CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES SEPTEMBER 2012

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:

ANNA COOGAN & DANIELE FIASCHI “The Nowhere, Rome Sessions” - IAN HUNTER & THE RANT BAND “When I’m President” - BEN BEDFORD “What We Lost” - ROSIE FLORES “Working Man’s Guitar” - SKYLINE DRIVE “Topanga Ranch Motel” - SCRAPOMATIC “I’m A Stranger” - IAN SIEGAL & THE MISSISSIPPI MUDBLOODS “Candy Store Kid” - GRANDFATHER CHILD “Grandfather Child” - JOHN HIATT “Mystic Pinball” - KELLY JOE PHELPS “Brother Sinner & The Whale” - FILIP DE FLEURQUIN “Telephone Booth Hotel” - THE EMPERORS OF WYOMING “The Emperors Of Wyoming” - JOHAN ÖRJANSSON “Melancholic Melodies For Broken Times” - GORDIE TENTREES “North Country Heart” - AMERICAN AQUARIUM “Burn. Flicker. Die.” - THE FLATLANDERS “The Odessa Tapes” - JANIS MARTIN “The Blanco Sessions” - PLAINSONG “FAT LADY SINGING” - SHURMAN “Inspiration” - PONDEROSA “Pool Party” - THE COAL PORTERS “Find The One” - MALCOLM HOLCOMBE “Down The River” - SUMNER BROTHERS “I’ll Be There Tomorrow” - JIM BYRNES “I Hear The Wind In The Wires” - THE MASTERSONS “Birds Fly South” - JOEY + RORY “His And Hers” - JIMMY LAFAVE “Depending On The Distance” - CORB LUND “Cabin Fever”

 

 

ANNA COOGAN & DANIELE FIASCHI “The Nowhere, Rome Sessions” (Continental Record Services)

(4*****)

Wie dit “odd couple” al eens live aan het werk zag, zullen we hier vast niet meer moeten overtuigen van de kwaliteit van hun eerste werkstuk samen. Een album, dat er overigens ook kwam op vraag van bezoekers van de vele de laatste maanden door Coogan en Fiaschi gedeelde optredens. Zij wilden maar wat graag een plaat die de live show van de twee reflecteerde en die krijgen ze met “The Nowhere, Rome Sessions” nu ook. Een redelijk naakte aangelegenheid dus. Geen productie, zo weinig mogelijk afleiding überhaupt. Doorgaans enkel de bijzonder warmbloedige stem van de Amerikaanse en wat met veel gevoel betokkelde gitaren. Zowel akoestische, als elektrische, dat wel. Zo werden zes van hun populairste nummers samen en ook een drietal nieuwe ingeblikt. Niet enkel eigen spul overigens, maar ook covers van Gordon Lightfoots “The Wreck Of The Edmund Fitzgerald” en Phil Ochs’ tijdloze “The Crucifixion”. Bij dat laatste betreft het overigens wel een op 16 oktober van vorig jaar tijdens het Roepaen Festival in het Nederlandse Ottersum gemaakte opname. En die is net als al de rest hier in al haar eenvoud van een werkelijk ademberovende schoonheid. Warm aanbevolen dan ook, deze alles samen negen eenheden tellende songcollectie. Hopelijk enkel de eerste aanzet tot veel meer!

Anna Coogan, Continental Record Services

 

IAN HUNTER & THE RANT BAND “When I’m President” (Proper / Rough Trade)

(4****)

73 is hij ondertussen, maar rocken doet hij nog steeds als de besten, deze Ian Hunter. Meer nog: beter dan ooit eigenlijk! Gelijk van bij de eerste noten van openingsnummer “Comfortable (Flyin’ Scotsman)” wordt duidelijk, dat Hunter aan het hoofd van The Rant Band nog tot een alleraardigste tour de force in staat is. Dat is immers pub rock van het allerfijnste soort. ’n Beetje Chuck Berry, ’n beetje Little Richard, maar vooral ongelooflijk veel hart! En dat treffen we bijvoorbeeld ook nog in overdoses aan in het gelijkaardige en dus eveneens rete-aanstekelijke “Wild Bunch”, in de tragen “Fatally Flawed” en “Black Tears” en in het gespierd stompende “Saint” en het catchy “Just The Way You Look Tonight”. In dat laatste schuilt er wat ons betreft zelfs een bescheiden (radio)hitje! Andere klappers hier: het bijna onder zijn sociaal bewustzijn bezwijkende titelnummer, het sensueel zwierig met de kont schuddende “I Don’t Know What You Want” en zeker ook het afsluitende rustpuntje “Life”. “Can’t believe that I’m still here and you’re still here,” zingt hij zijn trouwste fans daarin bij wijze van bedankje toe. Al zullen die tegen dan al lang blij zijn, dat hun idool deze plaat überhaupt nog heeft gemaakt. “When I’m President” is immers zondermeer één van ’s mans allerbeste ooit.

Ian Hunter, Proper Records

 

BEN BEDFORD “What We Lost” (Waterbug Records)

(4****)

Wat een mooie plaat, deze derde van de nog relatief jonge Amerikaanse singer-songwriter Ben Bedford! Spek naar de bek van al wie nog houdt van liedjes met inhoud. Met een zekere literaire inslag eigenlijk. Want daarvoor staat Bedford hier vrijwel voortdurend garant. Materiaal, waarmee hij zo in de voetsporen kan van gerenommeerde collegae als een John Prine, een Gordon Lightfoot, een Bob Dylan, een Woody Guthrie en een Bill Morrissey. Maar ook in die van één van de grootste Amerikaanse schrijvers ooit, te weten John Steinbeck. De manier waarop hij zijn protagonisten in het modale Midwesten van Amerika weet in te bedden en te portretteren is immers ronduit geweldig te noemen. En vrijwel allemaal zijn ze er zoekende. Naar vrijheid, vrede, rechtvaardigheid, de waarheid, naar een zinvolle invulling van hun leven. De sterkste momenten? Dat zijn wat ons betreft het weliswaar op speelse wijze gebrachte, maar niet bepaald flatterende “John The Baptist”, het zalige ingetogen titelnummer “What We Lost”, het aan de in Springfield, Illinois geboren rondtrekkende bard Lindsay met die voornaam gewijde “Vachel” en vooral ook “Fire In His Bones”, waarin Bedford zich met veel overgave op het bewogen leven van delta-blueslegende Charlie Patton stort. Ook de resterende zes nummers zijn evenwel ijzersterk. Een echte aanrader derhalve ook, dit buitengewoon fraaie schijfje!

Ben Bedford, Waterbug Records

 

ROSIE FLORES “Working Man’s Guitar” (Bloodshot / Bertus)

(3***)

Toen Rosie Flores onlangs één van haar oude gitaren verkocht aan een Texaanse collega, herdoopte die het tot op de draad versleten kleinood spontaan tot “working girl’s guitar”. En amper één dag later belde hij een verbaasde Flores alweer op om haar te laten kennismaken met wat later zou uitgroeien tot het titelnummer van haar nieuwe cd. “Ik schreef het niet,” meende de beste man, “dat deed de gitaar.” En het is eigenlijk best wel een beetje een atypisch Flores-deuntje, dat “Working Girl’s Guitar”. In die zin, dat het daarbij over een redelijk stevige (roots)rocker blijkt te gaan. Iets wat ook geldt voor het meteen daaropvolgende “Little But I’m Loud” overigens. Ook dat zouden wij nu niet meteen “vintage Flores” durven te noemen. Dat ogenschijnlijk nieuwe lijflied voor de “Rockabilly Filly” beukt er eveneens aardig op los. En dan is er oerplots al een eerste rustpuntje. Compleet met zacht rinkelende gitaren, steel-gehuil en zang ons voorwaar wat herinnerend aan die van Kirsty MacColl zaliger. Via de met een Zuid-Amerikaans motiefje stoeiende exotische instrumental “Surf Demon #5” belanden we uiteindelijk toch nog in meer vertrouwde wateren. Met name in het heerlijk heupwiegende “Drug Store Rock And Roll”. Eindelijk rockabilly! Maar het blijkt daarbij helaas slechts om een momentopname te gaan. Met “Love Must Have Passed Me By” gaat het vervolgens immers al snel weer de trage countrytoer op. “Too Much” blijkt vervolgens funky rock & roll, prijsnummer “If (I Could Be With You)” een ongelooflijk mooie pianogestuurde R&B-sleper en “While My Guitar Gently Weeps” een wat ons betreft compleet overbodige, wat jazzy aandoende cover van die bekende Beatles-hit. Al met al zeker niet Flores’ sterkste plaat, dit “Working Girl’s Guitar”, maar anderzijds allicht wel haar meest gevarieerde so far.

Rosie Flores, Bloodshot Records

 

SKYLINE DRIVE “Topanga Ranch Motel” (Skyline Drive)

(3,5****)

Skyline Drive is het nieuwe project van de Amerikaanse songsmid Derek Thomas, je misschien nog wel bekend van zijn bijdragen aan het vooral in zijn thuisland in beperkte kring behoorlijk jubelend onthaalde collectiefje 60 Watt Kid. Met de door dat gezelschap gebrachte indie rock heeft wat Thomas op zijn nieuwe cd doet echter hoegenaamd niets meer te maken. Met de tien songs daarop gaat hij naar onze bescheiden mening met succes op zoek naar een eigen niche binnen de genres Americana en folk. Daarbij onder meer bijgestaan door één van Ryan Adams’ voormalige helpers, met name multi-instrumentalist Erik Kristensen, scoort hij zo menig een muzikale homerun. Zijn eigen, doorgaans behoorlijk evocatieve songteksten, warm-hese stem en mondharmonica en de bijdragen van die Kristensen op de pedal steel zijn in grote lijnen bepalend voor het hier aangebodene. Al mogen we zeker ook de gezongen hulp van Leslie Stevens niet vergeten. Haar stem kleurt immers wonderwel bij die van Thomas zelve. En dat resulteert in zo menig een hartverscheurend mooi moment. Zeker de wat ingetogener songs scoren wat ons betreft vaak erg hoog. Die baden immers regelmatig bijna letterlijk in de melancholie en da’s erg mooi. Ietwat vlottere deunen als het voorzichtig rockende “Nothing Like You” en het ook al erg catchy “Bartering Line” vormen het tegengewicht voor al teveel tristesse.

Skyline Drive

 

SCRAPOMATIC “I’m A Stranger” (Landslide / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Mocht de naam Mike Mattison je al iets zeggen, dan wellicht vooral omwille van ‘s mans bijdragen aan de Derek Trucks Band of het recente verlengstuk daarvan, de Tedeschi Trucks Band. Op “Revelator”, de ronduit sublieme eersteling van die laatste groep, sprongen met “Bound For Glory” en “Midnight In Harlem” liefst twee van Mattisons composities serieus in het oog. En dus waren wij hier ook best wel nieuwsgierig naar “I’m A Stranger (And I Love The Night)”, de vierde langspeler van diens eigen groep Scrapomatic. Nu ja, eigen groep… De groep die hij vormt met gitaristen Paul Olsen en Dave Yoke, aangevuld met ritmetandem Ted Pecchio (bas) en Tyler “The Falcon” Greenwell (drums). Samen banen zij zich op “I’m A Stranger” een weg doorheen een jungle bont aan stijlen. Gaande van behoorlijk snedige bluesrock (“Alligator Love Cry”) en doorleefde rootspop (het titelnummer en “Don’t Fall Apart On Me, Baby”) tot nerveus aan zijn kettingen snokkende (sixties style) R&B (“Rat Trap” en de instant classic “The Mother Of My Wolf”), bedaarder soulvol spul (“Night Trains, Distant Whistles” en “I Surrender”) tot blues tout court (“Crime Fighter”) en zelfs jazzy stuff (“How Unfortunate For Me”). Twaalf eigen nummers van het duo Mattison-Olsen. En ook voor de productie tekende Mike Mattison zelf.

Scrapomatic, Landslide Records, Sonic Rendezvous

 

IAN SIEGAL & THE MISSISSIPPI MUDBLOODS “Candy Store Kid” (Nugene / Bertus)

(5*****)

Schrijf het maar op: bluesplaat van het jaar! No doubt about that! Ian Siegal heeft zichzelf op z’n ondertussen toch ook al zevende immers echt wel serieus overtroffen. Waren veel van zijn vorige albums al echte heerlijkheden van schijven, dan is dit niets minder dan een echte instant classic! Het als het ware perfecte huwelijk tussen de blues aan weerszijden van de Atlantische. Enerzijds het stemgruis en de buitengewoon vaardige pen van Siegal zelve, anderzijds de verzamelde talenten van Luther en Cody Dickinson, Alvin Youngblood Hart, Garry Burnside en Lightnin’ Malcolm. En dan vergaten we bijna nog de gezongen achtergrondbijdragen van het trio Stefanie Bolton, Sharisse Norman en Shontelle Norman. Samen tekenen zij met “Candy Store Kid” voor een volstrekt uniek geheel. Een plaat, waardoor je jezelf als bluesliefhebber inderdaad ogenblikkelijk de spreekwoordelijke kleine in het snoepwinkeltje om de hoek waant. Met de mond wagenwijd open laat je je meevoeren op een golf rijk aan verrassingen. Zoals een buitengewoon funky lezing van Little Richards “Green Power” bijvoorbeeld, een al even bezielde vertolking van het je al van Gritz bekende “Bayou Country”, het op passionele wijze met (swamp)rock flirtende “Loose Cannon”, het lekker countryesk twangend zijn titel alle eer aandoende “I Am The Train”, Lightnin’ Malcolms gloedvolle sleper “So Much Trouble”, het samen met Luther Dickinson in vettige deltaklei geplante “Kingfish”, het op lome, maar aanstekelijke wijze naar R&B-adem happende “The Fear” of het vertederende walsje “Rodeo”. Wie dacht dat blues anno 2012 maar een saaie bedoening was, moest hoogdringend maar eens aan dit infuus! F-E-N-O-M-E-N-A-A-L!

Ian Siegal, Nugene Records

 

GRANDFATHER CHILD “Grandfather Child” (New West / Rough Trade)

(4****)

Naar verluidt één van dé revelaties van de voorbije editie van het prestigieuze SXSW-festival, dit viermanschap uit Houston. En daar, beste vrienden, kunnen we hier op basis van hun debuut perfect in komen. Dat schijfje staat immers wel degelijk garant voor iets heel speciaals. Gelijk van bij het sensueel voorbij schuifelende openingsnummer “Can’t Seem To Forget”, een niets minder dan verbluffende streep witte slow soul seventies style, waren wij volledig bij de les. En daar zouden we vervolgens ook negen nummers lang blijven: via het op ongemeen aanstekelijke wijze tussen boogie, gospel, blues en rock heen en weer stuiterende “… Gonna Have Ourselves A Vision” en het funky “Magical Words” over het echt alles van een instant rock classic hebbende “New Orleans”, het langs een hillbilly banjo richting een dosis retestrakke rootsrock geleide “I Would Like To Thank The Universe / Planet Earth”, de opnieuw zwoel soulvolle (aansteker)ballade “Across Our Minds” en de passionele trage “Waiting For You” tot het aan een echte rotvaart voorbij denderende “Ride That Train” en het afsluitende rustpuntje “It Shines On”. Echt wel heerlijk, hoe rock, gospel, soul, blues en andere elkaar hier nog eens ongegeneerd weten te vinden. Dat moest ondertussen al zo ongeveer van Led Zeppelin geleden zijn…

Grandfather Child, New West Records

 

JOHN HIATT “Mystic Pinball” (New West / Rough Trade)

(4,5*****)

Welk een bom wederom, die singer-songwriter John Hiatt ons met z’n negentiende studioplaat ondertussen toch ook alweer presenteert! Ronduit subliem spul van een man echt wel in de vorm van zijn leven. Zich daarbij voortdurend geflankeerd wetend door Kevin Shirley - Als producer ook al mede verantwoordelijk voor het machtige “Dirty Jeans And Mudslide Hymns”! - en klasse-muzikanten als gitarist Doug Lancio, bassist Patrick O’Hearn en drummer Kenneth Blevins blikte Hiatt twaalf nieuwe eigen songs voor ons in. Daaronder nogal wat rockertjes. We noemen zo bijvoorbeeld het over een lome beat neergehamerde “We’re Alright Now”, het heerlijk venijnige, net als zijn titel flinke sporen achterlatende “Bite Marks”, het melodieuze, een weinig aan de o zo succesvolle jaren negentig-Hiatt herinnerende “It All Comes Back Someday”, de meezinger “Give It Up” en de zwierige bar-rocker “My Business”. Maar Hiatt zou Hiatt natuurlijk niet zijn, mocht hij niet ook enkele van de voor hem ondertussen zo karakteristiek geworden ballades het geheel hebben binnengesmokkeld. En dat zijn ditmaal het mede op knap elektrisch gitaarwerk van Lancio geënte “I Just Don’t Know What To Say” en het lieflijke, volledig akoestisch gehouden “No Wicked Grin”. Niks nieuws onder de zon dus eigenlijk, maar het smaakt wel allemaal weer ronduit uitmuntend! Zo mag Hiatt wat ons betreft gerust nog tot aan het eind van zijn dagen door blijven gaan!

John Hiatt, New West Records

 

KELLY JOE PHELPS “Brother Sinner & The Whale” (Black Hen Music / Continental Record Services)

(4,5*****)

Na het volledig instrumentale “Western Bell” van drie jaar geleden en “Magnetic Skyline”, zijn samenwerking met Corinne West, uit het najaar van 2010 eindelijk weer eens “vintage” Kelly Joe Phelps. Door de beste man zelf als een soort van persoonlijke vorm van gospel bestempelde deunen à volonté dus weer, met dat voor Phelps zo kenmerkende huwelijk tussen oeroude blues, traditionele folk en jazz ook nu weer als een rode draad doorheen het gebodene lopend. Continu excellerend op de akoestische, zowel “slidend” als “pickend”, brommend en neuzelend als in zijn beste dagen en vrijwel uitsluitend “uit eigen werk voorlezend” toont Phelps je als liefhebber van rootsy Americana weer een stukje van de hemel. Zowat alles deed hij zelf. Enkel de productie liet hij over aan gelijkgestemde geest Steve Dawson. Een echt pareltje is het resultaat! Onze luistertips: het creatief met traditionele delta blues omspringende openingsnummer “Talkin’ To Jehova”, het heerlijk relaxed uit de hoek komende “Goodbye To Sorrow” en vooral ook de ingetogen folkdelicatesse “Sometimes A Drifter”.

Kelly Joe Phelps, Black Hen Music, Continental Record Services

 

FILIP DE FLEURQUIN “Telephone Booth Hotel” (Rekelberg Music Records)

(4,5*****)

Gelijk vanaf de eerste tonen van “Brussels Central Station” had ik een bijzonder goed gevoel bij “Telephone Booth Hotel”, de nieuwe van landgenoot Filip de Fleurquin. Wie ooit, zoals ik jaren geleden, met enige regelmaat tijdens de late uurtjes doorheen de stilaan verlaten gangen van het gelijknamige station dwaalde, zal zich ogenblikkelijk weten te vinden in de door dat nummer gecreëerde sfeer. Hoe heerlijk de weemoed… Een eerste pareltje op de Fleurquins opnieuw door HT Roberts geproduceerde derde cd. En er volgen er zo gelukkig nog een hele resem! Van het voorzichtig jazzy ingekleurde en met Sarah D’hondt gebrachte titelnummer over het door Bruno Deneckere met mooi gitaarwerk opgewaardeerde “White New Brushes”, het passionele “Yellow And White Ones”, het muzikaal wat speelser opgevatte tweetal “Power Of The Numbers” en “Picking Grapes”, het over een Americana met reggae versmeltende achtergrond gedrapeerde “If Wishes Were Horses” en het ronduit meesterlijke, ons een weinig aan enkele klassiekers van Shaver herinnerende “Open Up A Window (Let The Sun Come In)” tot het als een soort van strijdkreet overkomende “If You Don’t Believe In It” en andere, de Fleurquin scoort hier echt wel aan de lopende band. Sterke, je als luisteraar nog vrijwel voortdurend voor een uitdaging stellende teksten, fraaie melodieën, een al flink door de jaren getekende, maar desondanks ongemeen warme stem en een sterk kransje aan begeleiders (HT Roberts, Bruno Deneckere, Niels Delvaux), meer moest dat voor mij absoluut niet zijn! Ik zou zelfs zo ver durven te gaan, om dit nu al de beste Belgische rootsplaat van 2012 te noemen. Met name die nummers waarin de Fleurquin in de weer is met het begrip tijd in één of meerdere van z’n vele facetten blijken vaak bloedmooi. We noemen in dat verband bijvoorbeeld graag nog even “Picking Grapes”, “Darkness In Me” en het eerder al vermelde duo “If Wishes Were Horses” en “Somewhere In Time”. Met liedjes van dat kaliber zal de Vlaamse songsmid naast liefhebbers van het materiaal van de hoger door ons al even opgevoerde Shaver zeker ook die van wijlen Johnny Cash in zijn nadagen, Guy Clark, Townes Van Zandt en JJ Cale weten te plezieren. Dit horen is het ongetwijfeld ook kopen!

Filip de Fleurquin

 

THE EMPERORS OF WYOMING “The Emperors Of Wyoming” (Proper / Rough Trade)

(3,5****)

Mocht deze groep in haar rangen niet ene zekere Butch Vig hebben rondlopen, zou ze dan nog evenveel aandacht krijgen? Ik durf het eerlijk gezegd luidop te betwijfelen. Daarvoor is de door de producer van Nirvana’s klassieker “Nevermind” (drums, percussie, keyboards, gitaren en backing vocals) en zijn kompanen Phil Davis (zang en gitaren), Pete Anderson (bas, tal van gitaren en backing vocals) en Frank Anderson (leadgitaar, lap en pedal steel, banjo en keyboards) op hun debuut samen opgehoeste country- en folkrock wat mij betreft net niet opvallend genoeg. De vier tonen zich weliswaar stuk voor stuk keien op hun instrumenten en de tien songs op “The Emperors Of Wyoming” zijn an sich verre van kwaad, maar dat zekere ietsje meer mis ik toch. En net dat had ik op basis van de promotionele grootspraak voorafgaand aan deze eersteling toch wel wat verwacht. Voor het overige geen kwaad woord meer over deze schijf. Wat Vig en z’n maats hier brengen klinkt op de keper beschouwd immers heel erg af en neemt het absoluut niet te nauw met stijlbeperkingen. Naast elementen uit de rockende varianten op country en folk herkende ik zo bijvoorbeeld ook nog slinkse knipogen richting surf instrumentals, spaghetti western soundtracks, seventies hard rock en bluegrass. Maar laat dat je vooral niet afschrikken! Het klinkt allemaal een stuk ingewikkelder dan het in werkelijkheid is. Vig en co lijken tijdens de opnames van hun maiden release immers vooral oog voor (sterke) melodieën te hebben gehad. De rest was eigenlijk alleen maar bijzaak. Fijnste momenten: de melancholische, met een steel-sausje overgoten trage “Sweep Away” en de afsluitende fijne cover van wijlen John Martyns “Bless The Weather”.

The Emperors Of Wyoming, Proper Records

 

JOHAN ÖRJANSSON “Melancholic Melodies For Broken Times” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Je kent het ongetwijfeld ook wel, het fenomeen van de platen die je vrijwel ogenblikkelijk een heel erg warm gevoel vanbinnen bezorgen. Wel, dit is er weer eens zo eentje. Althans, op ons had ze dat effect. Het betrof hier tot onze grote verbazing al de vierde cd van de ons voorheen volslagen onbekende Zweedse singer-songwriter Johan Örjansson. En dat gevoel werd vooral gevoed door het feit, dat de man echt wel ontzettend goed is. Zowel zijn stem als zijn materiaal deden ons meteen wat denken aan Ryan Adams in zijn beste dagen. En aan de maker van onze “plaat van het jaar” van vorig jaar ook wel: Israel Nash Gripka. Een Gripka, die hier ook zelf van de partij is trouwens. De Amerikaan was zo onder de indruk van de kunstjes van Örjansson dat hij hem dit voorjaar tijdens zijn tournee doorheen Scandinavië op sleeptouw nam en later ook nog zijn stem leende aan “If I Were To Love You”, één van de vele hoogtepunten van “Melancholic Melodies For Broken Times”. Een plaattitel die overigens heel mooi samenvat waarvoor Örjansson vooral staat. De melancholische kleinoden zijn hier immers daadwerkelijk ruim in de meerderheid. En wellicht is net dat één van de redenen voor het o zo toegankelijke karakter van deze fraaie plaat. Wat Örjansson ergens tussen Americana, roots rock en pop weet op te delven blijkt immers vrijwel zonder uitzondering van het eerder radiogenieke slag. Ideaal, zo lijkt ons, om herfstige najaarsdagen straks nog wat meer aan kleur mee te geven. Warm aanbevolen van hieruit dan ook!

Johan Örjansson, Rootsy, Sonic Rendezvous

 

GORDIE TENTREES “North Country Heart” (Continental Song City)

(4****)

Onze wegen en die van de Canadese (roots)rocker Gordie Tentrees kruisten elkaar in het verleden al wel eens vaker. En het is dan ook met het nodige plezier dat wij vaststellen, dat ’s mans balletje hier ondertussen stilaan flink aan het rollen is gegaan. Mede dankzij de zwaar gewaardeerde inspanningen van collega Fred Eaglesmith is Tentrees in de Benelux niet langer een nobele onbekende. Voor zijn nieuwe cd vond hij zelfs al vrij snel onderdak bij Continental Song City. Dat album, het twaalf songs tellende “North Country Heart”, cementeert als het ware zijn al enkele jaren gestaag groeiende reputatie als songsmid. Tentrees’ liedjes, “songs of the road and of the land”, laten zich wat ons betreft beurtelings onderverdelen onder de hoofdingen Americana, country en roots rock. En wie houdt van wat gruiziger uitvallende stemmen zal ongetwijfeld wel z’n weg weten met dingen als de ballads “Gypsy Wind”, “Little Guy” en “Holy Holy” en kloeker spul genre een “Wheel & Wrench”, het aan een stevige vaart voorbij denderende titelnummer of het met wat noten Cash besprenkelde “Last Word”.

Gordie Tentrees, Continental Song City

 

AMERICAN AQUARIUM “Burn. Flicker. Die.” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Hier moet je wel van houden! Wat BJ Barham en kompanen afleveren bruist immers ook ditmaal weer van de vitaliteit. Elf nummers lang evoceert het vijftal uit Raleigh, North Carolina op zijn vijfde langspeler onder meer de jonge Springsteen, Whiskeytown en de Drive-By Truckers. En echt verwonderen deed het ons dan ook niet om onder dat topelftal de naam van de vooral van dat laatste gezelschap bekende Jason Isbell als coach te zien staan. Onder zijn productionele hoede en met wat gewaardeerde studiohulp van onder anderen legende Spooner Oldham (toetsen), Amanda Shires (zang en viool), Caitlin Cary (zang en viool) en Brett Harris en Lynn Blakey (zang) kerfden Barham en de zijnen geduldig elf blijvertjes in de bast van een in goede countryrockgrond gewortelde boom. Daartussen zit er nogal wat strak rockend uit de hoek komend spul (het titelnummer, “Cape Fear River”, “St. Mary’s”, “Abe Lincoln” en andere), maar ook een handjevol prachtballades (onder andere het nadrukkelijk countrygetinte “Lonely Ain’t Easy”, het over mooi steel-gehuil van Whit Wright gedrapeerde “Northern Lights” en het wel heel erg Springsteen-eske “Jacksonville”). Minstens zo goed als z’n hier ook al uitgebreid bejubelde voorgangers “Dances For The Lonely” en “Small Town Hymns”, dit “Burn. Flicker. Die.”!

American Aquarium, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

THE FLATLANDERS “The Odessa Tapes” (New West / Rough Trade)

(4****)

Ondertussen goed en wel veertig jaar geleden trok een toen nog piepjong en derhalve ook volslagen onbekend bandje met in z’n rangen ondermeer Joe Ely, Jimmie Dale Gilmore en Butch Hancock richting de nabijgelegen opnamestudio van Tommy Allsup in Odessa, Texas. In januari 1972 was dat, om precies te zijn. Veertien songs werden er toen analoog vereeuwigd. Als The Flatlanders uiteraard. Daarbij ging het om: “I Know You”, “Number Sixteen”, “Shadow Of The Moon”, “Dallas”, “Down In My Hometown”, “Stars In My Life”, “I Think Too Much Of You”, “Bhagavan Decreed”, “Tonight I Think I’m Gonna Go Downtown”, “You’ve Never Seen Me Cry”, “One Road More”, “Story Of You”, “Rose From The Mountain” en “The Heart You Left Behind”. Flink wat ondertussen tot heuse Americana-classics uitgegroeide dingen dus. En die krijgen we hier en nu in hun oervorm aangereikt. Als muzikaal aandenken aan lang vervlogen tijden als het ware. Verkrijgbaar op cd – Met bonus-dvd! – en vinyl!

The Flatlanders, New West Records

 

JANIS MARTIN “The Blanco Sessions” (Cow Island Music / Sonic Rendezvous)

(4****)

In zijn hoogdagen was het rockabillygenre een vrijwel uitsluitend door mannen gedomineerde aangelegenheid. Je kan ze echt wel op je ene hand tellen, de vrouwen die erin slaagden om in dat wereldje een voet tussen de deur te krijgen. En dan nog… Wanda Jackson kent uiteraard zo goed als iedereen. Maar “what about” de anderen? Zoals een Janis Martin bijvoorbeeld. Door liefhebbers van het genre onder andere omwille van haar flamboyante moves liefdevol “the female Elvis” genoemd, maar buiten de States toch vooral amper bekend. En dat ondanks een reeks geweldige nummers als “Will You Willyum”, “Let’s Elope Baby”, “My Boy Elvis”, “Drugstore Rock ‘n’ Roll” en “Barefoot Baby”, om er zomaar voor de vuist weg enkele te noemen. Die voorspelden tussen 1956 en 1961 echt wel grootse dingen voor Martin. Maar haar (jaloerse) wederhelft zou daar anders over beslissen. Hij dwong haar immers dat “typische mannenwereldje” achter zich te laten en zich te concentreren op haar taken als huisvrouw. Pas in de jaren zeventig zou een “bevrijde” Martin uiteindelijk haar comeback maken. Met als één van de meest in het oog springende en belangwekkende wapenfeiten haar verschijning op Rosie Flores’ album “Rockabilly Filly” in 1995. Al was het maar omdat “there & then” het zaad werd geplant voor het album, dat we nu in handen mogen houden. Een album, dat overigens wel pas vele jaren later, in 2007 om precies te zijn, zou worden ingeblikt, kort nadat Rosie Flores en de je van Big Sandy’s Fly-Rite Boys bekende Bobby Trimble voor Martin een soort van “superbegeleidingsgroep” hadden geassembleerd. Dave Biller (gitaar), Beau Sample (bas), T-Jarod Bonta (piano) en Trimble zelf (drums) vormden daarvan de spil. Anderen als Sarah Brown (elektrische bas), Jonathan Doyle (tenorsax), Darin Murphy (harmonica), Walter Daniels (eveneens harmonica) en Flores (slaggitaar) vervolledigden eigenlijk enkel en alleen het plaatje. En dat swingt echt wel als de spreekwoordelijke tiet! Elf nummers lang! Met als stand-outs wat ons betreft onder meer Martins wervelende pianogestuurde versie van Don Gibsons “Oh Lonesome Me”, een al even stomende lezing van de Blasters-hit “Long Black Cadillac”, de met Kelly Willis gedeelde en via The Kentucky Headhunters bij Bill Monroe geleende “valse trage” “Walk Softly On This Heart Of Mine” en “Wild One (Real Wild Child)”, hier ooit nog een flinke radiohit voor Iggy Pop, maar oorspronkelijk van Aussie Johnny O’Keefe en door Martin op bijzonder energieke wijze gebracht samen met Rosie Flores. Nummers als dat viertal benadrukken welk een groot verlies de dood van Martin kort na deze “Blanco Sessions” wel betekende. Zelfs in haar nadagen en getekend door een vergevorderde vorm van kanker was “de vrouwelijke Elvis” nog een verbluffend straffe zangeres. Mochten om die stelling kracht bij te zetten nog andere bewijzen nodig zijn, dan kan je altijd ook even haar versie van de countrysleper “Sweet Dreams” hier beluisteren. Super gewoon! Je kan je eigenlijk alleen maar verwonderd blijven afvragen, waarom deze opnames zo lang ongebruikt op de plank zijn blijven liggen… Totaal onbegrijpelijk!

Janis Martin, Cow Island Music, Sonic Rendezvous

 

PLAINSONG “FAT LADY SINGING” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Als “die dikke” weer eens haar opwachting maakt, dan weet je ondertussen al wel hoe laat het is… Dan is het inderdaad weer eens tijd voor een slotakkoord. In dit geval een definitief punt achter de carrière samen van Iain Matthews, Julian Dawson, Andy Roberts en Mark Griffiths, oftewel Plainsong. Veertig jaar na het verschijnen van het magistrale “In Search Of Amelia Earhart” trekken die vier heren immers voor het laatst samen op. Nog één keer samen de baan op en dan is het voorgoed voorbij. Als je ze daarna nog wil horen, dan zal je het moeten doen met hun plaatwerk. Met het onderwerp van deze recensie bijvoorbeeld. En dat blijkt een al in 2003 in een Nederlandse studio met Bart-Jan Baartmans achter de knoppen “live” ingeblikte retrospectieve. Negentien nummers bevat het album, waarvan slechts enkele van het toen nog actuele “Pangolins”. We hebben het dan meer bepaald over “Milarepa’s Song”, “Changing Of The Guard”, “Here Comes The Rain”, “Barbed Wire Fence”, “All New People”, “Needle In The Hay” en het je wellicht ook van de Fairport Convention bekende “Sloth”. Voor het overige materiaal dat terug reikt tot in de vroegste bestaansfase van de groep. Van “Guiding Light” en “Raider” tot “Yo-Yo Man” en andere. Nieuw op een Plainsong-plaat is de eerder door Andy Roberts solo gebrachte traditional “Charlie”. En voorts is er ook nogal wat materiaal van Julian Dawson. Voer vooral voor folk(rock)nostalgen, fans van de diverse leden van de groep en acts als Crosby, Stills, Nash & Young ook wel, zo lijkt ons.

Iain Matthews, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

SHURMAN “Inspiration” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Die van Shurman zijn met “Inspiration” ondertussen ook alweer aan hun zesde cd toe. De vorige vijf gemist? Geen nood! Dankzij hun Duitse broodheren van Blue Rose Records kan je nu gratis aan een inhaalmanoeuvre beginnen. De nieuwe cd van zanger-songsmid Aaron Beavers en de zijnen wordt immers vergezeld door een alleraardigste retrospectieve met daarop liefst elf stukjes representatief groepsverleden. Drie tracks van hun debuut “Jubilee” uit 2005 (“Red Eyes”, “Petty Song” en “Impossibilities”), drie van de live-plaat “A Week In The Life” uit 2006 (“AM”, “Drownin’” en “Big Things”), drie van “Waiting For The Sunset” uit 2008 (het magistrale “Small Town Tragedy”, “I’m Not Crazy” en “Country Just Ain’t Country”) en telkens één van “Still Waiting For The Sunset” uit 2009 (“Is It True?”) en de eindejaarsplaat “A Shurman And Family Holiday Album Vol. 1” van vorig jaar (“Tomorrow Is Christmas Day”). Maar de klemtoon, die ligt uiteraard wel op de elf hier nieuw aangeboden tracks. En daarin profileren Beavers (zang en gitaren), Mike Therieau (bas en zang), Harley Husbands (tal van gitaren, lap steel en banjo) en Craig Bagby (orgel, drums, percussie en background vocals) zich andermaal als Americana-adepten met een zwak voor zo ongeveer alles wat in de vroege jaren zeventig op dat vlak in was. Veel country rock met name, maar evenzeer omzwervingen richting de muzikaal zo warmbloedige Amerikaanse West Coast en boogiegewijs ook welhet diepe Zuiden van dat land. Ideaal spul eigenlijk voor in de wagen! Daar vonden wij liedjes als het melodieus rockende titelnummer, de knappe trage “Back To Texas”, het met bijzonder pittig uit de hoek komende gitaren geschoeide “Novocaine Heart” en het soulvolle “Somebody’s Gonna Break Your Heart” nog het best tot hun recht komen. Maar dat is natuurlijk iets puur persoonlijks…

Shurman, Blue Rose Records, Sonic Rendezvous

 

PONDEROSA “Pool Party” (New West / Rough Trade)

(3***)

Amper een paar weken na het verschijnen van hun nochtans op vrijwel unaniem laaiend enthousiaste reacties onthaalde debuutplaat “Moonlight Revival” kwamen de vijf van het vanuit Atlanta actieve rockcollectiefje Ponderosa tot het besef dat de door hen op die eersteling aangehouden koers eigenlijk al niet langer meer met hun toen actuele muzikale ideeën strookte. En op een nieuwe dosis fijne eigentijdse Southern rock hoeven we sedertdien dan ook niet echt meer te hopen. In plaats daarvan grossieren Kalen Nash en de zijnen dezer dagen in licht psychedelische indie rock songs. Niet zelden behoorlijk atmosferisch van aard en gedragen door warmbloedige gitaren en dito harmonieerwerk. Eerder Brits van karakter eigenlijk. En dat zou voor een groot stuk wel eens op het conto van producer David Fridmann kunnen. De man, die eerder ondermeer ook al Mercury Rev, Flaming Lips en MGMT onder zijn hoede had, keek er immers nauwlettend op toe, dat de vijf in de studio vooral hun verbeelding de vrije loop lieten. “Pool Party” ontstond dus bij nader inzicht gewoon volledig in de opnamestudio. Een echte groepsprestatie derhalve. Maar wel één, die op ons al bij al lang niet zo’n blijvende indruk achterliet als voorganger “Moonlight Revival”…

Ponderosa, New West Records

 

THE COAL PORTERS “Find The One” (Prima Records)

(4****)

Wat volgt zijn twaalf goede redenen om meteen tot de aanschaf van dit kleinood over te gaan. Een eerste is “Barefoot On The Courthouse Lawn”: alternatieve bluegrass met een grote melodieuze strik eromheen. Een tweede “Never Right His Wrong”: uit hetzelfde vaatje getapt, maar wel een paar versnellingen hoger gebracht en met Carly Frey voor het eerst met een vocale hoofdrol hier. Nummer drie is de medley “Hush U Babe/Burnham Thorpe”, een netjes onder controle gehouden heidebrandje tussen folk, Americana en bluegrass met een opvallende gastrol voor de grote Richard Thompson op gitaar. Nummer vier dan: “The Betsey Trotwood”, een fijn instrumentaaltje van de hand van “banjobepotelaar” John Breese en violiste Carly Frey. Vijf en zes: het betere coverwerk, van met name “Paint It, Black” van de Stones en “Heroes” van Bowie. Had jij daarin geslaagde bluegrassdeunen gezien? Wij alvast niet. Zeker niet in dat laatste nummer. En precies dat is wat ons betreft hét topmoment van “Find The One”. Het werkt op een vreemde manier uitstekend. Redenen zeven tot en met twaalf dan nog: het net-niet-walsje “Red-Eyed & Blue”, het radiovriendelijke stampertje “Ask Me Again”, het ronduit wervelende “Brand New Home” en het ook al erg sterke resterende songdrietal “Gospel Shore”, “You Only Miss Her When She’s Gone” en “Farmers’ Hands”. “Definitely” iets voor de fans van enigszins vergelijkbare acts als Chatham County Line en Old Crow Medicine Show, dit schijfje, dat als bonusje ook nog een documentaire over Sid Griffin en de zijnen bevat.

The Coal Porters

 

MALCOLM HOLCOMBE “Down The River” (Gypsy Eyes Music / Rough Trade)

(5*****)

Beter dan met “Down The River” stonden de sterren voor grofgevooisd singer-songwriter-übertalent Malcolm Holcombe eigenlijk nog nooit. Voor die weer door Ray Kennedy geproduceerde plaat kon hij immers een beroep doen op een heus sterrenensemble. De grote Emmylou Harris kwam zo bijvoorbeeld langs om een mondje mee te zingen in het herfstige “In Your Mercy”, Steve Earle (zang en mondharmonica) gaf acte de présence voor het ouderwets lekkere “Trail O’Money” en Kim Richey en Siobhan Maher-Kennedy deden hetzelfde voor het hoofdzakelijk over voorzichtig samen getokkelde gitaar- en banjoklanken neergelegde titelnummer “Down The River”. Voorts ook van de partij: de je ondermeer van Uncle Tupelo en Wilco bekende Ken Coomer (drums en percussie), Viktor Krauss (bas), snarenmeester Russ Pahl (dobro, banjo, elektrische en steelgitaar), collega-songsmid Darrell Scott (dobro, banjo en elektrische), Tammy Rogers-King (o.a. mandoline en fiddle) en Perry Coleman (backing vocals). Genoeg weelde om zelfs aan Holcombe zelf spontaan een glimlach te ontlokken. “I wanted to shoot for Mars,” aldus de beste man daarover, “luckily, Ray knew some Martians.” En hun bijdrage zal wellicht ook wel volstaan om hem eindelijk de aandacht te bezorgen, die hij eigenlijk al zo lang verdiende. Wat ons betreft mag je hem rustig in één en dezelfde adem noemen met groten der aarde als een Guy Clark en een Townes Van Zandt. Zijn tekstmateriaal is doorgaans immers van hetzelfde torenhoge niveau als dat van die twee grootmeesters, zijn songs zijn dat ook en bovendien beschikt hij als bijkomende troefkaart ook nog eens over een heerlijke bromstem en speelt hij een meer dan voortreffelijk potje akoestische gitaar. Meer kan je als luisteraar ons inziens amper vragen! Onze luistertips? Gewoon elk van de elf songs hier! Er zit er immers niet één mindere tussen! Dit is je reinste top-Americana!

Malcolm Holcombe

 

SUMNER BROTHERS “I’ll Be There Tomorrow” (Sumner Brother Records)

(4,5*****)

De Sumner Brothers laten je als liefhebber van (traditioneel opgevatte) Americana op “I’ll Be There Tomorrow” vrijwel voortdurend alle hoeken van het canvas zien. Telkens je denkt hen doorgrond te hebben slaan ze meedogenloos weer toe. Snoeihard! En dat leidt tot een heerlijk gevarieerd resultaat. Een echte moordplaat eigenlijk! Een plaat, waarop de hoogtepunten elkaar aan een echte rotvaart opvolgen. Openingsnummer “Toughest Man In Prison Camp” bijvoorbeeld meteen al, een woest aan zijn kettingen rukkende elektrische rootsrocker en een eerste stevig aankomende uppercut. Via de grimmige “old-time anno nu” van “Going Out West”, echt iets voor de fans van 16 Horsepower zaliger, het voorwaar zelfs even wat Springsteen-esk aandoende “Colorado Girl” en de ook al bedaarde alterna-rootspop van “Outside Looking In” gaat het vervolgens via de bedrieglijk onschuldige Americana van “Lay You In The Grave (P.A.)”, het ingehouden folkrockende “You Will Find Me”, het atmosferische “The Lord Is My Protector” en het rammelbluesje “When You Dig My Grave” richting het misschien wel absolute klapstuk hier, een aan het hysterische grenzende cowpunk-lezing van het je vooral in de uitvoering van Elvis bekende “That’s Alright”. Vervolgens rest er enkel nog het instrumentale “I Would Love You In The Kitchen”. Met die wel heel erg rustige uitsmijter kan je als luisteraar als het ware terug op adem komen… Subliem spul!

Sumner Brothers

 

JIM BYRNES “I Hear The Wind In The Wires” (Black Hen Music / Continental Record Services)

(4****)

Zo indrukwekkend als z’n in 2007 verschenen “House Of Refuge” vind ik de nieuwe van Jim Byrnes zeker niet, maar ja, dat was dan ook één van mijn absolute lievelingsplaten aller tijden. ’s Mans magnum opus, zeg maar. En een heel andere plaat ook dan “I Hear The Wind In The Wires”. Ditmaal kiest de Canadese rootsmaestro immers resoluut voor een album vol met countrycovers. Klassiek spul van gerenommeerde songsmeden als Hank Snow (“I’m Movin’ On”), Bill Anderson (“City Lights”), Howard Harlan (“Above And Beyond”), Kit Carson (“Big Blue Diamonds”), Gordon Lightfoot (“Ribbon Of Darkness”), Dolly Parton (“The Bargain Store”), Buck & Bonnie Owens (“Don’t Let Her Know”), Marty Robbins (“Big Iron”), Carter Stanley (“Harbor Of Love”) en Hank Williams (“Honky Tonk Blues”) naast wat recentere dingen van Nick Lowe (“Sensitive Man”) en Tom Waits (“House Where Nobody Lives”). Gebracht met tonnen aan respect voor de originelen, maar tegelijk ook opgewaardeerd met een kloeke dosis rootsgevoel. En dat doet deze songs hoorbaar goed! Ze profiteren echt wel volop van de vocale glansprestaties van Byrnes zelve en de muzikale finesse van diens begeleiders. Daarbij hebben we het dan ook over een redelijk select clubje bestaande uit snarenvirtuoos Steve Dawson, toetsenist Chris Gestrin, drummer Geoff Hicks, bassist Rob Becker, fiddler Mike Sanyshyn en mandolinekei John Reischman. Onze luistertips: de met The Sojourners gebrachte hymne “Harbor Of Love”, het mede door een slidebijdrage van Steve Dawson al swingend bijna uit de bocht gaande “I’m Movin’ On”, de met tonnen soul gelardeerde trage “Big Blue Diamonds”, de Lightfoot-ballade “Ribbon Of Darkness” en vooral ook Waits’ “House Where Nobody Lives”. In dat laatste weet je het ogenblikkelijk weer zeker: “Country’s got soul!” En net als “House Of Refuge” – Nog steeds! – durven we je daarom ook “I Hear The Wind In The Wires” weer van ganser harte aanbevelen.

Jim Byrnes, Black Hen Music, Continental Record Services

 

THE MASTERSONS “Birds Fly South” (New West / Rough Trade)

(4,5*****)

Over opwindende nieuwe acts gesproken – dit is er dus weer eens zo één, he! Echtelieden Chris Masterson en Eleanor Whitmore spelen op “Birds Fly South” ogenschijnlijk met sprekend gemak de spreekwoordelijke pannen van het dak. Het debuut van het vanuit Brooklyn actieve en eerder vooral vanuit Steve Earle’s Dukes & Duchesses bekende tweetal is echt wel ijzersterk. Zo sterk, dat je als luisteraar vrijwel onmiddellijk aan andere muzikale droomkoppels als Buddy & Julie Miller, Gillian Welch & David Rawlings en Gram & Emmylou gaat denken. Knappe teksten, buitengewoon fraaie liedjes, een bij momenten aan het virtuoze grenzende instrumentbeheersing, vocaal harmonieerwerk om van te smullen,… Kortom: vrijwel voortdurend hangt er hier een weinig muzikale magie in de lucht! En hoogtepunten, die zijn er dan ook werkelijk zat! Van het door Whitmore met een wat aparte snik in de stem gebrachte openingsnummer, de knappe rootspopdeun “You Don’t Know”, over de aan loepzuivere samenzang van onze beide protagonisten en lekker gitaargejengel opgehangen countryrocker “Crash Test”, de fraaie, wat aan de Jayhawks herinnerende Americana van “The Other Shoe”, het melodieus (roots)rockende “Money”, de onwaarschijnlijk knappe “valse trage” “Would It Really Be A Sin?” en de gedroomde singlekandidaat “One Word More” tot het afsluitende titelnummer en andere, je zal hier vergeefs op zoek gaan naar ook maar één enkel minder moment. Echt wel waanzinnig goed! Gaan we wellicht nog jarenlang veel plezier aan beleven, aan dit duo!

The Mastersons, New West Records

 

JOEY + RORY “His And Hers” (Sugar Hill / Vanguard)

(3,5****)

Dat dit duo het momenteel in de States erg goed doet, verbaast ons eigenlijk hoegenaamd niet. Hun derde is immers echt een puntgave plaat geworden. Werkelijk alles lijkt erop te kloppen: sterke liedjes à volonté, prachtige stemmen en bovendien ook nog de nodige muzikale ondersteuning van meesterlijke muzikanten als een Stuart Duncan (fiddle), een Randy Kohrs (dobro), een Bryan Sutton (gitaren en mandoline), een Jon Randall Stewart (elektrische en akoestische gitaren) en een Dennis Crouch (bas). Samen met protagonisten Rory Feek en Joey Martin fietsen zij met losse handen doorheen een zevental door Feek zelf geschreven of mee uitgewerkte liedjes en een stel covers, waarvan die van Tom T. Halls “Your Man Loves You Honey” wel de meest opvallende is. Veel country, van zacht twangend en voorzichtig honky-tonkend tot heel erg ingetogen, maar ook de nodige Americana- en folkmomenten. Soms net iets te commercieel naar onze normen (zoals in de ballade “When I’m Gone” bijvoorbeeld), maar doorgaans heel erg genietbaar. En dat mag je ons inziens vooral toeschrijven aan de zeer mooie zang van het tweetal. Hij klinkt hier bij momenten als het ware als een country-uitvoering van James Taylor. En haar stem heeft wel wat van die van Dolly Parton. Feit is, dat ze echt wel geweldig samengaan. En precies dat maakt van dingen als openingsnummer “Josephine”, de ballades “Waiting For Someone” en “A Bible And A Belt” en het bedaard swingende “Someday When I Grow Up” de songheerlijkheden die het zijn. Hartverwarmend!

Joey + Rory, Sugar Hill Records

 

JIMMY LAFAVE “Depending On The Distance” (Music Road Records / V2)

(4****)

Na het magistrale albumtweetal “Blue Nightfall” uit 2005 en “Cimarron Manifesto” uit 2007 was het even stil rond Jimmy LaFave. Sindsdien verscheen enkel nog de verzamelaar ‘Favorites 1992-2001”. En dat had wellicht in niet geringe mate te maken met het feit, dat de Texaan ondertussen zijn eigen platenlabel uit de grond stampte. Music Road Records met name. Al snel een geknipte thuishaven voor bevriende acts als Slaid Cleaves, Malcolm Holcombe, Kevin Welch en Sam Baker. Voor de betere singer-songwriters met andere woorden. En daartoe rekenen we tot nader order natuurlijk ook LaFave zelve. Als hij platen blijft maken zoals z’n nieuwe “Depending On The Distance” er weer één is, dan heeft hij voor altijd onze sympathie. Daarop staan er dertien liedjes, waarvan acht nieuwe LaFave-originelen. Verder drie Dylan-covers (“Red River Shore”, “I’ll Remember You” en “Tomorrow Is A Long Time”), één Springsteen-deun (“Land Of Hope And Dreams”) en een geslaagde adaptatie van de John Waite-wereldhit “Missing You”. Die nam LaFave op met een select clubje muzikale vrienden. Van de partij waren tijdens de opnames onder anderen Chip Dolan, Travis Linville, Radoslav Lorkovic, Tim Lorsch, John Inmon, Richard Feridun, Bill Chambers en Eliza Gilkyson. Samen met LaFave zelve tekenden zij voor een eerder rustig uitvallend album. Veel ballads hier en ander materiaal waarin LaFave vocaal uitgebreid kan excelleren. Want die warme, soulvolle stem van ‘m, dat blijft uiteraard ook na al die jaren nog zijn voornaamste troef. Warm aanbevolen!

Jimmy LaFave, Music Road Records

 

CORB LUND “Cabin Fever” (New West Records / Rough Trade)

(4****)

Voor deze knaap hebben we hier in het verleden al wel eens vaker een lans gebroken en dat doen we ook nu weer. Op z’n nieuwe cd komt Corb Lund immers veelzijdiger dan ooit uit de hoek. En al zeker op de gelimiteerde uitvoering daarvan met bonus-cd. Op die versie van “Cabin Fever” brengt de Canadees eerst alle nummers in elektrische versies, om ze vervolgens op dat bijkomende schijfje nog eens akoestisch over te doen. En vooral met die laatste vertolkingen scoorde hij hier heel erg hoog. Lunds sterkte schuilt wat ons betreft immers nadrukkelijk in zijn vermogen om op creatieve wijze met het verleden aan de slag te gaan. Traditionalisme anno nu, zeg maar. Gaande van klassiek vormgegeven honky-tonk en country rock tot meer folk- en Americana-georiënteerd spul, wat Western swing, een scheut “roots & roll” en wat bluesy spul. Variatie troef dus met andere woorden en zo mogen we het hier juist graag hebben. We raden je dan ook van harte aan om vooral de dubbele versie van “Cabin Fever” te scoren. De eigenlijke plaat is goed, de bonus-cd gewoon nog beter! Enkele absolute topmomenten: de mooie trage “You Ain’t A Cowboy (If You Ain’t Been Bucked Off)”, het zwierig zijn weg over de hardhouten vloer vindende “Drink It Like You Mean It”, het op infectueuze wijze met rockabilly stoeiende “The Gothest Girl I Can” en “Bible On The Dash”, een opgemerkt duet met collega-songmid Hayes Carll.

Corb Lund, New West Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home