gemeen met de eerder conservatieve muzikale spielereien van hun voorvaderen. Ze bedienen zich weliswaar nog van een vergelijkbaar instrumentarium, maar daar houden de overeenkomsten ook op. Wat de vier doen is eigenlijk op bijzonder vernuftige wijze genres als pop en rock en tal van traditionele akoestische muziekstijlen versmelten. En die kruisbestuiving leidt tot werkelijk verbluffend knappe resultaten. We noemen in dat verband het met een zwierige gypsy touch op smaak gebrachte “The Addressee”, het aantrekkelijk rockende en voorwaar zelfs naar radiohit ruikende “We Tried”, het jazzy groovende “Slip Baby Slip”, het jachtige, een zeker punkgevoel etalerende “Give It Away” en het enkel als Pop met een hoofdletter P te categoriseren “A Life For Two”. Zó fris hoorde je rootsmuziek nog niet! En dit in een wat futuristisch ogend 3-D pop-uphoesje gestoken kleinood durven we dan ook van ganser harte aan te bevelen aan allen die hun dagelijkse dosis rootsy luistervoer graag lekker spannend houden.

Boulder Acoustic Society

Sonic Rendezvous

 

ZACHARY RICHARD “Last Kiss” (Artist Garage / Fontana)

(4****)

Zelfverzekerd kijkt Zachary Richard je vanaf het hoesje van “Last Kiss” recht in de ogen. Het lijkt wel alsof hij je wil uitdagen. Alsof hij zeggen wil: probeer deze plaat, je zal het je niet beklagen! En zo is het maar net! “Last Kiss” is immers echt een geweldig fraai geheel, waarop Richard nog eens alle registers volledig opentrekt. En dat doet hij vrijwel uitsluitend met eigen nieuw materiaal. Enkel sluitstuk “Acadian Driftwood”, een even opvallend als geslaagd duet met hitkanon Celine Dion, kenden we al in de uitvoering van The Band. En dat is als je het ons vraagt ook absoluut geen willekeurig gekozen cover. Richard komt hier zowel louter muzikaal gezien als sfeergewijs immers regelmatig dicht in de buurt van het werk van die groep. En ook zijn voor de gelegenheid erg eclectische aanpak wijst enigszins in die richting. Van de met een snuif cajunkruiden op smaak gebrachte rootspop van “Dansé” tot de met Susan Cowsill gedeelde ballade “Fire In The Night”, van het regelmatig tot gospeleske proporties aanzwellende en op belerende toon op het onheil dat New Orleans trof terugblikkende “The Levee Broke” tot de bijzonder warmbloedige Americana van titelnummer “Last Kiss”, van de alweer zalige trage “Just Ain’t Enough” tot het subtiel andermaal op “Nawlinz” focussende “Give My Heart”, van het bluesy ingevulde “Some Day” tot het op soulvolle wijze verhalende “Sweet Daniel”, van het door Eric Sauviat op de elektrische van wat ingetogen twang voorziene “Come To Me” tot het in Creools Frans gebrachte “Au Bord De Lac Bijou”, de pianoballade “The Ballad Of C.C. Boudreaux” en de al genoemde samenwerking met Dion, eigenlijk staat hier gewoon niet één enkel minder moment op. En “Last Kiss” is wat ons betreft dan ook het soort van plaat, dat je al na één enkele beluistering stevig in de armen sluit om er vervolgens wekenlang intens van te genieten. Een plaatje van een plaat, écht!

Zachary Richard

 

THE LOVELL SISTERS “Time To Grow” (2 DefPig / Edvins Records)

(3,5****)

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: écht veel verwachtten wij vooraf eigenlijk niet van deze drie knappe jonge snoetjes. Daarvoor hadden we in het verleden al wat al teveel vergelijkbare countrytriootjes de revue zien passeren. Maar “how wrong can you be”? Jessica (23), Megan (19) en Rebecca (18) Lovell verrassen op hun tweede van de eerste tot de laatste noot in erg positieve zin. De drie youngsters zingen werkelijk heerlijk samen en bedienen zich voor hun volbloed-Americana op virtuoze wijze van echte instrumenten als een fiddle, een Resophonic, een lap steel, een mandoline en diverse akoestische gitaren. En daarenboven lieten ze zich voor de elf songs op het toepasselijk getitelde “Time To Grow” ook nog eens begeleiden door een stel echte klasbakken. Viktor Krauss (akoestische bas), John Catchings (cello), Paul Franklin (pedal steel), Jeff Taylor (accordeon, piano, B4), John Gardner (drums, percussie) en Matthew Wingate (akoestische gitaar, mandoline) helpen om van de door de Lovells gebrachte liedjes echte blijvertjes te maken. Meer nog, ze helpen van deze zusjes dé kandidaten bij uitstek te maken om in de nabije toekomst de stilaan wankele troon van de Dixie Chicks over te nemen. Wat de Chicks eerder voor het countrygenre en de Corrs voor folk vermochten te betekenen zouden deze drie mooizingsters wel eens voor Americana kunnen gaan klaarspelen. Zonder daarvoor hun roots te verloochenen verlenen ze het genre een sexy facelift, waardoor het plots ook naar jongere generaties toe flink wat aan attractiviteit kan gaan winnen. En dat kunnen we van hier uit eigenlijk alleen maar toejuichen. Erg knap gedaan!

Lovell Sisters

CD Baby

 

RICHMOND FONTAINE “We Used To Think The Freeway Sounded Like A River” (El Cortez / Decor / Bertus)

(4****)

Wat een geweldige plaat alweer, deze twaalfde ondertussen toch ook al van alt.-countryfavorietjes Richmond Fontaine. Wat ons betreft zelfs één van hun allerbeste tot op heden. Wat het album in onze ogen zo straf maakt, is dat het eigenlijk zo’n beetje alle facetten van Willy Vlautin en de zijnen illustreert. Het toont perfect aan tot wat het vanuit Portland, Oregon actieve collectief allemaal in staat is. En dat is véél, erg véél. Er zijn uiteraard weer Vlautins op muziek gezette verhalen, er zijn flink wat ballades, wat instrumentale intermezzo’s ook en een stel recht-toe-recht-aan-rockers, waarin zonder complexen knapen als een Ryan Adams en een Paul Westerberg naar de kroon worden gestoken. Enkele van de leukste daarvan vonden wij het ingehouden tweetal “You Can Move Back Here” en “Maybe We Were Both Born Blue” en het ondanks een bij momenten knap forse gitaarinbreng erg melodieuze “Lonnie”. Andere topmomenten: het met name door de zingende zaag van Micah Rabwin behoorlijk desolaat aandoende titelnummer en het volop van de fel gesmaakte trompetinbreng van Paul Brainard profiterende “The Boyfriends”. Voor de productie van “We Used To Think…” tekende JD Foster.

Richmond Fontaine

Bertus

 

CELILO “Bending Mirrors” (Celilo / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het begeleidende schrijven wil ons doen geloven, dat we hier te maken hebben met de eerste van dit vanuit Portland, Oregon actieve vijftal, maar dat is natuurlijk je reinste onzin. Regelmatige lezers van deze pagina’s zullen zich ongetwijfeld nog hun “Ricochet” van enkele jaren geleden herinneren (Zie ons archief, augustus 2005!). Wat dan weer wél klopt, is dat het geluid van Sloan Martin en de zijnen zich maar moeilijk in één vakje laten duwen. Je zou dit alt. country kunnen noemen, maar dan ga je toch wel een weinig aan een stukje essentie voorbij. Martins liedjes spelen weliswaar uitvoerig met elementen eigen aan dat genre, ze hebben minstens evenveel voeling met pop en rock. Zoals bijvoorbeeld ook een Ryan Adams dat regelmatig wel heeft. Hem en Neil Young zou je ook wel als de voornaamste vergelijkingspunten kunnen aanhalen. Zonder die van Celilo daardoor meteen als epigonen af te gaan schilderen overigens, want dat zijn het dus absoluut niet! Hun muziek slaat op sfeervolle wijze een kloof tussen enerzijds (alt.) country, anderzijds pop en rock. En daarbij herinneren met name Martins manier van zingen en bij momenten ook wel het gitaarwerk een weinig aan Young. Maar daar houdt de vergelijking dan ook op. De hoogtepunten hier: het uitermate herfstig aandoende “Cigarette Blues” en het al even bezwerende, door Tucker Jackson van een mooie pedal steel-bijdrage voorziene “Sirens Of Metropolis”.

Celilo op MySpace

Sonic Rendezvous

 

MICHAEL DE JONG “For Madmen Only” (Music & Words)

(4****)

De beste singer-songwriters zijn over het algemeen zij, die in hun teksten diep in de eigen ziel durven te kijken en daarbij tot op het bot gaan. Niets klinkt immer oprechter en dwingender dan een poëet, die het aandurft uit zijn eigen leven, zijn eigen lijden te putten om tot zijn kunst te komen. En wat dat betreft zit je bij de Nederlandse pionier Michael De Jong beter dan bij wie dan ook. Met die doorleefde stem van ‘m en slechts gewapend met de eigen akoestische grijpt hij je ook op “For Madmen Only” weer negen nummers lang bij de keel. Qua intensiteit benadert hij daarbij wat ons betreft gemakkelijk het allerbeste van Townes Van Zandt. En dat is dan bedoeld als een serieus compliment, want Van Zandt geldt hier tot nader order nog altijd als hét rolmodel voor allen die na hem kwamen. De Jong verdient zulke complimenten echt. Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar iets als het spitante akoestische bluesje “Searching For Sophia”, waarin hij zijn eigen visie op geloven uit de doeken doet, daarbij de roede bepaald niet sparend voor vele anderen die hun zielenheil menen te kunnen afdwingen met geldelijke giften. Of naar het op de keper beschouwd aardig filosofisch aandoende “Sinner’s Prayer”, waarin hij een duidelijk onderscheid tracht te maken tussen geloof en religie. Dit zijn niet zomaar songteksten, dit is gewoon op muziek gezette literatuur! En dan nog literatuur van het betere soort ook! Beklijvend spul!

Michael De Jong

Music & Words

 

PHIL SMITH “Goldmine” (Phil Smith / CD Baby)

(4****)

Vandaag buigen we ons hier over een onlangs met “de groeten van down under” op onze schrijftafel belande schijf, goed voor ruim vijftig minuten puur Americana-luisterplezier. De maker ervan, singer-songwriter Phil Smith, groeide op in Sydney, waar hij zoals zo velen de knepen van het vak leerde in eerder rock- en metalgeoriënteerde bands. Dat werk bracht hem uiteindelijk zelfs tot in Engeland. En het was daar of all places, dat hij viel voor… Americana. Iets wat in eerste instantie zou resulteren in de EP “Desire”, die hij inblikte na zijn terugkeer in zijn thuisland. Nu, goed drie jaar later, is er echter “Goldmine”, ’s mans eerste volwaardige langspeler. En dat is een plaat, die haar titel absoluut niet gestolen heeft. Smith toont zich daarop immers een begenadigde storyteller, die muzikale goudzoekers beloont met elf heerlijke lappen volbloed-Americana. De opvallendste daarvan zijn ontegensprekelijk het met wat hulp van Bill Chambers op dobro en mandoline ingeblikte “Baby Doll”, het onder dikke lagen melancholie bedolven “I’ll Walk The Line (One More Time)”, het met Roz Pappalardo van Women In Docs gebrachte walsje “Where Does It Go?” en “One More For The Road”. Stuk voor stuk liedjes, die binnenkort zo menig een herfstavond van de ideale soundtrack zullen voorzien hier bij Ctrl. Alt. Country. Want, laat dat vooral duidelijk wezen, wij vielen vrijwel ogenblikkelijk voor de warme weemoedige stem van Smith en zijn veelal slechts op wat akoestische gitaar-, harmonica-, piano- en/of steelklanken geënte liedjes. Héél erg mooi allemaal!

Phil Smith op MySpace

CD Baby

 

NOËLLE HAMPTON “Thin Line” (T-Rex / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De naam van Mark Hallman als producer op een plaat aantreffen volstaat voor ons ruimschoots om er onze aandacht er alvast voor even op te vestigen. Vooral door zijn werk met Eliza Gilkyson en Ani DiFranco geniet de beste man hier al een poosje enorm veel krediet. En volkomen terecht ook, zo blijkt ook nu maar weer eens naar aanleiding van “Thin Line”, de comebackplaat van Noëlle Hampton. Die stemgewijs een weinig aan Sheryl Crow herinnerende en ondertussen naar Austin verkaste Amerikaanse slaagt er onder het wakende oog van Hallman in om zo uiteenlopende invloeden als roots rock, indie en country op sfeervolle wijze tot één enkel geheel te versmelten. Het speelse “Blackwing Butterfly” doet zo iets heel moois met folk, country en cajun, het aan emoties rijke “Helpless Again” is fraaie Americana, “Safe From Love” erg radiogenieke pop, het door André Moran van wat subtiel twangend gitaarwerk voorziene “Waiting Game” al even nadrukkelijk naar media-aandacht hengelende rootspop, “Firecracker” heerlijk breed uitwaaierende dramatiek pur en “Danny” een heuse mini-Southern rock opera. Het album wordt afgesloten met de enige cover erop, een werkelijk oorstrelend mooie benadering van U2’s “Love Is Blindness”. Daarin toont Hampton als ze dat wil over evenveel soul te kunnen beschikken als pakweg een Shelby Lynne of een Allison Moorer.

Noëlle Hampton

Sonic Rendezvous

 

BEN MALLOTT “Look Good, Feel Good” (Ben Mallott / Sonic Rendezvous)

(4****)

Dit zou straks wel eens hét debuut van 2009 kunnen gaan blijken! Wat een onwaarschijnlijk sterke eersteling, deze “Look Good, Feel Good” van Texaan Ben Mallott. Het eerste wat je opvalt is ’s mans fraaie, zijn nog relatief jonge leeftijd compleet negerende soulvolle stem. Maar dat is slechts één van de vele pluspunten van dit muzikale visitekaartje. In het gezelschap van een veelheid aan bekende gasten, waaronder Eliza Gilkyson, Elana James (Hot Club Of Cowtown) en Mark Hallman, bedient Mallott zich van zo goed als het volledige zich tussen Americana, country en soul uitstrekkende spectrum. Ruim een jaar lang nam hij zich de tijd om in de studio onder het waakzame oog van producer Mark Hallman niets minder dan de perfectie na te streven. En dat is eraan te horen ook! Daarbij ook tekstueel verrassend sterk uit de hoek komend pakte hij ons vanaf dag één genadeloos in met dingen als het naar wijlen Johnny Cash in zijn nadagen geurende “Heartbreaks”, de met Eliza Gilkyson gebrachte Americana-ballade “Shotgun Suzy”, het bezwerende, met Zuiderse blazers opgewaardeerde “Purgatory’s Last Massage Parlor”, het bijzonder soulvolle, ergens in de buurt van het werk van Ray LaMontagne strandende “I Want It All”, het melancholische “Midnight And Broke Down” – Met erg mooi fiddlewerk van Elana James! – en het hoogst aparte afscheidsliedje “Leaving”. Gaan we naar onze bescheiden mening ongetwijfeld nog heel wat van horen, van deze Ben Mallott!

Ben Mallott

Sonic Rendezvous

 

DELBERT MCCLINTON & DICK50 “Acquired Taste” (New West / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

Hoe belangrijk het je omringen met de juiste mensen wel is voor het welslagen van een project, blijkt nog maar eens duidelijk naar aanleiding van “Acquired Taste”, de nieuwe van Delbert McClinton. De Texaan wordt op zijn vierde studioplaat voor het onvolprezen New West Records door producer Don Was naar ongekende hoogten gestuwd. Heel wat van de songs op die plaat zijn eigenlijk een weinig atypisch voor McClinton. Maar die wilde zichzelf naar eigen zeggen dan ook enigszins heruitvinden. En daartoe ging hij samenwerkingen aan met ondermeer Guy Clark, Benmont Tench, Gary Nicholson, Anson Funderburgh, Al Anderson en Bob DiPiero. Samen met hen en toetsenman Kevin McKendree en gitarist Rob McNelley van zijn begeleidingsgroep Dick50 tekende hij voor elk van de veertien songs op een louter stilistisch gezien heerlijk gevarieerd geheel. Met “Starting A Rumor”, “Never Saw It Coming”, “Out Of My Mind” en “Wouldn’t You Think (Should’ve Been Here By Now)” levert hij enkele van zijn knapste ballades ooit af. “Mama’s Little Baby” dan weer gaat lekker vet rockend en stompend net niet uit de bocht, “Can’t Nobody Say I Didn’t Try” is een whiskykleurig traag honky-tonkend vervolgstuk op “The Wild Side Of Life”, “Do It” messcherpe funk the Texas way, “I Need To Know” een wulpse streep blues, “People Just Love To Talk” een uitermate geslaagde flirt met jazz en swing, “Willie” een schalkse knipoog richting New Orleans, “She’s Not There Anymore” een melancholische rootsy tango zoals je die eerder van een Tom Waits dan van McClinton verwachten zou en “When She Cries At Night” een rootspopstampertje van het genre waarop Don Dixon ooit een patent leek te hebben. Kortom, voor elk wat wils op deze schijf, zondermeer ’s mans meest avontuurlijke en ambitieuze plaat so far en wat ons betreft derhalve ook een regelrechte aanrader.

Delbert McClinton

New West Records

Sonic Rendezvous

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home