CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES SEPTEMBER 2010

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

SPIKE FLYNN “It’s Alright” - THE COMFORTERS “Two Piece Orchestra” - The Lonesome Southern Comfort Company “Charles The Bold” - WHITEY MORGAN & THE 78s “Whitey Morgan & The 78s” - NATASHA BORZILOVA “Balancing Act” - LEYLA FENCES “Liars, Cheats & Fools” - TARA LINDA “Tortilla Western Serenade” - KASEY CHAMBERS “Little Bird” - IMELDA MAY “Mayhem” - SHAWN COLVIN “The Best Of Shawn Colvin” - RYAN BINGHAM & THE DEAD HORSES “Junky Star” - SONGS BY BENNETT BRIER “Scorpio And Me” - RED MOLLY “James” - SCOTT MCCLATCHY “A Dark Rage” - MICHAEL ONEILL “Ain’t Leavin’ Your Love” - CORY MORROW “Brand New Me” - JT AND THE CLOUDS “Caledonia” - JEFF FINLIN “The Tao Of Motor Oil” - KATHY KALLICK BAND “Between The Hollow And The High-Rise” - LYNNE HANSON “Once The Sun Goes Down” - DEVON SPROULE “Live In London” - RICHARD THOMPSON “Dream Attic” - JUSTIN TOWNES EARLE “Harlem River Blues” - TOM GILLAM “Better Than The Rest: An Anthology” - LEEROY STAGGER & THE WILDFLOWERS “Little Victories” - EMMA HILL “Clumsy Seduction” - FIERY BLUE “Fiery Blue” - LAURA CORTESE “Acoustic Project”

 

SPIKE FLYNN “It’s Alright” (Spike Flynn)

(4****)

Een tot voor kort zo goed als volledig onbeschreven blad, deze vanuit New South Wales, Australië actieve zingende songsmid op jaren. Spike Flynn mag dan al liedjes hebben geschreven in zijn jonge jaren en occasioneel ook wel eens hebben opgetreden, zijn carrière lijkt pas nu met zijn plaatdebuut “It’s Alright” echt van start te zijn gegaan. Een hard bestaan weerhield er hem vele lange jaren van iets te vereeuwigen. Gelukkig voor hem – En voor ons! – lijkt die tijd nu wel definitief voorbij. Nu hij gesetteld is, kan Flynn gepokt en gemazeld hebbend terugblikken op een leven met hoge pieken en diepe dalen. En dat doet hij op een manier, die de hand van een echte meester-verteller verraadt. Zijn teksten zijn pure, hem door eigen ervaringen ingegeven lappen poëzie, waaruit een grote bereidheid blijkt om het leven te accepteren zoals het is. Vreugde en pijn liggen nu eenmaal vrij dicht bij elkaar, aldus de man. Negen heerlijke luisterliedjes zijn het resultaat daarvan. Liedjes, die Flynn meteen ergens in het kielzog van groten der aarde als een Townes Van Zandt, een Guy Clark en een John Prine doen stranden. Al dient daar wel meteen aan toe te worden gevoegd, dat het popgehalte van zijn songs toch net iets hoger is dan dat van deze van de genoemde collega’s. Country (Americana) en blues vormen het uitgangspunt, maar worden voorzien van een toegankelijk, behoorlijk radiovriendelijk randje. Op die manier zouden de groeibriljantjes op Flynns eersteling gemakkelijk ook aan een wat ruimer publiek moeten kunnen worden gesleten. Eén ding is wat ons betreft nu alvast zeker: als je hier eenmaal naar geluisterd hebt, zal je er met veel plezier blijven naar teruggrijpen en altijd weer nieuwe dingen blijven ontdekken. Briljant spul!

Spike Flynn

CD Baby

 

THE COMFORTERS “Two Piece Orchestra” (Big Timbre Records)

(3,5****)

The Comforters is een uit echtelieden Jason en Pia Robbins bestaand tweetal, dat vanuit Eugene, Oregon al zo’n vijf jaar aan de muzikale weg timmert. Al in november 2006 leverde het toen net uit L.A. verkaste duo met “Transplants” zijn plaatdebuut af, nu, bijna vier jaar later, is er met het opnieuw toepasselijk getitelde “Two Piece Orchestra” de zogeheten “moeilijke tweede”. En dat is een erg charmant geheel geworden. Tien liedjes staan erop, met uitzondering van het door Daniel Sherman Jones aangedragen “Redbird In The Rain” zonder uitzondering van de hand van de Robbinsen, al dan niet samen. Tien liedjes, die zich stuk voor stuk laten onderverdelen onder de hoofdingen kamerpop, indie en folk. Vergelijkingen die zich opdringen zijn ondermeer de Kings Of Convenience, de Cowboy Junkies, Belle & Sebastian en The Innocence Mission. Vooral de onwaarschijnlijk mooie, enigszins breekbaar aandoende stem van Pia Robbins zal daaraan niet vreemd zijn. Bijzonder fraai, hoe ze zich in openingsnummer “Two Piece Orchestra” tegen een achtergrond van akoestische gitaar, bas, trombone, glockenspiel en wat percussie dromerig ontfermt over het uitgangspunt van haar en haar wederhelft. Of hoe ze in “Upside Down” een bescheiden uitstapje richting alt. country waagt. Maar hét absolute hoogtepunt hier is toch wel “Would It Break Your Heart?”. Aanvankelijk hoor je daarin enkel de pakkende stem van Robbins en een met de nodige omzichtigheid betokkelde akoestische gitaar, maar gaandeweg banen ook instrumenten als een elektrische gitaar, bas, piano, orgel, mellotron, trombone en drums zich een weg naar binnen en komt het liedje pas echt volledig tot bloei. Drummer van dienst in dat nummer blijkt overigens Ken Coomer, ons welbekend van zijn werk voor Wilco. En hij is niet de enige gereputeerde gast hier. Het afsluitende “The World Has Room For Me” bevat immers ook nog bijdragen op accordeon en orgel van Skip Edwards. Très sympa!

The Comforters

 

The Lonesome Southern Comfort Company “Charles The Bold” (On The Camper Records)

(3,5****)

Zoals wel zo’n beetje overal ter wereld wordt er uiteraard ook in Zwitserland een flink potje gemusiceerd. Zelfs Americana wordt er dezer dagen gemaakt en op een meer dan behoorlijk niveau ook. Dat durven we tenminste te stellen naar aanleiding van “Charles The Bold”, de tweede cd van het vanuit Cadempino actieve The Lonesome Southern Comfort Company. Op basis van die groepsnaam zou je een eerder rurale benadering van het genre durven verwachten, maar die vlieger gaat dus lekker niet op. Wat John Robbiani (zang en gitaar), Abraham Cancellier (gitaar), Duke Di Meco (drums) en Boris Tarpini (viool) brengen is een aardig eigenzinnige melange van het beste van een aantal werelden. Folk, country en bluegrass worden op doordachte wijze gekoppeld aan elementen uit de indiehoek. Rock, alternatieve pop en psychedelica sluipen op die manier ook het universum van de vier Zwitsers binnen. En dat leidt tot bij momenten erg verrassende resultaten. Meen je het ene moment invloeden als Dylan, Young, Earle en Guthrie terug te horen, dan denk je het volgende al even snel in de richting van Will Oldham, Micah P. Hinson en Sam Beam. Fraaie, zich traag ontvouwende songs vormen de sterkste kant van Robbiani en co. Liedjes, waarin je als luisteraar bij tijd en wijle door plotse ritmeveranderingen compleet op het verkeerde been wordt gezet. Geen lethargisch geneuzel hier dus, maar heerlijk atmosferisch spul, dat door die onverwachte uitstapjes te allen tijde lekker spannend wordt gehouden. Thematisch gezien worden daarbij terloops bronnen als het leven van Karel de Kale, de diplomatieke crisis tussen Zwitserland en Libië, het huidige kredietwezen en de Amerikaanse Civil War aangeboord. Voor ons een echte ontdekking!

The Lonesome Southern Comfort Company op MySpace

 

WHITEY MORGAN & THE 78s “Whitey Morgan & The 78s” (Bloodshot / Bertus)

(4,5*****)

In de periode vervat tussen hun plaatdebuut “Honky Tonks And Cheap Motels” en hun naar zichzelf vernoemde nieuwe schijf hebben Whitey Morgan en zijn maats van The 78s er echt alles aan gedaan om het Outlaw Country-genre opnieuw het nodige leven in te blazen. Daarbij nadrukkelijk in de voetsporen tredend van Merle Haggard, Johnny Paycheck, Willie Nelson en vooral ook Waylon Jennings trapten ze hondsbrutaal zo ongeveer elke zich op hun weg doorheen de States aandienende klapdeur open. Met een aan het ongelooflijke grenzende verbetenheid speelden ze honky-tonk na honky-tonk plat. En dat lijkt hun bepaald geen windeieren te hebben gelegd. Voor hun tweede worp vonden de heren immers onderdak bij het gerenommeerde Bloodshot Records. Als het ware de ideale uitvalsbasis voor hun missionarissenwerk. En hun voor dat label afgeleverde visitekaartje is dan ook een droom van een plaat geworden. Liefhebbers van traditioneel countrywerk met een ruig randje zullen er vast hun pret niet mee op kunnen. Met zijn beurtelings zowel aan The Hag als aan Jennings herinnerende stem als voornaamste wapen knalt Morgan doorheen smaakvolle covers van John D. Loudermilks “Bad News”, het door Billy Don Burns en Hank Cochran geschreven “Memories Cost A Lot” en Johnny Paychecks “Meanest Jukebox In Town”. Van collega Dale Watson kreeg hij bovendien “Where Do You Want It?” toegeschoven, een echte moordsong, gebaseerd op een schietpartij, waarbij die andere Outlaw-legende, Billy Joe Shaver, ooit betrokken was. De overige zeven songs op “Whitey Morgan & The 78s” zijn originelen, waarin onderwerpsgewijs naast “the usual suspects” als drank, zware nachten en schone madammen ook meer diepgaande materies aan bod komen. Zo bezingt “Hard Scratch Pride” vanuit een persoonlijk standpunt het lang niet altijd even gemakkelijke bestaan van om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien hun geboortedorpen achter zich latende arbeiders en laat “Long Road Home” een eerder apart lichtje schijnen over door God en klein Pierke verlaten eindeloze highways. Door zijn enigszins bevreemdend aandoende muzikale invulling misschien wel het allerbeste nummer hier, dat laatste liedje. Alternatieve Outlaw Country, zoiets. Mocht deze plaat zo’n vijfendertig jaar geleden gemaakt zijn, dan zouden we Morgan nu wellicht in één adem noemen met alle eerder in dit stukje opgesomde grootheden uit het countrygenre! Een veel mooier compliment kan je de beste man ons inziens allicht niet maken…

Whitey Morgan & The 78s

Whitey Morgan & The 78s op MySpace

Bloodshot Records

 

NATASHA BORZILOVA “Balancing Act” (Hadley Music Group)

(3***)

EuroAmericana in de waarste zin van het woord, dit. Natasha Borzilova werd immers geboren in het Russische Obrinsk. Pas op latere leeftijd trok ze als zangeres en gitariste van Bering Strait richting Nashville. Met die groep leverde ze daar twee redelijk succesvolle platen af. Wat haar in 2002 zelfs een Grammy-nominatie opleverde. Maar ondanks alle daaruit voortvloeiende media-aandacht ging het na de tweede plaat eigenlijk alleen maar bergaf met Bering Strait en in 2006 besloten de groepsleden om elk hun eigen weg te gaan en nieuwe muzikale horizonten te gaan verkennen. Voor de klassiek geschoolde Borzilova resulteerde dat in 2008 in een eerste soloworp, “Cheap Escape”, een soort van hybride van elementen uit folk, Americana en rock met af en toe ook wel een knipoog richting jazz. Voor haar volgende had ze aanvankelijk een akoestisch geheel van oude Russische folkliedjes voor ogen, maar dat voornemen liet ze op vraag van haar platenlabel varen. Daar suggereerde men, gecharmeerd door de demoversies ervan, een project bestaande uit akoestische benaderingen van een aantal van haar eigen liedjes. En dat zou het uiteindelijk ook worden. Zelf bespeelt Borzilova daarop uiteraard met brio de akoestische gitaar, geflankeerd door multi-instrumentalist Billy Panda (mandocello, high string, National, bottleneck, “gewone” elektrische gitaar, mandoline, akoestische bariton en gut string), Byron House (Arco en staande bas) en haar vroegere maatje Alexander Arzamastsev (cajon en percussie). Het resultaat, “Balancing Act”, is een uit tien eigen songs en een adaptatie van het Russische folkdeuntje “Rechka” bestaande collectie, die net als haar voorganger vooral het folkgenre als uitgangspunt gebruikt, met ook nu weer uitlopers richting Americana, rock en jazz. Rustig voortkabbelende luisterliedjes regeren hier. Met als centraal thema de zoektocht naar evenwicht in haar eigen bestaan. Haar verhuis van Rusland naar de States en de daarmee gepaard gaande cultuurschok wordt er door schone Natasha als het ware mee verwerkt. Niet echt wereldschokkend, maar wel mooi.

Natasha Borzilova

CD Baby

 

LEYLA FENCES “Liars, Cheats & Fools” (Leyla Fences)

(3,5****)

Vanuit Argyle, Texas bereikte ons onlangs “Liars, Cheats & Fools”, het debuut van Leyla Fences. Een hoogst charmant geheel, waarop die nieuwkomelinge in dertien eigen liedjes nog eens de aandacht vestigt op het feit, dat in tijden, waarin lang niet alle country meer klinkt als country, dat genre toch nog niet volledig hoeft te worden afgeschreven. Met haar nog volop door traditionele instrumenten als de fiddle en de steel bevolkte “drinking, cheating and dancing songs with a Texas flavor” zoekt en vindt ze gemakkelijk een eigen niche in het kielzog van collega’s als een Sunny Sweeney, een Amber Digby en een Heather Myles. Voor elk wat wils op “Liars, Cheats & Fools”, maar het zullen toch vooral de vrouwelijke liefhebbers van het countrygenre zijn, die zich in Fences’ teksten zullen kunnen vinden. De meerderheid van de liedjes op het visitekaartje van de Texaanse vallen trouwens onder de noemer “upbeat”. En in die wat vlottere deunen voelt ze zich met haar enigszins aparte, eerder nasale stem als haar sterkste troefkaart duidelijk goed in haar sas. Wat ons betreft zeker en vast een aanwinst, deze Leyla Fences. Gaan we in de komende jaren ongetwijfeld nog het één en ander van horen!

(Bij CD Baby wordt deze plaat momenteel aangeboden als “$5 Deal”. Als je er drie of meer verschillende cd’s uit een select aanbod kiest, kost “Liars, Cheats & Fools” je amper vijf dollar!)

Leyla Fences

CD Baby

 

TARA LINDA “Tortilla Western Serenade” (Physalia Records)

(3,5****)

Haar jonge jaren sleet Tara Linda in Austin als drumster in tal van rock- en punkbandjes. Maar zelfs in die dagen betrapte ze er zichzelf al op een zekere voorliefde voor in de regio razend populaire genres als Americana, blues en Tex-Mex te ontwikkelen. En wat later nog zou ze helemaal gaan vallen voor de Latin torch songs van de jaren dertig en ook volledig verslingerd raken aan het geluid van accordeons. Geen wonder dan ook, dat haar “Tortilla Western Serenade” bijzonder hoog scoort, daar waar het erop aan komt origineel uit de hoek te komen. In een met Max Baca (Los Texmaniacs) en Craig Schumacher (Devotchka, Neko Case, Calexico) gedeelde productie en met verder ook nog gasten als Flaco Jimenez (accordeon), Al Gomez van de West Side Horns (trompet), Bobby Flores (steelgitaar en violen), Michael Ramos (drums en percussie) en anderen voortdurend binnen handbereik lijkt Linda (zang, accordeon en percussie) zoveel mogelijk van de hoger genoemde invloeden in haar songs te willen laten binnensijpelen.  Zowel in haar teksten als in haar muzikale aanpak neemt ze ons mee op een trip doorheen grote delen van de States: van Californië over Arizona tot in Texas meer bepaald. En dat levert een ongemeen eigenzinnige rootsy hutsepot op, waar vooral fans van artiesten als Lhasa, Lila Downs, Los Lobos, Calexico en aanverwanten hun plezier niet mee op zullen kunnen. Majestueuze klanktapijten, duidelijk geïnspireerd door laatstgenoemden en Ennio Morricone, worden afgewisseld mét of gekoppeld áán flirts met traditionele Zuiderse liedvormen als ranchera, bolero, cumbia, haupango en wals, zoal we die ook kennen van de Wolven. En dan is er nog de enigszins onderkoelde manier van zingen van La Linda zelf. Daarmee slaat ze nadrukkelijk een brug met die andere grote liefde van haar, de torch song. Verleidelijk kronkelt ze zich rond het Wilde Westen evocerende verhalen, maar ook rond meer universele thema’s als de liefde. Onze luistertips: het zich op z’n Kurt Weills of z’n Tom Waits tot een heuse “tortilla rocker” inclusief stomend blaaswerk ontwikkelende “Virtual Love Disaster (¿Dónde Estabas?)”, het met zo’n typische gypsy feel gezegende “Soldier’s Homecoming”, de superswingende Tex-Mex-schoonheid “Teresita” en het ook al verleidelijk met de Latin-kont schuddende “Demon’s Cumbia”. Hoogst apart allemaal, maar tegelijk ook heel erg lekker!

Tara Linda

CD Baby

 

KASEY CHAMBERS “Little Bird” (Liberation Music)

(4****)

Eigenlijk had 2010 überhaupt geen nieuwe Kasey Chambers-plaat moeten opleveren. Dat was tenminste wat de Australische ons tot voor kort nog zelf voorhield. Minimaal twaalf maanden zouden we er nog moeten op wachten. Maar toen zich eerder dit jaar onverwacht haar songsluizen weer eens volledig voor haar openden, bleek er ook voor La Chambers geen ontkomen meer aan. Met als resultaat, dat we ons nu mogen buigen over “Little Bird”. Dat in amper een maand in de Foggy Mountain Studio van haar broer en manager Nash ingeblikte album behoort zondermeer tot haar beste. Chambers moet inderdaad door een uitzonderlijke vlaag van inspiratie overvallen zijn. Dat is wel het minste wat je mag stellen naar aanleiding van haar lekker gevarieerde nieuwe worp. Echt genieten geblazen is het van dingen als de zomerse Australiana van “Someone Like Me”, de eerder traditioneel ingevulde roots pop van “Beautiful Mess”, de heerlijk ongedwongen country rock van “Devil On Your Back”, het poppy en derhalve ook bijzonder radiogenieke titelnummer en de old-time-stamper “Georgia Brown”. En dat geldt al evenzeer voor het introverte “Somewhere”, het energieke, met wat goede wil onder de noemer roots rock vallende “This Story”, het lieflijke countryduetje “Love Like A Hurricane”, het met voorwaar een weinig naar de Stones lonkende gitaren gekruide “Down Here On Earth”, opnieuw een streep smakelijke roots rock, het al mijmerend gebrachte “Nullarbor (The Biggest Backyard)”, het tussen roots pop en bluegrass twijfelende en met een fijn trompetje opgewaardeerde “Bring Back My Heart”, het snedige “Train Wreck” en andere. Variatie troef hier alleszins! Met dank daarvoor ondermeer ook aan gasten als Missy Higgins, Camille Te Nahu, Kevin Bennett en Patty Griffin. “Little Bird” is overigens ook verkrijgbaar in een “Deluxe Edition” met op een tweede schijfje nog een drietal extra liedjes en song per song tekst en uitleg van Chambers zelf en op een DVD “The Making Of ‘Little Bird’” en de videoclip bij eerste single “Little Bird”. Daarvoor haast je je echter best naar de eigen webstek van ons aller Kasey, want het is maar zeer de vraag, of we die speciale uitvoering ook hier ooit gewoon in de winkel zullen kunnen kopen.

Kasey Chambers

 

IMELDA MAY “Mayhem” (Decca)

(4****)

In haar thuishaven Ierland schopte Imelda May het ondertussen ruim verdiend reeds tot superster. Haar vorige, het regelrecht van de energie bruisende “Love Tattoo”, leverde haar daar liefst driemaal platina op. En misschien moesten wij hier dus met z’n allen hoogdringend ook maar eens aan… Haar nieuwste, het al even stomende “Mayhem”, is immers opnieuw een echte dijk van een plaat geworden. Met haar vrijwel constant voor de nodige vonken garant staande mix van ‘m aardig van jetje gevende surfgitaren, blues, swing, country en rockabilly laat La May je voortdurend alle hoeken van het canvas zien. En met een absoluut onweerstaanbare herinterpretatie van de soulknaller “Tainted Love” lijkt ze ditmaal zelfs een heuse potentiële hit achter de hand te houden. Zou in navolging van het recente succes van de Duitse Baseballs eigenlijk absoluut moeten kunnen! Veel lekkerder wordt rockabilly ons inziens alvast niet gemaakt. Enkele andere highlights hier: het op heerlijk krolse wijze op de benen mikkende rootsy stampertje “Pulling The Rug”, de met een royale geut R&B op smaak gebrachte freak-a-billy van “Psycho” en het met uitermate sympathieke blazers tot vrijwel meteen bij de keel grijpende proporties opgepepte titelnummer. Ze vormen het soort van natuurgeweld, waar maar bitter weinig tegen te beginnen valt. Bijzonder straffe madam, die May!

Imelda May

 

SHAWN COLVIN “The Best Of Shawn Colvin” (Camden / Sony Music)

(3,5****)

Met de verzamelaar “Polaroids: A Greatest Hits Collection” bezegelde zingende liedjesschrijfster Shawn Colvin in 2004 haar afscheid van haar toenmalige werkgever Sony Music. Ze verkaste vervolgens naar het ambitieuze Nonesuch, alwaar 2 jaar later “These Four Walls” verschijnen zou en vorig jaar nog het fameuze “Live”. En je kan je dan ook luidop afvragen, wat het nut is van deze nieuwe, nog door Sony aan haar gewijde retrospectieve, die teruggrijpt naar exact dezelfde periode als het al genoemde “Polaroids”. Om te beginnen zijn er maar liefst acht overlappingen tussen beide albums. Daaronder uiteraard – En terecht ook! – zulke beauties als “Steady On”, “Shotgun Down The Avalanche”, “Sunny Came Home” en de Police-cover “Every Little Thing (He) Does Is Magic”. Wat rest zijn enkele aan haar eindejaarsplaat “Holiday Songs And Lullabies”, haar coverschijf “Cover Girl” en “Few Small Repairs” ontleende stukken. Enige meerwaarde put deze collectie enkel en alleen uit het feit, dat er met “Never Saw Blue Like That” en “When The Rainbow Comes” ook twee liedjes op staan, die tot op heden niet op reguliere Colvin-platen verkrijgbaar waren. Het eerste werd immers ontleend aan “Songs From Dawson’s Creek Vol. 2”, het tweede aan de soundtrack van de film “Armageddon”.

Shawn Colvin

 

RYAN BINGHAM & THE DEAD HORSES “Junky Star” (Lost Highway)

(5*****)

Eén van de snelst rijzende sterren aan het Americana-firmament, deze Ryan Bingham, en volkomen terecht ook! Mede dankzij “The Weary Kind”, zijn met een Oscar bekroonde bijdrage aan de film “Crazy Heart”, gaat het plots wel allemaal heel erg hard voor de beste man. En om dat momentum vooral lang te kunnen blijven vasthouden pakt hij nu uit met “Junky Star”. Die opvolger van het vorig jaar verschenen “Roadhouse Sun” is een plaat, waar wij hier echt met hangende pootjes hebben zitten naar uitkijken. En met een bang hartje eigenlijk ook wel. De schrik, dat Bingham nu wel snel zou gaan bezwijken voor interessante commerciële aanbiedingen zat er immers toch wel wat in. Gelukkig voor ons blijkt de vanuit L.A. actieve singer-songwriter een man, die zijn idealen te allen tijde trouw blijft. En dus staat ook “Junky Star” weer vol met het soort van beklijvende Americana-kleinoden, waarin de rasverteller zijn verhalen altijd al zo goed kwijt kon. Met die zalige rauwe, zijn leeftijd compleet loochenende stem, een twaalftal ijzersterke nieuwe songs, zijn goed op elkaar ingespeelde band The Dead Horses en vooral ook producer T-Bone Burnett als zijn voornaamste bondgenoten tekent Bingham voor één van dé platen van het jaar so far. Steeds meer voelen wij ons geneigd om de man “de Dylan van de huidige alternatieve countryscène” te gaan noemen. Vooral zijn eerder reflectieve materiaal, we hebben het dan over gruizige ballades genre het de eigen sterfelijkheid benaderende “Hallelujah” of “Yesterday’s Blues”, is ronduit groots te noemen. Intelligente luistermuziek voor gevorderden! Dat soort van liedjes hoef je echt maar één keer te horen om te weten, dat die een heel leven lang zullen blijven meegaan. Maar ook de andere, soms best wel wat stevigere momenten mogen er absoluut wezen, hoor! De blues & roll van “Direction Of The Wind” of de als een rechtstreekse afstammeling van wijlen Waylon Jennings uitgespuwde outlaw country van “All Choked Up Again” bijvoorbeeld. Van ons zal je over deze plaat dan ook absoluut geen kwaad woord horen! En als neuzelaar Bingham straks in november Europa voor een reeks concerten aandoet, zullen wij alvast zeker ook van de partij zijn!

Ryan Bingham

 

SONGS BY BENNETT BRIER “Scorpio And Me” (Bennettsongs Music)

(3,5****)

Bennett Brier lijkt voor zijn liedjes enkel vrede te willen nemen met het allerbeste. Liever dan ze zelf te zingen besteedt hij ze uit aan anderen, die ze onder zijn naam brengen. Het doet allemaal een beetje vreemd aan misschien, maar het werkt wonderwel. Dat was al het geval voor zijn in 1999 verschenen debuut “Anthem”, waarvoor ondermeer Van Wilks, Christine Albert, Jay Sims, Gene Elders, Joe “King” Carrasco en zijn dochter Jessica de revue passeerden, en dat geldt ook weer voor “Scorpio And Me”. Die door Jay Sims geproduceerde tweede van Brier werd ingeblikt in triobezetting. Sims, in 2009 nog genomineerd voor de titel van “Male Vocalist Of The Year” tijdens de gerenommeerde Texas Music Awards, nam de zang en wat gitaarwerk voor zijn rekening, Stephen Doster, zelf ook een gerespecteerde songsmid, was verantwoordelijk voor de leadgitaarpartijen en wat backup vocals en James Stevens tenslotte zorgde ook voor wat vocale ondersteuning. Het resultaat van hun gemeenschappelijke inspanningen is een bijzonder aangenaam wegluisterende collectie veelal ingetogen liedjes, waarvoor wat ons betreft omschrijvingen als Americana en folk het meest geschikt blijken. Al zullen elementen uit genres als pop, rock en blues zeker ook wel hun weg naar de kleinoden op “Scorpio And Me” hebben gevonden. Met de aangenaam gruizige stem van Sims ditmaal als voornaamste troefkaart hoopte Brier ons naar eigen zeggen via zijn woorden en muziek deelachtig te maken aan “something timeless” over zichzelf. En in die missie slaagt hij zeker. De veertien songs op “Scorpio And Me” zouden immers wel eens heel lang mee kunnen blijken te gaan. We durven dit schijfje dan ook voorzichtig aan te bevelen aan liefhebbers van artiesten als een Townes Van Zandt, een Butch Hancock, een David Olney, een Eric Taylor en een Robert Earl Keen.

Bennett Brier

CD Baby

 

RED MOLLY “James” (Red Molly)

(4,5*****)

Belandde eigenlijk flink wat later dan voorzien op onze schrijftafel, dit schijfje, maar ons zal u daarover allerminst horen klagen. Dit is immers zó ontzettend mooi, dat we die lange wachttijd op de keper beschouwd maar wat graag door de vingers willen zien. Gelijk vanaf de eerste, driestemmig a capella vertolkte noten van “The Last Call” waren we onherroepelijk verkocht. Wat Abbie Gardner, Laurie MacAllister en Carolann Solebello hier op vocaal vlak presteren is van een haast onaardse schoonheid. Op hun derde volwaardige langspeler wagen die drie vanuit of all places New York actieve dames zich aan een heerlijk gevarieerde mélange van covers van bekende songleveranciers en aanstormende talenten en eigen materiaal. Voor het al even aangesproken openingsnummer “The Last Call” gingen ze zo bijvoorbeeld in de leen bij Anthony da Costa. Het resultaat? Melodieuze, aan hun drie engelenstemmen opgehangen Americana van een volstrekt tijdloze schoonheid. Vervolgens gaat het via een swingende vertolking van Bob Wills’ en Jack Gimble’s “The End Of The Line” over het sfeervolle, bij Lynn Miles gehaalde “Black Flowers” en de klassieke old-time country van het door Abbie Gardner zelf aangedragen “Troubled Mind” richting het ingetogen “Falling In” van Jake Armerding, waarin elk van de drie dames zich beurtelings met brio van de rol van leadvocaliste kwijt. Via de van een nieuw, wat eigentijdser arrangement voorziene en volledig a capella gebrachte traditional “Foreign Lander” belanden we aansluitend bij het voorzichtig jazzy ingevulde “Jezebel”, een tweede eigen compositie van Gardner, een ronduit schitterend te noemen kijk op Darrell Scotts “You’ll Never Leave Harlan Alive”, een echt schoolvoorbeeld van hoe Americana anno nu wat ons betreft hoort te klinken, en al even beklijvende uitvoeringen van “Tear My Stillhouse Down” van Gillian Welch, “Lookin’ For Trouble” van Steve Goodman, “Gulf Coast Highway” van Nanci Griffith en huisfavorietje Jonathan Byrds “Poor Boy”. Afgerond wordt er met “Can’t Let Go”, één van de beste nummers op het repertoire van Randy Weeks so far. Een bedaard rockend orgelpunt voor een geweldige plaat, met ditmaal in de vocale hoofdrol Abbie Gardner. Die Gardner zingt niet alleen regelmatig de sterren van de hemel naar beneden, ze staat terloops ook haar mannetje op dobro, lap steel en tal van gitaren, waaronder de National. Laurie MacAllister van haar kant stuurt van banjo- en gitaarwerk bij en ook Carolann Solebello mag graag een akoestische omgorden. Muzikale gastbijdragen zijn er voorts nog van Mike Weatherly (bas), Ben Wittman (percussie), Jake Armerding (fiddle en mandoline) en Herb Gardner (piano). Voor de ronduit impeccabele productie tekenden de drie dames zelf. Warm aanbevolen!

Red Molly

CD Baby

 

SCOTT MCCLATCHY “A Dark Rage” (Scott McClatchy)

(3,5****)

Net als op zijn drie vorige platen “Blue Moon Revisited” (1999), “Redemption” (2002) en “Burn This” (2006) blijft singer-songwriter Scott McClatchy ook op zijn nieuwe worp “A Dark Rage” lak hebben aan zo goed als alle bestaande grenzen tussen genres als alt. country, roots rock, folk en andere. Mede daardoor en wellicht ook wel door zijn bij momenten enigszins vergelijkbare manier van voordragen wordt de beste man al jaren te pas en te onpas vergeleken met Steve Earle. Een stelling, waarvoor zo nu en dan best wel iets te zeggen valt, maar lang niet altijd. McClatchy, ooit nog één van de boegbeelden van The Stand en ook wel bekend van samenwerkingen met ondermeer Scott Kempner en Manny Caiati van The Del-Lords (Remember “Frontier Days”, “Johnny Comes Marching Home” en andere heerlijkheden van platen?), Dion en Tommy Womack, houdt het veld hier immers voortdurend lekker breed. Titelnummer “A Dark Rage” blijkt zo fulminante roots rock met een onmiskenbaar Iers randje, “Toasting My Friends” (alt.) country genre Steve Earle bij het begin van de jaren negentig, “Cigarettes, Breath Mints & Visine” heerlijk strakke gitaarrock tout court en “Forever With You” puntige Americana. Namen als John Mellencamp, de al genoemde Del-Lords, CCR, The Brandos, John Hiatt, Joe Ely, Peter Case en ja, zelfs The Stones en Bruce Springsteen, ze kwamen ons allemaal wel eens even voor de geest bij het beluisteren van deze twaalf nieuwe songs van McClatchy. Geef toe, bepaald geen kwaad gezelschap toch? Overigens betreft het daarbij niet uitsluitend eigen materiaal. Voor de zwierige folkrocker “Sally MacLelanne” ging onze protagonist immers in de leen bij de Pogues en voor “American Land” stond The Boss himself model, al klinkt ook dat hier “very Poguesy”.

Scott McClatchy

 

MICHAEL ONEILL “Ain’t Leavin’ Your Love” (Sleeping Trout Music)

(4****)

Met een geslaagde roots & roll-lezing van Townes Van Zandts “Ain’t Leavin’ Your Love” als quasi perfecte entrée serveert singer-songwriter Michael Oneill op zijn derde cd een 10-gangen-Americana-menu om vingers en duimen bij af te likken. In een met snarenvirtuoos Randy Kohrs gedeelde productie en met de hulp van een ronduit indrukwekkend te noemen lijst aan vrienden waaronder Will Sexton, de McCrary-zussen, Hayes Carll, Josh Williams, Lloyd Maines en Dave Dickerson presenteert hij een verbluffend knappe set aan voornamelijk eigenlijk liedjes. Liedjes, als het ware gemaakt om de eeuwigheid te trotseren. Volstrekt tijdloos van aard! Americana met een hoofletter A, genre een Buddy Miller, een Ray Wylie Hubbard, een John Prine en een Chip Taylor. Groots in al zijn eenvoud! Nergens opdringerig en misschien wel juist daardoor zo goed als onweerstaanbaar. Echte beauties zijn het, dingen als het accordeongewijs met een shot Tex-Mex bediende “8:30 Sunday Morning”, het met authentieke swamplucht doordrongen “Pay The Bill”, het door Tim Crouch en Randy Kohrs op respectievelijk fiddle, mandoline en dobro tot beklijvende country aangezwengelde “Louisville”, het met de tong diep in wang geplant gebrachte “Hello Neighbor” en het in duet met collega Loni Rose naar eenzame hoogten getilde “Maroon (Place That I Haunt)”. Knappe teksten, verpakt in dito melodieën, gebracht met een aangenaam gruizige, al enigszins door het leven getekende stem, meer moet dat voor ons absoluut niet zijn! “You need to…own it,” liet Jim Pipkin van No Depression zich hierover ontvallen en dat standpunt kunnen wij hier eigenlijk alleen maar op behoorlijk enthousiaste wijze onderschrijven.

Michael Oneill

NoiseTrade

(Hier kan je het volledige album gratis of tegen betaling van een vrij te bepalen fooi downloaden!)

 

CORY MORROW “Brand New Me” (Apex Nashville / Write On Records)

(3,5****)

2005 betekende een echt kantelmoment in het bestaan van Cory Morrow. Toen de sinds het begin van het nieuwe millennium in grote delen van de States waanzinnig populaire Texaanse singer-songwriter door wetsdienaars aan de kant werd gezet wegens rijden tegen overdreven hoge snelheid bleek hij bovendien immers ook nog eens onder invloed te zijn en in het bezit van cocaïne. Het leverde de beste man niet alleen een ontnuchterende confrontatie met het Amerikaanse gerecht op, maar vooral ook met zichzelf. Hij kwam erdoor tot het plotse besef, dat het zo echt niet meer met ‘m verder kon. En heel even leek het er zelfs op, dat zijn carrière definitief voor bekeken zou gaan houden. Maar dankzij zijn goede maatje Roger Creager en vooral ook dankzij zijn vrouw Sherry kroop hij langzaam weer uit dat diepe dal omhoog. En nu, goed vijf jaar later, lijkt Morrow er weer helemaal bovenop. Aan iedereen die het horen wil, deelt hij mee, dat zijn eindeloos geduldige wederhelft en zijn geloof hem sterker dan ooit hebben gemaakt. En dat vertaalt zich naar een regelrecht van de vitaliteit bruisende nieuwe cd, waarop nogal wat nummers draaien rond precies zijn liefde voor die eega van ‘m. Louter muzikaal gezien gebeurt op die door Lloyd Maines geproduceerde schijf eigenlijk absoluut niets nieuws. Morrow staat als vanouds garant voor een flinke dosis behoorlijk commerciële country Lone Star State style. Soms lekker rockend zoals in het van een scherper randje voorziene “Running From The Rain”, het superswingende “A Love Like This” en titelnummer “Brand New Me”, elders wat meer country, zoals in “Lead Me On”, of zelfs popgetint, zoals in de leuke Jackson Browne-cover “Doctor My Eyes”. Met als leukste momenten wat ons betreft de valse trage “The Road Less Traveled”, het sentimentele, maar o zo liefdevol gebrachte “The Way I Do” en de poppy Americana van “Never Made It To My Lips”. Maar dat is zoals steeds eigenlijk louter een kwestie van smaak natuurlijk…

Cory Morrow

 

JT AND THE CLOUDS “Caledonia” (Lucky Dice Music)

(4****)

Als er al iets is, waaraan nogal wat over muziek schrijvende medemensen zich nog al eens willen ergeren, dan is het wel aan dingen, die ze niet zomaar zonder slag of stoot in het één of andere hokje ondergebracht krijgen. Dat verwart hen immers. Dan weten ze niet meteen meer van welk hout pijlen maken. En het is precies die wetenschap die deze derde van de vanuit Chicago actieve Jeremy “JT” Lindsay en de zijnen volkomen onterecht wel eens de nodige “jurypunten” zou kunnen gaan kosten. Hokjesdenken is immers absoluut niet aan hen besteed. Hun door de band genomen sterk ritmische muziekjes stuiteren op nagenoeg onweerstaanbare wijze speels heen en weer tussen genres als soul, country, roots pop en rock. Openingsnummer “Fever Dream” is zo rete-aanstekelijke “witte-mannen-R&B”, gebracht met een vette knipoog aan het adres van genregroten als een Curtis Mayfield en een Sam Cooke, “Funeral” blijkt extreem catchy roots pop, zoals bijvoorbeeld ook een Brendan Croker die ooit nog serveerde, “Low July” harkt al rockend een eindje terug in de tijd richting jaren zeventig, “I Have Heard Words” dient wat ons betreft te worden aangeprezen als country soul van ergens in de buurt van de bovenste plank, het bevreemdende “Playin’ Dozens” herinnerde ons op de één of andere manier aan The Band en toch ook weer niet, “How It Runs” leerde dan weer dat genres als roots rock en soul echt niet zo ver uit elkaar hoeven te liggen als algemeen wordt aangenomen en titelnummer “Caledonia” is gewoon superlekkere gitaarzwangere rock & roll tout court. En dan hadden we het nog niet eens over “The Wolf”, ons inziens het allerbeste nummer op een plaat vol met kleine juweeltjes. Daarin wordt ingehouden op bijzondere fraaie wijze een brug geslagen tussen zo ongeveer alle hierboven al opgesomde genres. Groots gewoon! Dit had ons inziens eigenlijk spelenderwijze tot dé ideale soundtrack bij de voorbije zomer kunnen uitgroeien, maar daarvoor komt de plaat jammer genoeg net enkele weken te laat. We vestigen onze hoop daarom hier en nu maar volledig op een onverhoopt lang uitvallende Indian Summer. Deze plaat verdient er zo wel eentje! (En wij toch eigenlijk ook, niet?)

JT And The Clouds

Lucky Dice Music

 

JEFF FINLIN “The Tao Of Motor Oil” (Bent Wheel Records)

(5*****)

Wellicht de beste Amerikaanse singer-songwriter, waar u nog nooit van hoorde, deze Jeff Finlin. Tenzij u natuurlijk een regelmatige lezer van deze pagina’s bent. Wij braken in het verleden immers reeds meermaals een lans voor deze geweldenaar met woorden. “The Tao Of Motor Oil” is ondertussen ook alweer zijn negende cd en kwalitatief gezien misschien wel zijn allerbeste überhaupt. Met tien naar goede gewoonte weer allemaal zelf gepende songs bewijst hij ook ditmaal weer het grote gelijk van Bruce Springsteen, die hem ooit één van zijn favoriete songsmeden noemde. Maar Finlin schrijft dan ook liedjes, die van (bijna) literaire kwaliteit zijn. Hij is een echte grootmeester in het evoceren van sferen en het beschrijven van “zijn” Amerika. Als hij met die o zo karakteristieke gebroken stem van ‘m zijn licht laat schijnen op personages en omgevingen, die normalerwijze het voetlicht niet zo gemakkelijk halen, dan doet hij dat op danig treffende wijze, dat je instinctief wel moet aanvoelen, waar hij het over heeft. En als je daar dan ook nog eens aan toevoegt, dat Finlin die heerlijke teksten van ‘m verpakt in al even knappe melodieën, dan weet je dat je gebeiteld zit voor net geen veertig minuten muzikaal vertier van de bovenste plank. Dingen als het catchy openingsnummer “East By West”, de bedaarde rootsrocker “Best Be Motoring”, het bijna akelig sfeervol te noemen “Barefoot In The Snow”, de ronduit zalige ballade “Hands Off The Wheel” en andere behoren wat ons betreft gewoon tot het allerbeste wat 2010 al te bieden had. Neen, deze plaat zouden wij nu al voor geen geld in de wereld meer willen missen!

Jeff Finlin

 

KATHY KALLICK BAND “Between The Hollow And The High-Rise” (Live Oak records)

(4,5****)

Voor onze eerste kennismaking met Kathy Kallick moeten we al een aardig eindje terug in de tijd. Naar 1995 om precies te zijn, toen ze samen met Laurie Lewis voor Rounder Records het knappe “Together” inblikte. In de daaropvolgende jaren verloren we haar echter weer een beetje uit het oog. En dat mag bij nader inzicht eigenlijk best wel jammer worden genoemd, want nu, ruim vijftien jaar later, bewijst ze nog steeds met sprekend gemak met de allerbesten uit het bluegrassgenre mee te kunnen. Met een eigen band bestaande uit Tom Bekeny (mandoline, harmony & lead vocals), Dan Booth (akoestische bas, harmony & lead vocals), Greg Booth (dobro, banjo, harmony vocals) en Annie Staninec (fiddle, harmony vocals) werkt Kallick (gitaar, lead & harmony vocals) zich op haar nieuwe plaat “Between The Hollow And The High-Rise” doorheen een zestal eigen nieuwe nummers, iets van haar partners in crime Tom Bekeny en Greg Booth, covers van genregrootheden als de Louvin Brothers, de Stanleys en anderen en een handvol traditionals. Openingsnummer “Where Is My Little Cabin Home?” ontpopt zich daarbij tot een lentefrisse benadering van een binnen het bluegrassgenre recurrent thema: het kleine hutje boven op de heuvel als symbool voor stabiliteit, familiewaarden en liefde. “Whistle Stop Town” is vervolgens een verhalend liedje, dat wat meer richting Americana, folk en pop overhelt. En voor “There’s A Higher Power” mag het bluegrass-gospelvat even open. Na een meerstemmige acapella intro zijn Kallick en co daarin daarna zowel vocaal als instrumentaal “all over the place”. De Louvins knikten instemmend… “My House” is aansluitend een enigszins humoristisch opgevat eerbetoon aan haar eigen thuis. En ook daarin wordt weer geopteerd voor een wat meer Americana-georiënteerde aanpak. Dan is er “Panhandle Rag”, één van de vele instrumentals hier. Via steelgitarist Leon McAuliffe van Bob Wills’ Texas Playboys doorgedrongen tot bij Greg Booth, die er op swingende wijze een dobro- en bluegrassdraai aan weet te geven. “Lonesome Night” kent u nog van de Stanleys. Hier wordt het zo ongeveer het ideale vehikel om ook Dan Booth even zijn vocale kunstjes even te laten illustreren. En dan is er het kwikzilveren “The Snow”. Opnieuw erg levendige bluegrass pur met Kallick weer zelf als stralend middelpunt van de belangstelling. En dat uitgangspunt wordt ook aangehouden voor het daaropvolgende “New White House Blues”, dat in weerwil met zijn titel absoluut geen bluesy ondertoon blijkt te hebben, maar sprankelt uit zowat elke beschikbare porie. En zo zouden we nog wel even verder kunnen gaan hier, maar dat doen we gemakshalve dus lekker niet! We raden je gewoon aan, om zo snel mogelijk zelf eens kennis te maken met het op “Between The Hollow And The High-Rise” gebodene, nog meer woorden zullen dan immers al snel overbodig blijken. Dit is gewoon veertien nummers lang bluegrass van het allerbeste soort. De missing link als het ware tussen traditionele genrewaarden en het muzikale hier en nu. En als dusdanig ook absoluut niet te versmaden!

Kathy Kallick Band

CD Baby

 

LYNNE HANSON “Once The Sun Goes Down” (Lynne Hanson)

(4****)

Net als haar vorige twee platen, haar debuut “Things I Miss” uit 2006 en het twee jaar later verschenen “Eleven Months”, is ook “Once The Sun Goes Down”, de derde van de Canadese Lynne Hanson, weer een echte voltreffer geworden. “Porch music with a little Texas red dirt” noemt ze het daarop gebrachte zelf. Een omschrijving, die perfect aangeeft in welke richting je in verband met de elf nieuwe liedjes erop denken mag. Maar het lijkt ons toch zeker zo handig om ook wat niet meteen in die hoek te situeren namen te droppen. Want liefhebbers van collega’s van Hanson als een Lucinda Williams, een Pieta Brown, een Mary Gauthier, een Caroline Herring of een Lynn Miles moeten hier beslist ook even aan. Ze zullen het zich absoluut niet beklagen! Hanson speelt hier immers op bijzonder innemende wijze met elementen uit Americana, country, folk en blues. Met haar bij momenten licht onderkoelde manier van zingen weer als één van haar absolute “fortes” weet ze onder de productionele hoede van de ondermeer van zijn werk voor Justin Rutledge bekende David Baxter een wat scherper randje aan haar materiaal te verlenen. Het klinkt daardoor allemaal nog net iets spannender, nog net wat beklijvender dan voorheen. Daarbij weet Hanson zich bij diezelfde Baxter, drummer Blake Manning (Blue Rodeo), bassist Brian Kobayakawa (Creaking Tree String Quartet) en toetsenman Jason Sniderman (Blue Peter) en gasten als de al genoemde Jason Rutledge (banjo), Paul Reddick (harmonica), Gilles Leclerc (mandoline en zang), Lynn Miles (zang) en anderen in uitstekend gezelschap. Haar vaak aan liefdesperikelen opgehangen liedjes ontwikkelen zich tegen een beurtelings wat meer richting Americana, country, folk, blues dan wel roots rock overhellende achtergrond tot echte oorwurmen. En je hoeft je geen zorgen te maken! Hanson omzeilt werkelijk alle zich met die thematiek potentieel aandienende clichés met brio. Geen plaats voor sentimenteel gedoe hier! Luister bij gelegenheid maar eens naar dingen als het op een bezwerende swampy groove rustende “Riptide”, de knappe mid tempo rootsy country van “Just For The Tide” of de Americana pur van “Mary Mary” en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen. Wat ons betreft andermaal een absoluut niet te missen plaat!

Lynne Hanson

 

DEVON SPROULE “Live In London” (Tin Angel / Sonic Rendezvous)

(4****)

Sproule rijmt op rock & roll en soms is ze dat ook wel even, deze achtentwintigjarige schone uit Virginia. Maar bovenal is en blijft ze toch een dijk van een zingende liedjesschrijfster, die haar habitat heeft ergens halverwege tussen Americana, folk en pop. Dat onderlijnt ze ook op haar nieuwe album, een in Londen ingeblikte live-CD-DVD-combinatie, weer. Zich daarbij vakbekwaam geruggensteund wetend door haar partner Paul Curreri (zang, gitaar), Andy Whitehead (bas), G Vaughan (zang, drums), BJ Cole (pedal steel), Emma Smith (zang, viool, klarinet), Vince Sipprel (zang, viool, tamboerijn) en Lucy Anne Sale (zang) waadt ze op sfeervolle wijze doorheen eigen liedjes als “Julie”, “Come Comet Or Dove”, “Plea For A Good Night’s Rest” en “Old Virginia Block” en eigenwijze covers van de traditional “The Weeping Willow”, Black Uhuru’s “Sponji Reggae”, “Steady & True” van Matty Charles en “One Eye Open” van Megan Huddleston. En daarbij durft de aandacht nogal eens te verschuiven van Americana en folk richting eerder als indie te omschrijven toestanden. Haar desolate, enigszins bluesy aandoende versie van het al genoemde “Sponji Reggae” en zeker ook haar eigen “Julie” vormen daarvoor prima illustraties. Op de acht songs tellende DVD vind je tussen de slechts gedeeltelijk met het programma van de CD overlappende liedjes ondermeer videoclips van Devon en haar band in hun tourbusje en backstage. Dat houdt het allemaal lekker luchtig! Wat ons van alles hier echter het meest is bijgebleven, is een als verborgen bonus track aan het uiteinde van de CD bengelende, werkelijk ijselijk mooie vertolking van de Johnny Cash-hit “I Still Miss Someone”. Daarin lijken Sproule en Curreri zich voorwaar heel even Gram en Emmylou te wanen. Werkelijk wonderschoon!

Devon Sproule

Sonic Rendezvous

 

RICHARD THOMPSON “Dream Attic” (Proper / Rough Trade)

(4****)

De op het eerste gezicht simpelste ingevingen blijken door de band genomen vaak juist tot de interessantste resultaten te leiden. Dat bewijst ook folkrocklegende Richard Thompson weer met zijn nieuwe plaat “Dream Attic”. Daarbij blijkt het immers te gaan om dertien gewoon live ingeblikte nieuwe nummers. Op die manier hoopte Thompson naar eigen zeggen de voor zijn optredens zo kenmerkende directheid te kunnen vereeuwigen. Aan muzikanten aan het werk in een studio valt niet bijster veel te beleven, vindt hij. Pas als ze samen voor een publiek hun ding kunnen doen gebeuren zijns inziens speciale dingen. Wat je daarbij wellicht aan accuratesse verliest, win je ruimschoots aan energie terug, aldus nog de man. En voor die stelling levert hij hier prompt dertien bewijzen af. En het minste, wat je over “Dream Attic” dan ook kwijt kan, is dat het een uiterst bevlogen album geworden is. Credits daarvoor gaan naast naar Thompson zelf ook naar zijn begeleiders van dienst Pete Zorn (gitaren, fluit, sax en mandoline), Michael Jerome (drums), Taras Prodaniuk (bas) en Joel Zifkin (viool en mandoline). Zij tonen zich hier immers wel bijzonder geïnspireerd bij het ondersteunen van hun broodheer. Met “The Money Shuffle”, een sneer aan het adres van het blunderende voetvolk van Wall Street, wordt gelijk een vliegende start genomen. Een heerlijke streep energieke folkrock is dat. Wat volgt blijkt lekker gevarieerd. Van een eerder traditioneel ingevulde ballade à la “Among The Gorse, Among The Grey” tot een luidkeels om media-aandacht schreeuwende bijna poppy stamper genre “Haul Me Up”, van een ongemeen scherpe karakterschets als “Here Comes Geordie” tot het hortend en stotend het Londen (East End) van de jaren zestig evocerende “Demons In Her Shoes”, van het meeslepende klaaglied “A Brother Slips Away” tot de pittige uiteenzetting met ouder worden, die “Crimescene” is, van de in een levendig eigentijds jasje gestoken traditionele murder ballad “Sidney Wells” tot het ogenschijnlijk op de leest van vier knapen uit Liverpool geschoeide “Big Sun Falling In The River” en andere, Thompson geeft hier zijn publiek alleszins ruimschoots waar voor z’n geld. Het ene moment wordt daarbij wat meer gefocust op de in ruime mate aanwezige eigen kwaliteiten als songwriter, het andere mag zijn alter ego, de uitmuntende gitarist, weer uitgebreid van stal. Op zijn eenenzestigste blaast Thompson zodoende het gros van zijn collega’s nog altijd met sprekend gemak weg. En een welgemeende aanbeveling is hier derhalve ook meer dan op haar plaats!

Richard Thompson

Proper

 

JUSTIN TOWNES EARLE “Harlem River Blues” (Bloodshot / Bertus)

(4****)

Met de eerste voorzichtige herfstprikken komen naar goede jaarlijkse gewoonte ook weer tonnen aan interessante nieuwe releases het land mee binnen waaien. En daartoe mag u wat ons betreft zeker ook de nieuwe van de zoon van Steve Earle rekenen. Met zijn derde volwaardige langspeler lijkt die ondertussen wel stilaan helemaal zijn draai te hebben gevonden. “Harlem River Blues” is een heerlijk gevarieerde plaat, waarop de jonge Earle constant in spagaat meesterlijk verleden en heden verenigt. Het titelnummer koppelt zo op aanstekelijke wijze swampy roots rock aan gospel en blues, “One More Night In Brooklyn” herinnerde ons qua opzet vrijwel ogenblikkelijk aan het materiaal van singer-songwriter Slaid Cleaves, “Move Over Mama” is twangy country aan een rockabilly-infuus, “Working For The MTA” een moderne railroad story à la Woody Guthrie, “Rogers Park” een (piano)ballade genre een Springsteen, “Wanderin’” door een lekkere mondharmonica aangedreven folky Americana-spul en “Slippin’ And Slidin’” een op bijzonder soulvolle wijze gebrachte ingehouden rocker. “Christchurch Woman” is vervolgens gewoon lekkere verhalende Americana, “Learning To Cry” een mede dankzij zijn sfeervolle steel-inbreng naar traditionele country overhellende trage en “Ain’t Waitin’” een swingend samengaan van tal van de hoger al genoemde stijlen, waarvoor de term roots pop op de keper beschouwd misschien wel het meest geschikt lijkt. Zonder uitzondering sterke liedjes zijn het, waarin Earle Junior zich zowel als zanger als als songsmid volledig kan uitleven. En voor ons het definitieve bewijs, dat we van deze knaap in de toekomst nog veel zullen gaan horen. En dat is een hoogst interessant vooruitzicht, als u het ons vraagt!

Justin Townes Earle

Bloodshot Records

Bertus

 

TOM GILLAM “Better Than The Rest: An Anthology” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Toen Tom Gillam in 2007 dankzij het album “Never Look Back” zijn ster eindelijk serieus rijzende zag, was hij al lang niet meer aan zijn proefstuk toe. De beste man debuteerde immers al in ’98 met “First Of All”. In 2001 volgde “Dallas” en in 2004 ook nog “Shake My Hand”. Dat laatste album was eigenlijk het eerste, waarvoor de rootsrocker in de (vak)pers eindelijk wat loon naar werken kreeg. En als dusdanig dus eigenlijk ook het opstapje naar het al genoemde “Never Look Back”. Dat schijfje mag ondertussen worden beschouwd als verplichte stof en dus besloot zijn huidige werkgever Blue Rose Records met “Better Than The Rest: An Anthology” vooral te focussen op de periode daarvoor. ’n Beetje ’n misleidende titel dus toch wel voor die “nieuwe” Gillam. Van ’s mans eersteling krijgen we hier drie songs, van elk van de twee daaropvolgende platen telkens vier. Verder zijn er met de semi-akoestische ballade “Fountain Bleu”, de Young-eske epische rocker “Emily” en het in country badende, nog uit Gillams “Shake My Hand”-periode stammende “Long Way Home” ook drie niet eerder verschenen deunen en met “Never Look Back” ook één latere classic op ’s mans repertoire. Al bij al een leuke inhaalbeweging voor al wie Gillam pas leerde kennen ten tijde van “Never Look Back”. De man zelf tekende voor de samenstelling van het geheel en voor de verhelderende liner notes. “Better Than The Rest” laat heel mooi horen, hoe Gillam door de jaren heen van een eerder country- en folkrockgetint geluid evolueerde richting de rootsvariant daarop en Americana. Een evolutie, die hem na verloop van tijd zoals bekend – Volkomen terecht overigens! – absoluut geen windeieren heeft gelegd. En deze verzamelaar raden we daarom ook aan zowel fans van knapen als een John Hiatt, een Joe Walsh, een John Mellencamp en een Bob Seger, als aan die van acts als Poco, de Eagles, Ryan Adams, Steve Earle en aanverwanten van ganser harte aan. Staat immers vol met erg lekker spul!

Tom Gillam

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

LEEROY STAGGER & THE WILDFLOWERS “Little Victories” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Te pas en te onpas blijven in verband met deze Canadese veelkunner steeds weer vergelijkingen met Ryan Adams opduiken. En al zijn in de verzamelde werken van beide heren zeker de nodige raakpunten tussen de twee te vinden, Leeroy Stagger verdient het ondertussen al wel ruimschoots om nog uitsluitend op zijn eigen merites te worden beoordeeld. Wat ons betreft is wat hij de laatste jaren bracht zelfs een stuk spannender dan wat Adams het voorbije decennium zoal allemaal uitspookte. Alleszins een stuk constanter van kwaliteit, zoals ook ’s mans nieuwste worp “Little Victories” weer ten voeten uit bewijst. Daarop is het dertien nummers lang zoeken naar ook maar één enkel minder moment. Via de werkelijk van melancholie druipende roots-popparel “Everyone’s On Drugs” en het uit het min of meer hetzelfde vaatje tappende “Long Way Home” gaat het over het mede door knap gitaarwerk van Kevin Kane en een dito pedal-steelbijdrage van Bob Egan gedragen countryrockertje “Sit Around This House” en het swampy “Holy Water” richting “Good Things”, een van de soul druipende valse trage, gebracht met landgenote Romi Mayes, en het aanstekelijke recht-toe-recht-aan Heartland-rockertje “Waste Of A Wedding”. “Poor Little Rock Star” is dan weer een eerder klassiek uitvallende pianoballade, waarin een elektrische gaandeweg steeds nadrukkelijker in beeld komt en waarvoor voor één keer wel aan de genoemde Adams mag worden gedacht, “Way Down The Bottom” subliem countryrockmateriaal genre de grote Gram Parsons in zijn hoogdagen, “George’s Blues” een indirect wellicht door hele horden aan grote Texaanse songsmeden beïnvloed folkdeuntje, “Hardtown” gewoon een streepje zalige melodieuze roots rock, “She Will Be Received” een net wat ingewikkeldere variant op hetzelfde thema, “I Believe In Love” opnieuw een complexloos om luidkeels meezingen brullende stamper en het afsluitende”Love Will Let You Down” een meer dan verdienstelijke poging om wat hij van respectievelijk de Beatles en Neil Young leerde in één enkel liedje geperst te krijgen. Na “Everything Is Real” opnieuw een absolute voltreffer voor Leeroy Stagger dus. En als dat ondertussen nog niet gebeurd mocht zijn, dan wordt het onderhand wel zo stilaan tijd, dat je deze knaap eens stevig aan de borst gaat drukken. Veel betere platen dan deze zal je dit jaar waarschijnlijk immers niet al teveel te horen gaan krijgen!

Leeroy Stagger

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

EMMA HILL “Clumsy Seduction” (Kuskokwim Records / Shut Eye)

(3,5****)

Name dropping… Lang niet alle artiesten houden ervan en ook een aantal van onze lezers halen er ongetwijfeld hun neuzen voor op. Maar soms is het o zo handig. Gewoon wat namen van enigszins verwante artiesten noemen blijkt soms zoveel simpeler om een nieuwkomer te situeren dan er ellenlange epistels over te schrijven. Neem nu iemand als Emma Hill. Door er terloops even op te wijzen, dat ze op haar tweede plaat “Clumsy Seduction” nogal nadrukkelijk in de voetsporen van genregenoten als een Sarah Harmer, een Kathleen Edwards of een Caitlin Cary treedt, weet je als lezer meteen waar je aan toe bent. De recent van Alaska naar Portland verkaste zangeres brengt inderdaad ook het soort van Americana, dat het niet zo nauw neemt met de grenzen tussen dat genre en roots pop of folk. Met liedjes veelal druipend van de melancholie pakt ze je echt moeiteloos in. Daarvoor kan de amper tweeëntwintigjarige Amerikaanse terugvallen op een aangenaam warm aandoende, haar leeftijd zo goed als volledig ontkennende stem. Die lijkt als het ware gemaakt voor het brengen van haar fragiele, nu eens voorzichtig met jazz, dan weer met blues of (roots)pop flirtende Americana- en folkliedjes, waarin ze haar rurale afkomst amper verbergen kan. Ze kleurt werkelijk prachtig bij die catchy kleinoden, die zich al na één enkele beluistering met kleine weerhaakjes aan je trommelvliezen lijken te hebben vastgehecht. Het maakt van “Clumsy Seduction” het soort van plaat, waar je ook op wat langere termijn graag zal naar blijven teruggrijpen. Onze luistertips: openingsnummer “Lady of the Sea”, het daaropvolgende, naar Hill-normen wat levendiger en al bij al ook behoorlijk countryesk uitvallende “One Glass Too Many”, het breekbare titelnummer en het bijzonder fraaie, net wat alternatiever ingekleurde “Goodbye”. Héél erg mooi!

Emma Hill

CD Baby

 

FIERY BLUE “Fiery Blue” (Doubloon Records)

(4****)

De creatieve spil van Fiery Blue vormen ontegensprekelijk Simone Stevens (zang), Gabe Rhodes (ondermeer akoestische en elektrische gitaren, bas, bajo sexto, toetsen en harmonica) en Paul Marsteller (gitaar). Noem ze maar de stem, de ruggengraat en het brein van het kwintet. Stevens tekent immers voor de bijzonder fraaie, enigszins etherisch aandoende zang, Rhodes bepaalt in grote lijnen de klankkleur van het gebodene en Marsteller droeg het geheel der songs aan. Hunt Sales (drums, percussie en bas) en Quinn Vogt-Welch (backing vocals) vervolledigen het vijftal. Samen staan ze voor een wat apart muzikaal verhaal. Hun debuut bevat immers achttien veelal dromerig aandoende, uitermate evocatieve liedjes, die op elegante wijze elementen uit folk, country, pop en rock met elkaar versmelten. Zo nu en dan waan je je voorwaar even in de buurt van iemand als Daniel Lanois. Dat is ondermeer het geval in het op een heerlijk onderkoeld twangend gitaartje geënte “The Long Light”. Eén van dé absolute hoogtepunten hier meteen ook wat ons betreft. Iets wat ook geldt voor het ons aanvankelijk even voorzichtig aan “A Whiter Shade Of Pale” van Procol Harum herinnerende “Wild Bird”. Dat liedje moet gewoon op single, zoveel is zeker! Het presenteert Stevens als een geweldige zangeres en benadrukt terloops ook even de kwaliteiten van Rhodes als producer. Nu zouden we hier nog wel even kunnen doorgaan met het opsommen van aanwezige briljantjes, maar dat doen we lekker niet. Van de achttien gebrachte songs is er ons inziens immers niet één die uit de toon valt. Dit is kwalitatief hoogstaand spul, waaraan we tijdens de stilaan nakende herfst nog menig een uurtje plezier zullen gaan beleven, dat lijkt ons nu al een certitude. En we kunnen dan ook nauwelijks anders dan dit bijzonder warm aanbevelen!

Fiery Blue

 

LAURA CORTESE “Acoustic Project” (Laura Cortese)

(3,5****)

Van Laura Cortese bespraken we hier eerder al het mooie “Even The Lost Creek”. Een jaar of vier geleden geleden was dat. Ondertussen heeft de youngster echter allesbehalve stilgezeten. Zo verschenen van haar ondermeer nog het met Neil Cleary gedeelde “Blow The Candle Out”, de single “Bad Year”, de EP “BUC” en eerder dit jaar nog het samen met Jefferson Hamer gewoon live in een studio ingeblikte “Two Amps, One Microphone”. En bovendien trad ze niet enkel regelmatig in haar eentje op, maar daarnaast ook nog samen met zo uiteenlopende artiesten als Uncle Earl, de Band Of Horses, Patterson Hood en Michael Franti. Een bezig besje dus, die Cortese. Een vaststelling, waarvoor haar zopas in eigen beheer uitgebrachte nieuwe EP “Acoustic Project” alleen maar een zoveelste bewijs vormt. Cortese koos in de aanloop naar dat zeven eenheden tellende schijfje resoluut voor een kwartetbezetting. Zelf tekent ze daarin naast voor de zang ook voor tal van fiddlebijdragen. Natalie Haas, haar zus Brittany, bekend van Crooked Still, en Hanneke Cassel verdelen onderling werkzaamheden op respectievelijk cello, 5 string fiddle en fiddle. Het resultaat van hun gezamenlijke inspanningen is heerlijk naakt uitvallende nu-folk of neo-bluegrass – Louter een kwestie van door welke bril je het allemaal bekijken wil! – waarin de nadruk regelmatig op een eerder Keltisch geïnspireerd karakter komt te liggen. Soms aan de eerder rustige kant, soms ook hypernerveus van aard. Dat laatste zeker in de afsluitende lezing van de traditional “Greasy Coat”. Van de overige zes liedjes zijn er vijf van de hand van Cortese zelf. Al kreeg ze voor het herfstige “Perfect Tuesdays” wel wat hulp van buitenaf. De als medley gebrachte instrumentals “Du Petit Sarny” en “Reel A Deux” ontleende ze aan het repertoire van de uit Québec afkomstige fiddler Eric Favreau. Cortese onderlijnt daarin ook een geweldige team player te kunnen zijn. Elders illustreert ze vooral haar eigen prachtige stem, haar werkelijk impeccabele spel op de fiddle en een bijzonder groot hart voor folk.

Laura Cortese

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home