CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

  

ARCHIEF CD-RECENSIES SEPTEMBER 2011

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

ARTY HILL “Another Lost Highway” - JOHN PRINE “The Singing Mailman Delivers” - PALADINO “Paladino” - JOHN WESLEY HARDING “The Sound Of His Own Voice” - MERLE HAGGARD “Working In Tennessee” - BLAME SALLY “Speeding Ticket And A Valentine” - DANIEL GLEN TIMMS “Life’s An Illusion” - MANDOLINMAN “Old Tunes, Dusted Down” - BIG DADDY WILSON “Thumb A Ride” - VARIOUS “Hymns From Home – That Thing That’s A Whole Lot Bigger Than This” - STIV CANTARELLI “Innerstate” - SARAH LEE GUTHRIE & JOHNNY IRION “Bright Examples” - THE GOOD INTENTIONS “Someone Else’s Time” - FLORENCE JOELLE’S KISS OF FIRE “Florence Joelle’s Kiss Of Fire” - BETH WIMMER “Ghosts & Men” - CONNIE SMITH “Long Line Of Heartaches” - JON BYRD “Down At The Well Of Wishes” - JANE GILLMAN “Piscean Dreams” - RICHARD BUCKNER “Our Blood” - LOUISIANA RED & LITTLE VICTOR’S JUKE JOINT “Memphis Mojo” - SIGNE TOLLEFSEN “Hayes” - RAY BONNEVILLE “Bad Man’s Blood” - JOSH HARTY “Nowhere” - DEADMAN “Live At The Saxon Pub” - JJ GREY & MOFRO “Brighter Days” - TOM T. HALL “A Gift From Tom T. Hall: Tom T. Hall Sings Miss Dixie & Tom T.” - LYDIA LOVELESS “Indestructible Machine” - JOHN DOE “Keeper” - ERIC TAYLOR AND FRIENDS “Live At The Red Shack” - DARTS “Darts”, “Everybody Plays Darts”, “Dart Attack” en “The Amazing Darts” - JOE ELY “Satisfied At Last” - MICKY & THE MOTORCARS “Raise My Glass” - TOM RUSSELL “Mesabi” - STEPHEN SIMMONS “The Big Show” - THE WATERBOYS “An Appointment With Mr. Yeats” - NICK LOWE “The Old Magic” - ROB LUTES & ROB MACDONALD “Live” - LESLIE ALEXANDER “Nobody’s Baby” - JUBAL LEE YOUNG “Take It Home” - STONEY LARUE “Velvet” - ANNA COOGAN “The Wasted Ocean” - DONAL HINELY “The Famous Rocket Cage” - JASON MCNIFF “April Cruel” - JP DEN TEX “Speak Diary” - MARE WAKEFIELD “Meant To Be” - CHRIS SMITHER “Lost And Found” - ERIC RHAME “Ontario: The Lost Songs Of Elem Baxter” - THE SWEETBACK SISTERS “Looking For A Fight” - PETER BEEKER & DE ONGENODE GASTE “Peter Beeker & De Ongenode Gaste” - ISRAEL NASH GRIPKA “2011 Barn Doors Spring Tour, Live In Holland” - DALE WATSON & THE TEXAS TWO “The Sun Sessions” - KRIS DELMHORST “Cars” - ISRAEL NASH GRIPKA “Working Class Hero And Other Favorites (One Take Only)” - JD MALONE & THE EXPERTS “Avalon” - WELDON HENSON “One Heart’s Gone” - KATY LIED “Winter Lightning” - IAN MOORE AND THE LOSSY COILS “El Sonido Nuevo” - ROB LYTLE “You. Must. Stop.” - JACQUI DANKWORTH “It Happens Quietly” - GOOD LUCK MOUNTAIN “Good Luck Mountain” - CIARA SIDINE “Shadow Road Shining” - GWENDOLYN “Bright Light” - SLAID CLEAVES “Sorrow & Smoke, Live At The Horseshoe Lounge”

 

 

ARTY HILL “Another Lost Highway” (Arty Hill)

(3,5****)

Wie zijn country nog graag op traditionele wijze geserveerd weet, die zit bij de vanuit Baltimore, MD actieve Arty Hill duidelijk aan het juiste adres. Met platen als “Based On Real Life”, “Baltimore Reasons”, “Back On The Rail”, “Bar Of Gold” en “Montgomery On My Mind: The Hank EP” bewees hij de voorbije jaren al meermaals uit het juiste hout gesneden te zijn. Iets wat hem in de Freeform American Roots Chart (FAR) trouwens al zo menig een topnotering opleverde ook. En nu is er dus met “Another Lost Highway” alweer een nieuwe van ‘m. Nu ja, alweer, het heeft ditmaal allemaal wel zijn tijd gekost. Al in 2010 startte Hill met het inblikken van nieuw werk, maar toen begon het plots allemaal flink fout te gaan. Eerst gooide bijzonder hard winterweer roet in het eten en konden geplande opnameschema’s niet worden aangehouden. Vervolgens moest Dave Giegerich, één van zijn vaste begeleiders van The Long Gone Daddies, met spoed richting ziekenhuis met een zeldzame bloedziekte, waaraan hij enige tijd later ook zou overlijden. En ook Ed Hough, zijn drummende collega, kreeg zijn dosis tegenspoed te verwerken. Hij werd na een optreden immers aangereden door een voertuig. En toen “Another Lost Highway” dan eindelijk toch klaar geraakte, kregen Hill en zijn toenmalige broodheren van Cow Island Music het met elkaar aan de stok en kon hij ook nog eens op zoek naar een nieuw platenlabel. En dat kwam er uiteindelijk niet, waardoor Hill het album dan maar in eigen beheer uitbracht. En daar mogen wij hem met z’n allen dan weer dankbaar om zijn, want dit is andermaal een prima schijf. Boordevol met het soort van materiaal, waarvoor men in Nashville al sinds mensenheugenis uitgebreid de neus ophaalt, maar dat door liefhebbers van “the real thing” steeds weer liefdevol omarmd wordt. Een markante “echte-mannen-stem”, “old-school” thema’s, veel “retro style” muziekjes en een uiteraard ook volledig aan de situatie beantwoordend instrumentarium. Je mag hier als fan dus rekenen op de nodige lap- en pedalsteelklanken, op flink wat “gefiddel” ook, wat dobro en uiteraard ook een staande bas. Nu eens rockt het allemaal lekker, zoals in openingsnummer “Roll Me A Song”, het pittige “Big Drops Of Trouble” of “Blackwater Wildlife”, elders gaat het er dan weer flink wat bedaarder aan toe. “Mae Dawn” en “King Of That Thing” zijn zo zalige “swingmomentjes”, “Omaha Icu” staat garant voor een mootje ingehouden country rock, titelnummer “Another Lost Highway” is een traditionele verhalende trage en in “12 Pack Morning”, “Victoria’s Secret Is Safe With Me” – Leuke titel! – en “The Last Time I’ll Ever Go Away”, een duetje met Monica “Lil’ Mo” Passin, regeren in een vergelijkbare omgeving drank, overspel en hartzeer. Prima gedaan allemaal! Moet je wel van houden…

Arty Hill

CD Baby

 

JOHN PRINE “The Singing Mailman Delivers” (Oh Boy Records)

(4****)

In oktober zal het precies veertig jaar geleden zijn, dat singer-songwriter John Prine voor het eerst van zich deed spreken met zijn ronduit magistrale titelloze eersteling. En om die verjaardag wat op te luisteren besloot hij onlangs zelf om wat relevant materiaal uit de eigen archieven op te diepen. Materiaal, dat we weldra verdeeld over twee zilveren schijfjes onder de toepasselijke vlag “The Singing Postman Delivers” – Prine was indertijd postbode! – in de betere platenzaak zullen kunnen aantreffen. Een eerste cd bevat een elftal liedjes, die Prine na een interview met de gerenommeerde Studs Terkel opnam in de WFMT Studios in Chicago. Vele daarvan zouden een maand of elf later al dan niet met dezelfde titels op zijn debuut belanden. We overlopen hier alvast even de titels met je: “Hello In There”, “Souvenirs”, “Great Society Conflict Veteran’s Blues” (“Sam Stone”), “Paradise”, “Blue Umbrella”, “Aw Heck”, “Illegal Smile”, “Flashback Blues”, “Frying Pan”, “Sour Grapes” en “A Star, A Jewel, And A Hoax” - allemaal uitgevoerd in een “just me & my guitar”-versie. Gewoon spiernaakt, maar desondanks toch al behoorlijk indrukwekkend! Een tweede cd bevat dan weer een in november 1970 in de Fifth Peg in Chicago ingeblikt optreden. In het gezelschap van bassisten Bob Brostek of Norm Siegel – Het geheugen wil klaarblijkelijk niet echt goed meer mee… – bracht Prine daar eigen songs als “Flashback Blues”, “Hello In There”, “Your Flag Decal Won’t Get You Into Heaven Anymore”, “The Great Compromise”, “Blue Umbrella”, “Illegal Smile”, “Angel From Montgomery”, “A Good Time”, “Quiet Man”, “Paradise”, “Great Society Conflict Veteran’s Blues” en “Spanish Pipedream” en een medley van de Hank Williams-hits “Hey Good Lookin’” en “Jambalaya (On The Bayou)”. Opvallend daarbij is vooral, dat hij ook toen al een uitstekende entertainer was. Schijnbaar achteloos grappend praat hij zijn songs aan elkaar en dat tot groot jolijt van zowat alle op de gig aanwezigen. En nog meer humor in de door hemzelf geschreven liner notes. Daarin bedankt hij immers zijn vrouw Fiona, die hem zonder het zelf goed en wel te beseffen op “deze schat” deed stoten. “By the way, I found these tapes because my wife Fiona made me clean out our garage the last time we moved! Thanks Honey! Baby needs shoes!” Prine helemaal ten voeten uit… Très sympa!

John Prine

 

PALADINO “Paladino” (Paladino Music)

(3***)

Paladino is een vanuit L.A. debuterend alternatief countrykwintet. Zowat een jaar geleden werd de groep uit de grond gestampt. Initiatiefnemers waren singer-songwriter Jonatham Harkham en gitaristen Chris en Adrienne Isom. Bassiste Annie Rothschild en drummer Jon Rygiewicz traden pas later tot het collectief toe. Samen tekenen ze op “Paladino” voor een enigszins aparte mix van originelen en covers van overbekend songmateriaal als “Green Green Grass Of Home”, “Snow Deer”, “Have You Ever Been Lonely” en “Too Many Rivers”. Old-school country vormt vrij nadrukkelijk het uitgangspunt voor hun “spielereien”. Door te flirten met ondermeer folk, psychedelica en punk krijgen hun sympathiek rammelende creaties echter een zekere meerwaarde mee. Een scherp randje, dat hen zeker in wat alternatiever ingestelde kringen in dank zal worden afgenomen. Daar zullen met name hun met de tong diep in de wang geplant gebrachte herwerkingen van het tweetal “Green Green Grass Of Home” en “Have You Ever Been Lonely” allicht wel op de nodige bijval kunnen gaan rekenen. En misschien blijkt zelfs voor een eigen nummer als het op hoogst bezwerende wijze met honky-tonk dollende “Mexicali Rainsong” wel een vergelijkbaar onthaal weggelegd. De toekomst zal het moeten uitwijzen.

Paladino

CD Baby

 

JOHN WESLEY HARDING “The Sound Of His Own Voice” (Yep Roc / Munich)

(4****)

“The Sound Of His Own Voice”, John Wesley Hardings ondertussen toch ook alweer achttiende, is het soort van plaat geworden, waar vooral liefhebbers van het materiaal van acts als de jonge Costello, de Kinks in hun hoogdagen en Squeeze ook wel beslist aan moeten. Heerlijk intelligent (rootsy) popmateriaal is het, waarin op tekstueel vlak naar goede Harding-gewoonte weer ongemeen veel te beleven valt. In het uitgelezen gezelschap van ondermeer leden van The Decemberists en The Minus Five, John Roderick ven The Long Winters, Los Lobos’ Steve Berlin, R.E.M.’s Peter Buck, Laura Veirs en Rosanne Cash gaat (de schrijver) Harding ook ditmaal weer op een veelheid aan thema’s in. Jezelf zijn, spijt, de vorige generatie, liefde, het effect van een scheiding op de erbij betrokken kinderen, terugkijken op een relatiebreuk, de alsmaar dieper wordende kloof tussen arm en rijk, seks, wetenschap, examens en nog een handvol andere onderwerpen, ze komen hier allemaal wel ergens aan bod. En wat meer is, aan die tekstuele rijkdom beantwoorden minstens even lonende melodieën. Zo “catchy” als maar kan! Zo noteerden wij bijvoorbeeld alvast als echte blijvertjes het ons van aanpak een heel klein beetje aan de Pogues herinnerende “The Colloquy Of Mole & Mr. Eye”, het op ongemeen soulvolle wijze naar de late sixties (beat) terugharkende “Gentleman Caller” en de enigszins weemoedig aandoende rootspopparel “There’s A Starbucks (Where The Starbucks Used To Be)”. Maar eigenlijk doe je veel van de andere songs hier onrecht door er slechts enkele uit te lichten. Dit is immers gewoon een in haar geheel als ijzersterk te bestempelen plaat. Van een echt minder moment is hier hoegenaamd nergens sprake! Noem het maar een Harding in topvorm!

John Wesley Harding

Yep Roc

 

MERLE HAGGARD “Working In Tennessee” (Vanguard Records / Welk / EMI)

(3***)

Al jaren koesteren wij hier de stille hoop om Rick Rubin nog eens in herhaling te zien vallen met als protagonist ditmaal Merle Haggard. Diep in ons binnenste menen wij immers te mogen denken, dat “The Hag” mits de juiste begeleiding nog minstens één volstrekt tijdloze plaat in zich heeft. Eentje, die in navolging van de laatste albums van “The Man in Black” veel van, zo niet al zijn eerdere schijven in de schaduw zou kunnen plaatsen. Maar het heeft helaas nog altijd niet mogen zijn. Ook ditmaal weer niet. En dus is ook “Working In Tennessee”, ‘s mans nieuwste, zoals veel van zijn recentere voorgangers weer een plaat met de nodige ups en downs geworden. Akkoord, je hoort uit zowat elke noot hier, dat Haggard zich tijdens de opnames ervan ontzettend geamuseerd moet hebben. Maar doet niet elke artiest dat, vanaf het moment dat hij een studiodeur achter zich dicht trekt? Alleen daarmee nemen we hier dan ook geen vrede. En dus trachten we het kaf even voor je van het koren te scheiden. Het begint nog allemaal prima met het ouderwets lekker swingende titelnummer. En ook Haggards lijzige lezing van de Cash-hit “Cocaine Blues”, de maatschappijkritische trage “What I Hate”, het “groovy” “Truck Driver’s Blues” en een met Willie Nelson en zijn zoon Ben gebrachte herwerkte versie van zijn eigen “Workin’ Man Blues” zijn zondermeer goed. Veel minder vonden wij anderzijds het met zijn Theresa ingezongen duet “Jackson”, het ons voorwaar even aan Jimmy Buffett herinnerende “Down On The Houseboat” en het laconieke “Laugh It Off”. En ook de rest van het materiaal hier overstijgt wat ons betreft eigenlijk amper de middelmaat. Er lijkt ons dan ook maar weinig anders op te zitten dan nog een poosje verder te blijven dromen…

Merle Haggard

 

BLAME SALLY “Speeding Ticket And A Valentine” (Ninth Street Opus / Munich)

(4****)

Blame Sally is een vanuit San Francisco actieve meidengroep, waarin vier plaatselijke zingende liedjesschrijfsters in 2000 onder het motto “Samen (nog) sterk(er)!” hun krachten bundelden. Regelmatig samen wat jammen deed bij Pam Delgado, Renée Harcourt, Jeri Jones en Monica Pasqual indertijd het idee rijpen, dat een samenwerkingsverband hun carrières alleen maar goed zou gaan doen. En tot op zekere hoogte kregen ze daarin ondertussen ook gelijk. Een nog vrijwel dagelijks toenemende fanschare en een inmiddels toch ook alweer vijf albums tellende productie wijzen alvast op een perfect leefbare situatie. En met het onlangs verschenen “Speeding Ticket And A Valentine” lijkt het allemaal alleen nog maar beter te zullen gaan worden. Dat door Ninth Street Opus opgepikte album heeft immers echt alles in huis om op relatief korte termijn tot een doorbraak op wat grotere schaal voor de vier dames te gaan leiden. Nog nooit klonken hun in folk, country en Americana gewortelde liedjes zo af als hier. Het kwalitatief echt wel ijzersterke songmateriaal, de dito instrumentale prestaties en vooral ook de (samen)zang hebben een bepaald zinnenprikkelend effect op je als luisteraar. Knap, hoe de vier hier durven te flirten met andere, veel populairdere stijlen als pop en rock om hun muziek ook voor de grote massa aantrekkelijk te maken, zonder daarbij hun roots uit het oog te verliezen. Knap ook, dat ze dat überhaupt kunnen zonder daarbij – Al was het ook maar heel even! – uit de bocht te gaan. Het maakt van deze vijfde van Blame Sally een schijf, die niet enkel bij liefhebbers van Americana en aanverwante genres in de smaak zou moeten kunnen vallen, maar ook bij muziekliefhebbers met een neus voor wat goed is tout court. Dit horen is het ongetwijfeld ook kopen!

Blame Sally

Ninth Street Opus

 

DANIEL GLEN TIMMS “Life’s An Illusion” (Blue Earth Records)

(3,5****)

De Amerikaan Daniel Glen Timms is het soort van artiest, waar je eigenlijk alleen maar bewondering kan voor hebben. Wat hij de voorbije jaren zoal allemaal gedaan heeft om toch maar muziek te kunnen blijven maken, grenst werkelijk aan het ongelooflijke. Zelfs tijdelijk twee dagtaken per etmaal moeten kloppen was hem niet teveel. En dan toch ook nog de tijd weten te vinden om je verder te bekwamen als zanger, songwriter en gitarist… Je moet het maar doen, denken wij dan. Timms, die zijn eerste stappen in het vak zette in Louisiana, later geruime tijd in Californië actief was en dezer dagen een thuis heeft in Nashville, toont zich op zijn ondertussen ook alweer derde cd “Life’s An Illusion” ook op muzikaal vlak een doorzetter. Als er al één ding is, wat uit de tien songs daarop duidelijk blijkt, dan is het wel, dat hij er bepaald niet op uit is om het ons gemakkelijk te maken om hem in het één of andere hokje onder te brengen. Zijn vele omzwervingen maakten van Timms in de eerste plaats een muzikale omnivoor. En alles, wat hij door de jaren heen zoal tot zich heeft genomen, duikt hier en nu allemaal wel ergens even terug op. Wat maakt, dat op “Life’s An Illusion” – Zacht uitgedrukt! – variatie troef is. Openingsnummer “Thirty Thousand Days” bijvoorbeeld is mede dankzij een zonnige blazersbijdrage van de Texicali Horns een streepje rete-aanstekelijke “witte” R&B, “Lover Of Herself”  knappe, licht melancholische roots pop, “Do It Right” door Tommy Butler met wat pedal steel gelardeerde, naar “Americana the California way” overhellende pop, “Do It Right” buitengewoon melodieus uit de hoek komende “adult alternative” met een aantrekkelijk soulrandje, “Dream All Day” lijzige, een zekere hang naar de seventies etalerende folk pop met bescheiden symfonische neigingen, de pianoballade “Wild Blue Ocean” gewoon pop tout court en “Cumberland” een heus Americana-stampertje. Voor elk wat wils hier met andere woorden en zo mogen wij het, zoals wellicht al wel langer geweten, juist graag hebben. En al zeker als dat dan ook nog eens zo catchy gebeurt als op “Life’s An Illusion”!

Daniel Glen Timms

CD Baby

 

MANDOLINMAN “Old Tunes, Dusted Down” (Majestic / Munich)

(4****)

Over toepasselijke titels gesproken, dit is er dus wel degelijk één! Stokoude deuntjes afstoffen is immers exact wat het viertal ManDolinMan op zijn debuut doet. Je zou het een soort van conceptplaat kunnen noemen. En een eerbetoon ook wel. Aan het adres van “de Vlaamse Alan Lomax” Hubert Boone met name. Al sinds de vroege jaren zestig maakt die er zowat zijn levenswerk van om traditioneel Vlaams liedgoed van de vergetelheid te redden. En een goede handvol van die liedjes horen we nu terug op de eersteling van de groep rond zijn zoon Andries. Samen met zijn vader en zijn maats Maarten Decombel, Peter-Jan Daems en Dirk Naessens schreef de jonge Boone de arrangementen daarvoor. Diverse mandolines, een mandola en een mandocello werden bovengehaald om lokale melodieën aan een hoegenaamd universeel karakter te helpen. Kenner Jan De Smet heeft immers overschot van gelijk, als hij in de liner notes van het album opmerkt, dat je veel van deze deuntjes zonder de nodige voorkennis nog maar moeilijk zou kunnen situeren. Vindplaatsen als Elewijt, Eppegem, Zaventem, Hofstade, Winksele, Hever en andere vermoed je er vaak al helemaal niet meer achter. En dat is dan vooral als een serieus compliment bedoeld. Hier wordt immers zo geïnspireerd met het muzikale erfgoed van de eigen regio omgesprongen, dat het iets volstrekt onweerstaanbaars over zich heen krijgt. Nu eens dartel als een jong veulen in een veel te grote weide, dan weer heerlijk melancholisch, steeds elegant, je wordt hier als liefhebber als het ware bedolven onder de bijna tastbaar van joie de vivre borrelende ideeën. Het maakt van het volledig instrumentaal gehouden “Old Tunes, Dusted Down” zondermeer één van de mooiste Belgische platen van het jaar tot op heden. Misschien zelfs wel gewoon de allermooiste tout court.

ManDolinMan

Munich Records

 

BIG DADDY WILSON “Thumb A Ride” (Ruf / Munich)

(3,5****)

Met zijn vorige plaat, het bijzonder knappe “Love Is The Key”, oogstte Big Daddy Wilson in Europa al behoorlijk wat bijval. Niet meer dan logisch dan ook, dat hij op “Thumb A Ride”, zijn nieuwe schijf, het daarop ingeslagen pad nog wat verder bewandelt. En dat is eigenlijk maar goed ook, want wat klinkt dit allemaal weer heel erg lekker! Gelijk van bij de eerste tonen van het “Thumb A Ride” openende titelnummer grijpt Wilson ons met zijn zalige donkerbruine stem weer stevig bij ons nekvel om ons pas goed en wel drieënvijftig minuten later weer los te laten. Vreemd toch, hoe van elke vorm van overbodige opwinding verstoken gebleven muziek als deze je toch ogenblikkelijk volledig kan inpalmen. Het zegt iets over de kwaliteit van de liedjes van Wilson en zijn kompanen Jochen “Skinny Joe” Bens en Michael “Big Chief” van Merwyk. Met zijn drieën waren zij verantwoordelijk voor twaalf van de dertien op “Thumb A Ride” gebrachte songs. Het resterende nummer is een “groovy” cover van “Brother Blood” van de Neville Brothers. Het “Big Daddy Wilson Trio” schreef overigens niet enkel zo goed als alle nummers samen, het nam ook zo ongeveer alle instrumenten voor z’n rekening. Enkel akoestische bassist Andreas Müller en percussionist Martin Esser werden tijdens de opnames van het album in januari van dit jaar in het Duitse Oldenburg ook in de studio geduld. Zij mochten een bescheiden bijdrage leveren aan een tot de nok toe met prima akoestische bluesjes en ander aanverwant rootsy materiaal gevulde schijf. Nu eens gezapig swingend, zoals in het titelnummer, “Baby Don’t Like It”, het zomerse “Sweet Tooth” en het door collega-singer-songwriter Greg Copeland geïnspireerde en best wel wat swampy aandoende “Four Daughters And A Strong Loving Wife”, dan weer eerder ingetogen zoals bijvoorbeeld in het buitengewoon fraaie liefdesliedje “Anna Mae” – Wat ons betreft zondermeer hét absolute klapstuk hier! – of de soulvolle afsluiter van de feestelijkheden, “If You Were Mine”. Hoegenaamd zonder uitzondering prima spul! Of om het met de woorden van de op dit vlak eigenlijk veel beter dan ons geplaatste Eric Bibb in de liner notes te zeggen: “Big Daddy Wilson’s music is all heart and natural soul. What a fabulous voice! His latest album “Thumb A Ride” is a joyful sound, bound to make a lot of music-lovers very happy indeed!” Hebben wij maar bitter weinig aan toe te voegen.

Big Daddy Wilson

Ruf Records

 

VARIOUS “Hymns From Home – That Thing That’s A Whole Lot Bigger Than This” (Hemifrån)

(5*****)

Geen betere manier om je artiesten te slijten dan door op gezette tijden uit te pakken met een eigen compilatie, waarop deze uitgebreid aan bod komen. En op dat vlak geniet het al enkele jaren als Europese patroonheilige voor zo menig een Americana act fungerende Zweedse Hemifrån sinds zijn eerste twee verzamelaars al een poosje van een uitstekende reputatie. Iets, waar met deze nieuwe sampler alvast zeker geen verandering in zal gaan komen. Ditmaal heeft initiatiefnemer Peter Holmstedt zichzelf immers nog flink overtroffen. Daarmee ingaand op een suggestie van betrokken singer-songwriter Greg Copeland opteerde hij “this time around” voor twintig veelal exclusief hier te vinden liedjes met betrekking tot “dat ene iets, dat zoveel groter is dan dit alles”. En dat met werkelijk verbluffend mooi resultaat. Eerlijk is eerlijk: een betere verzamelaar hoorden wij hier al in tijden niet meer. Met dank aan de al genoemde Greg Copeland, Anthony Crawford, Steve Noonan, Jack Tempchin, Dan Krikorian, I See Hawks In L.A., Kate Campbell, Marc Black, Keith Miles, Elliott Murphy, The Plastic Pals, JD Souther, Mikael Persson, Jude Johnstone, Pelle Johanson, Judy Collins, Gary Wright en Citizen K. En al heeft het al bij al eigenlijk weinig zin om hier de hoogtepunten van dit album beginnen op te sommen, er zijn er immers zo ontzettend veel, toch willen we je enkele tracks absoluut niet onthouden. Met name de ingetogen Americana-parel “If You Lead I Will Follow” van I See Hawks In L.A., het zo’n beetje als titelnummer van de collectie fungerende “Something Bigger Than This” van Keith Miles, Greg Copelands perfect daarbij aansluitende “My Favorite Dream”, Elliott Murphy’s subtiel countryesk ingevulde “The Eternal Highway”, Jude Johnstone’s eigen versie van het je van één van de laatste albums van “The Man In Black” bekende “Unchained” en vooral ook Jack Tempchins “Jesus & Mohammed” behoren stuk voor stuk tot het allerbeste wat wij hier dit jaar op songvlak al te horen kregen. Briljant spul zondermeer! En een absolute aanrader derhalve ook.

Hymns From Home (Hemifrån)

 

STIV CANTARELLI “Innerstate” (El Cortez Records / Bertus)

(4****)

Zijn eerste platendeal tekende de Italiaan Stiv Cantarelli al in 1999. Als kopstuk van Satellite Inn werd hij indertijd door het vanuit Cary, NC actieve MoodFood Records benaderd om er de het label net verlaten hebbende Ryan Adams en Whiskeytown te komen vervangen. En dat zegt eigenlijk best wel veel over de artiest Cantarelli. Want dat is inderdaad een hele goede. Spijtig genoeg werd hij in zijn aanvankelijk behoorlijk steile opmars ook vrijwel meteen weer flink afgeremd door het plotse faillissement van zijn toenmalige broodheren. Meteen ook einde verhaal voor Satellite Inn. Voor Cantarelli ging het leven echter gewoon door aan het hoofd van het rootsrockcollectief Gold Rust. Tot in 2006 meer bepaald, toen hij de tijd eindelijk rijp achtte om solo te gaan. Al dien je dat laatste met een flinke korrel zout te nemen, als we het hebben over zijn debuut onder eigen naam. Die plaat nam hij immers op met niemand minder dan het gereputeerde Richmond Fontaine als backing band. Zelf nam hij naast de zang zowel de akoestische als elektrische gitaren voor zijn rekening en deed her en der ook zijn ding op harmonica en bas. Willy Vlautin (zang in “A Farewell Letter”), Dave Harding (bas), Sean Oldham (drums en percussie), Dario Neri (slidegitaar en percussie) en Trush Morsink (elektrische gitaar en zang) zorgden voor de rest. En dat mondde uit in een plaat, waarop Cantarelli ruim een decennium lang aan Americana-ervaring ten volle kon laten renderen. Prachtige, veelal eerder donker aandoende “soundscapes” vormen de sfeervolle achtergrond, waartegen hij met zijn berookt gruizige stem zijn verhalen slijtend invloeden als een Steve Earle en precies de eerder al even genoemde Ryan Adams verraadt. Heel knap gedaan allemaal en daarom willen we je hier graag ook even wijzen op enkele optredens, die de beste man eind deze maand in het voorprogramma van Richmond Fontaine in onze kontreien zal afwerken. Op 28 september staat hij zo bijvoorbeeld in de Trix in Antwerpen, op 29 september wordt concertzaal Vera in Groningen aangedaan en op 1 oktober is de Amsterdamse poptempel Paradiso aan de beurt. Naast fans van Richmond Fontaine moeten zeker ook die van Ryan Adams en co beslist één van die avonden vrijhouden. Ze zullen het zich absoluut niet beklagen! Met deze Cantarelli zullen ze er immers gegarandeerd een nieuwe held aan overhouden.

Stiv Cantarelli op MySpace

Bertus

 

SARAH LEE GUTHRIE & JOHNNY IRION “Bright Examples” (Ninth Street Opus / Munich)

(4****)

Benieuwd, of na dit nieuwe album de kritische neuzen met betrekking tot Sarah Lee Guthrie en Johnny Irion nog steeds unaniem richting Gram en Emmylou zullen wijzen. Dit is immers geheel en al andere koek dan wat we tot op heden van het echtpaar gewoon waren. Het ijle openingsnummer “Ahead Of Myself” heeft zo bijvoorbeeld wel iets weg van een Neil Young in één van zijn introspectievere buien, het meteen daaropvolgende “Never Far From My Heart” houdt zich op in ooit ook wel eens door The Jayhawks gefrequenteerde alternatieve countrybuurten, “Speed Of Light” gaat, daarbij aangejaagd door een bijzonder sprankelend uit de hoek komende gitaar, op zoek naar de sixties beat roots van het duo en “Seven Sisters” verdient wat ons betreft zonder blikken of blozen het predicaat country soul. “Target On Your Heart” is vervolgens bloedmooie, met een Spector-motiefje en fraaie samenzang opgewaardeerde country rock, “Hurry Up And Wait” bewandelt fraai nog even verder hetzelfde muzikale straatje, “Dupont Circle” biedt een al bij al behoorlijk weemoedige kijk op folk(rock), “Butterflies”, het misschien wel mooiste nummer van alle hier, is fraaie ingetogen “Americana pur” en ook “First Snow” deed ons weer denken aan de Neil Young van bij het begin van de jaren zeventig. Resten nog: de ook al wonderschone trage “Cry Quieter”, het bedaarde streepje roots pop “Company I’m Keepin’” en het titelnummer, een louter gevoelsmatig bekeken wel iets met blues hebbende alt.-country-sleper. Je merkt het, variatie absoluut troef hier! En dat doet Guthrie en Irion wat ons betreft hoorbaar goed. Dat en allicht ook de vele interessante gasten, die zich aandienden voor het inblikken van “Bright Examples”. Daaronder Jayhawks Gary Louris en Mark Olson, Ryan Adams-sideman Neal Casal, snarenvirtuoos Charlie Rose en “in demand” toetsenist Radoslav Lorkovic.

Sarah Lee Guthrie & Johnny Irion

Ninth Street Opus

 

THE GOOD INTENTIONS “Someone Else’s Time” (Boronda Records)

(3,5****)

Een oud Engels gezegde wil, dat “the road to hell is paved with good intentions”. Maar dat lijkt dezer dagen ook zo voor die richting Americana-hemel. Alvast geen gebrek aan goede voornemens hier! Een bijzonder diepgewortelde (voor)liefde voor folk, old-time country en bluegrass, hecht harmonieerwerk, als heel erg “down to earth” te omschrijven, maar tegelijk ook oerdegelijke instrumentale prestaties en buitengewoon knap songschrijfwerk leiden alweer tot een moot volstrekt tijdloze Americana namens het vanuit Liverpool actieve “threesome” The Good Intentions. Heel wat van de elf R. Peter Davies originals op “Someone Else’s Time” klinken zelfs alsof ze ruim een halve eeuw geleden voor het eerst het daglicht zagen. Stateside, that is! Want vergis je vooral niet, ondanks de Britse uitvalsbasis van het trio Davies, Monk en Roskell is dit een op-en-top Amerikaans aandoend product! Fantastische productiejob ook, die “ouwe getrouwe” Rick Shea hier verrichtte! Hij en zijn maatje Brantley Kearns tekenden voorts ook voor bijdragen op de akoestische, pedal steel, dobro, mandoline en fiddle. De vooral van Last Train Home bekende Eric Brace stak dan weer vocaal een handje toe, David Jackson bewerkte zijn “doghouse bass” en accordeon en Dave Raven zag het allemaal gebeuren van achter zijn drumstel. Enkele onverbintelijke luistertips: het je van meet af aan heel erg bekend in de oren klinkende, maar bij nader inzicht toch origineel blijkende en volop tot meezingen uitnodigende streepje old-time country “Oh My Darling”, de verstilde Americana-oorwurm “Lonely Train” en zeker ook het zijn titel alle eer aandoende “Coal Miner’s Lament”. Dat laatste is wat ons betreft een heuse classic in wording!

The Good Intentions

CD Baby

 

FLORENCE JOELLE’S KISS OF FIRE “Florence Joelle’s Kiss Of Fire” (Zoltan Records)

(5*****)

Zelden zo van mijn sokken geblazen geweest door een debuutplaat als door deze van de in Parijs geboren en getogen, maar ondertussen wel Londen haar thuishaven noemende Florence Joelle en haar Kiss Of Fire. Met een echt wel ongewoon lenige stem als hun voornaamste bondgenoot kronkelen zij en haar kompanen Huck Whitney (gitaar - The Flaming Stars), Chris Campion (bas) en Arthur Lager (drums en percussie – Gallon Drunk, The Scientists) daarop behendig over een songveld bezaaid met een veelheid aan de meest uiteenlopende stijlen. Via het tegen een krolse jungle beat aanhikkende “Hell Be Damned And Look Out (You May Only Live Once)” gaat het zo gelijk aan een rotvaart richting de nachtelijke achterbuurten-jazz & roll van “Stardust Merchant”, een bloedgeil tegen je aan kruipende cover van Chick Webbs “When I Get Low I Get High”, het met een vleugje Latin gekruide rustpuntje “I’ll Come Running” en het haar jeugd in het muzikale gezelschap van Django Reinhardt en aanverwanten mooi blootleggende “Gypsy Boy”. “True To Myself” is vervolgens dan weer een geweldig aanstekelijk rockabilly-opstootje, “Watermelon Gin” een in pure lust verpakte valse trage, “Unchain My Heart” een met niet de minste vorm van respect voor het origineel neergekwakte cover van de gelijknamige Ray Charles- en Joe Cocker-hit, “Never Thought I’d See The Day” een superswingende uitstap richting old-time R&B en het afsluitende “The Look In His Eyes” een uitermate bezwerende escapade doorheen Peggy Lee-territorium. Zonder uitzondering superlekker allemaal! Die stem! Dat sublieme gitaarwerk! Die songs! Werkelijk op alle fronten “tops” gewoon! Wat mij betreft dan ook nu al een uitgesproken kandidaat voor de titel van “plaat van het jaar”!

Florence Joelle’s Kiss Of Fire op MySpace

 

BETH WIMMER “Ghosts & Men” (Radiosky Records)

(3,5****)

Derde volwaardige langspeler van de ondertussen in Zwitserland woonachtige Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Beth Wimmer en net als voorganger “Miracle Girl” van zo’n jaar of drie geleden is ook dat weer een alleraardigste plaat geworden. Met tien nieuwe liedjes van eigen hand en een bijzonder geslaagde, zo goed als volledig onthaaste swampy cover van Creedence Clearwater Revivals “Bad Moon Rising” scoort ze daarop zo menig een fraaie treffer. En dat lijkt ons in niet geringe mate mee de verdienste van de Italiaanse multi-instrumentalist Damiano Della Torre. Die nam immers niet enkel flink wat van de voor “Ghosts & Men” benodigde instrumenten voor zijn rekening, maar tekende samen met Wimmer zelf ook voor de productie daarvan. Mede dankzij zijn expertise en “fingerspitzengefühl” gaan Wimmers “true life stories and fantasy pieces on men past, present, and recently passed away” hier nog net wat innemender klinken dan dat voorheen al het geval was. Met wat ons betreft ditmaal speciale vermeldingen voor het zonderling soulvol aandoende tweetal “Damn Angel” en “Easier Life”, het zomers zwoele streepje roots pop “Lover On The Run”, het op bedaarde wijze naar haar dagen in “Sunny California” teruggrijpende “Sweet Tragedy” en de hoger al even vermelde CCR-adaptatie. Euro Americana om met recht en rede heel erg trots op te zijn!

Beth Wimmer

CD Baby

 

CONNIE SMITH “Long Line Of Heartaches” (Sugar Hill / Welk / EMI)

(4,5****)

Tsjonge, jonge, jonge, wat was het alweer lang geleden, dat we van deze geweldige zangeres nog eens iets vernamen! Veel té lang eigenlijk! In de categorie traditionele country tref je immers niet zo heel erg veel dames aan, die aan “Mevrouw Marty Stuart” gewaagd zijn. En dan doet het als fan natuurlijk dubbel pijn, als ze je telkens een kleine eeuwigheid op je honger laat zitten. Voor haar laatste worp moeten we zo al terug naar 1996 en ook daarvoor vergingen er al wachtend op nieuw werk van La Smith liefst achttien jaar. Connie Smith neemt er zich dus duidelijk haar tijd voor. En dat loont gelukkig ook telkens weer! Ook het met de waarschijnlijk enkel in een genre als country mogelijke titel “Long Line Of Heartaches” gezegende nieuwe album van Smith is weer een waar meesterwerkje. Gelijk van bij de eerste noten van het heerlijk “tonkende” openingsnummer (“Long Line Of Heartaches”) weet je, dat je hier weer goed zit voor ruim zevenendertig minuten ouderwets lekker vermaak. In die tijdsspanne serveert Smith ons een dozijn oertraditionele countrydeunen met een zo op het eerste gehoor bijzonder lange houdbaarheidsdatum. Een mix van met haar wederhelft Stuart gepende originelen en songmateriaal van vertrouwd klinkende songwriternamen, waarmee ze vaak ook in het verleden al eens samenwerkte. Zo brengt ze ondermeer de mooie trage “Ain’t You Even Gonna Cry” van Johnny Russell, laat ze zich helemaal gaan in het door Harlan Howard en Kostas aangedragen swingertje “I Don’t Believe That’s How You Feel”, tackelt ze de Dallas Frazier-Glenn Ashworth-tranentrekker “A Heart Like You”, honky-tonkt ze zich een weg doorheen Roy Drusky’s “Anymore” en haalde ze bij het trio Kostas – Patty Loveless – Emory Gordy, Jr. het om het nodige “steel-gehuil” smekende “That Makes Two Of Us”. Voorts stoten we hier ook nog op het hartverscheurende “My Part Of Forever” van Jerry Galen Foster en Wilburn S. Rice en op het al even aangrijpende “Take My Hand” van Diane Berry. De resterende vijf songs zijn gesigneerd Stuart & Smith. Met als sterkste momenten het al genoemde titelnummer en zeker ook het volop naar Bakersfield in z’n beste dagen lonkende “Pain Of A Broken Heart”. Door de band genomen toont Smith zich hier op latere leeftijd gewoon in de vorm van haar leven. Ze is echt geweldig bij stem en met haar vaste begeleiders van The Sundowners weet ze zich ook ideaal geruggensteund. Met name de rol van haar steelgitarist Gary Carter en haar “snarenrechterhand” Rick Wright kan ons inziens amper worden overschat. In een productie van Marty Stuart helpt dat tweetal Smith een aardig eindje op weg naar alweer een volstrekt tijdloze plaat. Eentje, waarmee je de “golden days of country” weer even helemaal terug mag wanen.

Connie Smith

Sugar Hill Records

 

JON BYRD “Down At The Well Of Wishes” (Longleaf Pine Records)

(3,5****)

Wij kenden hem al van zijn in 2007 verschenen album “Byrd’s Auto Parts” en wat gitaarkunstjes ten dienste van anderen, maar het zou ons allerminst verbazen, mochten velen van jullie voor het eerst met Jon Byrd hebben kennisgemaakt via “How To Talk To A Little Baby Goat”, ‘s mans bijdrage aan het eerder dit jaar op ons losgelaten “I Love: Tom T. Hall’s Songs Of Fox Hollow”, waarop hij naast onder anderen Patty Griffin, Buddy Miller en Jim Lauderdale op gepaste wijze hommage bracht aan “The Nashville Storyteller”. Misschien was het zelfs juist dat deuntje, dat genoeg interesse bij je genereerde om ook al even naar eigen materiaal van Byrd op zoek te gaan. En dat dient zich hier en nu dus aan met “Down At The Well Of Wishes”. Een nieuwe cd, waarmee Byrd ons alvast over de gehele lijn wist te bekoren. De man heeft een aangenaam gruizig aanvoelende stem, is een echte kanjer op zes snaren en heeft bovendien ook een meer dan aardig liedje in de vingers. Zijn aandacht in vrijwel gelijke mate verdelend over pure (songwriter) country, country soul en Americana toont hij hier negen nummers lang, dat hij zoveel meer dan een stek als populaire sideman waard is. Alleen al voor de laid back country beauty “Alabama Asphalt” en het schaamteloos in hartzeer grossierende en ongemeen soulvolle “In A Chest Of Skin And Bone” zou een mens zich een album als dit met veel plezier in huis halen. Deze hier toch!

Jon Byrd

 

JANE GILLMAN “Piscean Dreams” (High Road Records)

(3***)

 “Ways To Fly”, haar samenwerking met Darcie Deaville uit ‘94, meegerekend is “Piscean Dreams” het ondertussen vijfde album van Jane Gillman. Pas het vijfde! Pas, omdat Gillman al in 1986 debuteerde met “Pick It Up”. Maar liefst vijfentwintig jaar deed ze dus over die vijf schijven. En het eerste, wat je dan ook denkt, als je op haar nieuwe worp slechts zes liedjes aantreft, is, dat je daarvan toch wel iets meer verwacht had. Maar goed, een oordeel vellen louter en alleen gebaseerd op die voorkennis zou niet erg fair zijn en dat doen we hier dus ook niet. Trouwens, liever zes mooie songs dan twintig stuks, waarvan meer dan de helft op de keper beschouwd toch maar troep zou blijken te zijn. En die instelling loont hier! De zes songs op “Piscean Dreams” zijn immers zonder uitzondering van uitstekende makelij. Ze gingen er bij ons alvast in als zoete koek. Om te beginnen de medley van het over een lome zomerse beat gedrapeerde en wel wat van de prille Joni Mitchell hebbende “Taxicabs At Night” en het folkniemendalletje “Chinquapin Hunting”. Vervolgens het louter muzikaal gezien ergens in de buurt van dames als een Mary Chapin Carpenter of een Shawn Colvin strandende “Barefoot”, waarin ze heel toepasselijk stelt “Done with chasing someone else’s dreams!” Iets wat ook op het voorliggende “Piscean Dreams” zou kunnen slaan, aangezien Gillman daarmee naar eigen zeggen eindelijk het album maakte, dat ze al zo lang in haar achterhoofd had. “It’s from my heart,” aldus nog de artieste zelf. En daar blijkt het, afgaande op verder mooi spul als de fraaie jazzy pianoballade “Haiku Lines”, de dulcimergestuurde neo-Appalachenfolk van “Year Of The Dog”, het gevoelige “Collieston” en de samen met Riley Osborn (piano) en Ed Friedland (elektrische en akoestische bassen) in triobezetting ingespeelde klassieke popdeun “Cold Shoulder”, best aangenaam toeven. En op die manier ga je als luisteraar uiteindelijk dus toch nog verlangen naar meer en is de cirkel hier weer helemaal rond…

Jane Gillman

CD Baby

 

RICHARD BUCKNER “Our Blood” (Decor Records / Bertus)

(4****)

Hoeveel kan een mens eigenlijk hebben? Songsmid Richard Buckner zal het zich de voorbije jaren wellicht meermaals hebben afgevraagd. Kort na het verschijnen van zijn vorige album “Meadow” begonnen op het internet immers plots de vreemdste verhalen over hem op te duiken. De mens Buckner zal daarbij allicht het hardst zijn getroffen door dat over zijn opsluiting in een moordzaak. (Men verdacht er hem ten onrechte een poosje van iets te maken te hebben met een onthoofd lijk in een uitgebrande wagen!) De artiest Buckner daarentegen zal zo menig een vloek hemelwaarts hebben gericht, toen tijdens een eerste poging om een nieuwe plaat in te blikken zijn opnameapparatuur het plots compleet begaf en later tot overmaat van ramp bij een inbraak bij hem thuis ook nog eens zijn laptop met daarop het al grotendeels afgewerkte materiaal daarvoor werd gestolen. Dit zou er ondermeer toe leiden, dat Buckner zijn negende met een flink gekrompen budget quasi solo opnam. Alle gitaarwerk, zowel het akoestische als het elektrische, wat toetsenbijdragen en zelfs enige percussie-inbreng dragen zijn eigen signatuur. Voor een drietal nummers kreeg hij wel wat ondersteuning van pedal steel-tovenaar Buddy Cage (New Riders Of The Purple Sage). En een enkele keer voorts ook nog van Sonic Youth’s Steve Shelley. Voor de productie tekende tenslotte de ondermeer van zijn werk met Calexico en Richmond Fontaine bekende JD Foster. En die stootte op een Buckner in een enigszins bezadigdere mood dan gewoonlijk. Misschien wel wat getekend door alle hem te beurt gevallen tegenspoed after all, wie zal het zeggen… Feit is, dat ’s mans schrijfsels in een al bij al behoorlijk rustige omgeving eigenlijk alleen nog maar beter tot hun recht zijn gaan komen. De veelal eerder intimistisch gehouden songs vormen als het ware het ideale decorum voor Buckners hoogst persoonlijke verhalen over mislukkingen, zich bedrogen weten en andere “dead end streets”. Heerlijk poëtisch vormgegeven allemaal en vooral ook heel erg intens van aard. En dus is hier naar onze bescheiden mening ook sprake van niks minder dan een in haar geheel als ijzersterk te bestempelen comebackplaat. Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Richard Buckner

Decor Records

Bertus

 

LOUISIANA RED & LITTLE VICTOR’S JUKE JOINT “Memphis Mojo” (Ruf / Munich)

(4****)

Het in 2009 verschenen “Back To The Black Bayou” was wat je noemt een echte “retour de force”. Met die plaat maakte Iverson Minter alias Louisiana Red na enkele al bij al toch wat mindere worpen eindelijk nog eens duidelijk, waarom hij door zo vele bluesliefhebbers nog steeds tot het selecte kransje der nog in leven zijnde echte genrelegendes wordt gerekend. Kwalitatief gezien zocht en vond “The Giant of Blues” daarop aansluiting bij zijn veel geroemde plaatwerk van de vroege jaren zestig. Met nogal wat verwijzingen naar de hoogdagen van Chicago-grootheden als Muddy Waters en Howlin’ Wolf ook. Het soort van spul met andere woorden, dat je met een gerust gemoed kon aanbevelen aan liefhebbers van “the real thing”. En dat, om een lang verhaal kort te maken, geldt ook weer voor ’s mans nieuwe album, het andermaal met Little Victor’s Juke Joint ingeblikte “Memphis Mojo”. Ook daarop klinkt Louisiana Red weer bijzonder gefocust. In elf eigen songs en een smaakvolle cover van Blind Lemon Jeffersons “See That My Grave Is Kept Clean” leeft hij zich uit als een klein kind in een snoepwinkel. Daarbij terloops nogal wat klassiek bluesterrein bestrijkend. Zelf tekent hij uiteraard voor zowel de zang als het merendeel der leadgitaarpartijen, Little Victor zorgt voor ondersteunend snarenwerk, Bob Corritore excelleert op de mondharmonica, Mookie Brill en Bill Troiani wisselen elkaar af op de bas en Alex Pettersen neemt het drumwerk voor zijn rekening. En verder stoten we ook nog op de namen van The Hawk (percussie, maracas en gitaren) en David Maxwell (piano). Onder de productionele hoede van Little Victor baande dit achttal zich in de Leeway Studio in Memphis, Tennessee vakbekwaam een weg doorheen een zorgvuldig bij die van Reds vorige album aansluitende songselectie. En dat levert nogal wat “groovy” momenten op! Wij noemen in dat verband bijvoorbeeld graag het sympathiek schokschouderende, bij wijze van uitzondering door Little Victors gitaar aangejaagde “Goodbye Blues”, het soulvolle en wel bijzonder veelzeggende “I Had Troubles All My Life”, de eerder al even aangestipte Blind Lemon Jefferson-cover “See That My Grave Is Kept Clean” met Minter al “slidend” in bijzonder goeden doen, het de aandacht keurig tussen gitaar, harmonica en piano verdelende slepertje “Yolanda”, het zijn titel al wervelend werkelijk alle eer aandoende “Boogie Woogie Boogie” en vooral ook het in minimale bezetting opgenomen “So Long, So Long”, dat je “in no time” zo ver heeft, dat je met de voet fanatiek z’n ritme op een ingebeelde gitaarkoffer gaat mee stampen. Real quality stuff!

Louisiana Red

Ruf Records

 

SIGNE TOLLEFSEN “Hayes” (Cavalier / V2)

(4****)

Het zat er eigenlijk wel al een beetje aan te komen. De buitengewoon eigenzinnige materiaalkeuze voor haar vorig jaar verschenen cover E.P. “Baggage” had het al voorzichtig aangekondigd en nu is het ook effectief zo ver. De Nederlands Amerikaanse zangeres Signe Tollefsen neemt met haar nieuwe cd “Hayes” de scherpe haarspeldbocht tussen een nog grotendeels door folkinvloeden gedomineerd geluid en een meer rockgeoriënteerde aanpak. Of van “Signe-met-bloemetjes” naar “Signe-met-ballen”, zoals haar platenbaas Bert de Ruiter van Cavalier het al heel erg treffend wist te verwoorden. Her en der klinken er daarbij best nog wel wat resten van de oude Signe door, maar op “Hayes” doet ze toch vooral haar stinkende best om van een overwegend akoestisch geluid richting een beduidend meer elektrisch gekleurd voorkomen te evolueren. Op die manier wellicht het pad effenend voor een wat royaler uitvallende afname van haar materiaal. De Tollefsen anno nu lijkt immers helemaal klaar om een wat prominentere rol te gaan spelen binnen de genres (alternatieve) pop en rock. Zonder daarvoor overigens constant “in overdrive” te moeten gaan. Heel wat van de liedjes op “Hayes” zijn nog steeds eerder introvert van aard. Melodieus, maar ook aan de wat donkere kant, aardig weemoedig zo nu en dan. En dat is maar goed zo ook, want precies in die hoek lijkt Tollefsen zich “nach wie vor” het best in haar vel te voelen en tekent ze ook weer voor zo menig een kippenvelmomentje. Waarvoor dank trouwens ook aan het adres van Ralph Timmermans van Mindpark, die samen met Tollefsen zelf tekende voor de productie van “Hayes” en voor het bespelen van het merendeel van de erop te horen instrumenten. Een samenwerkingsverband, waarvoor Signe zelf later de term “magisch” in de mond zou nemen en daar kunnen we hier op basis van het gebodene perfect inkomen. Onze vrijblijvende luistertips: het met name door z’n onheilspellende gitaarachtergrond en ijle sirenenzang behoorlijk “spooky” uit de hoek komende “Drunk Orchestra”, de ons aan Margo Timmins en haar Cowboy Junkies in hun allerbeste dagen herinnerende trage “Speak To Me”, het door wat subtiel banjogepingel nog enigszins richting Americana lonkende (rockertje) “Where You Been” en vooral ook de tot diep onder de huid gaande ballad “Make Me A (Wo)Man”. Met nummers van dat kaliber onder de arm lijkt een internationale doorbraak voor Tollefsen ons zo stilaan louter nog een kwestie van tijd.

Signe Tollefsen

Cavalier Recordings

 

RAY BONNEVILLE “Bad Man’s Blood” (Red House Records / Music & Words)

(5*****)

Sinds 2004, toen hij bij het Amerikaanse huis van vertrouwen Red House Records onderdak vond, heeft de carrière van de in Canada geboren, maar dezer dagen in de States, meer bepaald in Austin, residerende singer-songwriter Ray Bonneville een serieuze vlucht genomen. “Goin’ By Feel”, zijn vorige cd, werd her en der gelauwerd als één van de beste platen van 2008 en bevatte met “I Am The Big Easy” ook het in de States meest gedraaide folknummer van dat jaar. En dat, geloof ons vrij, is een redelijk straffe prestatie. Maar goed, to the point! Hoe goed dat album ook al was, het verbleekt toch helemaal bij ’s mans nieuwste. Dat schijfje, “Bad Man’s Blood”, is wat je in kritische Amerikaanse schrijfsels wel eens als “a career defining record” omschreven ziet. Die ene plaat, waarvoor men je ook jaren later nog zal roemen. Een veritabel meesterwerk! Bonneville in geweldig groten doen dus. Met zijn meesterlijke verhalen op onnavolgbare wijze in de voetsporen van eigen favoriete auteurs als Cormac McCarthy en Flannery O’Connor tredend. Beklijvend zondermeer, hoe hij ons toegang verschaft tot de levens van zijn immer markante personages. Karakters, waarvoor hij inspiratie zocht en vond bij ongewone verschijningen, die hem tijdens een leven lang “on the road” voor de voeten kwamen. Goed voor een trits uitermate boeiende kortverhalen, die gesitueerd in een verre van perfecte wereld, waarin hoop en wanhoop vaak heel erg dicht bij elkaar blijken te liggen, vrijwel meteen naar de keel grijpen. En als je daar dan ook nog eens aan toevoegt, dat Bonneville over een geweldige “donkerbruine” stem beschikt, in Americana-middens één van de drukst gesolliciteerde gitaristen is en bovendien ook een meester op de mondharmonica, dan weet je, dat zo goed als alles hier klopt als een bus. Ook al omdat hij in Justin Douglas ook nog eens de juiste hulp voor de productie van “Bad Man’s Blood” wist in te lijven en in Gurf Morlix de ideale studio-rechterhand. Die Morlix levert bijdragen op tal van gitaren, bas en banjo en zingt her en der ook een mondje mee. Mike Meadows en Dexter Payne vervolledigen op respectievelijk drums en percussie-instrumenten en diverse saxen het bewust spaarzaam ingevulde plaatje. Onze luistertips: het de recente overstroming van de gelijknamige rivier als onderwerp gebruikende eerste singletje “Mississippi”, het indringende, op hoogst aparte wijze loom funky werkende titelnummer en het ondermeer door zijn deels in het Engels, deels in het Frans voorgedragen tekst sfeergewijs een weinig richting het vroegwerk van Daniel Lanois overhellende akoestische bluesje “Blonde Of Mine”. Dat zijn in onze ogen – Oren? – de zondermeer lekkerste krenten uit een pap werkelijk boordevol daarmee. Noem dit dan ook maar gerust een essentiële aanschaf!

Ray Bonneville

Red House Records

 

JOSH HARTY “Nowhere” (Magnolia Recoding Company)

(3,5****)

Van deze kerel gaan we, als je het ons vraagt, in de toekomst zeker nog het één en ander horen. Wat hij op het amper zeven liedjes tellende “Nowhere” brengt, is immer zó ontzettend goed, dat je amper anders kan dan van een supertalent te gewagen. Zo mogen wij onze Americana nu eens graag hebben, zie! Een knappe, wat “gebronsd” aandoende stem, fraaie teksten en daar amper voor onder doende melodieën, veelal van het eerder ingetogen type, bijzonder warmbloedig gebracht tegen een alle overbodige franje zorgvuldig omzeilende muzikale achtergrond. Deed ons bij momenten een heel klein beetje denken aan de jonge Richard Buckner. Maar echt maar een heel klein beetje dan. En dat gold al zeker niet voor de prima live cover van Richard Thompsons “1952 Vincent Black Lightning”, waarmee na nog geen zevenentwintig minuten de pret jammer genoeg al voorbij bleek. Maar goed, er bestaat natuurlijk nog zoiets als een repeat-toets, he…

Josh Harty

 

DEADMAN “Live At The Saxon Pub” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

In de States verscheen dit album al in het najaar van 2010. Maar zoals dat wel vaker gaat, werd er toen in Europa nog niet echt veel aandacht aan besteed. En daar hoopt men nu met deze speciaal voor de cd-markt hier bestemde release alsnog verandering in te brengen. Wellicht ook met het oog op het later dit jaar nog te verschijnen “Take Up Your Mat And Walk”, de echte nieuwe cd van Deadman. Kwestie van iedereen er goed op tijd nog eens aan te herinneren, hoe goed deze vanuit Dallas actieve band rond zanger-songmid Steven Collins wel was. Met de nadruk op was. Na een blitzstart met de albums “Paramour” (2001) en “Our Eternal Ghosts” (2004) en de mini “In The Heart Of Mankind” (2005) was het immers al even snel weer heel erg stil geworden rond Deadman. En dat had wellicht alles te maken met de liefdesbreuk tussen kopstuk Collins en zijn vrouw Sherilyn, ook een lid van de groep. Collins was daar danig ondersteboven van, dat de groep tijdelijk “on hold” kwam te staan. Pas vele jaren later raapte hij opnieuw de nodige moed bij elkaar, rekruteerde in muziekstad Austin een volledig nieuwe band en ging voorzichtig weer aan de slag. In de plaatselijke Saxon Pub met name, waar hij en de zijnen zich al snel wisten te verzekeren van een vast stekje. En dat loonde! De alsmaar groter wordende publieke belangstelling tijdens Deadman’s optredens aldaar deden Tyler immers merkbaar goed. Zijn zelfvertrouwen en zijn zin om te spelen gingen daardoor weer flink toenemen en plots leek de toekomst voor de beste man weer een stuk rooskleuriger. En dus besloot hij ook maar om één van die momenten, waardoor het zo ver had kunnen komen, te laten vereeuwigen. Het betreft daarbij een op 30 maart van vorig jaar ingeblikt optreden, aangevuld met wat ouder en jonger materiaal. Materiaal, dat Deadman nu aan Europese rootsmuziekliefhebbers presenteert als een extreem getalenteerde bende. Als een groep, die met name bij liefhebbers van het materiaal van huisfavorieten als The Band en The Gourds wel eens tot euforische momenten zou kunnen gaan leiden. Met z’n van blues- en gospelelementen doordrongen roots rock en Americana frequenteert Deadman immers nadrukkelijk dezelfde (achter)straatjes als die beide acts. De sterkste troeven van het collectief blijken daarbij naast de vrijwel zonder uitzondering ijzersterke songs van Collins en diens soulvol gruizige zang vooral ook een stel prima gitaristen (Jacob Hildebrand en Kevin McCollough) en een al even sterke toetsenman (Matthew Mollica). Het zijn met name die elementen, die Deadman in het verleden al meer dan eens vergelijkingen met precies The Band, Little Feat, de Grateful Dead en ook wel Van Morrison ten tijde van “Tupelo Honey” hebben opgeleverd. En dat is wat ons betreft terecht ook. Zo goed als alles klopt hier immers als een bus. Van de ongemeen doorleefde zang van Collins over de bij momenten erg gospelesk aandoende achtergrondkoortjes tot de echt wel sprankelende gitaarpartijen, van het heerlijke, ouderwets gloedvolle toetsenwerk over een geoliede ritmetandem tot het hier hoger al geroemde songmateriaal, gewoon alles blijkt hier fameus goed. Zelfs de als bonus track aan het geheel toegevoegde Van Morrison-cover “Rough God Goes Riding” hadden we ons amper pakkender kunnen wensen. En dus slagen de mensen van platenlabel Rootsy wat ons betreft ook met brio in hun opzet. Onze aandacht hebben ze bij dezen goed beet! Wij kijken immers nu al met veel belangstelling uit naar de later dit jaar te verschijnen nieuwe worp van Deadman. Zou u ook moeten doen!

Deadman

Rootsy

Sonic Rendezvous

 

JJ GREY & MOFRO “Brighter Days” (Alligator Records / Munich)

(4,5*****)

Eén enkele plaat van JJ Grey & Mofro in huis hebben volstaat eigenlijk al ruimschoots om te weten, welk vlees je met dit zevenmanschap in de kuip hebt. Grey en kompanen belichamen immers sinds jaar en dag zo ongeveer al het goede wat het muzikale Amerikaanse Zuiden te bieden heeft. Echte grootmeesters zijn het in het integreren van warmbloedige Southern soul, resoluut op de benen mikkende funk en blues in hun materiaal. Wat dat betreft blijven ze sinds tijden als goede schoenmakers hun leest trouw. Wat hun studioplaten echter niet leren, is dat Grey en de zijnen ook onwaarschijnlijk straffe performers zijn. Grey zelf beschikt naast over een ongemeen soulvolle strot ook over het eerder zeldzame talent om een publiek te vermaken. En ook zijn begeleiders lijken op een podium pas echt volledig tot leven te komen. Daar blijkt er op de keper beschouwd immers net wat meer ruimte om zich echt uit te leven. Daar kunnen ze pas echt tonen tot wat ze zo al in staat zijn op hun respectievelijke instrumenten. En dat resulteert over het algemeen en dus ook op de van begin dit jaar daterende concertregistratie “Brighter Days” in van de vitaliteit bruisende events. Hoe goed hun studioplaten stuk voor stuk ook al mochten zijn, dit in Atlanta, Georgia vereeuwigde concert is gewoon nog stukken beter. Hier leer je JJ Grey & Mofro naar ons gevoel pas echt volledig kennen! Met ondermeer “Country Ghetto”, “A Woman”, “War”, “Lochloosa”, “Dirtfloorcracker”, “On Fire”, de ronduit hemelse soulsleper “The Sun Is Shining Down” en het door het aanwezige publiek deels luidkeels meegezongen “The Sweetest Thing”. Twaalf nummers in totaal op de cd, vijftien op de dvd, die met “Hide & Seek”, “Slow, Hot & Sweaty” en “King Hummingbird” dus nog wat extra aan lekkers mee kreeg. Warm aanbevolen!

JJ Grey & Mofro

Alligator Records

 

TOM T. HALL “A Gift From Tom T. Hall: Tom T. Hall Sings Miss Dixie & Tom T.” (Drumfire Records)

(4****)

Van een origineel kerstgeschenk gesproken! Tom T. Hall verraste zijn wederhelft enkele jaarwisselingen geleden met het ontwerp van een cd luisterend naar de titel “Tom T. Hall Sings Miss Dixie”. Bij het openen van haar cadeau beloofde “The Nashville Storyteller” zijn vrouwtje, dat hij dat album ook effectief zou gaan opnemen. Modus operandi: zij zou de songs kiezen, de muzikanten verzamelen en het geheel produceren, hij zou enkel de zang en wat gitaarwerk voor zijn rekening nemen. En zo geschiedde dan ook. Miss Dixie verzamelde een heuse weelde aan topmuzikanten rond haar ventje: van Wayne en Kristin Scott Benson tot Mike Bub, van Glen Duncan tot Sonya Isaacs, van Rebecca Bowman tot Josh Williams, van Earl Scruggs tot Don Rigsby, van Jimmy Martin tot Randy Kohrs, Tim White en vele, vele anderen. De crême de la crême van de toenmalige bluegrass-scène met andere woorden. En dat vertaalde zich bijna als vanzelfsprekend ook naar een album, dat zich grotendeels door die vlag laat bedekken, al is de term Americana hier her en der zeker ook wel op zijn plaats. In een quasi perfecte muzikale context mocht Tom T. Hall hier twaalf nummers lang doen, waar hij zich al van in de late sixties zo ontzettend goed in had getoond, te weten het vertellen van verhalen. Zelf blijkt hij daarbij ook nog eens uitstekend bij stem. Daardoor krijgen de twaalf door hemzelf en Dixie geschreven liedjes iets van een comfortabele deken op een koude winteravond over zich. Ze voelen inderdaad weldadig warm aan en staan zonder uitzondering voor delicieus luistervoer. Tussen openingsnummer “I’m A Coal Mining Man” en het afsluitende “Jimmy Martin’s Life Story”, geschreven samen met de protagonist van dat liedje overigens, bewijst Hall eens te meer, dat zijn roepnaam volkomen terecht is. “The Nashville Storyteller” blijkt hier inderdaad een ware grootmeester in zijn vak. En precies daarom is het ook bijzonder prettig om vast te stellen, dat dit ronduit uitstekende album nu, goed een jaar of vier na zijn oorspronkelijke release, door het nog piepjonge Drumfire Records ook eindelijk in Europa verkrijgbaar werd gemaakt. Waarvoor dank!

Tom T. Hall

Drumfire Records

 

LYDIA LOVELESS “Indestructible Machine” (Bloodshot / Bertus)

(3,5****)

Amper eenentwintig jaar oud is ze, de jonge, vanuit Columbus, Ohio actieve Amerikaanse Lydia Loveless, maar dat weerhoudt er haar absoluut niet van om toch al een ongelooflijke presence te etaleren. Op “Indestructible Machine”, haar debuut voor huis van vertrouwen Bloodshot Records, presenteert ze zich als het ware als het nog net wat wildere jongere zusje van Neko Case. Heel knap het midden houdend tussen genres als punk rock, power pop en country staat die plaat voor negen tracks en ruim achtendertig minuten topentertainment. Gezegend met een stem als een klok, een naar eigen zeggen ondermeer bij de grote Bukowski in de leer gegane pen en een nadrukkelijke voorkeur voor lekker luide gitaren zal Loveless allicht niet veel liefhebbers van alternatieve country onberoerd laten. Met dingen als het met name attitude- en gitaargewijs nadrukkelijk aan The Clash herinnerende “Can’t Change Me”, het thematisch bij veel van good old Loretta Lynns materiaal aansluitende streepje country soul “How Many Women”, de “honky-punk” van “Do Right”, het aan een enigszins apart verhaaltje opgehangen “Steve Earle” en andere was het hier alvast gelijk vanaf beluistering één “bull’s eye”.

Lydia Loveless op MySpace

Bloodshot Records

Bertus

 

JOHN DOE “Keeper” (Yep Roc / Munich)

(3,5****)

Is de jongste jaren echt wel goed op dreef, deze John Doe! Het ex-kopstuk van de legendarische Amerikaanse punkgroep X lijkt ondertussen helemaal zijn draai te hebben gevonden in wat zijn oud-collega Dave Alvin tijdens zijn hoogdagen bij The Blasters ooit omschreef als “American Music”. Roots & roll van het lekker gevarieerde soort is alvast wat ons ook op ’s mans nieuwe worp “Keeper” weer uitgebreid te beurt valt. Wat roots en Heartland rock, alternatieve country, folky singer-songwriterspul, country rock, wat bluesy aanvoelend materiaal, Doe vindt er hier allemaal wel ergens een eigen niche voor. In het gezelschap van ondermeer Patty Griffin, Jill Sobule, Don Was en Los Lobos’ Steve Berlin tekent hij zodoende voor wat één van zijn knapste platen tot op heden moet zijn.

John Doe

Yep Roc

 

ERIC TAYLOR AND FRIENDS “Live At The Red Shack” (Blue Ruby Music & Records)

(4****)

Ik moet zeggen, dat we de jongste weken echt wel verwend worden. De ene na de andere huisfavoriet pakt immers uit met een live-cd. En precies dat blijft tot nader order ons geprefereerde luistervoer. Live-sessies staan immers maar al te vaak garant voor singer-songwriters op hun allerbest. En dat is in het geval van Eric Taylors nieuwe worp bepaald niet anders. Taylor huurde daarvoor drie dagen lang Rock Romano’s Red Shack, een kleine, maar fijne studio in Houston, Texas, af. De eerste van die drie gebruikte hij voor repetities. De twee volgende ging hij in het gezelschap van een select clubje vrienden en onder het bewonderende oog van een twintigtal door hemzelf uitgenodigde toeschouwers live. In de liner notes laat hij zich daarover al lachend ontvallen, dat hij ook zelf instond voor de drankjes. Kwestie van zeker iedereen gelukkig en bij de zaak te houden… Het gebrachte materiaal moest tenslotte resulteren in een nieuwe plaat. Een plaat, waarvoor hij, zoals al gesteld, werd bijgestaan door wat vrienden, respectievelijk bewonderaars. Zo passeren beurtelings Lyle Lovett, Nanci Griffith, Deniece Franke, James Gilmer, gitarist Marco “Python” Fecchio en ‘s mans wederhelft Susan Lindfors Taylor de revue. Die laatste tekende overigens ook voor de productie van het geheel. Zij zat dus als het ware op de eerste rij tijdens het vereeuwigen van Taylor classics als “Carnival Jim And Jean”, “Texas, Texas”, “Memphis Midnight, Memphis Morning” (met Lyle Lovett), “Dean Moriarty”, “Mission Door” (met Nanci Griffith), “Deadwood” en “Prison Movie”. Liedjes, die ook in deze nieuwe gedaante nog maar eens verduidelijken, waarom onze man door zoveel, vaak veel bekendere collega’s letterlijk op handen wordt gedragen. Dit is Americana story telling op zijn allerbest! Mocht je van singer-songwriters houden en om God weet wat voor reden toch nog niet met Taylor hebben kennisgemaakt, dan is dit een ideale instapper! Wedden, dat je na het beluisteren ervan niet te houden zal zijn, als deze meester-verteller tegen het einde van oktober weer eens zijn opwachting zal maken voor wat optredens in Nederland?

Eric Taylor

 

DARTS “Darts”, “Everybody Plays Darts”, “Dart Attack” en “The Amazing Darts” (Drumfire Records)

(Variërend van 3,5**** tot 5*****!)

Ein-de-lijk!!! Meer dan dertig jaar na hun ronduit geweldige titelloze debuutplaat is er eindelijk iemand op het lumineuze idee gekomen om dat album, opvolgers “Everybody Plays Darts” en “Dart Attack” en de verzamelaar “The Amazing Darts” als stand alone cd’s uit te brengen. Ein-de-lijk, want het zou doodjammer zijn als dit negen man sterke collectief met als thuisbasis Londen voorgoed als “single act” versleten zou zijn. The Darts waren immers zoveel meer dan dat! Wie zich indertijd na hun eerste doortocht in de hitlijsten alhier met de rete-aanstekelijke medley “Daddy Cool / The Girl Can’t Help It” net als ons ook onmiddellijk hun eersteling aanschafte, weet waarover we het hebben. De veelal als doo-wop revival act omschreven groep met in haar rangen ex-Rocky Sharpe & The Replays-leden Den Hegarty, Griff Fender, Rita Hay en Horatio Hornblower, Thump Thompson, George Currie en John Dummer van de Blues Band van deze laatste, pianist Hammy Howell en de uit de entourage van Mickey Jupp weggeplukte zanger Bob Fish liet daarop een even catchy als verpletterende indruk achter. Echt grijsgedraaid hebben we dat album in ’77 en de daaropvolgende jaren. In die mate zelfs, dat we ook nu nog, zoveel jaren later, dingen als de al genoemde eerste single, “Young Blood”, “Too Hot In The Kitchen”, “Sometime Lately”, “Zing Went The Strings Of My Heart”, “Come Back My Love”, “Sh-Boom (Life Could Be A Dream)”, “Stay Away (From Them Girls)” en de ingenieuze medley “I’m Mad / Fancy Man / Framed / Riot In Cell Block No. 9 / Trouble” woord voor woord kunnen meezingen. Dat de Darts te midden van alle indertijd woedend punkgeweld zowel hitgevoelig als cool bleken, vonden wij alvast absoluut niet abnormaal. Hun bruisende mix van doo-wop, R&B en rock & roll duldde immers absoluut geen weerstand. En ook live waren ze echt geweldig. Dat ze in 1978 in het Verenigd Koninkrijk meer concerttickets dan om het even welke andere act verkochten, spreekt wat dat betreft trouwens boekdelen. Vandaar dus, dat wij nu onze pret maar niet op kunnen met deze vier heruitgaven, die naast de originele albums ook flink wat bonus tracks bevatten. Daarbij gaat het om singles, b-kantjes daarvan, demo-opnamen en andere niet eerder te horen songs. LP-debuut “Darts” (5*****) werd zo bijvoorbeeld aangevuld met “Naff Off”, “Just Walkin’ In The Rain”, “One Way Love”, “Jail Bait”, “Late For Work” en “Why I Cry”. Opvolger “Everybody Plays Darts” uit ’78 (4****), met ondermeer groepsfavorieten als “The Boy From New York City”, “It’s Raining”, “Who’s That Knocking?” en “Late For Work” erop, kreeg als uitbreiding de “non-album” singles “Don’t Let It Fade Away” en “Get It” en verder ook nog de b-kantjes “Messing Shoe Blues”, “Early In The Morning” en “How Many Nights” mee. “Dart Attack” (3,5****) tenslotte, het wat ons betreft minste van de drie heruitgebrachte albums met ondermeer de (bescheiden) hits “Duke Of Earl”, “Can’t Get Enough Of Your Love” en “Reet Petite” erop, telt als bonusjes de singles “Let’s Hang On” en “White Christmas”, b-kantjes “Cairoli” en “I’ve Got To Have My Way” en het voorheen niet verkrijgbare “jaaruitluidertje” “Sing Out The Old, Bring In The New”. Extraatjes, die wat ons betreft niet eens nodig waren geweest, want ook zo valt er hier meer dan genoeg te genieten! En dan hadden we het nog niet over “The Amazing Darts” (5*****), de al in het najaar van ’78 tijdens de hoogdagen van de groep verschenen eerste Darts-verzamelaar. Op die plaat bundelde het roemruchte K-Tel indertijd met het oog op een nadrukkelijke aanwezigheid onder kerstbomen het beste van de eerste twee platen van de groep, aangevuld met “Naff Off”, het b-kantje van “Come Back My Love”.

Darts

Drumfire Records

 

JOE ELY “Satisfied At Last” (Rack ‘em Records / Munich)

(4****)

Joe Ely’s nieuwe worp, het met de vakbekwame hulp van gasten als Joel Guzman, Pat Manske, Lloyd Maines, Davis McLarty, Glenn Fukunaga, Teye, David Grissom, Rob Gjersoe, Mitch Watkins, Fred Stitz, David Holt, Jeff Plankenhorn en Little Johnny Fader ingespeelde “Satisfied At Last” is wat je noemt een echt groeiplaatje. Bij een eerste beluistering vonden wij de titel ervan nogal overdreven aandoen. Maar enkele luisterbeurten verder begrijpen we nu wel, waarom Ely hier de vlag “Satisfied At Last” heeft over uitgerold. Het is immers al een flinke poos geleden, dat we nog zoveel sterke songs en dito melodieën op één en hetzelfde album van de Texaan aantroffen. Als vanouds lekker gruizig uithalend laveert hij vaardig heen en weer tussen tal van onder de ruime noemer Americana vallende genres. Van roots rock tot Americana op z’n Texaans, van outlaw country tot Tex-Mex, van een zekere hang naar de seventies etalerende country rock tot bluesy spul, zelfs een kortstondige flirt met reggae, het paste ditmaal allemaal in ‘s mans kraam. In zeven eigen liedjes en covers van collega-Flatlander Butch Hancocks “ Leo And Leona” en “Circumstance” en wijlen Billy Joe Shavers “Live Forever” tracht hij vrijwel voortdurend het onderste uit de kan te halen. En dat siert hem natuurlijk. De wat ons betreft sterkste momenten: de door Teye met wat sfeervolle flamencogitaarklanken gezegende “valse trage” “Not That Much Has Changed”, het lekker snedig uit de hoek komende titelnummer, het in een onmiskenbaar Tex-Mex-sfeertje badende “Mockingbird Hill” en Ely’s werkelijk ongewoon mooie en van bijzonder veel respect getuigende lezing van Shavers “Live Forever”.

Joe Ely

 

MICKY & THE MOTORCARS “Raise My Glass” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het zijn weer drukke tijden ten huize Braun. Vrijwel gelijktijdig met “Good Luck & True Love”, het nieuwe album van Reckless Kelly, de groep van broers Willy en Cody, belandt immers ook de zesde van youngsters Micky en Gary en co in de winkel. En die plaat verschilt in wezen niet zo heel erg veel van zijn recentere voorgangers. Micky en kompanen staan als vanouds garant voor een stevige dosis oerdegelijke Texaanse country rock anno nu. Weinig verrassend misschien nog, maar wel weer bijzonder lekker. En dat ligt waarschijnlijk in niet geringe mate aan het feit, dat het merendeel van het gebrachte materiaal varieert van redelijk tot erg vlot. Nogal wat gruizig, meer dan eens tot een potje luidkeels meelallen uitnodigend rockwerk, gekruid met het nodige pittige elektrische gitaargestoei, maar evengoed weer een stel krachtige ballads, waarbij tijdens toekomstige optredens de aanstekers weer ongegeneerd de lucht in zullen kunnen. Stuk voor stuk liedjes gezegend met ijzersterke melodieën, dat alleszins. Wat dat betreft hoeven de jonge Brauns ons inziens alvast absoluut niet (meer) voor hun oudere broers onder te doen. Maar overtuig je daarvan vooral ook even zelf! De naar onze bescheiden mening sterkste momenten hier: titelnummer “Raise My Glass”, “A Thousand Tears”, “Never Been Out West” en vooral ook het heerlijk twangende “Big Casino”.

Micky & The Motorcars

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

TOM RUSSELL “Mesabi” (Proper / Rough Trade)

(5*****)

Meester-verteller Tom Russell levert met “Mesabi” zijn ontegensprekelijk meest veelzijdige plaat so far af. Wellicht zijn allerbeste ook! En dat wil in Russells geval best wel wat zeggen. Met die nieuwe van ‘m is hij immers reeds aan zijn zesentwintigste toe en daar zaten nogal wat heerlijke schijfjes tussen. Maar hoe mooi we hier vooral ’s mans C&W-platen ook vonden, dit is toch nog net wat anders! “Mesabi” blijkt immers zowel tekstueel als muzikaal bijzonder rijk. Ondermeer de heren van Calexico, voormalig Sir Douglas Quintet-toetsenman Augie Meyers, de gerennomeerde Van Dyke Parks en collega Lucinda Williams droegen een steentje bij tot het welslagen van het album. Zij waren op die manier bevoorrechte getuigen van een Russell in bijzonder goeden doen. Met liedjes over het turbulente grensstadje Juarez in Mexico, L.A. en Mesabi in de buurt van Duluth, Minnesota en over tal van bekende en vooral ook in de vergetelheid geraakte “groten” houdt hij je als luisteraar vrijwel voortdurend moeiteloos bij de les. De beste man met veel oog voor het detail horen zingen over ondermeer Bob Dylan, James Dean, Elizabeth Taylor, Sterling Hayden, Cliff “Ukulele Ike” Edwards of Bobby Driscoll, de aan lager wal geraakte en veel te vroeg gestorven stem achter Disney’s eerste Peter Pan, levert hoogtepunt na hoogtepunt op. We pikken er even enkele voor je uit. “Must hears” zijn wat ons betreft zeker het sfeervolle klaaglied “Goodnight, Juarez”, het met flamenco-klanken beladen “Jai Alai” (over een in Mexico ooit razend populaire sport), een met Lucinda Williams en Calexico gedeelde, bijna negen minuten durende versie van Dylans “A Hard Rain’s A-Gonna Fall”, het heerlijk (roots)rockende titelnummer, het intimistische “When Legends Die”, het met een gezongen bijdrage van Gretchen Peters en wat fraai koperwerk opgewaardeerde verhaal van Bobby “Peter Pan” Driscoll “Farewell Never Never Land”, het al even tragische, mede door Fats Kaplins toepasselijke bijdrage op de ukelele erg “old-time” aandoende “The Lonesome Death Of Ukulele Ike”, het door Russell zelf als “a lament for the death of James Dean” omschreven en wederom met Calexico ingeblikte “A Land Called Way Out There” en vooral ook het samen met Augie Meyers gepende “And God Created Border Towns”, dat klinkt alsof het in een bar ergens op of net over de grens met Mexico tegen sluitingsuur werd vereeuwigd. Wat ons betreft zondermeer één van de allermooiste “border songs” ooit. Liedjes als dat maken van het ongemeen sfeervolle “Mesabi” een plaat om te hebben en intens veel van te houden. En een uitgesproken kandidaat voor de zich stilaan weer voorzichtig aandienende jaarlijstjes zeker ook!

Tom Russell

Proper Records

 

STEPHEN SIMMONS “The Big Show” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Zingende songsmid Stephen Simmons leverde afgelopen zomer met zijn zevende album tegelijk ook zijn meest complete plaat tot op heden af. Iets wat ze ook bij het Duitse Blue Rose Records klaarblijkelijk niet ontgaan is, want prompt lijfde men er de man in. En dat is iets, wat we met z’n allen alleen maar kunnen toejuichen. Op “The Big Show” komen immers zowat alle facetten van de artiest Simmons uitgebreid aan bod. We horen hem hier zowel in eerder intimistische settings als met een volwaardige band achter zich, zowel zingend als zich uitend in “spoken word pieces”. Lekker (country)rockend, maar uiteraard ook in de in het verleden voor hem al zo vaak karakteristiek gebleken ballades en “half-tragen”. “The Big Show” blijkt op de keper beschouwd een soort van conceptalbum. Het vertelt het verhaal van een clown “on the road”. Een clown, met zo ongeveer dezelfde verzuchtingen als een rondtrekkende artiest als Simmons zelf. En dat drijft je als luisteraar al snel tot het besef, dat wat Simmons hier als “The Big Show” omschrijft en ontleedt wel eens gewoon een beeld voor het leven zelve zou kunnen zijn. Een bijzonder interessant uitgangspunt dus. En dat levert hier ook dito muzikale resultaten op. Simmons wist zich voor zijn nieuwe immers uitstekend te omringen. Of wat dacht je van namen als Eric Fritsch (elektrische en akoestische gitaren en B-3), Tim Marks (bas), Matt Crouse (drums en percussie), Dave Jacques (bas), Paul Griffith (drums), Jen Gunderman (piano, orgel, harmonium en accordeon), Dave Coleman (elektrische gitaren en backing vocals), Alex McCollough (pedal steel), Wendy Newcomer (harmony vocals) en Smith Curry (lap steel)? Er zijn er, die het met veel minder moeten doen…

Stephen Simmons

Blue Rose Records

Sonic Rendezvous

 

THE WATERBOYS “An Appointment With Mr. Yeats” (Proper / Rough Trade)

(4****)

Waterboys-frontman Mike Scott groeide naar eigen zeggen op in “een huis vol met boeken”. En zoiets kon natuurlijk niet zonder gevolgen blijven. Zelf vindt hij er alvast een verklaring in voor zijn fascinatie voor literatuur en taal. Iets wat in het verleden al leidde tot het binnensmokkelen van werk van ondermeer Robert Burns, James Stephens, Kenneth Grahame en George MacDonald in de songs van The Waterboys. En natuurlijk waren er ook nog de flirts met het oeuvre van W.B. Yeats. Van hem belandde in 1988 “The Stolen Child” reeds als slotnummer op het magistrale “Fisherman’s Blues” van de groep en ook op het vijf jaar later verschenen “Dream Harder” prijkte met “Love And Death” al één van zijn op muziek gezette gedichten. Slechts het topje van een immense ijsberg, zo blijkt nu. Met “An Appointment With Mr. Yeats” waagt Mike Scott zich immers aan een bijzonder ambitieus project. Meer dan twintig jaar lang was hij in de weer met “het verklanken” van geschikt materiaal van Yeats en dat resulteert hier en nu in een ruim veertien songs tellende afspraak met een van Ierlands allergrootste literaire zonen. Daartoe breidde Scott de gebruikelijke Waterboys-line-up uit met fiddle-virtuoos Steve Wickham, de getalenteerde jonge Ierse zangeres Katie Kim, multi-instrumentaliste Kate St. John, Flook-fluitiste Sarah Allen en trombonist Blaise Margail. Samen met Scott en co tekenen zij voor een bijzonder warmbloedig, heerlijk gevarieerd, hoegenaamd nergens gekunsteld aandoend geheel. Scott speelt hier immers met Yeats’ woorden als waren het de zijne. Hij heeft zijn huiswerk dus duidelijk wel goed gedaan, onze Mike. En dat resulteert ons inziens in het zondermeer sterkste Waterboys-album in tijden. Dingen als het ongemeen sfeervolle, zijn titel werkelijk alle eer aandoende “Mad As The Mist And Snow”, het als “onderkoeld” duetje met Katie Kim geserveerde “Before The World Was Made”, het pianogestuurde melodieuze rockertje “Sweet Dancer” of het op bijzonder soulvolle wijze gebrachte “White Birds” bijvoorbeeld kunnen naar onze bescheiden mening zo op eender welke Waterboys-retrospectieve. En dat wil echt wel iets zeggen…

The Waterboys

Proper Records

 

NICK LOWE “The Old Magic” (Proper / Rough Trade)

(4,5*****)

Nick Lowe is net als goede wijn. Met het verstrijken der jaren lijkt hij er alleen maar beter op te worden. Sinds het in ’95 verschenen “The Impossible Bird” lijkt de voormalige “Jesus of Cool” pas echt helemaal zijn draai te hebben gevonden. Een combinatie van country en soul, daar draait het bij de beste man sindsdien zo goed als allemaal om. En met bijzonder goed gevolg ook. Het al genoemde “The Impossible Bird”, “Dig My Mood” uit ‘98, “The Convincer” uit 2001 en “At My Age” uit 2007, het waren stuk voor stuk echte prachtplaten! En ook zijn eerste nieuwe studioplaat in vier jaar tijd, “The Old Magic”, is dat weer. Heerlijk bezadigd klinkt Lowe daarop andermaal. Gelijk van bij het fraaie openingsnummer, de werkelijk bloedmooie ballade “Stoplight Roses”, weet je, dat je hier weer voor even goed zit. Een eerste indruk, die ook meteen bevestigd wordt in het daaropvolgende “Checkout Time”, een bedaarde country shuffle, waarin Lowe eens te meer reflecteert over zijn stilaan hoge leeftijd. “I’m sixty-one years old now, Lord I never thought I’d see thirty,” klinkt het daarin veelbetekenend. Via “House For Sale”, nog maar eens zo’n soulvol gecroonde sleper, gaat het vervolgens over het nadrukkelijk naar de sixties lonkende streepje sprankelende pure pop “Sensitive Man” en de torch song “I Read A Lot” richting een de countrypolitan-hoogdagen van Charlie Rich in herinnering roepende lezing van Tom T. Halls “Shame On The Rain”. In “Restless Feeling” wordt voorwaar zelfs even gestoeid met een Latin-motiefje, de trage “The Poisoned Rose”, de tweede van drie covers hier, klinkt in de handen van Lowe zelfs nog mooier dan bij Elvis Costello zelve, het met toetsenist Geraint Watkins gepende “Somebody Cares For Me” is in al zijn opgewektheid uitermate geknipt radiovoer en het van Jeff West geleende “You Don’t Know Me At All” hobbelt over een bedaard countryritme en opgewaardeerd met wat leuk blaaswerk sloom voort tot bij het afsluitende “’Til The Real Thing Comes Along”, opnieuw een bijzonder bezielde knipoog richting “The Great American Songbook”. Al bij al dus weer een bijzonder sterk elftal, dat Lowe hier in het veld weet te brengen. We kennen zo menig een voetbalcoach, die daar alleen maar kan van dromen…

Nick Lowe

Proper Records

 

ROB LUTES & ROB MACDONALD “Live” (Rob Lutes & Rob MacDonald)

(5*****)

Wie ooit het genoegen mocht smaken om Rob Lutes en Rob MacDonald samen live aan het werk te zien, die weet waarom fans van het duo er bij beide heren jarenlang op hebben aangedrongen om vooral toch ook maar eens een live-album uit te brengen. Lutes is een geweldige singer-songwriter en met name zijn jongste twee platen “Ride The Shadows” uit 2006 en “Truth & Fiction” uit 2008 waren ook echt pareltjes, maar dit is toch nog niets anders! Dit is gewoon pure magie! De combinatie van Lutes’ berookte baritonstem, z’n subtiele fingerstyle-benadering van de eigen akoestische en MacDonalds fabelhafte kunstjes op de Resophonic leidt hoegenaamd tot kippenvelmomenten aan de lopende band. Daarbij her en der wat vocale bijstand krijgend van Jozy Fever en Claire Hayek waden Lutes en MacDonald tijdens deze op 29 januari van dit jaar in Le Red Room in Glenn Suton, een stadje gelegen op zowat anderhalf uur afstand van Montreal, ingeblikte set doorheen eigen liedjes als het in een recent verleden nog op het prestigieuze Kerrville Folk Festival gelauwerde “Uptight”, het door de legendarische Robert Johnson beïnvloede “I Know A Girl”, “If The Blues Don’t Shake You”, een eerbetoon aan Chris Smither, “Cold Canadian Roads”, “Throw Me From This Train” en het aan vader Lutes opgedragen “Drive These Blues Away”. Daarnaast krijgen we ook covers van het door de broertjes Gibb van de BeeGees ooit voor soullegende Otis Redding gepende “To Love Somebody”, van Chris Whitley’s “Phone Call From Leavenworth”, van de zich uitstekend tot wat “snarengymnastiek” lenende country blues traditional “Ain’t Nobody’s Business” en van Sleepy John Estes’ klassieker “Drop Down Baby”. Samen goed voor een net geen uur durende luistertrip van het werkelijk allerbeste soort. Pure magie, zoals hier eerder al aangegeven. In de schemerzone tussen Americana, akoestische blues en traditionele R&B zondermeer behorend tot het allerbeste wat de huidige markt te bieden heeft.

Rob Lutes

 

LESLIE ALEXANDER “Nobody’s Baby” (Superoops Records)

(4****)

In het verleden lieten wij ons hier al lovend uit over “Savage Country” (2003) en “Garden In The Stones” (2006), twee eerdere cd’s van Leslie Alexander, en dat willen we naar aanleiding van “Nobody’s Baby”, het nieuwste project van de Canadese, met veel plezier nog eens overdoen. Een heerlijk gevarieerd plaatje, die vierde studioworp van Alexander. Openingsnummer “Drive All Night” is zo een bijzonder radiovriendelijk streepje ingehouden roots pop, voor het wervelende “Crazy Train” mogen we het tweede lid van die omschrijving gelijk vervangen door rock, “Neon Blue” is een veritabel juweel van een jazzy nachtbrakertje, “NOLA” een op aanstekelijke wijze met swamp rock flirtende meezinger, “What Did I Do” ingetogen “Americana the Canadian way”, “Supergirl” een speelse honky-tonk-spring-in-‘t-veld, “Gimme” gewoon mooie Radio 1-luisterpop tout court en met het zachtjes twangende titelnummer “Nobody’s Baby” steekt Alexander voorwaar zelfs huisfavoriete Shawn Colvin even naar de kroon. En ook in de teksten van de tien songs hier kan het zo goed als alle kanten uit. Beurtelings focussend op zowel het persoonlijke, het eerder universele als de schemerzone tussen die beide polen weet Alexander ons ook ditmaal weer bijna veertig minuten lang probleemloos bij de les te houden. Voeg daar nog het sublieme productiewerk van de ondermeer van jobs voor de Be Good Tanyas en Jane Siberry bekende John MacArthur Ellis en gastbijdragen van onder anderen Wyckham Porteous, Jenny Allen en Taylor James aan toe en je weet, dat je hier gebeiteld zit voor een hoogst aangename en bovenal ook buitengewoon boeiende luistertrip. Zoveel interessanter dan het gros van de spullen, die dezer dagen wel de ether weten te halen!

Leslie Alexander

CD Baby

 

JUBAL LEE YOUNG “Take It Home” (Reconstruction Records)

(4****)

In “There Ain’t No Outlaws Anymore”, het afsluitende nummer van zijn nieuwe cd “Take It Home”, hekelt Jubal Lee Young, zoals ondertussen wellicht genoegzaam bekend de enige zoon van Texaans singer-songwriter-instituut Steve Young en Terrye Newkirk, het feit, dat de figuren die dezer dagen vanuit Nashville voor outlaws worden versleten eigenlijk juist allesbehalve dat zijn. Echte outlaws, aldus de jonge Young, bestaan gewoonweg niet meer. Maar met zijn eigen nieuwe worp “Take It Home” weerlegt hij die stelling bizar genoeg juist grotendeels. Dit moet immers zowat het beste outlaw country album zijn, dat we hier in tijden voorgeschoteld kregen. In een productie van Thomm Jutz serveert Young ons daarop negen eigen nieuwe nummers en covers van “Riding Down The Highway” en “Renegade Picker” van zijn eigen “ouweheer”, “Just To Satisfy You” van wijlen Waylon Jennings en het je wellicht ook al in de uitvoering van Buck Jones bekende “You Only Call Me”. Behoorlijk straf spul allemaal, waarin hij, zonder zichzelf daarbij al te veel beperkingen op te leggen, de grenzen van het door hemzelf geprefereerde genre aftast en ook voortdurend tracht te verleggen. Knappe ballads als “Good To You” en “Don’t You Dare Love Her” worden op “Take It Home” afgewisseld met klassieke “outlaw country” genre Waylon Jennings’ rockende “Just To Satisfy You”, het ons sterk aan “Amanda” van diezelfde Jennings herinnerende “Angel With A Broken Heart”, “Neon River”, “Renegade Picker” en het al genoemde “There Ain’t No Outlaws Anymore”, wat meer op de (vooral op jongeren gerichte) Texaanse markt anno nu mikkend spul als het door Michael Webb van bijzonder sfeervol toetsenwerk voorziene “Stark Raving Mad”, het eigentijds “honky-tonkende” “You Only Call Me (When You’re Drunk)” of luister-country “Don Williams style” zoals “You Make Me”. Zwaar verslavend spul allemaal zondermeer! En zijn pa zal dan ook ongetwijfeld heel erg fier op ‘m zijn! Hier valt de spreekwoordelijke appel immers effectief niet ver van de boom…

Jubal Lee Young

CD Baby

 

STONEY LARUE “Velvet” (B Side Music Group)

(4****)

Zo’n zes jaren verstreken er tussen het verschijnen van “The Red Dirt Album” en Stoney LaRue’s nieuwe, het in een fraai, met bordeauxrood velours bekleed digipack aangeboden “Velvet”. Lang, véél té lang, vinden wij hier. LaRue was en is immers zondermeer één van de interessantste vertegenwoordigers van de zogeheten “Red Dirt Music movement”. Dat het allemaal zo lang geduurd heeft, had vooral te maken met twee dingen. Eerst en vooral was er het gegeven, dat LaRue sedertdien gemiddeld zo’n 250 optredens per jaar afgewerkt heeft. En dan was er ook nog het feit, dat de als producer reeds meermaals gelauwerde Frank Liddell (Chris Knight, Lee Ann Womack) onze man aanbood om een plaat met hem te maken. Die Liddell strikte vervolgens gereputeerde “studioratten” als gitaristen Randy Scruggs en Oran Thornton, bassist Glen Worf, drummers Chad Cromwell en Fred Eltringham, fiddler Glenn Duncan en multi-instrumentalist Jim Hoke (accordeon, steel en fluit) en lokte LaRue naar Nashville, alwaar onder zijn regie en die van Mike McCarthy het creatieve proces richting die worp zou worden voltrokken. Wist “brave Stoney” op dat moment veel, dat het nog ruim drie jaar zou gaan duren voor z’n nieuwe album uiteindelijk het daglicht zou gaan zien… Maar goed, het resultaat is er dan ook wel naar. “Velvet” staat immers echt als een huis. Het is een werkelijk puntgaaf klinkend geheel geworden, met de soulvol gruizig klinkende “pipes” van LaRue zelve voortdurend als het stralende middelpunt van de belangstelling. Hoogtepunten hoegenaamd à volonté hier. Zo noteerden wij bijvoorbeeld de ingehouden melancholische countryrocker “Dresses”, het wijdse taferelen oproepende verre neefje daarvan “Wiregrass”, het beheerst twangende “Look At Me Fly”, de knappe Americana-tragen “Travelin’ Kind” en “Velvet” en het door een hoog Tex-Mex-gehalte opvallende liefdesliedje “Te Amo Mas Que La Vida” als dringend richting onze iPod door te sluizen schoonheden. En het moet gezegd: de vier resterende nummers dienen daar eigenlijk amper voor onder te doen. Noem dit wat ons betreft dus gerust maar een heel sterke plaat.

Stoney LaRue

Lone Star Music

 

ANNA COOGAN “The Wasted Ocean” (Anna Coogan)

(4****)

Voor de opvolger van het werkelijk wonderschone “The Nocturnal Among Us” uit 2010 liet de jonge Anna Coogan zich inspireren door wat haar zo’n drie jaar geleden tijdens een verblijf voor haar werk in Alaska overkwam. Overdag bestudeerde ze er als biologe de plaatselijke zalmpopulatie, ’s avonds genoot ze er als muzikante van zo menig een “sing along” rond het kampvuur. En precies daar werd het zaadje voor haar nieuwe cd geplant. De volgende jaren zou ze immers onverdroten op zoek gaan naar “shanties” en andere zeemansliederen. Vooral de door die overgeleverde liedjes opgeroepen beelden spraken haar immers geweldig aan. En van het één kwam vervolgens zoals gewoonlijk ook het ander. Na enkele bijzonder afmattende maanden van optreden na haar vorige plaat zette ze zich in februari van dit jaar ook zelf aan het schrijven van zeker wat het inhoudelijke betreft vergelijkbare liederen. Liedjes, geïnspireerd door beklijvende verhalen over oud zeemansleed als schipbreuk en lange periodes van isolatie. En die werden aansluitend onder de productionele hoede van de gereputeerde Evan Brubaker vereeuwigd. Naast de zang nam Coogan zelf tijdens de opnames ook het leeuwendeel van het gitaarwerk voor haar rekening. Verder viel ze terug op de nodige hulp van Brubaker (backing vocals, elektrische bas en tal van andere instrumenten), Colby Sander (banjo, dobro en mandoline), Brooks Miner (Hammond-orgel), Eyvind Kang (viool en altviool), Daniele Fiaschi (elektrische gitaren), Darrin Watkins (drums), Eric Hastings (eveneens drums) en collega singer-songwriter Edie Carey (ronduit heerlijke backing vocals). Met z’n allen tekenen zij voor een album, dat net als z’n voorganger van een werkelijk adembenemende schoonheid blijkt, maar dat toch flink wat meer overhelt richting (maritieme) folk. Al zijn er natuurlijk nog wel voldoende deunen, die nadrukkelijk het stempel Americana verdienen. Met als absoluut topmoment wat ons betreft “Come Ashore, Love”, de aandoenlijke klaagzang van een achtergebleven vissersvrouw, die haar wederhelft van op een afstand verzoekt zijn strijd tegen het machtige water te staken en onverwijld naar haar terug te keren. Dat deuntje wordt door Coogan zodanig overtuigend gebracht, dat het hier vrijwel onmiddellijk resulteerde in het nodige kippenvel. En ook het dobrospel van Colby Sander daarin is echt wel om vingers en duimen bij af te likken. Verder zeer zeker ook de moeite waard hier: een knappe lezing van “The Crucifixion” van Phil Ochs, het op enigszins aparte wijze de liefde benaderende “Love Without Strings” en het ons louter gevoelsmatig een weinig aan de grote Patty Griffin herinnerende “Life In A Peaceful New World”. Maar de kans is absoluut niet onbestaande, dat elk van jullie hier op één of meerdere andere favorieten zal stoten. Het betreft hier immers gewoon allemaal mooie liedjes. Kortom: weer een geweldige plaat, die supertalent Coogan ons hier voorschotelt!

Anna Coogan

 

DONAL HINELY “The Famous Rocket Cage” (Scuffletown / ATOM Records)

(4****)

Al ruim een decennium lang bewijst de Amerikaan Donal Hinely een verbluffend goede singer-songwriter te zijn. Jammer genoeg is dat tot op de dag van vandaag echter nogal wat liefhebbers van Americana stomweg blijven ontgaan. En dat verdiende Hinely op basis van platen als het ronduit sublieme “We Built A Fire” uit 2002, “Giants” uit 2005 en “Blue State Boy” van drie jaar geleden zeker niet. Net als op dat knappe drietal treedt hij ook op zijn nieuwe “The Famous Rocket Cage” weer in de voetsporen van eigen helden als een Steve Earle, een John Prine en een Guy Clark. Andere passende referenties zouden bijvoorbeeld ook een Robert Earl Keen of een Slaid Cleaves kunnen zijn. Met die laatste deelt Hinely alvast zijn lekkere, van weemoed doordrongen stem.  Het ideale instrument ons inziens voor het vertolken van teksten, waarin vooral dromers, door Cupido’s pijlen getroffenen, met lege handen achtergeblevenen en heiligen blijken te figureren. Veelal rustiger materiaal, al schuwt Hinely een rocknoot op z’n tijd zeker ook niet. Voorbeelden daarvan zijn onder andere het sympathiek schokschouderende “Five Bucks” en het z’n titel alle eer aandoende “Loudmouth”. Deze en andere nummers brengt Hinely in het selecte gezelschap van gitaarmaestro Will Kimbrough, bassist Viktor Krauss, drummer Tommy Perkinson en duiveltje-doet-al David Henry, die naast voor de productie ook tekende voor bijdragen op ondermeer accordeon, orgel, piano en cello. Z’n collega zingende liedjesschrijver David Mead tenslotte sprong al harmoniërend in. En zelf toont Hinely zich bedreven op respectievelijk akoestische gitaren, ukelele en glasharmonica. Het resultaat van zoveel vakmanschap op een kluitje is een bijzonder warmbloedig aandoend geheel, dat zowel tekstueel als muzikaal volop weet te bekoren. En een aanrader als je het ons vraagt derhalve ook voor iedereen, die wel eens een plaat van één van de hoger genoemde artiesten in huis durft te halen.

Donal Hinely

CD Baby

 

JASON MCNIFF “April Cruel” (Fledg’ling Records)

(5*****)

Van de gigantische hoeveelheid platen, die ik de voorbije acht jaren voor Ctrl. Alt. Country e-zine mocht bespreken, is het in 2003 verschenen “Nobody’s Son” van de Brit Jason McNiff zonder ook maar de geringste twijfel één van de allermooiste. Van volstrekt tijdloze gehelen gesproken, dat was er dus zo eentje! Een echte “eilandplaat”! En toen ik onlangs vernam, dat McNiff zelf zijn nieuwe cd “April Cruel” als zijn beste tot op heden bestempelde, was ik dan ook razend benieuwd naar dat album. Bijzonder hooggespannen waren mijn verwachtingen en het mag al bijna een klein wonder heten, dat McNiff ze ook daadwerkelijk heeft weten in te lossen. Hij heeft op dat nieuwe album van ‘m naar eigen zeggen geprobeerd om Americana met wat Europese eigenheid op smaak te brengen. En in dat opzet is hij wat mij betreft alvast wonderwel geslaagd. Dit is Euro Americana van het allerbeste soort! Elf heerlijke luisterliedjes dist hij op die vierde van ‘m op, die vrijwel stuk voor stuk uitblinken door quasi literaire kwaliteiten. McNiff toont zich andermaal een echte meester in het onder woorden brengen van gevoelens en het oproepen van sferen. Hij wikt en weegt zijn woorden net zo lang tot ze perfect voldoen aan zijn eigen verwachtingen. Wat tot resultaat heeft, dat zijn liedjes als het ware open invitaties gaan vormen tot zijn eigen leef- en gedachtewereld en mijns inziens zondermeer tot het allerbeste behoren wat de huidige Americana-scène te bieden heeft. En dan bedoel ik zeker niet enkel de Europese! Echt onwaarschijnlijk mooi vond ik zo bijvoorbeeld de mede door een ongemeen sfeervolle Hammond-bijdrage van Graham Knight en gastzang van Lizzie O’Connor naar hogere regionen gestuwde ballade “Bus Of Tears”, het mij op de één of andere manier aan Bob Dylan in betere tijden herinnerende “Seaside Song”, het zijn eigen streek van herkomst als inspiratiebron gebruikende “Hometown” en het titelnummer. Maar versta me vooral niet verkeerd, daarbij betreft het enkel wat krenten uit een bijzonder rijk daarmee gevulde pap! “April Cruel” is zondermeer één van de allermooiste platen van het jaar tot op heden. En het wordt naar mijn bescheiden mening dan ook stilaan hoog tijd om Jason McNiff van zijn reputatie als “best bewaard singer-songwritergeheim van Groot-Brittannië” af te helpen. Deze man is zó ontzettend goed, dat hem links laten liggen iets van een misdaad zou hebben…

Jason McNiff

Fledg’ling Records

 

JP DEN TEX “Speak Diary” (Cavalier Recordings / V2)

(3,5****)

Op zijn nieuwe cd “Speak Diary” neemt de Nederlandse songsmid JP Den Tex ons mee op een “trip down Memory Lane”. Aan de hand van door hemzelf door de jaren heen in een dagboek bijgehouden aantekeningen gaat hij op zoek naar zijn eigen verleden. Wat het tekstuele betreft heeft “Speak Diary” daardoor wel iets van een ouderwetse diavoorstelling. Op een scherm van veelal eerder melancholisch aandoende Americana, sporadisch ook wel iets steviger, zonder echter ooit echt uit de bocht te gaan, projecteert Den Tex ons tal van belangrijke haltes in zijn bestaan. Persoonlijker kan het amper! En precies dat maakt van “Speak Diary” de sterke plaat, die het op de keper beschouwd best wel is. Als geheel klinkt dit album echt ongelooflijk warm. Dat gegeven en het feit, dat Den Tex hier ook nog eens geweldig goed bij stem blijkt, zullen ongetwijfeld velen over de streep trekken. Onze onverbintelijke luistertips: de ongewoon warmbloedige ballade “The Year Of The Gigolo” en het op ingetogen wijze vaardig wat tekstflarden van “Every Breath You Take” van The Police in zich integrerende rootspopjuweel “Angela”. En speciaal voor onze Nederlandse lezers misschien ook nog het afsluitende “Olanda Ti Amo”, een ook al bijzonder innemende liefdesbekentenis aan hun gemeenschappelijke heimat.

JP Den Tex

Cavalier

 

MARE WAKEFIELD “Meant To Be” (Maresie)

(3,5****)

Een stel lenige stembanden, een vaardige pen, het voor het uitwerken van een goed in het gehoor liggende melodie vereiste fingerspitzengefühl, de Amerikaanse Mare Wakefield heeft het hoegenaamd allemaal in huis en het lijkt ons dan ook nog louter een kwestie van tijd voor ze op grote schaal van zich zal doen spreken. De twaalf liedjes op haar ondertussen toch ook al vijfde cd “Meant To Be” rechtvaardigen het wat ons betreft alvast volop om haar in één adem te noemen met grote dames als een Shawn Colvin, een Patty Griffin en een Dar Williams. In een productie van haar wederhelft Nomad Ovunc en met verder ondermeer de nodige studiohulp van Fats Kaplin, Will Kimbrough en Scott Miller weet ze daarop heel mooi het midden te houden tussen roots pop, folk en Americana. Met haar ongemeen expressieve stem als haar voornaamste wapen waagt ze zich aan een veelheid van onderwerpen, die zo ongeveer iedereen zouden moeten kunnen aanspreken. Het resultaat van dat alles is een bescheiden meesterwerkje, dat met zo menig een radiovriendelijke deun aan boord best wel eens Wakefields grote poort naar een stralende toekomst zou kunnen gaan blijken. Ze zou het naar onze bescheiden mening alleszins verdienen!

Mare Wakefield

CD Baby

 

CHRIS SMITHER “Lost And Found” (Mighty Albert / CRS)

(3,5****)

Dankzij het Nederlandse Continental Record Services is dit snoepje nu ook voor Europese Chris Smither-fans een stuk gemakkelijker verkrijgbaar geworden. Het uitsluitend niet eerder verschenen live-opnames van de beste man bevattende “Lost And Found” was voorheen enkel verkrijgbaar via zijn eigen webstek en die van zijn Amerikaanse werkgever Signature Sounds. Aangezien het vooral bedoeld is als attentie voor zijn echte volgelingen zal het echter ook hier niet in de winkelrekken gaan belanden. Voor een eigen exemplaartje zal je dus wel degelijk even langs de site van CRS moeten. Maar dat loont dan ook wel echt de moeite! Smither viste voor “Lost And Found” immers veertien tussen 1993 en 2003 op diverse locaties ingeblikte versies van nummers als “Train Home”, “Get A Better One”, “Hold On II”, “Let It Go”, “Hey Hey Hey”, “Tell Me Why You Love Me”, “Time To Spend”, “Bittersweet”, “Never Needed It More”, “Outside In”, “Confirmation”, “Time To Go Home”, “Lola” en “So Long” op. Onderweg goed voor een lach en een traan, een klein uur heerlijk doorleefde zang en uiteraard ook een flinke dosis uitermate fraai akoestisch gitaarwerk. Onze favorieten? Het met Peter Mulvey en David Goodrich gebrachte “So Long”, het grappige “Let It Go” en het niet met het gelijknamige nummer van de Kinks te verwarren tragikomische “Lola”, ook al goed voor een bescheiden glimlach op zijn tijd. Ook aan liefhebbers van het werk van bijvoorbeeld een John Prine en een Guy Clark warm aan te bevelen, dit schijfje!

Chris Smither

Continental Record Services

 

ERIC RHAME “Ontario: The Lost Songs Of Elem Baxter” (Fyords On Fire Records)

(3,5****)

Vanuit Duluth, Minnesota bereikte ons onlangs “Ontario: The Lost Songs Of Elem Baxter”, de derde van singer-songwriter Eric Rhame, van wie we hier eerder ook al de cd “Timber And Steel” bespraken. Rhame, op basis van zijn beide vorige platen al meermaals vergeleken met schoon volk als een Townes Van Zandt, een John Prine, een Greg Brown en een Eric Taylor, baseerde zich voor de twaalf songs op die nieuwe plaat van ‘m op het materiaal van een nog obscuurdere, ondertussen zelfs al overleden collega. Hij liet er zich voor inspireren door een gesprek, dat hij met de weduwe van de beste man had tussen de twee helften van een optreden door in een kleine coffeeshop ergens in zijn thuisstaat. Het materiaal van de overledene kreeg hij zelf nooit te horen, maar op basis van het hem vertelde trachtte hij er zich een zo goed mogelijk beeld van te vormen. Hij vond de liedjes zo als het ware opnieuw uit. En als dusdanig beleefden “de verloren gegane liedjes van Elem Baxter” een soort van wedergeboorte. Best wel een apart uitgangspunt voor een plaat eigenlijk, dat hier resulteert in een geheel dat klinkt, alsof het bij toeval ergens van onder het stof opgediept werd. Een gevoel, waar Rhame ook daadwerkelijk naartoe lijkt te hebben willen werken door bewust te kiezen voor een stokoude locatie voor de opnames ervan. Een weinig bevreemdend allemaal misschien, maar wel heel mooi! Onze luistertips: de beide delen van “Ballad of Elem Baxter” en vooral ook het verbluffend knappe “Ice Road Trucker”.

Eric Rhame

CD Baby

 

THE SWEETBACK SISTERS “Looking For A Fight” (Signature Sounds / CRS / Munich)

(4****)

Wat een ongelooflijk aanstekelijk geheel alweer, deze tweede volwaardige langspeler van de Sweetback Sisters. De “oneigenlijke zussen” Zara Bode en Emily Miller horen wervelen in dingen als Laurie Lewis’ “Texas Bluebonnets”, “Rattled” van de Traveling Wilburys en tal van andere muzikale kleinoden hier is een ware lust voor het oor. Daarbij bijzonder vakbekwaam ondersteund door gitaristen Ross Bellenoit en Jesse Milnes, bassist Peter Bitenc, drummer Stefan Amidon  en een handvol gastmuzikanten eigenen de beide dames zich in de dertien nummers van “Looking For A Fight” bij tijd en wijle werkelijk briljant harmoniërend grote stukken countrygeschiedenis toe. Hun jeugdige leeftijd met klem verloochenend nemen ze ons mee op een lekker gevarieerde reis doorheen de tijd. Sprankelende honky-tonk, beklijvende tranentrekkers, traditionele Americana, countrywalsjes, swing, je kan het zo gek niet bedenken of Bode en Miller en kompanen gaan er hier ergens wel mee aan de slag. Met daarbij ook volop aandacht voor het instrumentarium, dat zich daartoe het beste zou kunnen lenen. Naast op akoestische en elektrische gitaren stoten we op “Looking For A Fight” zo ook op dingen als een pedal steel, wat fiddles, een contrabas, een Wurlitzer, piano en orgel, een banjo, een triangel en een trompet. De prachtige stemmen van de beide dames en een enkele keer ook Amidon krijgen daardoor een pracht van een decorum om in te schitteren. Luister bijvoorbeeld maar eens naar hun ronduit geweldige cover van Dwight Yoakams “It Won’t Hurt When I Fall From This Barstool”, naar het lekker gemaakt gemeen uit de hoek komende titelnummer, naar Millers eigen “Run Home And Cry”, een met alle eigenschappen van een echte country classic gezegend swingertje, of naar de supertrage “Don’t Put Her Down, You Helped Put Her There”, een echt wel verbluffend mooie lezing van dat liedje van Hazel Dickens, en je zal het er wellicht snel met ons over eens zijn, dat dit zestal een mooie toekomst wacht.

The Sweetback Sisters

Continental Record Services

 

PETER BEEKER & DE ONGENODE GASTE “Peter Beeker & De Ongenode Gaste” (Woo-Hoo Records)

(4,5*****)

Naar aanleiding van deze plaat bekroop ons spontaan weer even het alom bekende “Limburg-gevoel”. De trots op de eigen streek van herkomst. Zelfs al moesten we er dan ook even de grens voor over. Naar het noordelijke deel van Nederlands Limburg meer bepaald. Voor Peter Beeker en z’n Ongenode Gaste. Je misschien nog wel bekend van schijfjes als “Arizona Stop” (2000), “Veur Dees Nach” (2004), “Zonder Gene” (2005), “Dit Is Legaal” (2007, Peter Beeker solo) en “Raas” (2008). Als dat al zo is, dan weet je onderhand wel wat er je hier te wachten staat. Een portie goudeerlijke dialectrock en -Americana inderdaad en dat van één van de allerbeste singer-songwriters, die Nederland überhaupt rijk is. Meer van hetzelfde, maar toch ook weer niet. De gewijzigde groepsnaam blijkt bij nader inzicht immers ook te staan voor een compleet gewijzigde band. Bij Pitch Blond haalde Beeker ritmetandem Jim Geurts (drums) en Vincent van Haperen (bas) weg en die basis vulde hij vervolgens aan met gitarist Jesper Driessen en Alquin-toetsenist Dick Franssen. En dat leidde tot de ontegensprekelijk beste Ongenode Gaste-bezetting tot op heden. Nooit kwamen Beekers liedjes beter tot hun recht dan hier. Ongelooflijk bezield, heerlijk dynamisch ook, klinkt het op “Peter Beeker & De Ongenode Gaste” geserveerde negental. Iets wat ertoe bijdraagt, dat het nieuwe album van de door ons ooit als “de Limburgse Ryan Adams” omschreven Beeker ook heel erg genietbaar wordt voor niet-streekgenoten. Je kan er ons inziens met andere woorden ook perfect voor overstag gaan, als je het Limburgs niet machtig bent. Alleen, dan mis je natuurlijk wel het één en ander. Want, zoals al gesteld, Beeker is een echte kanjer van een tekstdichter. En dat dialect van ‘m, dat is gewoon rock & roll! Dat blijkt ondermeer in de flink van zich af bijtende, door Bob Dylan geïnspireerde eerste single “Door Ut Stof Neet Mier”, in de hartstochtelijk soulvolle deluxe-rocker “Ik Wil Dich”, in de al even passionele, van de ingehouden spanning levende “valse trage” “Bliej Das Se D’r Bis” en in de retestrakke funky “kick in the ass” van zo menig een “Metroman”. Liedjes van een dergelijk kaliber in de eigen taal hadden wij dit jaar nog niet gehoord! Meer nog, daar moeten we al een aardig eindje voor terug in de tijd! Om maar te zeggen, dat “Peter Beeker & De Ongenode Gaste” eigenlijk gewoon een ronduit sublieme plaat is. Als Beeker en co dezelfde schijf in het Engels zouden hebben afgeleverd, dan zou hun broodje bij dezen waarschijnlijk zo ongeveer wel gebakken zijn. Dat ze desondanks toch blijven kiezen voor de eigen streektaal siert hen alleen maar des te meer. Dat alleen al verdient eigenlijk gewoon onze waardering met bakken tegelijk!

Peter Beeker & De Ongenode Gaste

Inbetweens Records

 

ISRAEL NASH GRIPKA “2011 Barn Doors Spring Tour, Live In Holland” (CRS / Munich)

(5*****)

Amper twee albums heeft de jonge Israel Nash Gripka ervoor nodig gehad om zich op te werken tot één van de voornaamste vertegenwoordigers van het Americana-genre überhaupt. Met “New York Town” uit 2009 en het eerder dit jaar verschenen “Barn Doors And Concrete Floors” wist hij in geen tijd een reputatie als songsmid op te bouwen, waarvan anderen zelfs na een heel leven van hard proberen alleen maar kunnen dromen. Wie één van die albums of beide in huis heeft, weet waarover we het hebben. Gripka is wat je noemt een echt natuurtalent. En de hem momenteel omringende hype zal dan ook nog wel een poosje blijven aanhouden. Zeker als hij ook live zo sterk uit de hoek kan blijven komen als tijdens zijn voorbije voorjaarstournee. Een leuk aandenken daaraan biedt het zopas verschenen “2011 Barn Doors Spring Tour, Live In Holland”, de registratie van een door Gripka op 25 april in de Mr. Frits in het Nederlandse Eindhoven afgewerkt optreden. Wat bij het beluisteren daarvan onmiddellijk opvalt, is de ongelooflijke kracht, die ervan uitgaat. Geassisteerd door de eveneens uit New York afkomstige punkrockers van The Fieros slaagt Gripka erin om de intensiteit van pakweg een gig van Neil Young te benaderen. Met name het behoorlijk straffe elektrische gitaarwerk van de heren Holston en McClellan voedt een dergelijke vergelijking zondermeer. Voorts valt ook op, dat Gripka zeker geen grote prater is. Hij laat zijn muziek gewoon voor zich spreken! Veelal songs van “Barn Doors And Concrete Floors” uiteraard, aangevuld met het magistrale tweetal “Pray For Rain” en “Evening” van “New York Town” en een alles en iedereen omver blazende cover van “Revolution Blues” van Neil Young ter afronding. Na dat alles is er absoluut geen twijfel meer mogelijk: hier hebben we het wel degelijk over de toekomst van het Americana-gebeuren. Overtuig je daarvan vooral ook even zelf! Dat kan aan een prettig prijsje (€12.50) en snelle beslissers krijgen er bovendien ook nog een gratis dvd bij, met daarop “The Making Of Barn Doors And Concrete Floors”, een documentaire over het tot stand komen van die grandioze plaat.

Israel Nash Gripka

Continental Record Services

 

DALE WATSON & THE TEXAS TWO “The Sun Sessions” (Continental Song City / CRS / Munich)

(5*****)

De kans, dat je als fan van Dale Watson ooit ten prooi zal gaan vallen aan verveling, lijkt ons onderhand wel zo goed als onbestaande. Het Texaanse countryfenomeen zelf lijkt immers bepaald niet van stilzitten te houden. Met zo goed als elke nieuwe cd weer weet hij te verrassen. En dat is ook met de opvolger van het briljante “Carryin’ On” weer niet anders. Voor de opnames daarvan trok Watson richting de legendarische Sun Studios in Memphis, Tennessee. Met bassist Chris Crepps en gitarist Mike Bernal in de rol van Marshall Grant en Luther Perkins oftewel The Tennessee Two evoceerde hij er ruim veertien nummers lang de hoogdagen van wijlen Johnny Cash voor het aldaar gehuisveste label. En hij deed dat op danig indrukwekkende wijze, dat wij hier gelijk als een blok vielen voor “The Sun Sessions”. Dat album bevat met dingen als “Down, Down, Down, Down, Down”, “Johnny At The Door”, “Drive, Drive, Drive”, “I’ve Done That Before”, “Ponder Why, I Ponder Why” en tal van andere heerlijkheden een heleboel Watson-songs, waarin The Man In Black himself bij leven en welzijn ongetwijfeld met veel plezier zijn tanden gezet zou hebben. Bovendien klinkt Watson hier bij momenten ook echt als de jonge Cash. Dat gegeven en het feit, dat ook Crepps en Bernal hun legendarische voorbeelden tot op het perfecte af weten te benaderen, maakt dat “The Sun Sessions” uitgroeit tot zo ongeveer het volmaakte eerbetoon aan één van Dale’s grote helden. En niet alleen dat, het is quasi terloops ook één van z’n beste platen ooit geworden. Elke rechtgeaarde liefhebber van traditionele country zal hiermee even van de hemel proeven. En er misschien wel een glimp opvangen van “Big Johnny” zelve, terwijl die met een brede glimlach om de lippen met de voet het ritme van één van de songs op “The Sun Sessions” aan het meetappen is…

Dale Watson

Continental Record Services

 

KRIS DELMHORST “Cars” (Signature Sounds / CRS / Munich)

(3,5****)

Veel liefhebbers van Americana en aanverwante genres werden dat eigenlijk pas met het verstrijken der jaren. Als jongeren volgden zij net als vele anderen gewoon de muzikale trends van het moment. Zo ook deze knaap hier. Iets wat lang, lang geleden ondermeer leidde tot een flinke boon voor het Amerikaanse rockbandje The Cars. Die groep rond zanger Ric Ocasek kende hier te lande haar commerciële moment de gloire in 1984 met de fraaie ballad “Drive” van het al even knappe album “Heartbeat City”. Eén van de weinige keren, dat Ocasek en co hier de weg naar de hitlijsten vonden overigens. En dat ondanks een veelheid aan knappe songs op hun repertoire, als daar zijn ondermeer “Just What I Needed”, “My Best Friend’s Girl”, “Let’s Go”, “Shake It Up”, “You Might Think”, “Hello Again”, “Why Can’t I Have You” en “Tonight She Comes”, stuk voor stuk grote hits in de States. Liedjes, die we met uitzondering van “Let’s Go” ook allemaal terugvinden op de nieuwe cd van de in ons land vooralsnog vooral van haar bijdrage aan Redbird bekende Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Kris Delmhorst. Ook zij ging als dertienjarige in ’84 compleet overstag voor The Cars. Een oude liefde, die, zoals het spreekwoord dat graag hebben mag, nooit echt aan het roesten ging en nu resulteert in een collectie aparte covers van het materiaal van die groep. Dat naar de toepasselijke titel “Cars” luisterende en in totaal elf songs tellende geheel werd zo ongeveer compleet “live in de studio” ingeblikt en Delmhorst kon daarbij rekenen op een meer dan tien koppen tellende band. Daarin gasteerden ondermeer Billy Beard (drums), Zack Hickman (bas) en Jennifer Kimball, Rose Polenzani, Laura Cortese en Rose Cousins (zang). En ook origineel Cars-lid Greg Hawkes, die een duit in het zakje kwam doen op… de ukelele. Met z’n allen probeerde men de oorspronkelijke arrangementen van de gebrachte liedjes zoveel mogelijk trouw te blijven, daarbij de voor de Cars zo karakteristieke synths vervangend door eerder onverwachte instrumenten als fiddle, klarinet, mandocello, accordeon en zelfs pennywhistle. En dat werkt, hoe onwaarschijnlijk het allemaal ook klinken moge, wonderwel. Met name Delmhorsts speelse lezingen van “You Might Think”, “Why Can’t I Have You”, “Tonight She Comes”, “Just What I Needed” en monsterhit “Drive” zijn wat ons betreft ronduit subliem. Net zoals Roddy Frame en z’n Aztec Camera dat ooit succesvol deden met de Van Halen-hit “Jump”, slaagt Delmhorst er in deze en andere liedjes met brio in om ze in een volslagen andere muzikale context opnieuw tot leven te wekken. Als er al zoiets als rechtvaardigheid bestaat, dan krijgen we haar hiermee eindelijk ook hier regelmatig eens op de radio te horen!

Kris Delmhorst

Continental Record Services

 

ISRAEL NASH GRIPKA “Working Class Hero And Other Favorites (One Take Only)” (CRS)

(3,5****)

Israel Nash Gripka is momenteel hot. Dat wordt ondermeer duidelijk onderlijnd door de waslijst aan gigs, die de beste man vanaf 9 september doorheen zowat heel West-Europa zal mogen afwerken. Ons land doet hij daarbij ook aan. Op vrijdag 14 oktober meer bepaald, wanneer hij de N9 in Eeklo naar zijn hand zal trachten te zetten. In afwachting daarvan zijn er alvast enkele nieuwe releases, waarvan we er vandaag een eerste onder de loep nemen. Het betreft daarbij één van de eerste deeltjes in de nieuwe CRS-reeks “One Take Only”, die rootsartiesten in een van alle overbodige franje ontdane context hun ding laat doen. In het geval van Gripka betekende dat in de Daltoon Studio in het Nederlandse Eindhoven onder het waakzame oog van Eric van der Elst daarbij slechts gewapend met een akoestische gitaar een tweetal eigen liedjes en een nog eens vijf covers van materiaal van anderen ten gehore brengen. Op die manier tackelt hij “Working Class Hero” van John Lennon, de punkhit “Basket Case” van Green Day, het klassieke “Hey Joe” van Jimi Hendrix, Leonard Cohens “Chelsea Hotel” en Mick Jaggers “Evening Gown”. En die liedjes klinken hier – Net als zijn eigen “Gin And Pills” en “Red Dress” overigens! – ronduit geweldig. Heerlijk rauw en doorleefd. Echt wel met enorm veel bezieling gebracht! Met die zalige rasp van een stem van ‘m maakt Gripka ze zich probleemloos eigen. En “Working Class Hero And Other Favorites” is wat ons betreft dan ook veel meer dan louter een tussendoortje op zijn repertoire. Dit mini-album zullen we nog zeer regelmatig gaan draaien, zoveel staat voor ons nu al wel vast. Opgelet wel: je kan het je enkel aanschaffen tijdens optredens van de beste man of via de webstek van zijn Nederlandse broodheren van Continental Record Services. Gebruik daartoe de link hieronder! Voor €7.50 is dit, als je het ons vraagt, bovendien een echt koopje!

Israel Nash Gripka

Continental Records Services

 

JD MALONE & THE EXPERTS “Avalon” (It’s About Music)

(3,5****)

Gelijk vanaf de eerste tonen van openingsnummer “Silver From” weet je waaraan je op “Avalon” van JD Malone & The Experts toe bent en dat is roots rock van het type, waarvan in het verleden ondermeer ook al John Mellencamp, John Fogerty en Tom Petty zo’n beetje hun handelsmerk gemaakt hebben. Met een heerlijk gruizige, een weinig aan die van de al genoemde Mellencamp en Steve Earle verwante stem en de snarenkunstjes van maats Avery Coffee en Tom Hampton daarbij als zijn voornaamste bondgenoten tackelt Malone op die plaat vol vuur een handvol doorgaans lekker weghappende eigen nummers rond thema’s als liefde en haat, engelen en demonen en de dezer dagen zo stilaan een universeel gegeven geworden strijd om zich nog veilig te mogen voelen onder de sterren. Voorts wagen hij en de zijnen zich ook aan covers van “Fortunate Son” van Creedence Clearwater Revival en van “I Should Have Known It” van Tom Petty. En daarmee is wat ons betreft de cirkel meteen ook helemaal rond. Fans van zo ongeveer alle hier reeds even aangestipte acts zullen ondertussen immers wel weten wat hun te doen staat. Zij zullen zich ons inziens absoluut geen buil vallen aan dit uit één cd en één dvd bestaande geheel. De cd biedt de dertien nummers van het eigenlijke album, aangevuld met nog eens vijf bonus tracks, waarvan vier live, goed voor ruim negenenzeventig minuten “gritty Americana” van het betere soort. De dvd staat dan weer voor een “In The Studio with JD Malone & The Experts”-sessie. Noem dit gerust een echte ontdekking!

JD Malone & The Experts

 

WELDON HENSON “One Heart’s Gone” (Hillbilly Renegade Records)

(3,5****)

Een knaap, die naar ons gevoel hoogdringend aan wat meer Europese aandacht toe is, is Weldon Henson. Die jonge Texaan bewijst nu immers al ruim drie albums lang “the real deal” te zijn. Al sinds zijn debuutplaat “Tryin’ To Get By” uit 2008 serveert Henson een uitermate verfrissend soort country, waarin “vintage honky-tonk” en “all good things Texas” regelmatig op een bescheiden prise rock stoten. En dat levert vrijwel voortdurend het nodige vuurwerk op! Het soort van materiaal, waarin zowel eerder traditioneel geschoolde countryfans als wat jeugdiger ingestelde luisteraars zich ongetwijfeld perfect zullen weten te vinden. In een met “steel wizzard” Tommy Detamore gedeelde productie en met verder de nodige bijstand van ondermeer gitarist Eddie Perez, bassist Trey Kincade, drummer Tom Lewis, pedal steeler Ricky Davis, toetsenist Anthony Bazzani en fiddler Haydn Vitera brengt Henson op zijn derde “One Heart’s Gone” elf eigen liedjes, die een ijzersterke schrijvershand verraden. Van het sfeervolle, onder twangy gitaarklanken en steelgehuil bedolven en ons een weinig aan het werk van Chris Isaak en Gary Allan herinnerende “Loserville” en het volop op dansgrage Texaanse benen mikkende “Pass Me The Wine” tot het lekker countryrockende titelnummer, van het op ongemeen aanstekelijke wijze rock & roll aan C&W koppelende “Too Much Fun” en de “tranentrekker” “I Don’t Take Cheating (Very Lightly Anymore)” tot “Turned To The Bottle”, een hyperswingende drinking song, en andere, Henson weet op zijn derde echt van de eerste tot de laatste noot te overtuigen. Mocht je hem nog niet kennen, “now’s as good a time as any” om daar gezwind verandering in te brengen. Deze ex-Air Force-diender verdient dat immers echt wel ten volle. In zijn liedjes klopt een hart zo groot als Texas.

Weldon Henson

Lone Star Music

 

KATY LIED “Winter Lightning” (KL / Bertus)

(3,5****)

Waarom men in verband met dit Britse viertal toch o zo graag de term roots rock in de mond wil blijven nemen, is voor ons tot op zekere hoogte een raadsel. Zonder ook maar iets te willen afdoen aan de kwaliteit van de liedjes van het kwartet op “Winter Lighting” gaat die categorisering ons toch net iets te ver. Op basis van de elf nummers op de derde van de groep zijn wij eerder geneigd te denken in de richting van acts als Texas, ‘Til Tuesday en in mindere mate ook de Pretenders. Met name de behoorlijk performante stem van frontvrouw Katie Harnett voedt zulke vergelijkingen. Maar goed, misschien denkt u daar wel helemaal anders over. Misschien hoort u in het catchy openingsnummer “Drivin’ The Miles” ook wel een ver 21ste eeuws neefje van Creedence Clearwater Revivals “Travelin’ Band”, zoals men ons in het begeleidende schrijven denkt te moeten voorhouden. Wij niet dus. Voor ons is het gewoon een bijzonder lekkere radiovriendelijke rocker. En daarmee is het lang niet de enige in zijn soort hier. Dat blijkt bijvoorbeeld gelijk al in de twee volgende nummers. Ook “Best Mistake” en het wat introvertere “One Sweet Kiss” laten zich als lading immers perfect door die vlag dekken. Pas in het door ouderwets intens rinkelende gitaren aangevuurde “Go Too Far” mag de term “roots” wat ons betreft eindelijk echt even voor de soortnaam “rock”. Het a capella gebrachte “Winter Lightning” neigt vervolgens een weinig richting folk, in een instrumentale herneming van “One Sweet Kiss” regeren schijnbaar klassiek geschoolde strijkers, “Never Gonna Run” moet het vooral hebben van een behoorlijk dreigend uit de hoek komende rock groove en “Wrong Turn” lijkt ons met voorbedachten rade “op stadionformaat” uitgewerkt materiaal uit diezelfde hoek. Volgen nog: “Town Went Cold On Me”, een door Harnett weer op bijzonder verleidelijke wijze quasi vertelde pop-trage, “Holding Pattern”, een verdere ballade, waarbij onze gedachten voorwaar zelfs even richting Natalie Imbruglia’s “Torn” en Maria McKee’s “Show Me Heaven” afdwaalden - Al heeft het nummer bij nader inzicht zeker niet dezelfde commerciële potentie! - en “Winter Lightning” in zijn standaarduitvoering, een met een knipoog naar de sixties gebrachte akoestische folkrockdeun. Knappe liedjes stuk voor stuk, maar roots rock? Wij dachten het dus niet…

Katy Lied

Bertus

 

IAN MOORE AND THE LOSSY COILS “El Sonido Nuevo” (Spark & Shine / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De vroeger vooral bekendheid als bluesgitaarbeul genietende Texaan Ian Moore blijft zijn adagium van de laatste jaren ook op “El Sonido Nuevo” weer trouw. Wat hij voor de gelegenheid aan het hoofd van het power-poptrio The Lossy Coils aflevert, verschilt immers effectief weer wezenlijk van het op voorgangers “Luminaria” uit 2004 en “To Be Loved” uit 2007 gebrachte. En dus is de titel van dat nieuwe schijfje van ‘m ook best wel op zijn plaats. “El Sonido Nuevo”, een nieuw geluid, is immers daadwerkelijk het resultaat van ’s mans nieuwe aanpak. Moore lijkt hier vooral bevestiging voor zijn nog gestaag groeiende reputatie als moderne songsmid te zoeken. En die queeste leidt tot behoorlijk gevarieerde, zij het over het algemeen toch als eerder upbeat te bestempelen resultaten. Ondanks niet altijd even vrolijke thema’s, als daar zijn bijvoorbeeld de constante twijfel aan zichzelf, onzekerheid überhaupt en eenzaamheid kreeg het gros van het materiaal hier een behoorlijk catchy kleedje aangemeten. Van onvervalste power pop genre “Secondhand Store” tot nadrukkelijk richting de Britse beatgroepjes van de late sixties lonkend spul à la “Tap The Till” of zonnige pop “California style” zoals in “Birds Of Prey” – er vooral toch maar zorg voor dragen, dat het allemaal lekker weg te happen bleef, lijkt ditmaal zeker ook één van de aandachtspunten van Moore te zijn geweest. En die doelstelling wordt wat ons betreft met verve bereikt.

Sonic Rendezvous

 

ROB LYTLE “You. Must. Stop.” (Rob Lytle)

(3,5****)

Rob wie? Rob Lytle! Nog nooit van gehoord, zei je? Nu, als het een geruststelling voor je mag zijn: wij tot voor kort ook niet. Dat is tot voor we zijn nieuwe cd “You. Must. Stop.” in handen kregen. Daarop maakten we kennis met een hoogst interessante singer-songwriter. Een man, die op de jongste uitgave van het prestigieuze Kerrville Folk Festival van zich deed spreken als finalist van de daarop jaarlijks uitgeschreven liedjeswedstrijd. En terecht ook, zo blijkt na het beluisteren van het onder de productionele hoede van Thomm Jutz ingeblikte “You. Must. Stop.”. In het gezelschap van nogal wat uitstekende studiomuzikanten, waaronder naast de al genoemde Jutz op tal van gitaren verder ondermeer ook nog Fats Kaplin op pedal steel en fiddle, de uit Ricky Skaggs’ entourage bekende Mark Fain op bas, de recentelijk ook nog bij Gretchen Peters opduikende Barry Walsh op piano en keyboards en de van zijn werk bij onder andere de Dixie Chicks bekende drummer-percussionist John Gardner, trakteert Lytle ons daarop op een twaalftal muzikaal gezien keurig het midden tussen (roots)pop, country en folk houdende liedjes, waarin hij met aangenaam zachte stem – Daarbij mooi aangevuld door zijn hier nog niet zo heel erg lang geleden ook al onder de aandacht gebrachte vrouwelijke collega Karyn Oliver! – bepaald aansprekende verhaaltjes vertelt. Soms uptempo, zoals in het komische, vanuit het standpunt van een overbezorgde vader tegenover zijn stilaan open bloeiende dochter geschreven “Daddy Knows What Boys Want”, merendeels echter wat trager, zoals bijvoorbeeld in het ook al heel erg knappe “Like You Do”, waarin zowat elk excuus goed blijkt om een overspelsituatie uit de weg te gaan, of in “Caitlyn”, dat op aparte wijze terugblikt op een definitief afscheid tegen wil en dank. Stuk voor stuk behoorlijk straffe songs eigenlijk, waarin met name Lytle’s gave om vanuit een niet alledaagse hoek dingen te benaderen ons enorm aansprak. Een naam om zeker te onthouden, vinden wij derhalve ook, die Rob Lytle.

Rob Lytle

CD Baby

 

JACQUI DANKWORTH “It Happens Quietly” (Specific Jazz)

(4****)

De vedettenstatus van pakweg een Diana Krall, een Norah Jones of een Cassandra Wilson geniet ze in onze kontreien vooralsnog zeker nog niet, maar dat hoeft er ons allerminst van te weerhouden om ook de dochter van wijlen genregrootheid John Dankworth tot het selecte kransje der grote moderne jazzvertolksters te rekenen. Met een doorgaans net wat braver repertoire dan genoemde dames misschien, maar toch. Ook op haar aan haar vorig jaar overleden pa opgedragen nieuwe cd illustreert Jacqui Dankworth weer ten voeten uit over een ronduit fabelachtige stem te beschikken. In twaalf doorgaans behoorlijk weelderig georkestreerde deunen haalt ze vocaal vrijwel voortdurende het onderste uit de kan. Werkelijk adembenemend mooie interpretaties van standards als “A Nightingale Sang In Berkeley Square”, “In The Still Of The Night”, “My Foolish Heart”, “At Last” en “The Folks Who Live On The Hill” worden erop afgewisseld met enkele al even verbluffende originelen. Het beklijvende titelnummer ondermeer, waarin ze op muziek van haar betreurde vader een tekst van Buddy Kaye richting de sterren croont, en “The Man” ook, een wellicht laatste samenwerking met haar ouweheer, hier ook nog verantwoordelijk voor een groot aantal van de arrangementen overigens, die laatste. Met veel gevoel omhelst ze daarin stemgewijs elk door haar gezongen woord. Glashelder, net wat minder onderkoeld dan in heel wat van het overige materiaal hier, laat ze zich in dat liedje zachtjes swingend een laatste keer een knappe altsaxsolo van John Dankworth welgevallen. Werkelijk bloedmooi! Zoals heel wat van het hier gebrachte spul overigens. Geen wonder, dat men haar in de vakpers van haar land al een poosje beschouwd als één van de allerbeste zangeressen überhaupt. Voor wie van vocale jazz houdt absoluut een aanrader van jewelste!

Jacqui Dankworth

 

GOOD LUCK MOUNTAIN “Good Luck Mountain” (00:02:59 Records / Lucky Dice Music)

(4****)

Na het onverwachte overlijden van zijn vriend en collega Drew Glackin trok Mike Ferrio vroeg in 2008 de stekker uit Tandy. Zonder zijn oude soul mate zou het immers allemaal toch nooit meer hetzelfde zijn. En plots werd het vervolgens heel erg stil rond Ferrio. Tot nu, that is. Met Good Luck Mountain staat hij iets meer dan drie jaar later immers eindelijk voor een nieuw begin. “An art project for a friend” noemt hij het zelf. En het blijkt daarbij voornamelijk te gaan om een soort van ensemble van bij andere acts “geleende” collega’s. Zo haalde Ferrio ondermeer Konrad Meissner (The Silos, Matt Nathanson), Jason Mercer (Ron Sexsmith, Ani DiFranco), Sibel Firat (Pavement, Giant Sand, Fab Faux), Matt Mays (The Guthries, Matt Mays & El Torpedo), David Chernis (The Damnwells, Star City), Ana Egge, Eleanor Whitmore en Lucy Hollier aan boord. Samen met hen dompelt hij ons onder in een negental voornamelijk aan “spirituele dingen” opgehangen liedjes. Vooral leven en dood spelen daarin een belangrijke rol. Vaak betreft het daarbij heel erg ingetogen nummers. Nummers, die nogal wat muzikaal terrein bestrijken overigens. Rock, folk, soul, ambient… Het zit er allemaal wel ergens in vervat en één enkel muzikaal hokje aanwijzen voor “Good Luck Mountain” is dan ook onbegonnen werk. En dat is eigenlijk ook niet echt nodig. Want de woorden lijken “this time around” wel het belangrijkst voor Ferrio. “I think the words point to the fact that we begin to see how precious our lives and relationships are when we give death its due,” aldus de beste man zelf dienaangaande. Het geeft aan, hoe diep de dood van multi-instrumentalist Glackin hem wel geraakt moet hebben. En dat verklaart ons inziens meteen ook, waarom het aan deze laatste opgedragen “Good Luck Mountain” als geheel zo ontzettend warm aanvoelt. Uit elke noot hier blijkt, dat Ferrio van dat ultieme eerbetoon aan zijn maat zaliger iets speciaals heeft willen maken. Een herkansing zou hij daartoe allicht immers niet meer krijgen. En dus werd “Good Luck Mountain” een wolk van een als eerder introvert te bestempelen songcollectie, die op de keper beschouwd wel eens door heel velen gesmaakt zou kunnen gaan worden. En dan bedoelen we zowel in rootsmuziekminnende kringen als in eerder alternatief ingestelde middens. Wat apart allemaal, maar wel door en door mooi! (Onze voornaamste luistertip: het met wat uitermate lekker mondharmonicawerk opgewaardeerde “Wayward Blues”, een echt kippenvelnummer is dat!)

Good Luck Mountain via 00:02:59 Records

Lucky Dice Music

 

CIARA SIDINE “Shadow Road Shining” (Ciara Sidine)

(4****)

Ierland kan al sinds tijden bogen op een onwaarschijnlijk rijk gevulde traditie, daar waar het vrouwelijke zangtalenten betreft. Het is bijna alsof meisjes daar al met de moedermelk die gave meekrijgen. Hoe anders die ongemeen grote weelde aan supervocalisten verklaren? Een kransje, waartoe je sinds kort wat ons betreft ook Ciara Sidine mag rekenen trouwens. Wat die op haar grotendeels door Martin Clancy geproduceerde eersteling “Shadow Road Shining” te bieden heeft is immers in één woord fenomenaal. In het gezelschap van de “crême de la crême” der Ierse studiomuzikanten trakteert ze ons op twaalf warmbloedige lappen Americana en rootsmuziek, waarin ze weliswaar nergens haar Ierse roots tracht te verloochenen, maar die op de keper beschouwd toch redelijk nadrukkelijk Amerikaans aanvoelen. Knappe teksten verpakt in tot in de puntjes verzorgde liedjes bieden haar de kans om uitgebreid te excelleren. Ongelooflijk bezield klinkt Sidine hier dan ook. En die aanpak rendeert duidelijk. Hier niet van houden lijkt ons immers zo goed als uitgesloten. Probeer bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens even het net wat nadrukkelijker dan het gros van het overige materiaal hier bij de folktraditie van haar land aansluiting zoekende duet met Jack J “Constellations High”, de soulvolle eerste single “Take Me Down” of “The Arms Of Summer”, Sidine’s doorleefde eerbetoon aan het adres van haar muzikale held wijlen Johnny Cash, en je zal wat dat betreft wellicht al snel op dezelfde golflengte als ons belanden. Gaan we als je het ons vraagt ongetwijfeld nog heel wat van horen, van deze dame. Met zo’n geweldige stem en een quasi perfect daarmee matchende smaak kan dat haast niet anders.

Ciara Sidine

 

GWENDOLYN “Bright Light” (Whispersquish)

(4****)

De in het nog redelijk ongerepte Sierra Madre opgegroeide, maar beroepshalve ondertussen wel naar het stukken drukkere Silver Lake in Californië verhuisde Gwendolyn bezingt in de liedjes op haar nieuwe worp ondermeer het haast ondraaglijke verlangen naar simpelere tijden en een leven “out in the country”. Een logisch gevolg allicht van haar eigen, in haar teksten ook al volop aan bod komende reis doorheen liefde, huwelijk en moederschap. Haar sowieso al goed gevulde leven werd er daardoor immers niet bepaald gemakkelijker op. Maar die trip leverde haar tegelijk ook wel voldoende stof op voor “Bright Light”, na haar debuut “Ultrasounds” uit 2000, “Dew” uit 2003 en het door haar mentor Ben Vaughn geproduceerde “Lower Mill Road” uit 2007 al haar vierde cd. (En dan rekenen we nog eens vier platen gevuld met alleen maar kinderliedjes niet eens mee!) Dat “Bright Light” is zondermeer haar “meest country klinkende plaat” tot op heden. Een bewuste keuze, aldus Gwendolyn zelf. Ze ziet die nieuwe immers als een soort van eerbetoon aan de bruisende (alternatieve) countryscène van haar tweede heimat. En echt te verwonderen hoeft het dan ook niet, dat ze precies daar met plezier op zoek ging naar wat aanvullende begeleiding. En die vond ze ondermeer in Josh Grange (Dwight Yoakam), Tony Gilkyson (X, Lone Justice), Paul Lacques (I See Hawks In LA), Cliff Wagner en Eleni Mandell. Bepaald schoon volk om een heerlijk gevarieerd rondje Americana mee door te spoelen, als je het ons vraagt. En de resultaten zijn dan ook navenant! Liedjes als het voorzichtig bluesy ingekleurde “Plant”, het verstilde titelnummer, het bedaard swingende “Discover Me” en vooral ook “Durango” mag je ons graag alle dagen komen voorschotelen. Niet enkel met afstand het mooiste deuntje van allemaal hier, dat laatste, maar bovendien ook nog eens gezegend met een verbluffend knappe tekst, waarin op zalig klaaglijke wijze het gemis van een geliefde op één van die momenten, dat je hem er absoluut bij zou willen hebben, wordt gevangen. Gewoon één van de allermooiste liedjes van 2011 so far, als je het ons vraagt. En wij hebben er al verdomd veel gehoord…

Gwendolyn

 

SLAID CLEAVES “Sorrow & Smoke, Live At The Horseshoe Lounge” (Music Road Records / Munich)

(4****)

Eigenlijk heeft hij er best wel lang over gedaan om met een live-album op de proppen te komen, de lange “keuze-Texaan” Slaid Cleaves. Het merendeel van zijn collega’s is er wat dat betreft een stuk vlugger bij. Maar goed, bij dezen is het dus eindelijk wel zo ver. En Cleaves serveert ons nu liefst twee schijfjes vol met live-materiaal tegelijk. Het betreft daarbij in april en juni van vorig jaar in de je al uit één van zijn liedjes bekende Horseshoe Lounge in Austin, Texas gemaakte opnames, die als geheel staan voor een behoorlijk royale dwarsdoorsnede van de recentere helft van zijn eigen repertoire. Van “Broke Down” uit 2000, eigenlijk zo’n beetje zijn doorbraakplaat, krijgen we zo het titelnummer, “One Good Year”, “Horseshoe Lounge” uiteraard ook, “Breakfast In Hell”, de Karen Poston-cover “Lydia” en “Key Chain” op ons bord. Van het sublieme “Wishbones” uit 2004 ook al het titelnummer, “Drinkin’ Days”, “Sinner’s Prayer”, “Below”, “Horses” en “pièce de résistance” “New Year’s Day” en van zijn recentste “Everything You Love Will Be Taken Away” uit 2009 vanzelfsprekend ook een flinke hap met respectievelijk “Cry”, “Hard To Believe”, “Green Mountains And Me”, “Black T Shirt” en “Tumbleweed Stew”. Aangevuld wordt dat achttiental met twee jodel-rijke Don Walser-covers, te weten “Texas Top Hand” en ’s mans lijflied “Rolling Stone From Texas”, en het nog nagelnieuwe “Go For The Gold”. Een erg mooi geheel alleszins, dat een heel goed beeld ophangt van Cleaves live. Slaid is een bijzonder sympathieke kerel en dat hoor je hier ook nadrukkelijk in zijn interactie met de hem duidelijk in het hart dragende aanwezigen. Wie Cleaves ooit live aan het werk zag, zal dit ogenblikkelijk herkennen en wellicht net als ons aan een geslaagd luisteravondje in het gezelschap van “de lange” terugdenken. Wie nog niet dat genoegen had, moet hier vooral maar eens naar luisteren. Kwestie van te weten, wat hij gemist heeft… Een volgende kans om Cleaves ergens dicht bij huis te zien zal dan ongetwijfeld met beide handen aangegrepen worden! Of ’s mans begeleiders hier, Michael O’Connor (akoestische leadgitaar en zang) en Oliver Steck (accordeon, harmonica, trompet en zang), er dan ook bij zullen zijn, is echter een andere vraag.

Slaid Cleaves

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home