CAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpgCAC 3.jpg

 

ARCHIEF CD-RECENSIES SEPTEMBER 2017

 

archief

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff. - **** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!

 

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

THUNDERBOLT & LIGHTFOOT “Songs For Mixed Company” - JOHN F. KLAVER BAND “Catch The Morning Sun” - ELLES BAILEY “Wildfire” - SUSTO “& I’m Fine Today” - BENDIK BRAENNE “The Last Great Country Swindle” - PAAL FLAATA “Love And Rain: The Athletic Sessions” - THE GREAT CRUSADES “Until The Night Turned To Day” - JW ROY & THE ROYAL FAMILY “A Room Full Of Strangers” - ERIC WESTBURY “Atomic Wilderness” - JIM BYRNES “Long Hot Summer Days” - DICK LEMASTERS “Incompatible Things” - LEVI CUSS “Just Below Radio” en “Just Below Radio Vol. 2” - RODNEY DECROO “Old Tenement Man” - DICK VAN ALTENA “Singer And Songs” - VALPARAISO “Broken Homeland”

  

THUNDERBOLT & LIGHTFOOT “Songs For Mixed Company” (Vesper Music)

(4****)

Eerlijk? Als ze onze aandacht al vrij snel wisten te trekken, dan was dat in de eerste plaats te danken aan een cover van een hit van Bruce Springsteen. Een supermooie uitvoering van “I’m On Fire” meer bepaald. Die deed ons vrijwel meteen vallen voor de charmes van Sarah Fuerst en Phil Barry, een duo uit Kalamazoo. En met name hun samenzang deed het ‘m voor ons daarin. Close harmony van het allerbeste soort gewoon!

En veel meer van dattum is er nu op hun inmiddels tweede plaat al, het onlangs verschenen “Songs For Mixed Company”. Tien liedjes lang zingen Fuerst en Barry daarop samen de sterren van de hemel naar beneden. Iets meer dan een half uur drukken ze je als luisteraar liefdevol aan de borst met naast die ene cover uitsluitend nog eigen materiaal. En daarvoor mag u wat ons betreft zelf het label verzinnen. Folk? Die term gaat zeker op. Roots pop? Idem dito. Americana? Soms ook, ja. Maar vooral heel erg mooie, veelal eerder ingetogen muziek, waarmee je inderdaad kan uitpakken voor een aardig divers gezelschap. Wij kunnen het ons alvast amper voorstellen, dat iemand zich zou storen aan bedaarde schoonheden van songs à la “Let’s Be Friends”, “Miss Me”, “Sad Song”, “Dearly Beloved” en andere.

Uitermate geschikt voor Radio 1, zo lijkt ons. Luisteraars van die zender zouden hier wel eens een heel erg smakelijke kluif aan kunnen hebben. Wij doen het hen alvast voor.

Thunderbolt & Lightfoot

 

JOHN F. KLAVER BAND “Catch The Morning Sun” (John F. Klaver Band)

(3,5****)

“Catch The Morning Sun”, het nieuwe mini-album van de John F. Klaver Band klinkt niet alleen verrassend, het klinkt ook verrassend goed. De durf om te vernieuwen heeft hier duidelijk geloond. En met name de toevoeging van vocaliste Nicole Verouden aan het kader betekent wat ons betreft een echte verademing. Met haar warm-soulvolle stemgeluid slaagt die er bij momenten in de gitaar van haar broodheer even in een ondersteunende rol te dwingen en misschien was het wel net dat, wat Klavers muziek zo nu en dan nodig had.

Veel meer dan op de nog altijd in ruim voldoende mate aanwezige solo’s van de Nederlandse gitaarbeul lijkt ditmaal tijdens de opnames de focus op de vibe te hebben gelegen. Zoals dat bijvoorbeeld ook bij de Tedeschi Trucks Band vaak het geval is. En vanuit die optiek is het dan ook niet echt een verrassing te noemen, dat men bij het kiezen van enkele covers ook ging voor een compositie van het echtpaar Trucks-Tedeschi. Voor het ingetogen soulvolle “Shelter” meer bepaald, u allicht ook wel bekend van het machtige album “Revelator” en hier zeer knap vertolkt door Verouden. Een tweede cover is er eentje van Paul Pena’s “Gonna Move”. Ook al met met een glansprestatie van Verouden. Als het ware in duet met de gitaar van Klaver zelf. Mooi alleszins, hoe ze elkaar hier wonderwel aanvullen.

Verder enkel nog eigen nummers op “Catch The Morning Sun”. Om te beginnen het rootsy groovende “There Will Be A Day” en titelnummer “Catch The Morning Sun”, met ditmaal Klaver zelf vol aan de bak, zowel vocaal als op de snaren, met als resultaat een stevige lap melodieuze gitaarrock pur. Het daaropvolgende “Funny Way Of Showing It” leeft met name van z’n hoogst aparte, beurtelings wat tegen jazz en gospel aanschurkende ritmiek, “Learned A Lot” is een wolk van een soulvolle trage – Dé geknipte single? – en “”Rollin’ Away” ten slotte gunt het rockbeest in Klaver nog even een laatste beurt.

John F. Klaver Band

 

ELLES BAILEY “Wildfire” (Outlaw Music)

(4****)

De Engelse term wildfire wordt doorgaans gebruikt in verband met maar moeilijk controleerbare branden. En vanuit dat standpunt bekeken is het eigenlijk een bepaald niet slecht gekozen titel voor het debuut voor de vanuit Bristol actieve schone Elles Bailey. Niet enkel haar felle ogen op het hoesje daarvan, maar haar hele wezen straalt op die eersteling namelijk iets onbedwingbaars uit. Niet te stoppen lijkt ze in een spoedopmars richting de absolute top van het blues- en rootswereldje. Met dank vooral aan haar ongemeen krachtige stem. Die klinkt als die van Melissa Etheridge, die van Bonnie Raitt en die van wijlen Janis Joplin gecloond in één en dezelfde persoon. Rauw, passioneel, soulvol.

Op haar visitekaartje doet Bailey het met tien eigen nummers aangevuld met een rootsy cover van Taylor Swifts “Shake It Off”. Haar eenmalige knieval richting gewillige radiojongens, moet je maar denken. Verder gaat het er immers allemaal een stuk compromislozer aan toe. Om te beginnen in het na een machtige slide intro in een beresterke bluesy rock song ontbolsterende titelnummer. Van een aftrap in stijl gesproken! Een knappe treffer al na enkele seconden, zoiets…

Vervolgens zijn er de ook al beresterke eerste single “Same Flame” – wat meer rockgeoriënteerde passie tout court – en de knappe pianoballade “What If I”. Met het sfeergewijs best wel wat aan Chris Isaak herinnerende “Barrel Of Your Gun” komt de focus aansluitend daarop wat meer op roots te liggen, “Perfect Storm” bulkt op zijn beurt van de soul en in “Let Me Hear You Scream” gaan zowel Bailey zelf als de slide van Brent Mason daadwerkelijk machtig aan het schreeuwen. Iets als een open invitatie aan ons adres, zeg maar.

Na de hoger al even besproken Swift-adaptatie gaat het via het heerlijk ritmisch met de kont schuddende “Shackles Of Love” en het gevoelvolle “Believed In You” naar wat naar onze bescheiden mening gerust bestempeld mag worden als hét absolute hoogtepunt van de plaat. We hebben het dan over het straffe “Howlin’ Wolf”, een ronduit subliem eerbetoon aan heel wat van haar eigen helden, heus niet alleen die uit de titel ervan. Verwachten ons dan nog: de mooie ballad “Girl Who Owned The Blues” en bonus track “Time’s A Healer”, nog zo’n verstilde schoonheid van een song met naast de stem van Bailey zelf verder enkel nog de resonator van Joe Wilkins, de akoestische en wat zang van Will Edmunds en de bas van Zak Ranyard. Moest ze dringend ook maar eens een kans op single gunnen, dat nummer! Zou wat ons betreft zomaar dé verrassingshit van het najaar kunnen worden.

Dikke aanrader, hoor, dit “Wildfire”!

Elles Bailey

 

SUSTO “& I’m Fine Today” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Melodieus kunst-en-vliegwerk van een groep die ergens diep vanbinnen net zo graag hitparades overal ter wereld zou bestormen als zichzelf geapprecieerd weten in ruimere rootskringen, zo lijkt ons. En Justin Osborne en de zijnen lijken daar nog mee weg te zullen komen ook. In de States dan toch, waar hun tweede nu goed een half jaar geleden al verscheen. Daar worden ze intussen al gezien als één van dé nieuwe acts van 2017.

Hun nieuwe worp is al bij al dan ook een verre van kwade plaat. Het op hun titelloze debuut van drie jaar geleden ingeslagen pad blijkt er ondertussen één met veel zijwegeltjes te zijn geworden. De country rock van weleer wordt regelmatig verlaten voor een nadrukkelijk meer pop- of rockgeoriënteerd geluid, waarin opvallend actieve gitaren, dito keyboards en strijkers bij momenten de dienst uitmaken. Altijd met de nodige aandacht voor het liedje, dat wel.

Wat ons betreft vooral iets voor wat alternatiever ingestelde geesten, al zal pakweg de doorsneefan van knapen als een Ryan Adams of een Neal Casal hier ook wel raad mee weten.

Susto

 

BENDIK BRAENNE “The Last Great Country Swindle” (Bendix Records / PIAS)

(3,5****)

“The Last Great Country Swindle” is de wat ons betreft toch wel enigszins misleidende titel van de tweede van de je misschien ook al wel van zijn bijdragen aan Los Plantronics bekende Noorse songsmid  Bendik Braenne. Die met de productionele hulp van Daniel Romano en Lars Erik Larsen ingeblikte opvolger van het vier jaar geleden verschenen “How To Fake It In America” heeft immers nog maar weinig meer met country te maken.

Afgetrapt (en ook afgesloten) wordt er met een prima rootsy cover van Del Shannons klassieker “Runaway”. De toevoeging van wat mariachi- en surfelementen verleent aan dat nummer voorwaar een compleet nieuw leven. Je moet het maar flikken! Vanaf het tweede nummer komt de klemtoon echter elders te liggen. Dat zomerse popdeuntje (“Ain’t Nobody Like Me”) blijkt later een behoorlijk goede indicator voor wat nog komen moet. Via het vinnig soulvol poppy uit de hoek komende “Summerfield”, de mooie trage “I’ll Be Gone Tomorrow” en het zijn wortels ergens vroeg in de seventies hebbende popmeezingertje “Quick-Loving Hearts” komen we vervolgens immers ook nog uit bij het over een bizarre groove uitgesmeerde “Worries Me” en het bijzonder radiogenieke trio bestaande uit “I Got (Everything But You)”, “Close To The Ground” en “Sunshower”.

’t Is dat we door de Noor voorafgaandelijk op een compleet verkeerd spoor werden gezet, maar verder is hier absoluut niks mis mee, hoor! “The Last Great Country Swindle” is echt wel een prima plaatje. Een prima popplaatje, that is.

Bendik Braenne

 

PAAL FLAATA “Love And Rain: The Athletic Sessions” (Blue Mood Records / PIAS)

(5*****)

Met zijn albumtrio “Wait By The Fire”, “Bless Us All” en “Come Tomorrow”, gewijd aan de songs van respectievelijk Chip Taylor, Mickey Newbury en Townes Van Zandt heeft Paal Flaata onverwacht hoge ogen gegooid. En daarvan lijkt ook het voormalige kopstuk van Midnight Choir zelf zich maar al te goed bewust. Getuige daarvan zijn voornemen om in het najaar de drie platen samen met enkele speciaal voor de gelegenheid ingeblikte bonusnummers ook in een box set op de wereld los te laten. Maar van het één kwam zoals wel vaker het ander. Tijdens hun verblijf in de Athletic Sound-studio in het Noorse kuststadje Halden voor het inblikken van die bonusjes hadden Flaata en zijn vaste maatje Goran Grini het danig naar hun zin, dat ze aan de sessies uiteindelijk een volledig album overhielden. En dat wordt nu ook als stand-alone geheel uitgebracht.

De nadruk ligt daarbij voornamelijk op Amerikaans songerfgoed. Van Mickey Newbury wordt zo ditmaal “Hand Me Another Of Those” gebracht, van Kris Kristofferson wordt de onder meer door Al Green de souleeuwigheid ingezongen trage “For The Good Times” neergelegd, in het songbook van Jimmy Webb viel de keuze bijna als vanzelfsprekend op “The Moon Is A Harsh Mistress”, bij Donnie Fritts pikten de twee “We Had It All” op, bij Conway Twitty mocht “It’s Only Make Believe” dan weer mee en afgesloten wordt er met Don McLeans romantische klassieker “And I Love You So” en “Feel Like Going Home” van Charlie Rich.

Tussendoor is er ook ruimte voor twee Britse bijdragen. En niet van de minste ook! Misschien wel het allermooiste liedje van de hele collectie is Flaata’s bezielde lezing van Elvis Costello’s “The Comedians”, ooit ook door Roy Orbison al eens heel erg knap vereeuwigd. En ook de andere vreemde eend in de bijt mag er best zijn. Ewan MacColls “First Time Ever I Saw Your Face” krijgt hier immers een ongemeen soulvolle kippenvelbehandeling mee.

Het tiende en laatste nummer van het lot is er eentje speciaal voor de gelegenheid geschreven door Chip Taylor. Bij wijze van dankjewel trakteerde hij Plaata en Grini op het titelnummer. En dat blijkt een qua mood perfect bij de rest hier aansluitende ballade.

Kort samengevat: Paal Flaata en Goran Grini verheffen het brengen van covers op “Love And Rain: The Athletic Sessions” ook verder tot kunst. Er zijn er ons inziens alleszins maar weinigen die in deze discipline dezelfde pakkende resultaten kunnen voorleggen.

Heerlijke plaat!

Paal Flaata

 

THE GREAT CRUSADES “Until The Night Turned To Day” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het vanuit Chicago actieve indierockviermanschap The Great Crusades maakt al sinds jaar en dag goede tot uitstekende platen. Verrassen doen de grofgevooisde Brian Krumm en de zijnen daarbij wat ons betreft al lang niet meer echt, maar dat hoeft ook niet. Zolang de songs zo goed blijven als op “Until The Night Turned To Day” zal u ons allerminst horen klagen.

Op z’n negende kruistocht so far neemt het kwartet ons mee langs elf nieuwe haltes. De klemtoon ligt daarbij nu eens meer op pop of rock, dan weer eerder op country en blues. Het ene moment wordt er stevig geknald, het andere gaat het er flink wat rustiger aan toe. Soms komen we tussen die twee stoelen te zitten. Zoals in openingsnummer “If You Could Only See Me Now” bijvoorbeeld gelijk al. Dat wil wel rocken, maar doet dat zo loom dat we nog niet echt onder stoom komen. Heel knap nummer overigens wel, dat liedje!

En dat vonden wij vervolgens ook wel van de leuke countryrocktrage “Only Took A Minute Not To Say Goodnight”, van de langzaam naar een fameuze climax opbouwende rocker “Hey Hey (River Charles)”, van de met Katie Todd gebrachte pianoballade “Gutter Punks”, van de akoestische folkrocker “If I Changed My Mind” en nog wel wat anderen.

Onopvallend goed, zeg maar.

The Great Crusades

 

JW ROY & THE ROYAL FAMILY “A Room Full Of Strangers” (Royal Family Records)

(5*****)

Als ik binnenkort naar goede jaarlijkse gewoonte weer aan het nadenken zal gaan over wat er voor mij nu precies de beste platen van 2017 geweest zullen zijn, dan zal deze zo goed als zeker ook de gedachtenrevue passeren. Met “A Room Full Of Strangers” levert de sympathieke Nederlander JW Roy immers één van zijn allerbeste albums tot op heden af. Hij heeft er ons lang op laten wachten, maar geloof me vrij, het wachten heeft de moeite geloond. Een veel pakkendere plaat als deze mocht ik het voorbije jaar niet beluisteren. Maar ze ontstond dan ook in bijzondere omstandigheden.

Oorspronkelijk was het Roys bedoeling geweest om de liedjes op zijn nieuwe plaat aan anderen te wijden. Op persoonlijk vlak ging het hem immers redelijk voor de wind en dat levert zoals alom geweten niet meteen de beste songs op. Een speling van het lot gooide echter al snel roet in het eten. Het overlijden van Roys geliefde vader deed hem uiteindelijk toch weer graven in zijn eigen ziel. En dat is eigenlijk ook gewoon wat hij het beste kan. Liedjes geïnspireerd door zijn eigen persoonlijke leven waren altijd al zijn forte.

De twee knapste voorbeelden daarvan zijn hier en nu de samen met zijn broer Jeroen gebrachte ballad “Broke Brothers” en het afsluitende “The Big Chief”. In het eerste kijken twee gebroken broers bij het graf van hun overleden vader terug op een verleden vol liefde, het tweede bezegelt muzikaal het afscheid van “The Big Chief” (het koosnaampje waarmee JW’s vader in familiekring al sinds tijden werd aangesproken). Het is moeilijk om het bij die twee liedjes droog te houden. Zeker als je, zoals mij, recentelijk ook je pa verloren bent. Veel meer nog voel je dan, hoe echt de gevoelens wel zijn, die Roy hier verklankt. Echt bloedmooi!

Andere hoogtepunten op “A Room Full Of Strangers” zijn een erg mooie cover van Townes Van Zandts “To Live Is To Fly”, de met vriendin des huizes Ilse DeLange vereeuwigde trage “We’re Still Here”, de echt van de joie de vivre barstende en samen met Lea Kliphuis gebrachte eerste single “Keep It Simple”, “Kind Of Blue”, een knappe samenwerking met Michael Prins, en “Riddle Of The Sands”, dat op zijn beurt gedeeld wordt met de broers Sander en Arnout Brinks van het Nederlandse folkduo Tangarine. En dan vergaten we bijna nog dat lekkere streepje bedaarde countyrock helemaal bij het begin, “Blue Sunrise”.

The Big Chief zal ergens daarboven andermaal erg fier zijn op zijn zoon. Zeker weten.

JW Roy

 

ERIC WESTBURY “Atomic Wilderness” (Barreltown Records)

(4,5*****)

Van de vele albums waarover ik hier sinds de begindagen van Ctrl. Alt. Country mijn licht al mocht laten schijnen is “Burnt Tongues & Blue Truths” van Eric Westbury altijd één van mijn favorieten gebleven. Die plaat, die het indertijd in 2003 erg goed deed in zowel de Euro Americana Chart als de Freeform American Roots Chart, stond voor zo ongeveer alles wat ik graag mocht hebben in mijn Americana. En ik overdrijf dan ook niet, als ik zeg dat ik lang heb zitten uitkijken naar een opvolger ervan. Maar die leek er na een poosje niet meer te komen. En dus verslapte mijn aandacht gaandeweg ook volledig. Nu, veertien lange jaren later, gebeurt het onverwachte plots echter toch nog…

Met “Atomic Wilderness” pakt Eric Westbury eindelijk uit met zijn derde langspeler. En het moet gezegd: de opvolger van “Walking Tracks” uit 2000 en het hoger al genoemde “Burnt Tongues & Blue Truths” van zo’n drie jaar later is opnieuw een plaatje van een plaat geworden. Mij greep ze alvast meteen weer bij mijn nekvel. Alles wat me aan de voorganger ervan bekoren kon is ook nu weer in ruime mate aanwezig. Er is in de eerste plaats natuurlijk nog altijd die heerlijke Waitsiaanse rasp van een stem van Westbury, er zijn z’n fijne, als vanouds het midden tussen country, folk en rock houdende muziekjes, er zijn z’n immer scherpzinnige teksten, waarin hij zich uitlaat over onder meer sociale, politieke en milieuzaken. Een echte verademing!

Geproduceerd werd “Atomic Wilderness” door Westbury zelf samen met z’n landgenoot Russell Broom en met ook nog een handje hulp van Zak Cohen. Eraan meewerken deden verder onder meer ook nog Gurf Morlix en Denis Dufresne.

Mijn luistertips voor je: de prachtige ballade “Here Lies Vera”, het de toekomst niet bepaald rooskleurig tegemoetziende “Stupid Answers To Stupid Questions” en het ook al van zo’n veelzeggende titel voorziene “My Kind Of People (Are Getting Hard To Find)”.

Eric Westbury

 

JIM BYRNES “Long Hot Summer Days” (Black Hen Music)

(5*****)

Welk een magistrale plaat alweer, deze nieuwe van het Canadese bluesfenomeen Jim Byrnes. Op z’n negenenzestigste presenteert de beste man ons zijn misschien wel allerbeste album tot op heden. En geloof ons vrij, dat wil in zijn geval heel wat zeggen! We herinneren u graag even aan enkele van zijn recentere worpen als “House Of Refuge”, “St. Louis Times”, “I Hear The Wind In The Wires” en “My Walking Stick om u een referentiekader te geven. Stuk voor stuk top, die platen, en dat is dus ook voor “Long Hot Summer Days” weer niet anders.

Op die opnieuw door Steve Dawson geproduceerde schijf focust Byrnes vooral op liedjes die hem de kans gunnen om vocaal te excelleren. En daarbij dwaalt hij nogal eens af richting wat er zoal te beleven viel op de radio tijdens zijn eigen jonge jaren in St. Louis. Voor “There’s Something On Your Mind” bijvoorbeeld ging hij in de leen bij het onvolprezen souldier Bobby Marchan. En “Ain’t No Love In The Heart Of The City” herinnert u zich vast ook nog wel in de uitvoering van Bobby “Blue” Bland.

Andere geleende kleinoden zijn onder meer ook nog een ongemeen doorleefde versie van Jesse Winchesters “Step By Step”, gebracht met de nodige vocale ondersteuning van de ook zelf lichtjes geweldige Sojourners, een heerlijk loom pompende bluesversie van “The Shape I’m In” van The Band, een werkelijk sublieme rootsy lezing van Leonard Cohens “Everybody Knows”, een hoogst aparte, lekker naakt gehouden benadering van Willie Dixons “Weak Brain, Narrow Mind”, ingezongen vanop een metertje of tien van de enige microfoon in de buurt, een bijna als vanzelfsprekend van de soul bulkende full band-vlucht doorheen Wilson Picketts “Ninety Nine And A Half (Won’t Do)” en het in één enkele take ingeblikte “Something Inside Of Me”, met daarbij een glansrol voor Steve Dawson op de gitaar. Afgesloten wordt het rijtje covers met de ons onder meer in een uitvoering van Percy Sledge bijgebleven Dan Penn-compositie “Out Of Left Field”.

Tussendoor krijgen we ook nog een drietal originelen voor de kiezen. Twee daarvan schreef Byrnes samen met Steve Dawson. Het titelnummer deed ons in al zijn broeierigheid onwillekeurig terugdenken aan de grote Nina Simone, het zomerse “Deep Blue Sea” anderzijds strandt ergens dicht in de buurt van Van Morrison in zijn hoogdagen ergens diep in de seventies. “Anywhere The Wind Blows” ten slotte is een stomend Dawson-origineel. (Met een topprestatie van Monkeyjunks Steve Marriner op de mondharmonica!)

In de categorie blues& roots ontegensprekelijk één van dé absolute hoogtepunten van 2017, deze nieuwe Byrnes!

Jim Byrnes

 

DICK LEMASTERS “Incompatible Things” (Dick LeMasters Music)

(3,5****)

Luisteren naar “Incompatible Things”, het nieuwe album van de Texaan Dick LeMasters, zonder daarbij als luisteraar vroeg of laat je gedachten weten af te dwalen tot bij diens collega singer-songwriter Jerry Jeff Walker, het lijkt ons bij nader inzicht haast onmogelijk. Zowel ’s mans manier van zingen als zijn modus operandi benaderen die van de legendarische Walker bij momenten akelig dicht. En eigenlijk vinden we dat hier niet eens slecht nieuws. Meer nog: als longtime fans van Walker waarderen we ook LeMasters enorm.

De tien liedjes op zijn nieuwe album mogen dan al niet echt uitblinken in originaliteit, bijzonder aangenaam luistervoer vormen ze allemaal zeker wel. Niks moeilijkdoenerij hier. Gewoon basic stuff. Zowel inhoudelijk als qua muzikale invulling. Met enkel de eigen gitaar, de staande bas van Mickey Rouse en occasioneel wat backing vocals van Douglas Greer als ondersteuning.

Ouderwets lekker!

Dick LeMasters

 

LEVI CUSS “Just Below Radio” en “Just Below Radio Vol. 2” (Levi Cuss)

(3,5****) en (3,5****)

Wij maakten hier kennis met de charismatische Canadese songsmid Levi Cuss naar aanleiding van diens album “Night Thief”. En dat beviel ons op de keper beschouwd best wel. Genoeg alleszins om ook zijn volgende worpen met gezond interesse tegemoet te zien. En die zijn er nu. Zijn, want het zijn er inderdaad meerdere. Twee om precies te zijn. Twee telkens vier tracks bevattende ep’s met name: “Just Below Radio”, volumes een en twee. Een vreemd concept toch wel. Waarom de acht songs niet gewoon op één schijfje laten belanden? Dat was de eerste vraag die we ons bij het in handen houden van de beide delen gingen stellen. Maar goed, Cuss zal wel zijn redenen hebben gehad zeker…

Volume een wordt afgetrapt met “White Lies”, een streepje lijzige, groovy roots rock. Vervolgens gaat het via het humoristische, zich met het gegeven internetdaten inlatende “One Night Stand” en de bedaarde countryrocker “Hardwood” al snel weer richting uitgang, te weten de bluesy trage “The Hunt”.

Volume twee opent op zijn beurt met “Shoreditch High”, een sympathiek rootsy rockstampertje over verliefd worden op de grote stad. “Blew It All Away” is aansluitend daarop puur singer-songerspul over het ook al klassieke duo love & loss, “Junction 21” vier minuten lang rootsy tragedie en afsluiter “Alena” druipt van het verlangen naar.

Voor de productie van de twee deeltjes “Just Below Radio” tekende Cuss’ landgenoot Steve Dawson.

Levi Cuss

 

RODNEY DECROO “Old Tenement Man” (Tonic Records)

(4****)

Middels de hypnotisch stompende rootsrocker “Jack Taylor” doet Rodney DeCroo je als luisteraar ook op z’n nieuwe worp weer gelijk kansloos binnen. Het blijkt al snel de eerste aanzet tot flink wat moois. Van het van een licht psychedelisch sixtiesrandje voorziene “Jacob’s Well” over het aardig soulvolle “Ten Thousand Feet Tall” tot het bedrieglijk lichtvoetige popdondertje “I’ve Got A Mirror, I’ve Got A Gun”, van de spitante radiogenieke  rocker “Lou Reed On The Radio” over de de al even knappe ballad “Radio” tot het nerveuze “Like Jacob When He Felt The Angel’s Touch” en alles wat daarna tot aan afsluiter “The Barrel Has A Dark Eye” nog volgen moet, DeCroo verkeert op “Old Tenement Man” duidelijk in de vorm van zijn leven.

Dertien tracks en ruim negenenveertig minuten lang intrigeert de beste man weer. Hier staat een singer-songwriter die zich nadrukkelijk onderscheidt van de rest van het pak. Een knaap die altijd en overal weer zijn eigen ding doet. Een original. En alleen daarom al zou een mens hem in tijden geregeerd door copycats en andere raven eens stevig aan de boezem drukken.

Rodney DeCroo

 

DICK VAN ALTENA “Singer And Songs” (Interlokaal / CRS)

(3,5****)

Je zou hem ondertussen zo stilaan met recht en rede kunnen bestempelen als de éminence grise van het Nederlandse countrygebeuren, deze Dick van Altena. Al ruim vijfenveertig jaar lang staat hij immers garant voor kwaliteit. Echt verbazen doet hij met zijn nieuwe materiaal nog maar zelden, maar dat hoeft op de keper beschouwd ook helemaal niet. Je zou wat hij doet en hoe hij het doet een beetje kunnen vegelijken met de aanpak van de onlangs overleden Don Williams. Ook hij houdt het doorgaans immers simpel. Eenvoudige, onmiddellijk aansprekende liedjes over de gewone dingen des levens zijn nu eenmaal ’s mans forte. En dan is er natuurlijk ook nog die fraaie goudbruine stem! De titel van die nieuwe van ‘m is gewoon prima gekozen dus. Het gaat hem hier inderdaad om een singer en zijn songs.

Twaalf nieuwe deuntjes staan er in totaal op “Singer And Songs”. De twee meest in het oog springende daarvan zijn respectievelijk de nummers “Near” en “If I Could Change The World With A Song”. Het eerste een klassieke countrysleper gebracht in duet met de ravissante Hilde Vos, het tweede een samenwerking met de in vergelijkbaar vaarwater actieve Amerikaan Billy Yates.

Andere tracks waarmee het voormalige kopstuk van Major Dundee onder countryliefhebbers wel weer eens heel erg hoge ogen zou kunnen gaan gooien zijn wat ons betreft het catchy stampertje “Rust On My Strings”, de als een soort van beginselverklaring fungerende kampvuurballade “Singer & Songs”, het speelse “I Will Fly” en de hele mooie tragen “Home Again (Again)” en “Can’t Stop Thinking About You”.

Nice one, Dick!

Dick van Altena

 

VALPARAISO “Broken Homeland” (Maelstrom / Zamora / PIAS)

(4,5*****)

Het door de vooral van zijn werk met PJ Harvey bekende John Parish geproduceerde “Broken Homeland” van Valparaiso is zonder ook maar de minste twijfel één van de meest intrigerende platen die 2017 tot nog toe opleverde. Het naar de mythische havenstad in Chili vernoemde collectiefje met z’n wortels in Parijs grossiert op zijn debuut in wat zich misschien nog het best laat omschrijvan als indie roots music. Beklijvende songkleinoden van het genre waarbij je voortdurend namen van gelijkgezinde acts als Tindersticks, Mazzy Star, Mark Lanegan, Calexico, Giant Sand en andere voor de geest blijven komen blijven luisterbeurt na luisterbeurt opnieuw bekoren en verrassen.

Als serieus surplus vermelden we daarnaast graag ook nog de vele gastbijdragen die het album voor velen alleen nog maar een stuk interessanter zullen maken. Van Howe Gelb over Phoebe Killdeer van Nouvelle Vague tot Josh Haden van Spain, van John Parish, Shannon Wright en Dominique A over Rosemary Standley van Moriarty en Marc Huyghens van Venus tot Julia Lanoë van Mansfield TYA, allemaal tekenen ze along the way wel ergens present. (En dan vergeten we er vast nog wel enkele…)

Het resultaat is een dertien songs rijk geheel, dat in eerste instantie opvalt door zijn wat duistere, enigszins mysterieuze sfeer. Meeslepender worden ze ons inziens amper nog gemaakt!

Valparaiso

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home