CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES SEPTEMBER 2015

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

BELLOWHEAD “Pandemonium, The Essential Bellowhead” - LOS LOBOS “Gates Of Gold” - DIANA JONES “Live In Concert” - MELANIE DEKKER “Lekker, Eh – Live In Europe” - TOM FREUND “Two Moons” - JEREMY PINNELL “OH/KY” - GRAYSON HUGH “Back To The Soul” - TOM HEYMAN “That Cool Blue Feeling” - TAWNY ELLIS “Ghosts Of The Low Country, The Muscle Shoals Sessions” - NICKI BLUHM & THE GRAMBLERS “Loved Wild Lost” - MARTIN HARLEY & DANIEL KIMBRO “Live At Southern Ground” - DENNIS ELLSWORTH “Romantic As It Gets” - JEREMIAH TALL “Waking” - BJ’S WILD VERBAND “Later” - BREADFOOT “Salvatella” - TONY CHRISTIE & RANAGRI “The Great Irish Songbook” - MARK BROWN “Skin & Bone” - BEN FOLDS “So There” - ROBERT FORSTER “Songs To Play” - MICKY & THE MOTORCARS “Across The Pond, Live From Germany”

                                                                                                                                                                                                                                                        

                                                                                                                                                                               

BELLOWHEAD “Pandemonium, The Essential Bellowhead” (Navigator Records)      

(4****)        

Begin dit jaar besliste Bellowhead-zanger Jon Boden plots om er een punt achter te zetten. En dat deed de rest van de groep meteen ook maar besluiten om er helemaal mee op te houden. Zonder Boden zou het toch niet meer hetzelfde zijn. En bovendien voelde het eigenlijk ook wel gewoon juist aan om te stoppen on a high.

Met twee afscheidstournees, later dit jaar nog en in april 2016, en de voorliggende compilatie “Pandemonium, The Essential Bellowhead” trekt men de deur definitief achter zich dicht. En dat in stijl. De genoemde verzamelaar toont immers nog een laatste keer uitgereid hoe goed Bellowhead eigenlijk wel was. Met “New York Girls”, “10,000 Miles Away”, “Betsy Baker”, “Roll The Woodpile Down”, “Yarmouth Town” en “Cold Blows The Wind” van hun succesplaten “Hedonism” en “Broadside”, maar evengoed met het nodige materiaal van hun andere schijven “Matachin”, “Revival”, “Burlesque” en de E.P. “Onymous”. Dertien songs in totaal.

Ruim vijftig minuten lang innovatieve folk op z’n best. Catchy as hell! Geen wonder, dat door de jaren heen meer dan een kwart miljoen albums van dit gezelschap hun weg richting kopers vonden.

Bellowhead, Navigator Records

 

LOS LOBOS “Gates Of Gold” (Proper Records)

(3,5****)

Eclecticisme als vanouds troef op “Gates Of Gold”, de nieuwe van Los Lobos. Een plaat, waarop het al sinds 2010 en “Tin Can Trust” wachten geblazen was. En een plaat ook, die onze (hooggespannen) verwachtingen niet helemaal inlost. Niet dat het allemaal niet goed zou zijn of zo, dat nu ook weer niet, maar we hadden er gewoon nog wat meer van verwacht. Noblesse oblige…

Van de lome bluesy rock van “Made To Break Your Heart” over het op hoogst aparte wijze met Latin soul flirtende “When We Were Free”, het als een serieuze trap onder de gordel aankomende “Mis-Treater Boogie Blues” en de maar moeilijk te categoriseren trage “There I Go” tot de als het ware uit de één of andere wagenwijd openstaande garage in de verte aan komen waaiende rocker “Too Small Heart”, van het weer op ongemeen zwierige wijze naar de eigen Latino roots teruggrijpende “Poquito Para Aqui” over de slow groove van titelnummer “Gates Of Gold”, de Mexicaanse folk van “La Tumba Sera El Final”, het maar heel erg langzaam echt tot volle bloei komende rootsrock-pareltje “Song Of The Sun” en de knappe bluesescapade “I Believed You So” tot afsluiter “Magdalena”, er valt hier en passant nog flink wat te genieten. Alleen… Het frisse, het echt verrassende is er na al die jaren toch wel wat van af, vinden wij… En we durven het dan ook volop te betwijfelen, dat deze plaat evenveel draaiuren zal gaan krijgen als veel van het vroegwerk van de Wolven.

Maar nog eens: slecht is het allemaal zeker niet. Integendeel zelfs.

Los Lobos, Proper Records

 

DIANA JONES “Live In Concert” (Goldmine Records)

(3,5****)

Precies op tijd om haar op stapel staande Europese najaarsoptredens te promoten belandde van Diana Jones het album “Live In Concert” op onze schrijftafel. Het betreft daarbij een in een gelimiteerde oplage uitgebracht en exclusief via Lucky Dice en tijdens haar nakende gigs te koop aangeboden geheel. Een liefst negentien songs tellende verzameling, door de jaren heen opgenomen tijdens diverse optredens in Nederland, Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Onder meer in Utrecht en Eindhoven.

Met naast klassiek Jones-spul à la “Willow Tree”, “Evangelina”, “Appalachia”, “All My Money On You”  en “Better Times Will Come” ook enkele niet eerder op plaat verschenen liedjes. Met name het trio “Prayer For My Brother”, “Happiness” en “My Last Call”. Goed voor net geen vol uur Appalachenfolk, -bluegrass en -country van het intensere soort. Gedragen als vanouds door die klok van een stem. Slechts minimaal begeleid door de eigen akoestische en de mandoline en tenorgitaar van Beau Stapleton.

Ideaal als tussendoortje op weg naar de hopelijk snel te komen echte opvolger van de al in 2013 verschenen laatste van La Jones, het werkelijk bloedmooie “Museum Of Appalachia Recordings”.

Diana Jones, Lucky Dice

 

MELANIE DEKKER “Lekker, Eh – Live In Europe” (Elephant Ears Entertainment)

(3,5****)

Leuke, dertien tracks tellende compilatie met evenveel highlights van een viertal optredens, die de Canadese Melanie Dekker tijdens een recente tournee doorheen Europa afwerkte. Het betreft daarbij materiaal ingeblikt in Nederland en Duitsland. In Borger (Vanslag), Celle (Herzog Ernst), Kiel (In Sound) en Obertrubach (The Studio Lounge) meer bepaald. Daar deed Dekker op behoorlijk intimistische wijze haar ding, zich daarbij vakbekwaam geruggensteund wetend door respectievelijk Allan Rodger (bas), Sven Rowoldt en Thomas Fuchs (keyboards) en David Sinclair (gitaren en backing vocals).

Nogal wat aandacht voor materiaal van haar toen nog redelijk nieuwe cd “Distant Star” uiteraard. Van dat geheel serveerde Dekker naast het lokaal hier en daar tot een bescheiden radiohitje uitgegroeide “Boomerang” ook nog “Price You Pay”, “At The Junkyard”, “Give My Heart A Home” en het titelnummer. Voorts werden ook nog weerhouden “Blush”, “Flowers”, “Maybe We’re The Angels”, “What A Fool I Am”, “Meant To Be”, “Haven’t Even Kissed You Yet”, “Saturday Night Show” en “Stare At The Rain”, fraaie folk- en rootspopdeunen, waarin niet zelden op hoge golven van gevoelens wordt gesurft. Daarin schuilt immers nadrukkelijk één van Dekkers grote sterktes. Eén van, want langs die geweldige stem van ‘r kan je natuurlijk ook absoluut niet omheen. Krachtig en kwetsbaar tegelijk, zo lijkt het wel. En ongemeen helder ook.

Als de “Lekker, Eh” uit de titel van dit schijfje door Dekker als vraag bedoeld werd, dan krijgt ze daarop van ons alvast een volmondig “Ja!” als antwoord.

Melanie Dekker

 

TOM FREUND “Two Moons” (Surf Road Records)

(4,5*****)

De Amerikaanse songsmid Tom Freund heeft in ons boek al lang niets meer te bewijzen. Ben Harpers maatje is gewoon een geweldige singer-songwriter, punt! Een meester-troubadour met een aangenaam melancholisch aandoende stem en een handje voor het pennen van echte wolken van liedjes.

Beluister bij gelegenheid maar eens het drietal “Angel Eyes”, “Same Old Shit Different Day” en “Me And Bernice” van zijn nieuwe cd “Two Moons” en je zal ons allicht meteen bijtreden in die stelling. Het eerste is als het ware een antwoord op Randy Newmans hitje “I Love L.A.”. In dat overigens ook louter muzikaal gezien best wel wat aan Newman herinnerende liedje drukt Freund op bijzonder sfeervolle wijze zijn dankbaarheid aan het adres van zijn vrienden in de City of Angels uit. Het tweede is totaal andere koek. De titel doet je aanvankelijk even het allerergste verwachten, maar het blijkt achteraf al bij al nogal mee te vallen. Diep vanbinnen is Tom Freund nu eenmaal een onverbeterlijke positivo. “Too much craziness in my world,” stelt hij het ene moment vast om er het volgende zowat in één en dezelfde adem nog aan toe te voegen “I hope that craziness never goes away!” “Me And Bernice” tenslotte is eigenlijk al een wat ouder liedje, dat Freund speciaal voor de gelegenheid opnieuw opnam.

Voorts van die weer volop in melancholie en nostalgie badende nieuwe plaat zeer zeker ook nog het vermelden waard: de nummers “Next Time Around” en “Weekend Guy”, al was het alleen al maar omdat daarin respectievelijk Serena Ryder en Brett Dennen even hun opwachting komen maken. Zij zijn samen met de al even genoemde Ben Harper (in “Angel Eyes”), de je wellicht van zijn bijdragen aan Counting Crows bekende snarentovenaar David Immerglück en drummer Michael Jerome zowat de bekendste namen op de gastenlijst voor “Two Moons”.

Tom Freund

 

JEREMY PINNELL “OH/KY” (Sofaburn Records)

(4,5*****)       

Markante kop, markante stem, markante liedjes, het zegt tegelijk alles en niks over de ons tot voor kort nog volslagen onbekende, vanuit Kentucky actieve zingende songsmid Jeremy Pinnell. En we zullen hier dan ook maar wat dieper ingaan op dat drievoudige gebruik van het woordje markant. Het kan maar helpen…

Het eerste wat je opvalt, als je Pinnell bekijkt, zijn ’s mans kale hoofd en z’n echt wel in het oog springende tattoos. Van de Amerikaanse staat Ohio aan de ene kant van z’n blinkende knikker, van Kentucky, het decorum van z’n jonge jaren, aan de andere. Ook al héél erg opvallend: ’s mans stem. Meer een howl eigenlijk. Ongemeen krachtig en een weinig broos tegelijk. Rauw, hees, teder.

En dan zijn er nog z’n songs. Wat ons betreft schoolvoorbeelden van hoe country anno nu eigenlijk echt hoort te klinken. Three chords and the truth, zoiets. Schaamteloos eerlijk. Heel erg persoonlijk ook. Met pedal steel à volonté. Van het zacht swingende openingsnummer en credo “The Way Country Sounds” over het klaaglijke “Rodeo”, het vervuld van zelfbeklag ingetogen over een dansvloer van diepgeworteld zittend verdriet walsende “Loose Women” of het bedaard twangende “Big Bright World” tot de geweldige afsluitende trage “Angel Of Mine”, dit is zonder meer van het beste wat 2015 ons op countryvlak al te bieden had!

Jeremy Pinnell

 

GRAYSON HUGH “Back To The Soul” (Swamp Yankee Music)

(4,5*****)

Lang, lang geleden, toen er nog geen sprake van een wereldwijd web was om ons om de haverklap met nieuw luistervoer te bedienen, viel ik echt als een blok voor de muziek van de sympathieke Amerikaan Grayson Hugh. Als ik zeg, dat ik z’n album “Blind To Reason” grijsgedraaid heb, dan is dat absoluut niet gelogen. Ik heb er me na verloop van tijd zelfs een nieuw exemplaar van moeten aanschaffen. Zo erg was het!

In 1988-1989 was dat. In eerste instantie was er m’n crush voor de ronduit geweldige single “Talk It Over”. Prachtig gewoon, hoe de zoetgevooisde Hugh daarin het midden wist te houden tussen Southern soul en pop. En toen het album “Blind To Reason” ook nog eens veel meer van dattum bleek te bieden te hebben, was ik natuurlijk helemaal verkocht. Een liefde, die tot een flink eind voorbij opvolger “Road To Freedom” uit 1992 zou blijven duren. Daarna werd het hier mediagewijs plots heel stil rond Hugh. Tot ik zo’n jaar of vijf geleden met “An American Record” compleet out of the blue plots een nieuwe plaat van ‘m mocht ontvangen.

En nu is er dus opnieuw een nieuwe worp van de beste man. “Back To The Soul” heet die en die titel blijkt in dit geval echt wel veelbetekenend. Met de twaalf songs erop grijpt Hugh na jaren van muzikale omzwervingen immers eindelijk volop terug naar de Southern soul van z’n begindagen. En u kan niet geloven, hoe blij hij me daarmee maakt! Gelijk van bij het zacht groovende, weer ongemeen radiovriendelijke “Everybody’s Hangin’ On” was ik onmiddellijk weer vol bij de les. Balsem voor de ziel noemen ze zoiets! En dat was dan alleen nog maar het openingssalvo…

Via het met zomerse blazers gelardeerde dansvloervullertje “We Were Havin’ Fun”, het bedaard soulvol rockende afscheidsliedje “Gettin’ On With My Life”, de broeierige sleper “Already In Love With You”, het funky, z’n titel bepaald niet gestolen hebbende “It’s Got Soul”, het en passant met wat gospelgevoel gekruide “Rock ’n Roll Man”, het ook al heel erg groovy uit de hoek komende “We’re Gone Again”, de pianogestuurde R&B-stamper “Put Your Feet In The Water”, het hitgevoelige “Gimme Another Answer” en nog een handvol anderen ging het wat mij betreft véél en véél te snel weer richting uitgang… De repeat-toets bewijst sindsdien al een poosje uitstekende diensten!

What can I say? Highly recommended indeed!

Grayson Hugh

 

TOM HEYMAN “That Cool Blue Feeling” (Bohemian Neglect Recording Works)

(4****)

Tom Heyman zou u zich onder meer nog mogen herinneren van z’n bijdragen aan acts als Go To Blazes en The Court And Spark. Of van z’n werk aan de zijde van Chuck Prophet ook wel. De beste man is wat je noemt een pionier in zaken alt-country en Americana. En met “That Cool Blue Feeling” is hij inmiddels ook al aan z’n derde soloplaat toe.

En een best wel gevarieerde soloplaat ook, zo blijkt al snel. Openingsnummer “Black Top” leeft bijvoorbeeld van een verzengende groove ergens tussen Tony Joe White en JJ Cale, net-niet-titelnummer “Cool And Blue” streelt met vaste rootspophand zomers relaxed de zinnen en “Time And Money” puurt op al even gemoedelijke wijze iets moois uit pop en Americana. “Keep The River On Your Right” doet vervolgens hetzelfde met rock en twang, “In The Nighttime World” is een soulvolle, z’n titel hoegenaamd niets tekortdoende sleper, “Chickenhawks And Jesus Freaks” ronduit geweldige alternatieve countrypop met her en der wat Spectoriaanse trekjes en “Always Be Around” zelfs gewoon pop tout court. Het ingehouden “Jack And Lee” deed ons dan weer heel even denken aan iets van Tom Petty, “Number 9” is een geweldige countryrocker en het afsluitende “Losers Like Me”, een werkelijk bloedmooie ballad, het misschien wel allermooiste nummer van allemaal hier, is als u het ons vraagt wel spek naar de bek van Nick Lowe-fans anno nu.

“That Cool Blue Feeling” werd geproduceerd door Mike Coykendall en door storyteller Heyman ingespeeld samen met diezelfde Coykendall, Russell James Miller en Paul Brainard.

Tom Heyman

 

TAWNY ELLIS “Ghosts Of The Low Country, The Muscle Shoals Sessions” (Tawny Ellis)

(3,5****)

Met het einde van hun jongste tournee doorheen het Amerikaanse Zuiden stilaan in zicht besloten Tawny Ellis en haar wederhelft Gio Loria een bezoekje te brengen aan de vermaarde Fame Studios in Muscle Shoals. En daar kwam van het één al snel ook het ander. Ze werden er door eigenaar-producer Rick Hall himself immers uitgenodigd om eens wat op te komen nemen. En dat direct na hun nauwelijks tien dagen later aflopende tournee nog wel! Wat maakte, dat er niet zo heel erg veel tijd meer overbleef om één en ander serieus te plannen. En dus werd er uiteindelijk maar geopteerd voor een vier tracks tellende EP.

Die werd opgenomen met Ellis zelf op de lap steel, haar ventje Gio Loria op diverse gitaren, bas, dobro en Hammond B3, de van Five Eight, een groepje uit Athens, GA, geleende tandem Sean Dunn en Patrick Ferguson op respectievelijk elektrische gitaar en drums en Peter Hamilton op bas. Voor de productie tekenden Ellis en haar levensgezel zelf.

Afgetrapt wordt er met het werkelijk bloedmooie “Ghosts Of The Low Country”. Dat titelnummer, een heerlijk soulvolle, klaaglijke (alternatieve) country-noir-trage herinnerde ons beurtelings aan Lucinda Williams en Neko Case. Een echte voltreffer dus! Vervolgens is er “Evolve Or Die”, een al wat ouder Ellis-nummer, voor de gelegenheid gebracht als fraaie akoestische Americana ballad. Op zijn beurt een beetje Emmylou-esk voorwaar!

De overige twee nummers zijn covers. De eerste, de wat loom aandoende rootsrocker “Desperate Tonight”, van een nummer van het hier eerder al genoemde bandje Five Eight, de tweede, “Walking After Midnight”, een soortement van eerbetoon aan het adres van een zangeres waarmee Ellis in het verleden nogal eens vergeleken werd, met name de grote Patsy Cline.

Best wel jammer eigenlijk, dat het daarmee na goed en wel zeventien minuten allemaal al weer over is. Hier hadden wij immers best nog wel wat meer van gelust…

Tawny Ellis

 

NICKI BLUHM & THE GRAMBLERS “Loved Wild Lost” (Little Sur Records / Republic Of Music)

(4****)

“Loved Wild Lost” is de opvolger van het twee jaar geleden verschenen debuut van Nicki Bluhm & The Gramblers. Voor die nieuwe plaat gingen nachtegaaltje Bluhm en haar kompanen voor het eerst in zee met de je misschien ook wel van z’n werk met onder anderen Josh Ritter en Iron & Wine bekende Brian Deck. En die vond in hen het beste van de zogeheten California Sound terug. Wat pop, wat rock, wat country, wat folk, wat blues, wat psychedelia, allemaal in één en hetzelfde, aantrekkelijke doosje.

Met het tussen bedaard twangende gitaarklanken door best wel wat aan “I Just Wanted To See You So Bad” van Lucinda Williams herinnerende “Only Always” zit de toon meteen goed. En ook het bij momenten als Tift Merritt aan het hoofd van de Byrds klinkende “Waiting On Love” doet het helemaal voor ons. Evenals de catchy California style pop van “Heartache”, de zalige country-soultrage “Queen Of The Rodeo”, het een zekere voorliefde voor acts als The Band en Little Feat verradende “Love Your Loved Ones”, de melodieuze semi-ballad “Mr. Saturday Night” en alles wat daarna nog volgen moet. Lekker, lekker, lekker…

Vooral de ongemeen passioneel aandoende, soulvolle stem van La Bluhm zelve bleef hier flink nazinderen. Alleen daarvoor al zou een mens graag terruggrijpen naar “Loved Wild Lost”…

Nicki Bluhm & The Gramblers

 

MARTIN HARLEY & DANIEL KIMBRO “Live At Southern Ground” (Del Mundo Records)

(4****)

Het verhaal achter deze plaat is er eentje dat zich redelijk vlotjes laat vertellen. De titel zegt in dit geval immers veel. Het geheel werd daadwerkelijk live ingeblikt in de Southern Ground in Nashville. Alleen is dat natuurlijk wel een opnamestudio. Live staat in dit geval dus voor live off the floor. Gewoon Martin Harley en z’n buddy Daniel Kimbro samen in de studio. En dat maar minimaal bewapend. Voor Martin volstonden een akoestische gitaar en z’n Weissenborn. Kimbro deed het op de staande bas.

Niks gekunstelds hier dus. Akoestische blues- en rootsmuziek in haar puurste vorm is waar het allemaal om draait. The naked truth. Zeven eigen nummers van Harley en covers van respectievelijk de traditional “Goodnight Irene”, “Chocolate Jesus” van Tom Waits en Blind Willie Johnsons klassieker “Nobody’s Fault But Mine”. En helemaal aan het einde, als je al even denkt dat het gedaan is, ook nog een fijne hidden bonus track.

Het begeleidende schrijven heeft het over British Americana en wie zijn wij dan om dat tegen te spreken, he? Wij onthouden hiervan vooral een mooie, bijzonder expressieve stem, met ongemeen veel gevoel betokkelde snaren, fraai samenspel en een handvol echt wel ijzersterke composities. En misschien ook nog, dat binnen die Britse Americana ruimte blijkt voor zo ongeveer alles wat bruikbaar is tussen delta blues en gypsy swing.

Om het allemaal maar eens met de gevleugelde woorden van mijn zoontje te beoordelen: dikke duim!

Martin Harley

 

DENNIS ELLSWORTH “Romantic As It Gets” (Busted Flat Records)

(4****)

“Romantic As It Gets”… Met zo’n titel moet je hier ten huize echt wel heel goed opletten… Voor je het goed en wel weet ben je met dat onderwerp onze aandacht immers gelijk weer helemaal kwijt. Vanwege al veel te veel mee om de oren geslagen, weet u wel.

Maar de Canadees Dennis Ellsworth verdient onze aandacht natuurlijk wel. Zelfs als gaat het bij hem dan ook vaak over de liefde. Dat bewees de fijne songsmid al uitgebreid op z’n door de je ongetwijfeld ook van The Skydiggers bekende Josh Finlayson geproduceerde vorige “Hazy Sunshine”. Een plaat, waarmee hij met name in eigen land volkomen terecht zo menig een prestigieuze award in de wacht wist te slepen. En – Eerlijk is eerlijk! – het zou ons ten zeerste verbazen mocht dat ook met de onder de auspiciën van de gerenommeerde David Barbe ingeblikte opvolger daarvan weer niet het geval gaan blijken.

Met omfloerste stem mikt Ellsworth op die plaat bijna plagerig een tiental pijlen richting Amor. En vaardig alle gangbare clichés dienaangaande omzeilend scoort hij daarbij voltreffer na voltreffer. The man’s got a way with words… Zoveel is wel duidelijk! Een echte poëet is het. Een ware meester in het treffend verwoorden en verklanken van gevoelens.

Het resultaat? Een weldadig warm aanvoelend, quasi tijdloos geheel op het kruispunt tussen (roots) pop en rock, folk en Americana. Buitengewoon fraai verpakte eloquentie. En als dusdanig van hieruit uiteraard ook bijzonder warm aanbevolen.

Dennis Ellsworth

 

JEREMIAH TALL “Waking” (Randm Records)

(4****)

Ik had nog nooit van ‘m gehoord, van deze Jeremiah Tall. En compleet onbevangen liet ik hem dan ook aan zijn eerste rondje beginnen. Al snel gevolgd door een tweede, een derde, een vierde, enz. U begrijpt, ik had het inderdaad vrij vlot te pakken voor Tall, een one-man band uit Bucks County, Pennsylvania.

Daarbij slechts gewapend met een mondharmonica, een akoestische gitaar, een banjo en een zelf beschilderde, tot kick drum omgebouwde koffer strooit Tall op z’n debuut iets meer dan tweeëntwintig minuten lang met uitermate sympathiek weghappende folk & roots rock in het rond. Uitsluitend eigen nummers. Nummers, volop profiterend van de eigen schuurpapieren voordracht. Nummers als de heerlijk rammelende, wel heel erg toepasselijk getitelde train song “Train”, de old-timey folk rocker “Where I Am”, het over een hypnotische beat heen verhalende “Revelation (The Final Book)”, de fijne banjogestuurde Americana-deun “Penn’s Wood”, de überhaupt wat eng aandoende story song “The Devil + Daved” en andere.

Aanbevolen aan al wie houdt van acts als Scott H. Biram, Joe Fournier, Seasick Steve, Bob Wayne en aanverwanten.

Jeremiah Tall, Randmrecords, NoiseTrade, Bandcamp

 

BJ’S WILD VERBAND “Later” (Continental Record Services)

(4,5*****)

Toen Bart-Jan “BJ” Baartmans in 2005 met “Verpand” voor het eerst in het Nederlands ging, droeg hij daarmee meteen al onze volmondige goedkeuring weg. En wij gunden hem het succes dat met die zet ongetwijfeld snel zou gaan volgen ook van ganser harte. ’s Mans teksten waren er immers vol op. En met z’n best wel wat aan die van wijlen Bram Vermeulen herinnerende stem had hij ons inziens ook de ideale koevoet binnen handbereik om met gemak de deur van zo menig een cultureel centrum te forceren. En dan hadden we het nog niet eens over zijn aanzienlijke kwaliteiten als muzikant…

Maar die doorbraak op wat grotere schaal kwam er zelfs met een reeks van zes opeenvolgende prachtalbums niet. In Vlaanderen alleszins niet. En dus gooide Baartmans het onlangs over een andere boeg. Met toetsenist Mike Roelofs en drummer Sjoerd van Bommel nam hij onder de vlag BJ’s Wild Verband een enigszins anders album op. In het Nederlands, maar ook in het Engels. Wie het album in één van beide talen koopt, kan op eenvoudig verzoek per e-mail een gratis download van de versie in de andere aanvragen.

Maar goed, een “enigszins anders album” dus. Dat veel meer dan elk van z’n voorgangers klinkt als een band effort, een groepsprestatie met andere woorden. Iets wat alleen maar kon omdat Baartmans enerzijds z’n nummers bij het schrijven ervan al een weinig in die richting stuwde en anderzijds bij het inblikken ervan voldoende ruimte durfde te laten aan z’n maats. Het spontane van die werkwijze hoor je op “Later” nadrukkelijk terug. Hier werd met ongelooflijk veel plezier gemusiceerd, dat is wel duidelijk. En de drie halen zo ook continu het beste uit elkaar tevoorschijn.

Met Baartmans vanzelfsprekend nog wel als centrale figuur worden de grenzen tussen genres als pop, rock, Americana, soul, blues en jazz hier voortdurend opgeblazen. Het heeft eigenlijk allemaal wel iets van één lang uitgesponnen jam. Dat leidt bij momenten de aandacht weliswaar wat af van de als immer onwaarschijnlijk knappe teksten van BJ, maar dat mag de pret absoluut niet drukken. Opnieuw gun je de beste man en zijn reisgenoten alle mogelijke succes van de wereld.

Enkele luistertips van onzentwege: het op buitengewoon subtiele wijze aan wijlen soulheld Marvin Gaye refererende “Er Speelt Zoveel”, het al even knap met het eigen ouder worden omspringende “Later” en de werkelijk bloedmooie trage “Niets Voor Mij”, waarin een ooit succesvolle, maar ondertussen “in het slop” geraakte medemens met de nodige moeite in het reine tracht te komen met zichzelf.

BJ Baartmans, CRS

 

BREADFOOT “Salvatella” (Jeeziepeezie Records)

(3,5****)      

Bijna tien jaar was het ondertussen ook alweer geleden, dat we nog eens iets hadden mogen vernemen van de vanuit Bynum, North Carolina actieve Stephen Meyers. En dat is lang… Veel te lang, eigenlijk. Zeker in tijden, waarin de termen alternatieve country en Americana volslagen ten onrechte steeds vaker ook op commerciële acts worden geplakt, hebben we immers volop nood aan mannen als Meyers, die onder het pseudoniem Breadfoot nog volop garant staat voor the real deal. Mannen, die je graag nog eens laten horen, hoe het óók kan. (Hoe het moet eigenlijk…)

“Salvatella” is al ’s mans vierde album en het is een verdomd lekker, gevarieerd geheel geworden. Aftrappen doet Meyers de feestelijkheden met een akoestische gitaarsolo. Een ongewone zet misschien, maar daarom zeker niet minder geslaagd. Vervolgens gaat het over het laid-back verhalende “For My Sake” en de daarbij echt wel perfect aansluitende alt-country-trage “Valentine” richting de alweer volgende instrumental “Weight Of Your Hand”, het op een vreemde manier catchy werkende, met subtiele blazers gelardeerde “Lucky Me”, het enigszins Waitsiaans aandoende “Honey Please” en de ronduit zalige ballad “Room In Her Heart” om uiteindelijk na goed en wel eenentwintig minuten te stranden bij het ongegeneerd met Dixieland-invloeden stoeiende “Still Can’t (Find My Heart)”.

Vraiment très sympa!

Breadfoot, Bandcamp

 

TONY CHRISTIE & RANAGRI “The Great Irish Songbook” (Stockfisch Records)

(4****)                    

1990. De jonge Ierse muzikant Dónal Rogers is op zoek naar een drummer voor zijn bandje. Waarom niet eens gaan polsen bij die van Tony Christie, raadde iemand hem aan. En dus trok Rogers maar eens naar een optreden van de man, die vele jaren geleden met de hit “Is This The Way To Amarillo?” heel even de wereld aan z’n voeten had. Bleek toch wel, dat drummer Sean Fitzgerald de zoon van de hitmaker zelf was. Van het één kwam het ander. Rogers belandde bij Tony – Anthony Fitzgerald – Christie thuis. Urenlang werd er gepraat en gedronken, tot ze met het z’n allen bij wijze van saluut aan hun Ierse thuishaven tot in de vroege uurtjes op een rondje plaatselijke folkdeunen gooiden.

2014. Het Engels-Iers folkbandje Ranagri, de groep van precies de genoemde Dónal Rogers, neemt in de gerenommeerde Stockfisch Studio in het Duitse Northeim z’n cd “Fort Of The Hare” op. Weer wordt er tussen de bedrijvigheden door heel wat afgepraat. En ook het verhaal van die bewuste avond in 1990 komt aan bod. Wat aan iemand spontaan de vraag ontlokt, of men Tony Christie niet gewoon eens moet uitnodigen om met Ranagri een cd gevuld met Iers songgoed in te blikken. ’s Anderendaags belt Sean Fitzgerald meteen z’n vader op. En die heeft niet echt veel nodig om warm te lopen voor het idee.

En dus ligt nu voor ons het album “The Great Irish Songbook”. Daarop een dozijn Ierse folk classics, waaronder “On Raglan Road”, “The Banks Of The Lee”, “She Moved Through The Fair”, “Carrickfergus”, “The Black Velvet Band” en “Wild Mountain Thyme”, in de versies van “de grote Tony Christie” en Dónal Rogers (gitaar, banjo en zang), Jean Kelly (harp), Eliza Marshall (diverse fluiten) en Tad Sargent (bodhrán en bouzouki) oftewel Ranagri. Prachtige versies! Prachtig gezongen én gespeeld! Met Christie echt wel in vocale topvorm. Je hoort uit elke noot, dat dit project hem heel erg dierbaar is. En dat leidt tot zeer fraaie eigentijdse vertolkingen van klassiek liedgoed.

Voor de productie van “The Great Irish Songbook” tekende Günter Pauler van Stockfisch Records. En dan weet u ongetwijfeld al genoeg. Op de klankkwaliteit van het hier gebrachte valt inderdaad absoluut niks aan te merken. Die is werkelijk impeccable.

Ranagri, Stockfisch Records

 

MARK BROWN “Skin & Bone” (Mark Brown)      

(3,5****)

In alle eerlijkheid: ik had nog nooit eerder van ‘m gehoord, toen van Mark Brown onverwachterwijze de cd “Skin & Bone” op m’n schrijftafel belandde. An sich niets wereldschokkends, ware het niet, dat de beste man een geweldige singer-songwriter bleek, die met dat album al aan zijn tweede toe was. En ik vroeg mij dan ook af, hoe “Uncle Buckle”, z’n vorige, in godsnaam aan m’n aandacht had kunnen ontsnappen. Een inhaalmanoeuvre drong zich spontaan op…

Bij heel wat van de nummers op “Skin & Bone” dwaalden m’n gedachten onwillekeurig af richting de grote John Prine. Met hem deelt Mark Brown eenzelfde schalks gevoel voor humor. Luister bijvoorbeeld maar eens naar dingen als “Trouble”, “Smashed” of “Cried In Your Bed” en je zal allicht meteen begrijpen, wat ik daarmee bedoel.

Andere raakpunten zijn er onder meer ook nog met Ronny Elliott, Bob Dylan, Greg Brown, wijlen Johnny Cash, Todd Snider en Jonathan Richman. In dat opzicht dat ‘s mans Americana van heel wat markten thuis is. Onder meer country, folk, rootsy pop en rock & roll zijn zo bijvoorbeeld geregelde ingrediënten van zijn special brew. Een brouwsel zo op het eerste gezicht vooral bedoeld ter ondersteuning van zijn teksten, zijn verhalen. Materiaal, dat hij graag aan het leven zelf ontlenen mag. Materiaal, dat daardoor ontzettend rijk geschakeerd blijkt. Bevolkt met de meest uiteenlopende personages ook.

Bij momenten überhaupt niet gemakkelijk te plaatsen, maar allicht mede daardoor juist heel aantrekkelijk. Een luistertrip als een goed boek, waardoor je geregeld op het verkeerde been wordt gezet.

Enkele luistertips: de knappe ballade “Sleep Little Angel”, het eerder al even genoemde, als dartel duet met Eli McNamara gebrachte “Trouble”, het lekker twangende “Smashed” en het suggestief verhalende “Hatchet Man”.

Mark Brown

 

BEN FOLDS “So There” (New West / PIAS)

(3,5****)

Met het naar zichzelf vernoemde alternatieve rockdrietal de Ben Folds Five nam de extreem getalenteerde Amerikaanse songsmid Ben Folds ergens halverwege de jaren negentig van het vorige decennium een vliegende start. Met name hun album “Whatever And Ever Amen” en de daaraan gekoppelde single “Brick” deden het zelfs hier ontzettend goed. Dat laatste nummer was lang niet alleen op Studio Brussel een zeer graag gehoorde gast. Net als het van dezelfde cd stammende tweetal “Battle Of Who Could Care Less” en “Song For The Dumped” trouwens.

Dezer dagen doet Folds het echter solo. En z’n piano speelt daarbij als vanouds een zeer belangrijke rol. Met dien verstande dat het allemaal lang niet zo simpel meer is als weleer. Folds wordt niet geheel ten onrechte graag vergeleken met de legendarische Brian Wilson. En met deze laatste deelt hij alvast een flink uit de kluiten gewassen hang naar zwaar gearrangeerde deunen. Prachtige popmuziekjes, laagje na laagje afgewerkt en zodoende niet zelden herinnerend aan de Beatles. En dat is in ons boek tot nader order nog steeds een referentie die kan tellen.

Acht zulke liedjes telt “So There” alvorens er wordt afgerond met een driedelig “Concerto For Piano And Orchestra”, dat Folds schreef voor het Nashville Ballet en opnam met het vanuit New York actieve kamerensemble yMusic.

Voor de productie van dit ergens tussen pop en klassieke muziek strandende geheel tekende Folds zelf samen met Rob Moose en CJ Camerieri van yMusic. Eén van z’n beste platen so far, aldus Folds zelf erover. En da’s in dit geval een voor één keer wel geoorloofde dooddoener…

Ben Folds, New West Records

 

ROBERT FORSTER “Songs To Play” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Was het echt alweer zeven jaar geleden, dat Robert Forster nog eens met nieuw materiaal uitpakte…? Ja, dus. Na “The Evangelist” uit 2008 was het op plaatvlak vooral heel erg stil rond de man die samen met de ondertussen overleden Grant McLennan ooit de lichtjes geweldige Go-Betweens oprichtte. Met die groep maakte hij in 1988 het briljante “16 Lovers Lane”, één van onze absolute lievelingsplaten aller tijden. Wat meteen ook verklaart, waarom de beste man hier nogal wat krediet geniet. Al verdient de Australische songsmid dat zeker ook omwille van z’n eigen plaatwerk. Met albums als “Danger In The Past” (1990), “Calling From A Country Phone” (1993), “I Had A New York Girlfriend” (1995), “Warm Nights” (1996) en het al genoemde “The Evangelist” (2008) wist hij hier door de jaren heen eigenlijk gewoon altijd weer de juiste snaar te raken.

En dat doet hij ook nu weer. Al is “Songs To Play” op de keper beschouwd toch nadrukkelijk anders dan zo ongeveer alles wat Forster eerder al deed. Met name stilistisch gezien blijkt het hier nogal wat kanten op te kunnen. Vintage Forster is het alleszins niet. Een bij nader inzicht nogal nerveus uitgevallen escapade richting rock (“Learn To Burn”), met kopergeschetter en strijkers gelardeerde “breedbeeldpop” (“A Poet Walks”), eerder klassiek aandoend singer-songwriter-spul (“Let Me Imagine You” en “I’m So Happy For You”), een iets moois met een bossa-novaritme belevend deuntje (het heerlijk lijzige “Love Is Where It Is”), wat naar indie neigende stuff (“Disaster In Motion”), enfin, u zegt het maar…

De Forster van “Songs To Play” is er duidelijk één met veel inspiratie en zo mogelijk nóg meer goesting. De tien nieuwe liedjes op dat album waren wat ons betreft het lange wachten erop alleszins meer dan waard.

Robert Forster, Tapete Records

 

MICKY & THE MOTORCARS “Across The Pond, Live From Germany” (Blue Rose / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Across The Pond” is na het in 2009 verschenen “Live From Billy Bob’s Texas” al de tweede live-cd van de broers Micky en Gary Braun en kompanen. Maar dit is in zo menig een opzicht a horse of a different color. Compleet andere koek met andere woorden. Vormde dat album van zes jaar geleden nog de geslaagde vereeuwiging van een thuiswedstrijd, dan bevond het vijftal zich nu mijlenver van huis. Het betreft hier immers opnames gemaakt tijdens hun tweede succesvolle tournee doorheen Duitsland in het najaar van 2013. Ingeblikt door hun broodheren van Blue Rose Records tijdens optredens in de Red River Saloon in Heilbronn en het Laboratorium in Stuttgart. Hun nieuwe studioplaat “Hearts From Above” moest toen nog gaan verschijnen, hun vorige, het knappe “Raise My Glass”, lag ondertussen alweer zo’n jaar of twee achter de rug.

Dat het materiaal van die beide albums de hoofdmoot van dit geheel vormt, hoeft dan ook nauwelijks te verwonderen. Van “Hearts From Above” kregen de aanwezigen bij wijze van voorsmaakje alvast “Southbound Street”, “Fall Apart”, “Sister Lost Soul” en “Tonight We Ride” op hun borden, van de voorganger ervan het titelnummer, “Any Longer Anymore”, “Big Casino” en “St. Lucy’s Eyes”. Voor het overige nog een drietal nummers van eerdere platen, te weten “Rock Springs To Cheyenne”, “The Band Song” en “Bloodshot”, en het samen met Reckless Kelly-broer Willy voor “Under The Table And Above The Sun” van diens bandje gepende “Nobody’s Girl”. Opvallend: met “Bloodshot” is er slechts één enkele overlapping met het hier hoger ook al even vermelde “Live From Billy Bob’s Texas”.

Een aanradertje voor liefhebbers van zogeheten red dirt music, Texamericana en melodieuze country rock überhaupt. In het vervaardigen daarvan tonen deze Brauns en hun maatjes zich immers net als hun nog altijd net iets bekendere broers echte grootmeesters.

Micky & The Motorcars, Blue Rose Records

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home