CD-recensies januari 2018

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

RICK SHEA & THE LOSIN’ KIND “The Town Where I Live” - BETH NIELSEN CHAPMAN “Hearts Of Glass” - MARK “PORKCHOP” HOLDER “Death And The Blues” - BUFFALO KILLERS “Alive And Well In Ohio” - BILLY & BLOOMFISH “Happy Incomplete” - DAYNA KURTZ WITH ROBERT MACHE “Here Vol. 2” - LILLY HIATT “Trinity Lane” - ALICE DIMICELE “One With The Tide” - CAMERON BLAKE “Fear Not” - MARY GAUTHIER “Rifles & Rosary Beads” - SARAH MORRIS “Hearts In Need Of Repair” - MATTHEW RYAN “Hustle Up Starlings” - HARDPAN “Hardpan” - COUSIN HARLEY “Blue Smoke: The Music Of Merle Travis” - JD MCPHERSON “Undivided Heart & Soul” - D.B. RIELLY “Live From Long Island City” - SWEET ALIBI “Walking In The Dark” - FRED WICKHAM “Mariosa Delta” - STEPH CAMERON “Daybreak Over Jackson Street” - BJØRO HǺLAND “Tracks” - ROD PICOTT “Out Past The Wires” - DIVERSE ARTIESTEN “Won’t Be Home For Christmas” - MICHAEL ASKIN “Road By The River” - SWEETKISS MOMMA “Get Ready For The Getdown” - DAISY CHAPMAN “Good Luck Songs” - CASE GARRETT “Aurora” - MICHELLE LEWIS “The Parts Of Us That Still Remain” - LIEVEN TAVERNIER “Live In Gent” - NORDGARDEN “Changes” - SLEEPY DRIVER “Sugar Skull” - ROB JUNGKLAS “Blackbirds” - PETUNIA AND THE VIPERS “Lonesome, Heavy And Lonesome” - PI JACOBS “A Little Blue” - REBEKAH LONG “Run Away” - MARK LOTTERMAN “Holland” - THE ROSELINE “Blood” - STORMY MONDAYS “Suitcase Full Of Dreams” - JAY PINTO “Jay Pinto” - SAM MARINE “Big Dark City” - MARK MARTYRE “Rivers” - LEIF DE LEEUW BAND “Until Better Times” - PETER GALLWAY “Feels LIke Religion” - THUNDERBOLT & LIGHTFOOT “Songs For Mixed Company” - JOHN F. KLAVER BAND “Catch The Morning Sun” - ELLES BAILEY “Wildfire” - SUSTO “& I’m Fine Today” - BENDIK BRAENNE “The Last Great Country Swindle” - PAAL FLAATA “Love And Rain: The Athletic Sessions” - THE GREAT CRUSADES “Until The Night Turned To Day” - JW ROY & THE ROYAL FAMILY “A Room Full Of Strangers” - ERIC WESTBURY “Atomic Wilderness” - JIM BYRNES “Long Hot Summer Days”

 

RICK SHEA & THE LOSIN’ KIND “The Town Where I Live” (Tres Pescadores Records)

(4,5*****)

In de States verscheen dit album al zo’n vijf maanden geleden en nu is het eindelijk ook de beurt aan Europa. Eindelijk, omdat Rick Shea wat ons betreft steeds meer uitgroeit tot één van de interessantste singer-songwriters van het huidige Americana-lot. Op zijn ondertussen tiende soloplaat klinkt de beste man als de zo ongeveer ideale kruising tussen Dave Alvin en wijlen Merle Haggard. En dat zowel als storyteller als als zanger. Met beide heren deelt Shea een markante, ogenblikkelijk herkenbare, warme stem, gemaakt als het ware om al zingend verhalen aan de man te brengen. Z’n pen anderzijds verraadt nadrukkelijk zijn Californische muzikale achtergrond.

In het gezelschap van zijn vaste begeleiders van The Losin’ Kind en her en der bijkomend bijgestaan door schoon volk als een Cindy Wasserman, een Claire Holley en een Shawn Nourse trakteert Shea ons op “The Town Where I Live” op negen eigen nieuwe songs en een prima cover van Cowboy Jack Clements “Guess Things Happen That Way”. Deunen die op intelligente wijze heen en weer laveren tussen genres als country, folk, blues en rock. American music dus, om er de door fan voor het leven Dave Alvin ten tijde van de Blasters graag voor gebruikte term even op te plakken. Met nogal wat momentjes die ook na meerdere beluisteringen blijven hangen.

We noemen hier in dat verband bijvoorbeeld graag de met Claire Holley gedeelde knappe Americana ballad “The Angel Mary And The Rounder Jim” en de werkelijk excellente border style country van “The Town Where I Live”, maar evenzeer andere dingen als het ons een beetje aan iets van Tom Russell herinnerende openingsnummer “Goodbye Alberta”, het moody, met name verhalend erg sterk uit de hoek komende “The Road To Jericho” en het groovy wegrockende “Hold On Jake”.

Rick Shea

 

BETH NIELSEN CHAPMAN “Hearts Of Glass” (BNC Records / Proper Records)

(4****)

“Hearts Of Glass”, het nieuwe album van de echt al jaren meegaande Amerikaanse Beth Nielsen Chapman, is een bont allegaartje aan speciaal voor de gelegenheid gepende verse nummers en herinterpretaties van eerder spul, al dan niet door haarzelf elders al eens gebracht. In een productie van Sam Ashworth wordt daarbij hier en nu meer dan voorheen de gitaar een hoofdrolspeler. Die vervangt als het ware de piano.

Onder het motto “minder is meer” worden zo onder andere dingen als “Rage On Rage”, “Dancer To The Drum” en “Child Again” heruitgevonden. Maar bijvoorbeeld ook nog “Old Church Hymns & Nursery Rhymes”, een nummer dat u zich misschien nog wel herinnert in de uitvoering van wijlen Waylon Jennings als afsluiter van zijn album “The Eagle” uit 1990. Nielsen Chapman maakt er hier iets heel moois van. Net als van “If My World Didn’t Have You” trouwens. Dat in de versie van die andere outlaw Willie Nelson op zijn ook al uit 1990 stammende langspeler “A Horse Called Music” al een stevige indruk op ons makende liedje rekenen wij hier graag ook tot de hoogtepunten van “Hearts Of Glass”.

Van de echt nieuwe dingen op het album deden vooral het beklijvende “Epitaph For Love”, het zich in al zijn aanstekelijkheid vrijwel meteen knus tussen de oren nestelende “Enough For Me” en het tijdens een sessie in Engeland samen met Graham Gouldman en Kevin Montgomery gepende “Come To Mine” zich opmerken.

Schrijf maar op: “Hearts Of Glass” is ontegensprekelijk Beth Nielsen Chapmans beste plaat tot op heden. De nu ingeslagen koers vooral blijven aanhouden dus maar! Zou wel eens een gouden zet kunnen gaan blijken.

Beth Nielsen Chapman

 

MARK “PORKCHOP” HOLDER “Death And The Blues” (Alive Natural Sound Records / V2)

(4****)

Mark “Porkchop” Holder gaat echt al wel een hele poos mee. Jaren geleden al maakte hij mee het mooie weer bij het aan het bluesgenre een serieuze injectie nieuw leven toedienende punkbluesgezelschap Black Diamond Heavies. Het was in die dagen ook, dat hij de basis legde voor zijn elkaar anno nu wel erg vlotjes opvolgende soloplaten. Nauwelijks negen maanden na zijn debuut “Let It Slide” pakt Holder (leadzang, gitaar en harmonica) samen met zijn maats Travis Kilgore (bas, akoestische gitaar en backing vocals) en Doug Bales (drums, percussie en backing vocals) al met een nieuwe worp uit. En ook die heeft het weer helemaal in zich, is er boenk op.

“Blues is the music of poor people, and poor people live closer to death than other people do,” aldus Holder zelf over de titeltrack en de inhoudelijke kant ervan. “The message of the title track is simple: death and blues are real. I have a personnal connection with the symbols of death; they remind me not to waste my time.” En met name die laatste woorden blijven nog wel even nazinderen. Zijn tijd verdoen is immers wel het allerlaatste wat Holder op “Death And The Blues” doet. Gelijk vanaf openingsnummer “Captain Captain” houdt hij de blues weer in een wurggreep. Van een vliegende start gesproken! Dit is bluesrocken bij de beesten af! Wow! En dat tempo wordt nog wel even aangehouden! In de heerlijk strak gebrachte Junior Kimbrough-cover “Sad Days And Lonely Nights” bijvoorbeeld en in het volop van heerlijk moddervet slidewerk profiterende “Coffin Lid” zeker ook. Via meer van dattum in het omineuze “Big Boat” belanden we daarna bij “Nobody Wants To Cry”, een tweede, old-time style gebrachte adaptatie van materiaal van een ander, met name van “Everybody Wants To Go To Heaven” van Don Nix.

“Be Righteous” lijkt daarna enkele tellen lang voor een eerste rustpuntje te zullen mogen doorgaan. Maar die illusie spat al snel uiteen.  Na z’n intro rockt het immers al snel minstens even genadeloos als het gros van zijn voorgangers hier. En volgen dan nog: de ongemeen sfeervolle korte instrumental “Bless Me Santasima”, een wervelende boogievertolking van de traditional “Billy The KId”, een aan zijn Black Diamond Heavies-maatje James Leg gewijde en ook naar die laatste vernoemde kuitenbijter van formaat, een qua intensiteit bijna Hendrixiaans aandoende rocker (“What Is Wrong With Your Mind”) en het afsluitende “Death And The Blues”, waarover we het hier hoger al even hadden.

Mark “Porkchop” Holder (Alive Natural Sound Records)

 

BUFFALO KILLERS “Alive And Well In Ohio” (Alive Natural Sound Records / V2)

(3,5****)

In tegenstelling tot wat de titel ervan je zou durven te laten denken is “Alive And Well In Ohio” geen concertregistratie van Buffalo Killers. Het betreft gewoon de achtste plaat die de heren sinds hun debuut in 2006 nu al op de wereld loslaten. En dat is een hele goede ook. Ingeblikt in hun eigen analoge studio en vooral ook aan hun eigen tempo. Zonder druk van buitenaf en dat hoor je eraan ook. Het is immers een heerlijk relaxed klinkend geheel geworden.

Als vanouds etaleren de Gabbard-broers en co daarop hun nadrukkelijke voorliefde voor stevig in de sixties en seventies verankerd zittende gitaarrock. Zonder zich daarom te laten vastpinnen op één enkel genre trouwens, want ook invloeden uit bijvoorbeeld power pop, Southern rock, blues en country laten zich en passant probleemloos aanwijzen. Luister wat dat betreft bijvoorbeeld al maar eens naar openingsnummer “Death Magic Cookie”, het op een vreemde manier catchy uit de hoek komende “What A Waste” of “Eastern Tiger” en je zal allicht meteen op dezelfde golflengte komen te zitten als ons.

Voor de teksten van de songs op “Alive And Well In Ohio” lieten de Gabbard-broers zich onder meer inspireren door het leven zelf, hun familie, hun verlangens en de liefde. Muzikaal gezien leken onder meer Cream, de Beatles, Crazy Horse, Buffalo Sprigfield en Grateful Dead mee bepalend voor het op deze wijze tot stand komen van hun materiaal. En dat maakt, dat we van hieruit hun nieuwe worp graag durven aan te bevelen aan liefhebbers van hippe acts als de Black Keys, North Mississippi Allstars en Rich Robinson. De dertien liedjes erop zouden wel eens spek naar hun bek kunnen zijn.

Buffalo Killers (Alive Natural Sound Records)

 

BILLY & BLOOMFISH “Happy Incomplete” (Lie Records / Donor Productions / Sonic Rendezvous)

(4****)

Kathleen Vandenhoudt en Pascale Michiels oftewel Billy & Bloomfish verrassen erg vroeg op het jaar reeds met wat straks best wel eens de allerbeste Belgische roots release van 2018 zou kunnen gaan blijken. Met de opvolger van “Ridin’ The Rods” scoren ze wat ons betreft alvast een heuse muzikale homerun. Wat een heerlijke Americanaplaat alweer, zeg! Zo menig een Amerikaanse tegenvoeter zou bij het horen hiervan deemoedig het hoofd buigen. En terecht ook!

Aan variatie hoegenaamd geen gebrek op deze grotendeels met eigen songmateriaal gevulde tweede van het duo. Muzikale mood swings die nergens storend werken overigens. Er komt integendeel net iets heel moois uit voort. Volop aan het singer-songwriterspul van grote madammen als een Lucinda Williams, een Mary Gauthier en een Mary Chapin Carpenter refererend als in “Crack In The Wall”, mikkend op een border sound à la Tom Russell in titelnummer “Happy Incomplete”, broeierig Zuiders soulvol in het niet weinig aan het materiaal van de iets verderop met “Out Of The Rain” ook effectief gecoverde Tony Joe White herinnerende “Sad-Eyed Woman”, absoluut haciendafähig met de met veel gevoel gebrachte ballad “Broken Man”, bedaard bluesy in “The Brighter Side”, uitgelaten old-timey in het nog heerlijk traditionalistisch opgevatte “Sing Bluebird Sing” of gewoon Americana tout court in de alweer bloedmooie trage “Just A Smile”, het kan hier in één vlotte beweging allemaal.

De laatste rechte lijn van “Happy Incomplete” wordt vervolgens ingezet met het door Marion Oprel van lyrics voorziene “Mulberry Mine” om via de door het gedicht “Zo Stil” van Paul Cox geïnspireerde sleper “So Quiet” – Naar onze bescheiden mening hét absolute hoogtepunt van deze nieuwe van Vandenhoudt en Michiels! – finaal uit te komen bij het zomers frivole “Warriors Of The Rainbow” en de hoger al even aangekaarte Tony Joe White-vertolking “Out Of The Rain”.

Nadrukkelijk iets voor op fraaie samenzang kickende Americanaliefhebbers, dit uitermate warmbloedige geheel! Van ganser harte aanbevolen van hieruit alleszins!

Billy And Bloomfish

 

DAYNA KURTZ WITH ROBERT MACHE “Here Vol. 2” (Kismet Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Ondertussen een klein jaar geleden verraste Dayna Kurtz vriend en vijand met wat als we de titel ervan geloven mochten het eerste uit een reeks live-albums zou gaan blijken. Het met haar vaste snarensecondant Robert Maché op diverse locaties in Nederland ingeblikte “Here Vol. 1” was naar onze bescheiden mening een echt plaatje van een plaat. Een fantastisch souvenir aan een rondje briljante optredens waarbij Kurtz en Maché tegen een tot het absoluut noodzakelijke herleid decorum hun weg zochten doorheen zo ongeveer het volledige repertoire van de zingende liedjesschrijfster. Zo menig een echte parel was het resultaat van die aanpak. Die stem! Kippenvel gegarandeerd gewoon. Daarvoor werd ooit de omschrijving “een stem als een klok” uitgevonden! En de manier waarop Maché op tal van snareninstrumenten zorgde voor een even vlekkeloze als essentiële begeleiding deed daarvoor al amper onder. Werkelijk boedmooi was het, hoe de twee elkaar op het podium voortdurend wisten aan te vullen. “Van een ongekende intimistische intensiteit, echt druipend van de passie”, schreven we hier toen al. En die woorden herhalen we nu graag nog eens voor opvolger “Here Vol. 2”.

Ook dat album blijkt immers weer goed voor ruim tweeënveertig minuten luisterplezier van de bovenste plank. Opnieuw voel je je na het beluisteren van de acht liedjes erop geroepen om spoorslags op zoek te gaan naar de concertagenda van Kurtz en Maché. Bij een volgende gelegenheid wil je er immers absoluut ook zelf bij zijn. Zó knap is het allemaal, wat de twee brengen. Van een verbluffend mooie lezing van haar signature song “Another Black Feather” over het bezwerende “Somebody Leave A Light On” en het van de passie overlopende “You’re Not What I Need (But You’re All That I Want)” tot andere al wat oudere dingen als “Monroe” en “Venezuela”, het is is er telkens opnieuw boenk op. En dat geldt al evenzeer voor de twee covers waaraan Kurtz zich waagt. Het ons eerder vooral in de uitvoering van Johnny Adams bekende “Reconsider Me” en de Waits-Brennan-compostie “Talking At The Same Time” eigent ze zich echt wel met verve toe.

Een echt thing of beauty, dit album, en als dusdanig a joy for ever, om het met de beroemde woorden van dichter John Keats samen te vatten. Meer dan goed genoeg alleszins om nu al de nodige ruimte te voorzien voor een bezoekje aan één van de volgende Kurtz-Maché-gigs in ons land. Daarvoor kan je begin maart terecht in respectievelijk Bree (CC De Breughel, 01-03), Wetteren (Kultuurschuur, 03-03) en Wilrijk (De Kern, 04-03).

Dayna Kurtz, Lucky Dice Music

 

LILLY HIATT “Trinity Lane” (New West Records / PIAS)

(4****)

Hoe goed ze ooit ook worden zal, ze zal allicht altijd wel een beetje de dochter van blijven zeker? Dat hoort er nu eenmaal bij, als je op de wereld wordt gezet door bekende ouders. Da’s voor Lilly Hiatt niet anders dan voor anderen. Een album van haar bespreken zonder even naar de bloedband met vader John te verwijzen lijkt a priori bijna uitgesloten. Al hebben de twee louter muzikaal gezien eigenlijk maar weinig met elkaar te maken. Lilly heeft er immers altijd al voor gekozen om haar eigen weg te bewandelen. Iets wat an sich al lovenswaardig is. En op termijn meestal ook wel veel lonender blijkt.

Het naar haar thuishaven in East Nashville vernoemde “Trinity Lane” is inmiddels al het derde album van La Hiatt. En het is ontegensprekelijk ook haar beste so far. Een plaat, die je de voorbije weken terecht al in heel wat Americana-jaarlijstjes zag opduiken. In een productie van Michael Trent van Shovels & Rope presenteert Hiatt ons this time around twaalf liedjes handelend over “hanging on, working hard and keeping the faith”. Liedjes waarvoor lang niet altijd het eerste lid roots voor rock dient te worden geplaatst. Meer dan eens mogen we het ditmaal hebben over gewoon rocken. En liefst van al met een wat alternatief randje dan nog. Wat scherper, zeg maar. Met zo nu en dan ook ruimte voor iets tragers. Een heel knap voorbeeld daarvan is het vurige “Everything I Had”, waarin Hiatt nadrukkelijk een stukgelopen relatie van zich af zingt. Voor ons meteen ook één van dé absolute hoogtepunten van “Trinity Lane”.

Tot dat selecte kransje rekenen we verder zeker ook nog het qua aanpak nogal zwaar naar de nineties lonkende “The Night David Bowie Died”, het lekker wegrockende titelnummer, het op innemende wijze op haar relatie met haar pa na de zelfmoord van haar moeder ingaande “Imposter” en het ons op de één of andere manier terloops best wel wat aan Tom Petty herinnerende “Rotterdam”.

Überhaupt een bijzonder knap geheel, dit songtwaalftal! Veel opener en eerlijker kom je ze alleszins niet vaak meer tegen.

 Lilly Hiatt

 

ALICE DIMICELE “One With The Tide” (Alice Otter Music)

(3,5****)

De eerste weken van een nieuw jaar houden steevast al enkele uitstekende singer-songwriterplaten in petto en da’s ook dit jaar weer niet anders. Dat zal je de eerstkomende dagen nog uitgebreid gaan merken. Eerder hadden we het hier al over de prachtige nieuwe worp van Mary Gauthier en het al even verbluffend knappe “Fear Not” van Cameron Blake, vandaag is het de beurt aan “One With The Tide” van Alice DiMicele. En ook dat is een erg knap album.

“One With The Tide” is al de veertiende langspeler van de vanuit Medford, Oregon al een poosje om onze aandacht bedelende muzikale activiste. DiMicele blijft ook op die opvolger van het hier in mei van 2015 op de nodige bijval onthaalde “Swim” trouw aan haar missie. Ze kiest ervoor om muziek te maken waarmee ze mensen kan verbinden. Ze hoopt er zieltjes mee te winnen in haar persoonlijke kruistocht om de wereld te redden. Dat klinkt misschien nogal zwaar op de hand allemaal, maar zo voelt het bij nader inzicht gelukkig niet aan.

Als haar voornaamste bondgenoot mag DiMicele daarbij haar eigen heerlijk expressieve stem beschouwen. Zelfs als ze gewoon de in haar zakagenda opgetekende afspraken zou inzingen zou dat waarschijnlijk als hemelse muziek in de oren klinken. Maar dat doet ze hier gelukkig niet. Met op de cover ervan de meteen in het oog springende slogan “We are the voice of the water!” trakteert ze ons op “One With The Tide” om te beginnen op een achttal eigen nieuwe songs, die gelijk vanaf een eerste beluistering ervan opvallen door hun diversiteit. Het moge duidelijk zijn, dat DiMicele graagt stoeit met stijlen. En dat vaak zelfs binnen de contouren van één en hetzelfde liedje. Van pop (titelnummer “One With The Tide”) over folk (“The Other Side”) tot jazz (de knappe pianoballade “Nature Reigns”), R&B (de geweldige sleper “Lonely Alone” en het broeierige “Desire”) en blues (“Voice Of The Water”). Altijd wel met een zeker Americana-randje (“Seeds”). Een enkele keer zelfs voorzichtig exotisch (“Waiting”). Afsluiten doet DiMicele met een cover van één van haar eigen all-time favorites, te weten John Lennons klassieker “Imagine”. Thematisch gezien uiteraard perfect aansluitend bij het gedachtengoed van de Amerikaanse en al bij al best wel mooi gebracht ook. Al zullen velen naar goede gewoonte het origineel wel weer beter blijven vinden. (Hun volste recht ook natuurlijk…)

Alice DiMicele

 

CAMERON BLAKE “Fear Not” (Continental Song City)

(5*****)

Zowat een jaar geleden werd ik compleet van mijn sokken geblazen door “Alone On The World Stage”, de vijfde langspeler van de mij voorheen volslagen onbekend gebleven jonge Amerikaanse folkie Cameron Blake. Zonder meer één van dé platen van 2017, dat geheel. “Nu al als klassiek te bestempelen luistervoer,” waren de gevleugelde woorden die we er toen naast vijf in al hun glorie fonkelende sterren voor overhadden. De naam Cameron Blake kreeg vanaf dat moment meteen ook een prominent plaatsje in het boek met onze singer-songwriter-favorieten.

En spijt hoeven we daarvan vooralsnog niet te hebben. Opvolger “Fear Not” blijkt voorwaar immers zelfs nog beter. De twaalf liedjes erop zijn van een nooit minder dan ademberovende schoonheid. Nick Drake, Tim en Jeff Buckley, Scott Walker, Leonard Cohen, Mickey Newbury, als u net als mij houdt van al is het ook maar één van de grootmeesters in dat rijtje, dan moet u beslist eens een oor te luister leggen bij Cameron Blake. Het niet zelden door eigen ervaringen geïnspireerde liedjesmateriaal op “Fear Not” zal ook u ongetwijfeld niet onberoerd laten. Als storyteller is Blake ondanks zijn nog relatief jonge leetijd immers al een echte meester. “En of hij het nu heeft over zo op het eerste gezicht eerder schijnbaar banale, in z’n eigen omgeving opgetekende feiten, dan wel over meer globale topics speelt daarbij zelfs absoluut geen rol. Het is zijn eigen, hoogst aparte manier om z’n onderwerpen te benaderen, die als het ware het cement tussen de losse song-stenen vormt. De niet altijd even evidente invalshoek, bedoelen we dan in de eerste plaats. Maar zeker ook de geweldige poëtische kracht van z’n teksten. Niet zelden heb je als luisteraar het gevoel te maken te hebben met gedichten, die pas op een later tijdstip tot liedjes zijn uitgegroeid.” Ook deze door ons een jaartje geleden neergepende woorden blijken opnieuw volop van toepassing. Al klinkt “Fear Not” als geheel al bij al een stuk rijker dan zijn voorganger. Iets wat ons vooral toe te schrijven lijkt aan de wat weelderigere orkestratie.

Onze luister- en huivertips: de als een soort van beginselverklaring fungerende pianoballade die openings- en titelnummer “Fear Not” is, het zeldzaam luchtige, zonder retro te klinken toch aan minder complexe tijden herinnerende “After Sally”, het ons tekstgewijs naar 1989 en het plein uit zijn titel transporterende “Tiananmen Square” en het zich op eigenzinnige wijze over het reilen en zeilen van een migrant op zoek naar een beter leven buigende “The Only Diamond”. Al weze hier meteen wel duidelijk gesteld dat “Fear Not” het soort van album is, dat je vooral in z’n geheel zal willen genieten. Veel dichter bij perfectie kan je als artiest ons inziens immers niet komen.

Cameron Blake, CRS

 

MARY GAUTHIER “Rifles & Rosary Beads” (Proper Records / Bertus)

(5*****)

“Rifles & Rosary Beads” is het zoveelste veritabele pareltje op het actief van Mary Gauthier. Veel aangrijpender dan dit worden ze naar onze bescheiden mening amper nog gemaakt. Daarom ook de volle vijf sterren voor dit sublieme songelftal. Oververdiend, zo lijkt ons. En dat mede dankzij of vooral door het aan de basis ervan liggende concept.

Voor het schrijven van de liedjes van “Rifles & Rosary Beads” ging Gauthier immers in zee met oorlogsveteranen en hun families. Zij wilde als het ware het medium zijn dat deze door hun extreme ervaringen ver van huis niet zelden zwaar getekende medemensen nodig hadden om hun vaak zwaar onderschatte life after te delen met zich in onbegrip hullende anderen rondom hen. Een nobel uitgangspunt dat zoals te verwachten viel resulteert in nergens minder dan beklijvende songs. Liedjes die levens veranderen, ja zelfs redden zouden. En zelfs al zou Gauthier hier niet één enkel exemplaar van verkopen, dan nog zou ze het zich daardoor allicht überhaupt niet beklagen eraan begonnen te zijn.

Maar verkopen zal dit. En veel ook allicht. Daarvoor zijn de elf nieuwe liedjes hierop gewoon té goed. Neem nu zoiets als het bitterzoete “Bullet Holes In The Sky”. Heerlijk gewoon, hoe daarin wordt ingegaan op de gemengde gevoelens die een bestaan als oorlogsveteraan met zich meebrengt. Of “The War After The War”, dat een vergrootglas boven de gespannen relatie van een recentelijk uit oorlogsgebied teruggekeerde houdt. Of het countryeske “Still On The Ride”, waarin naast het wrede lot van overleden medematen ingetogen vooral ook veel spijt nazindert. Werkelijk bloed- en bloedmooi allemaal!

En wat het allemaal alleen nog maar mooier maakt, is de gedachte dat Gauthier hier niet enkel een bijzonder fraai album aflevert, maar er al doende heel wat mensen mee geholpen heeft en allicht nog helpt ook. Als eerste stap in een genezingsproces kan dit “Rifles & Rosary Beads” zeker tellen. Chapeau!

Mary Gauthier

 

SARAH MORRIS “Hearts In Need Of Repair” (Sarah Morris Music)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik heel erg gecharmeerd ben door “Hearts In Need Of Repair”, de nieuwe worp van de jonge Amerikaanse Sarah Morris. De ondertussen toch ook alweer derde worp van de vanuit Minnesota actieve zingende liedjesschrijfster, die ons een jaar of twee geleden ook al aangenaam wist te verrassen met haar tweede “Ordinary Things”. Morris heeft naar mijn gevoel echt alles om het snel te gaan maken. Ze schrijft heerlijk direct aandoende en mede daardoor ook vrijwel ogenblikkelijk aansprekende liedjes, beschikt over een bijzonder rijke, zeer herkenbare stem en ziet er bovendien ook nog eens geweldig uit. Wat kan een mens zich nog meer wensen? Niets toch?

Zalig, hoe Morris ook op “Hearts In Need Of Repair” weer elf nummers lang gekund het evenwicht weet te bewaren op het slappe koord tussen country en folk (rock). En dat met hier en daar ook nog een voorzichtige popnoot als surplusje. Bij wijze van vergelijking noem ik hier graag even de helaas wat in de vergeethoek geraakte Mindy Smith. Het ene moment ontwapenend ingetogen, het andere bedaard opgewekt, nu eens fragiel, kwetsbaar ook, dan weer verleidelijk, je als een volleerde sirene richting haar klippen lokkend.

Voor de productie van “Hearts In Need Of Repair” tekende Morris ook zelf, samen met Eric Blomquist. En pluimen wil ik hier zeker ook nog achterlaten voor gitarist Thomas Nordlund en gast Shane Akers, die meermaals weet te bekoren met zijn bijdragen op zowel dobro als lap steel. Mede door hun toedoen klinkt “Hearts In Need Of Repair” echt ongelooflijk af.

Horen betekent in dit geval met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dan ook kopen! U zal het zich alleszins niet beklagen.

Sarah Morris

 

MATTHEW RYAN “Hustle Up Starlings” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Dertien albums ver in zijn carrière inmiddels doet Matthew Ryan ook op “Hustle Up Starlings” weer datgene waarin hij zo verdomd goed is. Tien nummers lang dwalen zijn gedachten af langs de grenzen van genres als roots rock, de Heartland-variant daarop, Americana en aanverwanten. Het ene moment heerlijk rauw rockend, het andere eerder behoedzaam, noem het voor ons part bedachtzaam in ballademodus. Soms ook gewoon ergens halverwege tussen die beide polen. Niks nieuws onder de zon eigenlijk, maar wel ó zo lekker.

En ja, natuurlijk is die rauwe schuurpapierstem van ‘m daaraan weer niet geheel en al vreemd. Maar de songs zijn de laatste jaren ook weer gewoon ijzersterk. Alsof je Ryan Adams, Tom Petty en Springsteen in één gebalde versie krijgt toegeworpen, zoiets. Twijfelen tussen elektrisch en akoestisch is er hier daarbij al lang niet meer bij. Vraagt een liedje om het ene dan krijgt het dat ook, vraagt het om het andere idem dito. Passioneel klinkt het hoe dan ook allemaal. Zonder uitgesproken voorkeuren voor het één noch het ander.

Ryan streelt tien nummers lang ouderwets lekker de zinnen. Hij herinnerde ons daarbij quasi terloops aan tijden toen dit soort van platen tot ons groot plezier nog bon ton waren. Toen geruite hemden met opgerolde mouwen nog volop konden. Toen velen nog gewoon wilden klinken als de Ryan

Nice one, Matt!

Matthew Ryan

 

HARDPAN “Hardpan” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Best wel vreemd eigenlijk, dat Todd Thibaud, Terry Lee Hale, Joseph Parsons en Chris Burroughs ook hun tweede album samen weer niet van een titel voorzien. Net als op hun knappe debuut uit 2002 prijkt ook op hun nieuwe worp weer enkel de groepsnaam Hardpan. En geloof ons, dat is lang niet de enige gelijkenis tussen de twee platen. Net als z’n voorganger is ook de nieuwe van het viertal weer tot de nok toe gevuld met heerlijk ouderwets aandoende Americana en folk rock. Twaalf nummers in totaal, keurig verdeeld over de vier betrokkenen. Van elk van hen staan er dus drie songs op het menu. En daarin is het ook telkens de songsmid zelf die de leadzang voor z’n rekening neemt.

Ruim vijftig minuten lang pretentieloos rootsvermaak is het resultaat. Sterke liedjes, met de jaren alleen maar beter geworden zang, samenzang ook, prima snarenwerk, zo ongeveer alles wat je als luisteraar maar wensen kan wordt je ook daadwerkelijk geleverd. Soms herinnert het gewoon aan het solowerk van de heren, soms ook even aan Neil Young, Crosby, Stills & Nash, JJ Cale en andere vergelijkbare grootheden uit de seventies. Met wat ons betreft als absolute topmomenten het heerlijk lijzig neergelegde “Long Tomorrows”, de ongemeen sfeervolle Parsons-composities “Dust Bowl” en “Lighthouse” en het wat ruwere, door maatje Parsons van wat scherp mondharmonicawerk voorziene “Miracle Cure” van de hand van Burroughs.

Genieten doet u deze nieuwe plaat van Hardpan ons inziens echter best in haar geheel. Dat geheel blijkt hier op de keper beschouwd immers zoveel meer dan alleen maar de som der delen.

Hardpan

 

COUSIN HARLEY “Blue Smoke: The Music Of Merle Travis” (Little Pig Records)

(4****)

Bij wijze van eerbetoon aan hun grote held buigen de Canadezen van Cousin Harley zich op hun zesde album over het werk van Merle Travis. In het jaar waarin die honderd zou zijn geworden krijgen dingen van zijn repertoire als “Divorce Me C.O.D.”, “Blue Smoke”, “So Round, So Firm, So Fully Packed”, “Sixteen Tons”, “Cincinatti Lou”, “Fat Gal”, “Dark As A Dungeon” en natuurlijk ook de klassieker “Smoke Smoke Smoke That Cigarette” van Paul Pigat (zang en gitaren), Keith Picot (bas) en Jesse Cahill (drums) een wat eigentijdser swingend jasje aangemeten. Met als toemaatje het eigen nummer “Rosewood”, gewijd aan en vernoemd naar Travis’ geboorteplaats.

Het resultaat is een twaalf tracks lang, ruim veertig minuten durend feest voor oren en benen. Dansgrage benen dan. Met hun fijntjes het midden tussen rockabilly en Western swing houdende aanpak dulden Pigat en de zijnen immers geen stilzitters. Met als voornaamste bondgenoten de eigen wat aan Ray Benson van Asleep At The Wheel herinnerende zang en zijn bijzonder vaardig de snaren bewerkende vingers neemt Pigat zijn handlangers onvervaard op sleeptouw doorheen wat naar ons gevoel één van de fijnste rootsplaten van Canadese makelij van het jaar moet zijn. Eentje waar je als luisteraar alleszins graag blijft naar teruggrijpen, dat is hier de voorbije dagen al uitgebreid gebleken.

We zien het zo voor ons: met een brede grijns op zijn gelaat knikt Merle Travis ergens daarboven enthousiast instemmend. Hij zag en hoorde dat het goed was. Héél goed zelfs.

Cousin Harley

 

JD MCPHERSON “Undivided Heart & Soul” (New West Records / PIAS)

(4****)

“Undivided Heart & Soul” is na zijn beide heerlijke voorgangers “Signs & Signifiers” en “Let The Good Times Roll” al de derde onweerstaanbare rootsstroomstoot waarmee JD McPherson ons onherroepelijk weet te vloeren. Wat is die man toch goed, zeg! Een vaststelling waaraaan zelfs de hier duidelijk waar te nemen stijlbreuk met zijn eerder materiaal naar ons gevoel geen afbreuk kan doen. McPherson blijft zich ook na zijn recente move richting Nashville duidelijk presenteren als een serieus te nemen original. Wat minder vintage rock & roll ditmaal, dat wel. In plaats daarvan koos hij voor een geluid dat zich allicht nog het best laat dekken door de vlag garage R&B. Bij momenten lekker rauw, nu eens bluesy, dan weer soulvol, soms rockend, soms ook poppy. Heel gevarieerd alleszins. Heel erg old school ook.

Het stomende “Crying’s Just A Thing For You” lijkt zo bijvoorbeeld het midden te willen houden tussen rock & roll genre een Eddie Cochran en soul à la Wilson Pickett, “Lucky Penny” op zijn beurt koppelt een Canned Heat-motiefje aan een rootsbenadering op z’n Dan Auerbachs, “On The Lips” versmelt wat je als een new wave beat zou kunnen omschrijven met een behoorlijk uitgesproken retro feel, “Hunting For Sugar” is een knappe, als eerder traditioneel soulspul te labelen sleper en titelnummer “Undivided Heart & Soul” herinnerde ons op de één of andere manier heel even aan de aanpak van het onvolprezen Rockpile, zij het dan ook allemaal een beetje bedaarder dan Edmunds en Lowe en co indertijd.

Andere toppertjes nog: het zich na wat pootjebaden in rock & roll- en rockabillywateren tot een nerveus soulvol kuitenbijtertje ontwikkelende “Bloodhound Rock”, het bedaard maar catchy rockende “Style (Is A Losing Game)” en het met een geile knipoog richting Motown gebrachte “Under The Spell Of City Lights”.

Opgenomen werd “Undivided Heart & Soul” in de legendarische RCA Studio B in Nashville. Voor de productie ervan tekenden McPherson zelf en Dan Molad van Lucius.

JD McPherson

 

D.B. RIELLY “Live From Long Island City” (Shut Up & Play)

(3,5****)

D.B. Rielly herinneren we ons hier met plezier van zijn beide vorige albums, het in 2009 verschenen “Love Potions And Snake Oil” en “Cross My Heart + Hope To Die” van goed en wel een jaar of vier later. Twee platen die zowel opvielen door hun enigszins aparte verpakkingen – respectievelijk een metalen doosje en een houten kistje – als door de lading uitstekende songs erop. Ze maakten van Rielly wat ons betreft alleszins een songsmid om met het oog op de toekomst goed in de gaten te houden.

Met zijn nieuwe worp gaat de Amerikaan nu nadrukkelijk voor minder. En dat bedoelen we absoluut niet negatief. Het betreft daarbij gewoon de registratie van een solosetje in ’s mans favoriete stek in de buurt, de Rar Bar in Long Island City, NY. Tien nummers, ingeblikt op 15 september van vorig jaar voor een beperkt, maar duidelijk wel aandachtig publiek. Door zijn modus operandi nadrukkelijk focussend op het eigen songmateriaal. De just me and my guitar-aanpak, al maakt zo nu en dan ook even een banjo zijn opwachting. Heerlijk naakt allemaal.

Door zijn materiaal op die manier te benaderen lijkt Rielly te willen benadrukken, dat men hem in het verleden stijlgewijs terecht al vergeleek met knapen als een John Prine en een Todd Snider. De man is alleszins een prima verteller van verhalen. En of hij daarbij nu de gevoelige dan wel de humoristische toer op gaat, het maakt eigenlijk allemaal niet zo heel erg veel uit, hij komt er immers allemaal mee weg. Luister bij wijze van illustratie van elk van deze beide polen maar eens naar het innemende “I’ll Remind You Every Day” en het hilarische “Nothing Like You”. Echt wel prima stuff, hoor! Iets wat verder zeker ook geldt voor “Let It Ring”. Mooi, hoe Rielly ons daarin middels een vertrouwde scène met in de hoofdrollen hemzelf en zijn wederhelft nog maar eens met de neus op de feiten drukt: ja, beste mensen, GSM’s en andere smartphones verdringen inderdaad almaar meer het échte leven. Ze worden hoe langer hoe meer a blessing and a curse.

Met z’n net geen vijfentwintig minuten speelduur een korte, maar wel erg leuke plaat, dit. En ook ditmaal weer opvallend verpakt. Als ouderwetse ansichtkaart uit den vreemde meer bepaald. Met als gepersonaliseerde boodschap voor zijn kopers: “Wish you were here!” Wij eigenlijk ook, D.B., wij eigenlijk ook…

D.B. Rielly

 

SWEET ALIBI “Walking In The Dark” (Comino / Sonic Rendezvous)

(3***)

Jess Rae Ayre, Amber Rose en Michelle Anderson zijn drie jonge Canadese madammen die onder de noemer Sweet Alibi bezig zijn aan een gestage opmars richting rootsfirmament. Ingezet met een eerste, naar zichzelf vernoemd album in 2011, succesvol gecontinueerd met een tweede “We’ve Got To” in 2013 en nu culminerend met het zonet verschenen derde “Walking In The Dark”.

Op die door Murray Pulver geproduceerde nieuwe doen de drie rootssirenes uit Winnipeg, Manitoba naar ons gevoel net iets te nadrukkelijk een gooi naar hitsucces. Je zou het kunnen vergelijken met de aanpak van de Ierse Corrs indertijd. Hoe succesvoller die werden, hoe minder ruimte er uiteindelijk overbleef voor folkelementen in hun muziek. En dat gevoel hebben we hier ook wel een beetje. De nadruk ligt bij Sweet Alibi voor ons net iets teveel op het eerste lid van de aanduiding roots pop.

Dat neemt echter niet weg, dat er hier best ook wel wat te genieten valt. Het harmonieerwerk van de dames bijvoorbeeld is bij momenten van een werkelijk oorstrelende schoonheid. En af en toe weten ze tussen pop, folk en soul ook wel eens de juiste niche te vinden om ons midscheeps te treffen. Met het zomers soulvolle “Middle Ground” bijvoorbeeld, met titelnummer “Walking In The Dark” – een hele knappe trage – ook wel en met het op de één of andere manier tegelijk wat aan Mumford & Sons en Fleetwood Mac in betere tijden refererende “Keep Showing You”. Met dat laatste zouden de dames als je het ons vraagt mits de nodige airplay ook hier zomaar eens een hele grote hit kunnen landen.

Sweet Alibi

 

FRED WICKHAM “Mariosa Delta” (Thirty Days Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Hadacol. Herinnert u zich Hadacol nog? Het naar het tijdens de drooglegging in het zuiden van de States bijzonder populaire alcolhol bevattende vitaminesupplement vernoemde groepje uit Missouri, dat met “Better Than This” uit 1999 en “All In Your Head” van zo’n twee jaar later twee voor het toen nog jonge alternatieve countrygenre behoorlijk essentiële platen afleverde. Ja? Dan kent u ook deze Fred Wickham. Met zijn broer Greg lag hij immers aan de basis van dat geweldige bandje.

En als ik hier eerlijk mag zijn: ik ben bijzonder blij eindelijk weer eens iets van ons Fredje te horen. En mét oude maats Richard Burgess (bassen) en Sam Platt (drums) dan nog! En geproduceerd ook zoals in de good old days door Lou Whitney. Meteen ook diens laatste wapenfeit. Hij zou weinig later immers komen te overlijden aan een slepende ziekte. En “Mariosa Delta” zou je derhalve ook kunnen zien als een late bloem op het graf van Wickhams mentor dus. Een soort van ultiem eerbetoon aan het adres van Whitney.

Bovenal is het echter een uitstekende rootsplaat. Muzikaal gezien heerlijk gevarieerd. Met vrijwel doorlopend opnieuw knap verhalend materiaal uit de koker van meester-storyteller Wickham himself. Liedjes waarvoor je graag even alles opzijzet om ervoor te gaan zitten en ervan te genieten. Liedjes, die je niet zelden met het nodige kippenvel achterlaten. We noemen hier in dat verband bijvoorbeeld graag de uitermate soulvolle sleper “Wish You Were Here Tonight”. Songgeworden verlangen opgewaardeerd met een wel erg gloedvolle toetsenbijdrage van Joe Terry. Meteen één van dé hoogtepunten wat ons betreft van “Mariosa Delta”, al zijn er daarvan nog wel wat meer.

De springerige alt-country van “Wedding Song” bijvoorbeeld, het over een lome R&B-getinte beat gedrapeerde “Rock Bottom Again” ook, de country soul van “Red Light” en vooral ook de wat jazzy ingekleurde, aan het geheel zijn titel verlenende murder song “Mariosa Delta, 1940”. Stuk voor stuk liedjes van een kaliber dat je als liefhebber nu al reikhalzend doen uitkijken naar een volgend muzikaal teken van leven van Wickham. Hopelijk laat hij ons daarop niet weer meer dan anderhalf decennium wachten. Zou doodzonde zijn na deze retour de force.

Fred Wickham

 

STEPH CAMERON “Daybreak Over Jackson Street” (At The Helm Records / Bertus)

(5*****)

Wat mij betreft samen met Rod Picotts nieuwe “Out Past The Wires” ontegensprekelijk dé plaat van dit najaar deze tweede van de vanuit het Canadese Saskatoon actieve youngster Steph Cameron. Die maakte drie jaar geleden al eens flink indruk met haar debuut “Sad-Eyed Lonesome Lady” en doet dat hier nog eens uitgebreid over. Alsof je net met de teletijdmachine werd terug gecatapulteerd naar de late sixties of vroege seventies en meer bepaald naar Laurel Canyon dan. Zo’n sfeertje ademt “Daybreak Over Jackson Street” immers uit. Het verschaft de plaat een werkelijk tijdloos karakter.

Cameron wilde naar eigen zeggen vooral een plaat maken die klonk alsof ze zich samen met haar publiek in één en dezelfde kamer bevond. Een warm en intimistisch geheel moest het worden. De ideale voedingsbodem voor haar niet zelden behoorlijk persoonlijke verhalen. Mission accomplished! Met dank vooral ook aan producer Joe Dunphy. Die had immers al snel door, dat minder in dit geval net veel meer zou betekenen. Hij zorgde ervoor dat Cameron alle ruimte kreeg die ze nodig had. Die zalige zachthese stem en een akoestische gitaar, meer was er absoluut niet nodig.

Cameron zelf steekt niet onder stoelen of banken zwaar beïnvloed geweest te zijn door John Prine en dat hoor je hier ook. Al zou het ons zeker ook niet verbazen mocht de Canadese zo nu en dan ook graag iets van de jonge Dylan of wijlen Townes Van Zandt mogen beluisteren. Haar storytelling verraadt alleszins dat soort van klassieke voorbeelden uit folk- en countrymiddens.

Steph Cameron

 

BJØRO HǺLAND “Tracks” (Grappa / PIAS)

(3,5****)

Bjøro Håland staat in zijn thuisland Noorwegen te boek als een gevestigde waarde. De croonende countryzanger op jaren werd er voor zijn verdiensten zelfs reeds geridderd door de koning. Om maar te zeggen dat zijn vijftig jaren activiteit als rootsartiest bepaald niet onopgemerkt zijn gebleven daar in het Hoge Noorden.

“Tracks”, ’s mans nieuwe album, is op de keper beschouwd dus eigenlijk niets minder dan de bezegeling van een artiestenjubileum. Een halve eeuw op de planken wordt hier evierd met een selectie goed gekozen covers aangevuld met één enkel eigen liedje. Nummers als het ons vooral in de versie van wijlen The King bijgebleven “It Ain’t No Big Thing”, Jimmy Webbs “Wichita Lineman”, het door Tom Jones ooit de onsterfelijkheid in gekweelde “Green Green Grass Of Home”, Danny O’Keefe’s “Good Time Charlie”, Hank Cochrans “A Little Bitty Tear”, Hank Locklins “Send Me The Pillow”, het door Cindy Walker gepende, maar met name door Jim Reeves bekend geraakte “Rosa Rio”, Kris Kristoffersons “Why Me Lord”, het van het repertoire van de grote Hank Williams geplukte “Take These Chains From My Heart” en Mark Knopflers “Are We In Trouble Now” krijgen hier een bij momenten erg aangenaam wegluisterend countryjasje mid-seventies style aangemeten. Countrypolitan, zeg maar. En ook eigen liedje “Lonesome Kind” leunt daar perfect bij aan.

Met zijn warme baritonstem lijkt Bjøro Håland ons zo op het eerste gehoor vooral geknipt voer voor liefhebbers van het materiaal van knapen als een Charlie Rich, een Glen Campbell, een Willie Nelson en een Bob Cheevers.

Bjøro Håland

 

ROD PICOTT “Out Past The Wires” (Welding Rod Records / Lucky Dice Music)

(5*****)

Over zo menig een singer-songwriter hoor je wel eens zeggen, dat hij alleen maar beter wordt met de jaren. Of dat met Rod Picott ook het geval is? Ik zou het niet meteen durven zeggen. Eigenlijk heeft de beste man er immers altijd al gestaan. Vanaf dag één. Vanaf “Tiger Tom Dixon’s Blues”, zijn magistrale debuutplaat uit 2001. Ik herinner het me nog goed: daartoe aangewakkerd door een advertentie in het onvolprezen No Depression ging ik indertijd op het internet op zoek naar die eersteling van Picott. En meer dan een paar liedjesfragmenten waren er absoluut niet nodig om me van ’s mans immense talenten te overtuigen. Ever since ben ik een fan. Zij het dan ook een mild kritische. Eentje die van Picott altijd opnieuw weer magie verwacht. En dat blijkt zo nu en dan ook wel eens een té hoge eis. Al wil ik daar wel direct aan toevoegen, dat Rod Picott me nog nooit echt ontgoocheld heeft.

En dat is ook nu weer niet het geval. Meer nog: eerder het tegendeel is waar. Picotts negende is één van zijn allerbeste so far. En zijn meest ambitieuze al helemaal. Mede dankzij een geslaagde crowdfunding-campagne kon hij het zich immers permitteren om ditmaal een dubbelaar in te blikken. Liefst achtenzeventig nummers hield hij daartoe achter de hand. De tweeëntwintig beste daarvan belandden uiteindelijk op “Out Past The Wires”. En dat heeft geleid tot een aangenaam gevarieerd geheel. Met naast tal van die heerlijke ballads waarvoor Picott al zo vaak werd geprezen ook wat lekker rockende dingen en nog wat anderen opgepikt bij zo ongeveer elke denkbare muzikale halte tussen die twee polen in.

Uiteraard focust Picott ook nu in zijn teksten weer op datgene waarin hij in het verleden al steeds zo goed bleek. In de meeste liedjes op “Out Past The Wires” gaat het derhalve weer over wat er zich afspeelt in de levens van gewone werkende lieden. Eelt op de handen, eelt op de ziel. Door Picott benaderd met veel zin voor detail. En met het nodige gevoel. Ook hij heeft immers zijn roots in een dergelijk bestaan, remember?

Hét grote verschil met de beginjaren van Picott schuilt hem ons inziens enkel en alleen daarin, dat hij mettertijd zijn reputatie steeds meer mee is gaan krijgen en derhalve ook altijd makkelijker met echte toppers studiowaarts kon trekken. In dit gevalde gerenommeerde producer Neilson Hubbard – ook al aan boord voor zijn vorige worp “Fortune” – en een muzikantencollectiefje verder ook nog bestaande uit Will Kimbrough (gitaren), Lex Price (elektrische en akoestische bassen), Evan Hutchings (drums), Kris Donegan (gitaren), David Henry (strings) en Telisha Williams (harmony vocals). Met z’n allen verschaften zij Picott een muzikaal decorum dat in al zijn eenvoud vrijwel constant schreeuwt om aandacht. Een setting waarin ’s mans meesterlijke kortverhalen extreem goed gedijen. Het zou me absoluut niet verbazen als je in besprekingen ervan regelmatig de naam Springsteen zou zien opduiken. Al is wat Picott op “Out Past The Wires” doet dan ook lang niet zo commercieel als veel van het materiaal van The Boss. Meer Americana nog, zeg maar. In dat genre vestigt Picott zich met zijn nieuwe schijf wat mij betreft nu wel definitief in de absolute top.

Rod Picott

 

DIVERSE ARTIESTEN “Won’t Be Home For Christmas” (Hemifrån / Paraply Records)

(4****)

Elk jaar opnieuw erger ik mij in de eindejaarsperiode blauw aan het radioaanbod. Elk jaar opnieuw dezelfde afgezaagde deuntjes, al dan niet in nieuwe versies door anderen. Elk jaar opnieuw weer meligheid troef… Ja maar, dat hoort er nu eenmaal bij, hoor je dan. Wel, niet voor mij dus. Om mij met een kerstliedje blij te maken moet je al met iets speciaals komen. En laat dat nu net zijn wat de onvolprezen Peter Holmstedt van Hemifrån en die van Paraply Records dit jaar doen. Ze pakken uit met wat ze zelf omschrijven als “not just another Christmas album”.

Promotor Holmstedt wist er achttien van de artiesten die van zijn stal deel uitmaken van te overtuigen om speciaal voor de gelegenheid een liedje aan te dragen. En dat leverde zo menig een pareltje op. Singer-songwriter stuff van het allerbeste soort. Kon bij nader inzicht ook amper anders als je er het lijstje betrokkenen even op naslaat. Elliott Murphy, Annie Gallup, Kenny White, Jude Johnstone, Keith Miles, Janni Littlepage, Kaurna Cronin, Paul Kamm, Rambling Nicholas Heron, My Darling Clementine, Bob Cheevers, Mudfish, Fayssoux, Barry Ollman, Mikael Persson, The Refugees, Jack Tempchin en Citizen K zorgen vrijwel zonder uitzondering voor gesmaakte bijdragen.

Heel veel akoestische folk en Americana ballads, wat pop en soft rock ook, iets in overvalste crooner style en hier en daar wat spullen die zich al wat minder makkelijk laten categoriseren. Onze favorietjes: Elliott Murphy’s “Five Days Of Christmas”, het op z’n zachtst uitgedrukt hoogst aparte relaas van een Kerst met zijn aan een bipolaire stoornis lijdende neef Linear, het knappe rootspopdondertje “Winter’s Come To Life” van Mudfish, “Christmas Ain’t Christmas”, de onverwachte bijdrage in onvervalste rockabillystijl van Fayssoux, het moody “The Spirit Of Christmas” van Bob Cheevers, “Miracle Mabel”, het hun eigen kleine wonder bezingende kerstmomentje van Lou Dalgleish en Michael Weston King oftewel My Darling Clementine, en Annie Gallups “Christmas On The Train”.

Zó wordt het dit jaar ook op muzikaal vlak genieten zo rond Kerstmis! Een welgemeende dikke merci daarvoor aan het adres van initiatiefnemer Holmstedt.

Hemifrån

 

MICHAEL ASKIN “Road By The River” (Michael Askin)

(3,5****)

Er belanden dezer dagen nogal wat EP’s in onze brievenbus en ook dit is er daar weer eentje van. Het gaat hier om de nieuwe van de jonge Amerikaanse songsmid Michael Askin. Die zou je kunnen kennen van zijn rol als gitarist binnen hier vooralsnog niet erg bekende acts als Divine Sign en My State Of Attraction. Al schatten we die kans hier eerder klein. Voor ons ging het bij onze eerste beluistering van “Road By The River” in elk geval om een kennismaking met de beste man. En die beviel ons eigenlijk wel. In die mate zelfs dat het bij nader inzicht allemaal wel wat meer geweest mocht zijn.

Askin staat op “Road By The River” immers voor kleine, maar fijne rootsy rockliedjes met een scherp randje. Liedjes, waarin hij het alledaagse handig weet te koppelen aan veel diepzinnigere gedachten. Een soortement reisverhaal van een rusteloze ziel, constant onderweg, constant op zoek naar god weet wat.

Voor de productie van “Road By The River” tekende Kurt Reil. En dat was ook de enige die verder nog bij het opnemen van het geheel betrokken werd. Askin zelf tekende voor de lead vocals en bijdragen op gitaren, bas en keyboards. Reil van zijn kant verzorgde wat backing vocals en liet zich ook gelden op drums, wat percussie-instrumenten en keyboards.

Enkele luistertips: het bijzonder knappe titelnummer en het lang volledig akoestisch gehouden, maar zich uiteindelijk toch aan een elektrische gitaar overgevende “Hard To Make A Living”.

Michael Askin

 

SWEETKISS MOMMA “Get Ready For The Getdown” (SweetKiss Momma)

(5*****)

Via een kleine omweg langs Zwitserland bereikte ons onlangs de nieuwe van het vanuit rockstad Seattle actieve SweetKiss Momma. En nieuw spul van dat gezelschap, da’s eigenlijk altijd wel goed nieuws. Met hun eerdere worpen “Revival Rock” (2010), “A Reckoning Is Coming” (2014) en “What You’ve Got” (2016) wisten de heren hier alvast heel veel krediet op te bouwen. Hoe ze verleden en heden in hun strakke rockexercities steeds weer naadloos in elkaar lieten overlopen sprak keer op keer opnieuw tot onze verbeelding. En dat doet het ook nu weer.

Enig minpuntje aan de nieuwe van Jeff Hamel en de zijnen is de met amper vijf tracks erg kort uitvallende speelduur ervan. Afgeklokt wordt er in net iets meer dan twintig minuten. Maar dat zijn dan wel twintig goed bestede minuten. Gelukkig maar!

Afgetrapt wordt er met “Old Dry Bones”. Een geweldig liedje! Catchy as Hell! Maximum Southern rock met kopstuk Hamel in vocale topvorm. Wij zouden hier in dat verband van een droomstart durven te gewagen. En die vindt in het meteen daarop aansluitende “Go On, Get Off” een al even knap vervolg. Het tempo mag nog wat meer omhoog zelfs. Het resultaat: hypernerveus, maar bijzonder soulvol spul, opnieuw voorzien van onmiddellijk houvast tussen je oren zoekende fijne weerhaakjes.

Met “Just Have You” wordt vervolgens een kingsize dosis meer gitaargeoriënteerde (Southern) blues rock opgehoest, alvorens met “Woman Of Wickedness” en “Between The Flood And The Fire” het naar onze smaak bepaald indrukwekkende afsluitende tweeluik wordt ingezet. Het eerste lijkt aanvankelijk door de retro-toetsenbijdrage van Dan Walker te evolueren in de richting van een rock classic genre Deep Purple’s “Child Of Time” maar ontpopt zich verderop al snel tot een lap lillend hardrockvlees anno nu. Het tweede wordt ingezet met een eigentijdse kijk op de field holler en ontbolstert vervolgens in een machtig fijn streepje melodieuze instrumentale rock.

Kort samengevat: goed voor een vijf op vijf, dit schijfje!

(De maanden november en december brengen de heren binnenkort ook weer voor een redelijk uitgebreide tournee naar Europa. Belgische gigs zijn er daarbij helaas niet voorzien, maar met optredens in het Rozenknopje in Eindhoven (17-11) en De Bosuil in Weert (19-11) hoeft u niet echt ver de grens over om hen toch live aan het werk te kunnen zien.

SweetKiss Momma

 

DAISY CHAPMAN “Good Luck Songs” (Songs & Whispers / Broken Silennce)

(4****)

Met “Good Luck Songs” is Daisy Chapman al aan haar derde volwaardige langspeler toe. Eerder verschenen van de bekoorlijke Britse ook al de EP’s “Hymns Of Blame” en “And There Shall Be None” en de longplays “The Green Eyed” en “Shameless Winter”. Platen, waarmee ze onder meer al vergelijkingen met Nick Cave en Regina Spektor wist te oogsten. En al zeggen dergelijke vergelijkingen meestal niet veel, ditmaal helpen ze ons toch echt wel een flink stuk op weg.

Wat bij het beluisteren van “Good Luck Songs” meteen al opvalt is Chapmans ongemeen heldere hoge stem. Die helpt haar om net als een mes doorheen warme boter door haar songs te glijden. En als je daar dan ook nog eens haar verzorgde, wat aan dat van Michael Nyman refererende pianospel aan toevoegt, dan weet je al snel dat je gebeiteld zit voor een bijzonder aangename luistertrip. Opgewaardeerd bovendien nog met perfect bij het gebodene aansluitende strijkers.

Wat betreft de inhoud van haar liedjes lijkt Chapman nadrukkelijk een voorbeeld te hebben gehad aan Leonard Cohen. En ook dat is wat ons betreft allesbehalve slecht nieuws. Al is dat wel een kwestie van smaak natuurlijk. Wij houden wel van dat enigszins donker-melancholische in de aanpak van Chapman.

Afsluiten doet Chapman “Good Luck Songs” dan ook nog eens met wat wij hier één van de allermooiste liedjes aller tijden vinden, Tom Waits’ “Tom Traubert’s Blues”. Het origineel doet ze ons met haar versie zeker niet vergeten, maar heel mooi en met heel erg veel gevoel brengt ze het nummer zeker wel. Wij zouden het samen met het tragische verhaal van “Idilia Dubb” en vooral ook het magistrale “Generation Next” zelfs tot de absolute hoogtepunten van de plaat durven te rekenen.

Ons besluit met betrekking tot Chapmans nieuwste is simpel: dit is gewoon een prachtige plaat. Eentje waarmee ze ook tot ver buiten onze lezerskringen vrienden voor het leven zou moeten kunnen maken.

Daisy Chapman

 

CASE GARRETT “Aurora” (Suitcae Records)

(3***)

Alcohol en andere “recreational activities” zorgden ervoor, dat de Amerikaan Case Garrett op een bepaald punt in zijn leven door dokters voor de keuze werd geplaatst: zijn levensstijl dringend drastisch aanpassen of er heel snel het bijltje bij neerleggen. En wat doet een mens dan, he…

In het geval van Garrett was dat effectief stoppen met zuipen en zijn heil zoeken in de muziek. Met als eerste concrete resultaat nu “Aurora”. Dat door de beste man zelf geproduceerd geheel bevat in totaal acht liedjes. Zeven eigen nummers – nu ja, zes eigenlijk, want van “Going Down To Mobile” staan er twee verschillende versies op – en een cover van “Call Me The Breeze” van JJ Cale. Liedjes die Garrett zelf, als we het begeleidende schrijven mogen geloven, graag gecategoriseerd ziet als eigentijdse outlaw country. Aansluitend bij het werk van iconen als Willie Nelson, Waylon Jennings en co met andere woorden. En dat vinden wij hier bij nader inzicht toch wel wat ver gezocht.

Al willen we graag toegeven, dat “Aurora” zeker zo zijn momenten heeft. De trage “She Never Liked Elvis” bijvoorbeeld. In al zijn weemoedigheid is dat best wel een prima deun. En ook de bedaard rockende country van “Going Down To Mobile” ging er hier met veel smaak in. Net als de door Garrett aan een sleutelmoment in zijn eigen persoonlijke leven opgehangen verhalende ballad “Long Way Down”. Oog in oog met zijn onschuldig openhartige achtjarige zoon ging Garrett eindelijk inzien wat de drank allemaal met je doet. En niet met jou alleen…

Case Garrett

 

MICHELLE LEWIS “The Parts Of Us That Still Remain” (Michelle Lewis)

(3,5****)

Michelle Lewis is een vanuit Boston afkomstige zingende liedjesschrijfster die dezer dagen de wereld tracht te veroveren vanuit Los Angeles. Lewis studeerde lang geleden af aan het vermaarde Berklee College of Music. En ze debuteerde ook al in 2004 met het album “This Time Around”. Later volgden met “Broken” en “Paris” enkel nog een stel EP’s. Tot nu, that is. Nu is er met “The Parts Of Us That Still Remain” eindelijk haar tweede volwaardige langspeler.

En op dat album leren we de Amerikaanse kennen als een songsmid met een neusje voor fijne melodieën. Deuntjes die maar wat graag de niche tussen pop en folk lijken te willen opzoeken. Niet zelden met een melancholisch randje. Tekstueel aardig vaak in de weer met het relationele. Hoe dan ook fijn luistervoer. Mede dankzij de aangename fluwelen stem van La Lewis zelf.

Geopend wordt er met het qua feel best wel een beetje bij veel van het materiaal van Nanci Griffith aansluitende “Sorry I Forgot To Write”. Vervolgens is er de net wat meer popgeoriënteerde oorwurm “Running Back Home”. Een nummer dat Lewis schreef samen met de hier ook zelf erg gewaardeerde Robby Hecht. En dat geldt overigens ook voor het meteen daaropvolgende “None Of That Now”. Een laatste co-write is het meer naar het einde van het geheel geposteerde “Goodbye”. Daarvoor werkte Lewis samen met de ons volslagen onbekende Conan Skyrme.

Voor het overige enkel nog Lewis-originelen op “The Parts Of Us That Still Remain”. En de mooisten daarvan vonden wij de volgende drie. Om te beginnen het werkelijk naadloos bij de weemoedigheid van het huidige jaargetijde aansluitende “Broken”. En zeker ook het als een walsje verpakte streepje gezelligheid “Just Like A Movie”. Is net als de single “Run Run Run” een nummer dat echt schreeuwt om aandacht, dat liedje. Aandacht die “Run Run Run” trouwens al ruimschoots kreeg onder de deelnemers aan de jaarlijkse marathon van Boston. Het nummer werd zelfs gebruikt tijdens de nationale TV-uitzending daarvan.

Mooie Lewis is binnenkort overigens ook in ons land voor een stel optredens. Meer bepaald in de Moby Dick in Antwerpen (08-11), in Café De Loge in Gent (12-11) en in Café Vogelzang in Kruibeke (13-11).

Michelle Lewis

 

LIEVEN TAVERNIER “Live In Gent” (Coast To Coast)

(5*****)

Niet graag op een podium staan, voor je carrière is het meestal nefast. Voor Lieven Tavernier niet anders dan voor vele anderen voor hem. Jarenlang bleef hij daardoor één van de best bewaarde singer-songwritergeheimen van Vlaanderen. Als er al mensen waren, die hem kenden, dan toch vooral door de vertolkingen van zijn songs door Jan de Wilde. Door diens overigens volkomen terecht in het collectieve geheugen gekerfd staande versies van dingen als “De Fanfare Van Honger En Dorst” en “De Eerste Sneeuw” meer bepaald.

Gelukkig begonnen de laatste paar jaren wel steeds meer muziekliefhebbers Tavernier te ontdekken. Onder meer door het zijn teksten bundelende boek “Eerste Sneeuw” en met name ook de cd “Geen Kwaje Vrienden”, waarop collega’s als Stef Kamil Carlens, Gabriel Rios, Neeka, Raymond Van Het Groenewoud, Roland, Kris De Bruyne, Bony King, Bruno Deneckere en vele anderen zijn liedjes eerden, ging het plots een stuk sneller voor de beste man.

De volgende stap is nu een compilatie met het beste van twee van zijn concerten in de Gentse Minardschouwburg van eerder dit jaar. Op 5 en 6 maart meer bepaald stonden Tavernier en “De Zondaars” er samen op de planken. De Zondaars oftewel Arne Van Dongen (contrabas), Bruno Deneckere (akoestische en elektrische gitaren), Klaas Delvaux (cello en basgitaar), Nils De Caster (viool, mandoline en lap steel), Philippe Turiot (accordeon), Yves Meersschaert (piano) en Sarah D’Hondt (zang). Heel schoon volk met andere woorden. En dus klinkt deze live-registratie ook werkelijk puntgaaf. Met een Tavernier die eigenlijk zelfs behoorlijk relaxed aandoet. Zou het echt?

Hoe dan ook, wat we geserveerd krijgen is een dwarsdoorsnede uit zijn zeven eerder verschenen albums aangevuld met een drietal goed gekozen covers. Zo wordt er bijvoorbeeld geopend met een mooie Nederlandstalige versie van het ooit door Steve Goodman gepende, maar natuurlijk vooral door John Prine bekend gemaakte “Souvenirs”. En verderop blijken “De Gouden Schaar” en “Sterren In Het Slijk” al even knappe adaptaties van respectievelijk Dolly Partons “Coat Of Many Colors” en “Diamonds In The Rough” van The Carter Family.

Daarnaast zijn er natuurlijk ook de twee hoger al vermelde klassiekers in speciale uitvoeringen en al even mooie versies van “Slimmer Dan Jaap Kruithof”, “Een Oude Dylan Song”, “Julia Roels”, “Lily”,”De Klokken Van Sint-Baafs”, “Mokabon 8 A.M.”, “Patti Smith”, “Sprookjesbos”, “Niet Bij Een Ander” (Door Sara D’Hondt!), “Mooiste Ogen” en “Niet Voorbij”. Goed voor net geen zeventig minuten in het gezelschap van de wellicht beste in het Nederlands actieve songsmid die ons land ooit heeft gekend. Vlaanderens antwoord op knapen als John Prine, Kris Kristofferson, Guy Clark en wijlen Townes Van Zandt.

Lieven Tavernier

 

NORDGARDEN “Changes” (GDN Records / PIAS)

(4****)

Heerlijke nieuwe plaat van de Noorse singer-songwriter Terje Nordgarden. Gewoon live in de studio opgenomen met de hulp van muzikanten betrokken bij onder meer Jaga Jazzist, Sivert Høyem, Big Bang en Madcon. Het resultaat is een ongemeen warm en soulvol klinkend organisch geheel vol met Americana en roots pop van het allerfijnste soort.

Tien nummers lang slingert Nordgarden behendig heen en weer tussen genres als pop, rock, country, soul, blues en gospel. Twee daarvan schreef hij samen met countryartieste Claudia Scott. Twee andere samen met de Zweedse Johanna Demker.

Als mooisten van het lot onthielden wij na tal van luisterbeurten het als een zacht zomers briesje voorbij gewaaid komende pianopopdeuntje “Wide Open Spaces”, het mede door sfeervol toetsenwerk en gesmaakte blazers van de soul bulkende “Side Of The Road”, de ronduit heerlijk te noemen Americana van het titelnummer, het bluesy “I Ain’t Gonna Let Her (Let Me On No More)”, het ons om de één of andere reden best wel wat aan Little Steven in zijn beste dagen herinnerende “You Must Be The Change” en de knappe ballad “The Storm”. Maar eigenlijk staat hier gewoon niet één minder nummer op. Dikke plaat!

Nordgarden

 

SLEEPY DRIVER “Sugar Skull” (Black Bell Driver)

(4****)

“Sugar Skull” is al de vijfde langspeler van Peter Hicks (zang, gitaren, keys en bas), Mike Hatheway (bas), Barry Hughes (drums en backing vocals), Dave Palmer (pedal steel en dobro), Ethan Young-Lai (gitaren, synth en cowbell) en John Heinstein (piano, orgel en synth) oftewel Sleepy Driver. En het Canadese zestal toont zich daarop in echt wel uitmuntende vorm.

Gelijk vanaf openingsnummer “Unpromise” is de mood right. Zomers pa-pa-pa’end loodsen Hicks en co ons daarin doorheen een streepje extreem catchy rootsy pop. En die blazers, wel, die helpen daarbij zeker ook een meer dan kloek handje! Een beetje zomeren doet het vervolgens ook nog in de poppy alt-countrydeun “Finer Things”. Ook daarin valt vrijwel gelijk weer op, dat songsmid Hicks echt wel een neusje heeft voor fijne melodieën.

Country, pop en rock lijken überhaupt de voornaamste bestanddelen van zo ongeveer alles op “Sugar Skull”. Da’s ook in het melodieuze derde nummer “The Last Heart” weer zo. Een funky ritme en al bij al wat steviger gitaarwerk zorgen ervoor dat titelnummer “Sugar Skull” in het zog daarvan uitgroeit tot een eerste buitenbeentje. In vergelijking met al het tot dan toe gehoorde is het eerder heavy te noemen. En al zeker, als wat erop volgt iets lieflijks is als het helemaal in pedal-steelklanken gehulde “Before We Go Home”.

“Burn You Alive” is daarna een voorzichtig weer wat nerveuzer werkend rootsrockertje à la de Replacements in betere tijden, “Believe/Belong” een beklemmende moody, volop van de lang ingehouden spanning erin levende trage, “Radio Dial” gooit dan eensklaps alle schroom van zich af en stoomt volle gas, bijna punky stevig door, “Lucia” sluit daar nagenoeg perfect bij aan en afsluiter “Rubies, Diamonds and Pearls” valt bij nader inzicht weer onder nagenoeg dezelfde noemer als “Before We Go Home” eerder al. U merkt het al: aan variatie hoegenaamd geen gebrek hier!

Tot slot ook nog even vermelden, dat het knappe artwork ook van de hand van Peter Hicks is. Echt wel een veelkunnertje dus, die kerel.

Sleepy Driver

 

ROB JUNGKLAS “Blackbirds” (Madjack Records)

(4,5*****)

Ondertussen goed en wel anderhalf decennium geleden maakte ik kennis met de muziek van Rob Jungklas. Naar aanleiding van z’n album “Arkadelphia” was dat. En eigenlijk al redelijk diep in ’s mans carrière. Debuteren deed hij immers al eind ’86 met “Closer To The Flame”. Geïntrigeerd als ik was door de schrijfselen van Jungklas wist ik dus meteen wat doen. Een serieus inhaalmanoeuvre drong zich op. En sindsdien ben ik eigenlijk altijd wel geboeid gebleven door de man uit Memphis.

Zijn muziek laat zich dezer dagen omschrijven als eerder donker van aard. Bij momenten met een wat melancholisch randje ook. Zelden echt opgewekt alleszins. En dat is dan een serieus understatement. Muzikaal gezien dienen we Jungklas te situeren ergens tussen pop, rock en folk. Eerder progressieve folk, that is. Met af en toe invloedsgewijs ook wel een voorzichtige uitschuiver op de bluesy deltaklei van zijn heimat.

Zo rootsy en rauw-ruig als ten tijde van “Arkadelphia” is het allemaal al lang niet meer, zo beklijvend als het op die plaat gebodene alleszins wel. Ontzettend knap, maar op een andere manier dan. De bezetenheid van weleer heeft plaatsgeruimd voor een veel bezadigdere aanpak. Meer belang hechtend aan het element sfeerschepping. A la een Daniel Lanois, zoiets. Toegankelijker en poëtischer dan voorheen. Met een bij momenten echt wel heel erg opvallende rol voor pianist Rick Steff.

Onze luistertips: titelnummer “Blackbirds”, het bezwerende “Diggers”, het intimistische “Vitriol” en vooral ook de ingetogen folk beauty “Low Hanging Fruit”, het wat ons betreft absolute hoogtepunt van een van begin tot einde hoogst interessante plaat van een man die eigenlijk al jaren veel en veel te weinig aandacht krijgt.

Rob Jungklas

 

PETUNIA AND THE VIPERS “Lonesome, Heavy And Lonesome” (Petunia And The Vipers)

(4****)

Wie het bij het beluisteren van zijn dagelijkse dosis muziekjes graag allemaal wat avontuurlijker heeft nodigen we bij dezen uit oms eens even een oor te luister te gaan leggen bij het Canadese zestal Petunia And The Vipers. Zou wel eens een alleraardigste match kunnen opleveren! Wat die heren op “Lonesome, Heavy And Lonesome” vrijwel constant aan catchy spul uit de hoge hoed toveren spreekt hoegenaamd tot de verbeelding. Met traditionele en alternatieve country, old-time jazz en blues voortdurend gevangen in een bezwerende ménage à quatre.

Nu ja, gevangen… Aan beenvrijheid ontbreekt het de zes duidelijk niet. Het gros van de op “Lonesome, Heavy And Lonesome” geserveerde deunen swingt immers als de spreekwoordelijke tiet. Al is er met dingen als het moody “Heavy And Lonesome”, tranentrekker “Blindly Wander” en het ongegeneerd richting New Orleans knipogende “Blues In My Heart” ook wel wat ruimte gelaten voor wat rustpuntjes. Maar die zijn al bij al toch nadrukkelijk in de minderheid.

Dansen kan, mag, moet vrijwel overal elders. Van het met een gesofisticeerde touch of Latin opgewaardeerde “We Did Not See The Light Of Day” over het werkelijk rete-swingende “Ugliest Bitterest Coldest Dreary Place I’ve Ever Seen” tot het door Petunia en passant van wat heuse yodels voorziene underground countrydeuntje “Lonesome”, van het onstuimig rockend om zich heen stampende “Urban Landscape” over de minimalistische jug band meets ska van “I Don’t Have To Go To High School” tot het op hoogst aparte wijze met het gegeven rock & roll aan de slag gaande “Jeanie Jeanie”, het zijn evenveel open invitaties tot een ongecontroleerd danspasje als creatieve opstoten van absoluut om geen muzikale grenzen malende roots music originals.

Zwaar aanbevolen wat ons betreft aan liefhebbers van het werk van acts als Pokey LaFarge, CW Stoneking, Meschiya Lake & The Little Big Horns, Rob Heron And The Tea Pad Orchestra en aanverwanten.

Petunia And The Vipers

 

PI JACOBS “A Little Blue” (Travianna Records)

(3,5****)

Een optreden ergens laat in 2015 in een klein plaatsje in de Blue Ridge Mountains, in Floyd, VA meer bepaald, zou voor zingende liedjesschrijfster Pi Jacobs onverwacht grote gevolgen met zich meebrengen. Daar, in The Dogtown Roadhouse, werd ze na afloop van die bewuste gig immers gecontacteerd door platenbaas Mark Hodges en producer Aaron Ramsey. Zij vonden Jacobs dermate goed, dat ze haar prompt aanboden om met haar in zee te gaan voor haar volgende plaat. Jacobs hield aan hun ontmoeting(en) een dergelijk warm gevoel over dat ze daarmee ook instemde.

En dus begaf ze zich enkele maanden later naar de Mountain Fever Studios van Hodges in Willis, VA.  Daar trof ze niet enkel Aaron Ramsey terug, maar ook een stel andere uitermate getalenteerde muzikanten uit de bluegrassbranche. Naast Ramsey zelf, die niet alleen de productie van “A Little Blue” voor zijn rekening nam, maar ook bijdragen leverde op bas, mandoline en gitaar, stonden ook Jeff Partin (dobro en lap steel), Kel Pritchard (harmony vocals), Celia Chavez (eveneens harmony vocals) en de ondertussen ook zelf aardig aan de weg naar roem timmerende Sam Morrow (gastzang in “Purple State”) Jacobs (zang, akoestische gitaar en percussie) bij tijdens het inblikken van twaalf liedjes van eigen hand.

In verband met haar nieuwe worp heeft Jacobs het in de liner notes ervan over haar “bluesy Americana thing”. En die omschrijving vat het erop gebrachte daadwerkelijk zeer goed samen. Veelal betreft het immers bluesy liedjes met een Americanarandje. Volledig akoestisch gebracht en door het gebezigde instrumentarium zo nu en dan een zekere bluegrass feel etalerend. Hoe dan ook beter dan alles wat Jacobs tot nu toe al deed, vinden wij persoonlijk. Haar stem klinkt hier immers warmer dan ooit en haar liedjes lijken echt wel gemaakt voor zo’n akoestische aanpak.

Laat je net als ons verleiden door de lijzige Southern groove van “The Moment”, het warmbloedige Americanahart van “She Don’t Love You That Way”, de soulvolle smeekbede “All Love” of het al genoemde “Purple State”, een prachtige sleper met bij wijze van serieus surplus de werkelijk wonderschone vocale interactie tussen Jacobs en Sam Morrow en de al even geslaagde dobrobijdrage van Jeff Partin. Wedden, dat je Jacobs daarna ook zelf stevig aan de boezem zal willen drukken?

Pi Jacobs

 

REBEKAH LONG “Run Away” (LUK Records)

(4****)

Soms is muziek niet meer of niet minder dan een veredelde vorm van escapisme. Ze reikt je als artiest de mogelijkheid aan om je – al was het maar voor even – te kunnen onttrekken aan je dagdagelijkse zorgen. Soms lijkt dat een luxe, soms is het ook gewoon bittere noodzaak. En dat laatste lijkt ons ook het geval voor de bekoorlijke Rebekah Long. Die verloor het voorbije jaar onverwachterwijze immers haar geliefde echtgenoot Ben Speer en bleef daardoor een weinig verweesd achter. Gelukkig kon ze in die moeilijke dagen terugvallen op de zo’n beetje als haar muzikale mentor fungerende Donna Ulisse. Onder haar hoede verwerkte ze haar gevoelens in een reeks nieuwe liedjes. Een negental in totaal, voor de gelegenheid aangevuld met een drietal covers.

Heel wat autobiografisch getkleurd materiaal uiteraard. Dat is gezien de omstandigheden eigenlijk niet meer dan logisch. Long verwerkt hier op subtiele wijze haar verdriet. Luister bijvoorbeeld maar eens naar eerder ingetogen gehouden nummers als “A Place Beyond The Clouds” en “Woodland Street” en je zal meteen begrijpen, wat we hiermee bedoelen. Om heel stil van te worden, die twee liedjes! En hetzelfde kan eigenlijk ook wel gezegd worden over “Everytime I Fall Asleep” en “Welcome Me Back Home”. Ook in dat tweetal regeren ergens tussen country en bluegrass voornamelijk gevoelens van melancholie.

Heel wat opgewekter gaat het er aan toe in het wervelende “Georgia Bound”. Daarin laat Long haar verlangen naar de streek waar ze opgroeide de vrije loop. En ook “Fishin’ On The Cumberland” is zo’n lentefris opdondertje. De Long die we daarin leerden kennen was ons meteen heel erg lief.

Niet alle liedjes op Longs tweede zijn overigens van biografische aard. Dat is bijvoorbeeld al niet het geval voor één van dé absolute toppertjes van het geheel, het omineuze, eerder rootsy neergelegde “My Greatest Shame”. Daarin leidt de onvoorwaardelijke liefde van een moeder voor haar zoon tot een dramatisch einde. Nog zo’n streepje pure fictie is het bijzonder dartele titelnummer “Run Away”. Daarin vertelt Long het verhaal van een meid die haar geliefde de benen ziet nemen als ze hem vertelt dat ze echt van hem houdt.

En dan zijn er natuurlijk ook nog de eerder al even vermelde covers. Daarbij blijkt het te gaan om erg knappe herinterpretaties van Elton Johns “Honky Cat” en Loudon Wainwrights “The Swimming Song”. Goede smaak dus ook, die Long! En dat blijkt ook nog eens uit haar vertolking van het door Jerry Salley en Becky Buller gepende “Lay Your Isaac Down”. Dat nog in duet met haar betreurde wederhelft Ben ingezongen kleinood zou je als haar ultieme eerbetoon aan de liefde van haar leven kunnen zien. Heel mooi, hoe daarin haar voorliefde voor bluegrass en die van Ben voor gospel elkaar vinden.

Vermelden we ten slotte ook nog even, dat Long bij het inblikken van “Run Away” kon terugvallen op een bijzonder getalenteerd stel begeleiders. Naast Ulisse en haar echtgenoot Rick Stanley gaven verder onder meer ook Mike Bub, Scott Vestal, Cody Kilby, Patrick McAvinue, Shadd Cobb, Jarrod Walker, Mark Fain en Gene McDonald acte de présence.

Rebekah Long

 

MARK LOTTERMAN “Holland” (Stichting Holland / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Holland”, het nieuwe album van Rotterdammer Mark Lotterman, is zoveel meer dan louter een collectie liedjes. Eigenlijk vormen de negen liedjes op ’s mans recentste worp alleen maar het uitgangspunt voor een veel ruimer project. Als artiest wist Lotterman zich in het verleden steeds opnieuw geïnspireerd door de dingen rondom hem. Voor “Holland” draait hij de situatie nu om. Hij stelde zich de vraag, hoe anderen door zijn muziek geraakt werden. Wetenschappers, kunstenaars en tal van anderen werden daarom door hem gecontacteerd met het verzoek om een bijdrage te leveren aan “Album Holland”. Al die bijdragen – zo’n 130 in totaal – verzamelde hij in het boek “Holland”, waarbij ook de cd zit. Het gaat daarbij om persoonlijke verhalen, schilderijen, strips, foto’s, videoanimaties, liedjes, lezingen, gedichten, playlists en meer. Bekendere betrokkenen zijn onder meer muziekkenner Vic van der Reijt, psycholoog Clay Routledge, voedingswetenschapper Jaap Seidell, zanger Johnny Dowd, dichter Philip Hoorne en fotograaf Roel Rozenburg.

Voor het eigenlijke album weerhield Lotterman zoals gezegd negen liedjes. Geluk, angst, liefde, homoseksualiteit, zich ontheemd voelen en opgroeien in een groter perspectief vormen daarvan de thema’s. Lotterman bezingt ze tegen een hoogst eigenzinnig muzikaal decorum te situeren ergens tussen pop, rock en folk. Nu ja, bezingt… Eigenlijk is het meer declameren dan zingen wat hij doet. In die mate, dat het je als luisteraar een weinig herinnert aan de modus operandi van wijlen Leonard Cohen. Even sfeervol als diens laatste werkstukken is wat Lotterman doet alleszins. En even diepzinnig ook.

Een deel van de bijdragen aan het project “Album Holland” is nog tot 3 december aanstaande ook te bewonderen in galerii NL=US in Rotterdam.

Te beluisteren is “Holland” via: https://open.spotify.com/album/6jprzxmjQf3YOBgvmEyAAw.

Album Holland

 

THE ROSELINE “Blood” (King Forward Records / Heartselling)

(3,5****)

Vijfde album inmiddels al voor het de voorbije tien jaren flink aan de weg timmerende gezelschap rond de Amerikaanse singer-songwriter Colin Halliburton. Een twaalf songs lange trip door de beste man zelf omschreven als “somewhat literate, midwestern, alt-country, bummer music with a hint of hop”. Wat er concreet op neerkomt, dat we ook nu weer erg duidelijk invloeden als de Jayhawks, Whiskeytown, Bright Eyes en natuurlijk ook Gram Parsons menen te mogen herkennen in het door het vijftal gebrachte.

In zijn teksten heeft Halliburton het daarbij ditmaal over de niet te vermijden highs en lows in een langdurige relatie, over ouder worden en over existentiële vragen onlosmakelijk gekoppeld aan zo menig een artiestenbestaan.

“Blood” klinkt al bij al een weinig retro. Het is een plaat waarbij je gedachten regelmatig afdwalen richting de begindagen van hoger al genoemde acts als met name de Jayhawks en Whiskeytown. Naar de hoogdagen van het alternatieve countrygebeuren wat ons betreft. Naar dagen toen het nog met een vergrootglas zoeken was naar interessante nieuwe artiesten of bandjes. Toen zouden Halliburton en de zijnen ongetwijfeld zeer hoge ogen gegooid hebben. Of dat nu ook nog kan, blijft vooralsnog een onbeantwoorde vraag. Van ons zou het alvast wel mogen. Op basis van melodieuze schoonheden van deunen als “Hurry Up And Wait”, “Moving In A Dress”, “A Destination” en vele andere hier verdienen ze het immers.

The Roseline

 

STORMY MONDAYS “Suitcase Full Of Dreams” (Stormy Mondays)

(3,5****)

Dat hadden we dus nog niet gehad, zie: compact vinyl! Eén kant 45-toeren vinyl met enkel het titelnummer, de andere cd met alle vier de tracks. Hét ideale formaat voor twijfelaars. Hier geïntroduceerd door Stormy Mondays, een indie folkrockbandje uit Spanje.

Vier nummers dus op “Suitcase Full Of Dreams”. Te beginnen met het titelnummer. Een van achter de piano ingezette, deels in het Spaans gebrachte valse trage die ons nog niet meteen helemaal over de streep wist te krijgen. Al is het zeker ook geen slecht nummer. Nummer twee is vervolgens de ergens halverwege onverwachterwijze richting folky oorden afdwalende singer-songwriterdeun “Everybody Came To Your Party (But You Were Gone)”. Daarin mag de innerlijke Dylan in kopstuk Otero even van de leiband.

Het sterkste nummer van allemaal vonden wij persoonlijk het derde. Het bij het legendarische Big Star geleende “Thirteen” is hier echt ontzettend catchy. Heeft de nodige soul ook. Alsof je de Byrds met een blazerssectie opgewaardeerd hebt, zoiets. Echt ideaal radiovoer, als je het ons vraagt! En dan is er natuurlijk ook nog de afsluiter. Dat is het bedaarde “Don’t Count Me Out”. Daarvoor wordt andermaal flink gas teruggenomen. Met vooral opvallende rollen voor opnieuw zanger Jorge Otero en toetsenist Pablo Bertrand. En opnieuw met flink wat soulgevoel.

Een hoogst aangename kennismaking eigenlijk, deze EP. Zet alvast aan om spoedig werk te gaan maken van meer. En dat kan in dit geval eerder gemakkelijk én goedkoop. Op de webstek van de band gewoon even je e-mailadres inruilen tegen een elf songs tellende gratis sampler, that’s it!

Stormy Mondays

 

JAY PINTO “Jay Pinto” (Nervesauce Music)

(3,5****)

Op zijn naar zichzelf vernoemde derde langspeler neemt de Amerikaanse songsmid Jay Pinto de tijd om even om te kijken. Het grote merendeel van de liedjes op die plaat zijn immers herinterpretaties van reeds eerder verschenen nummers van ‘m. Noem het maar een soortement van best of. Maar dan wel eentje waarvoor de nummers opnieuw werden ingeblikt. En dat in van alle overbodige franje ontdane akoestische versies. Met nogal wat nummers vanuit zijn Bananafish-periode. Met dat naast hemzelf ook nog Tom Kennedy in zijn rangen tellende akoestische folkpopduo nam hij indertijd een viertal cd’s op en stond hij onder meer samen met Heart, Shawn Colvin en Ani DiFranco op de planken.

Pinto’s immer catchy popliedjes krijgen daardoor en passant een meer folky karakter mee. En dat nieuwe jasje zit hen wat ons betreft echt wel als gegoten. Veel meer nog dan voorheen nodigen ze nu immers uit tot echt luisteren. En het lijkt alsof ook Pinto zelf dat beseft heeft. Op het hoesje ervan nodigt hij ons immers met z’n allen uit om even een kijkje te komen nemen op zijn webstek, alwaar we kunnen intekenen op zijn email list voor een digitaal boekje met de lyrics van z’n nieuwe plaat.

Die plaat bevat naast al de al genoemde oudere dingen overigens ook een tweetal gloednieuwe nummers in dezelfde stijl. Intimistische popfolkdeuntjes, waarin bij voorkeur universele thema’s worden aangesneden. We hebben het dan bijvoorbeeld over topics als de liefde, vriendschap en hoop. Erg mooi!

Jay Pinto (Bandcamp)

 

SAM MARINE “Big Dark City” (Sam Marine)

(3,5****)

Echt veel is er soms niet nodig om je van iemands kwaliteiten te overtuigen. Een mooi voorbeeld bij die vaststelling zou “Big Dark City” van Sam Marine kunnen zijn. Amper vijf liedjes bevat dat schijfje, maar toch wisten wij ons na het beluisteren ervan rotsvast verzekerd van de talenten van z’n maker. In een productie van Brian Whelan slaat Marine op z’n derde immers iets meer dan een kwartier lang spijkers met koppen.

Met als voornaamste bondgenoot z’n rasperige rauwe stem gooit hij meteen heel erg hoge ogen met de ook als titelnummer fungerende opener. “Big Dark City” is het soort van Heartland rock waarmee je fans van acts als wijlen Tom Petty en Paul Westerberg in no time gevloerd weet. Echt een beresterk nummer! En dat laatste geldt eigenlijk ook wel voor het meteen daaropvolgende “Dawn Come And Go”, een strak rockende boogie, waarin Marine zichzelf pas echt goed van de ketting laat. In “Freeze ‘Em Out” gaat hij vervolgens net zo snedig even de persoonlijke toer op, “I’ll Soon Be Gone” blijkt daarna een van een nieuwe drumbeat voorziene herneming van iets van z’n eerste plaat “Lacktown” en afgerond wordt er met het ons op de één of andere manier wel wat aan Ryan Adams herinnerende “Mike Lee”. Dat laatste liedje is een soort van eerbetoon aan het adres van een aan een overdosis overleden vriend van Marine. Niet die overdosis maar wel hun vriendschap is daarin enkele minuten lang het centrale gegeven. Het feit, dat Lee bovenal een goeie gast was.

Wat ons betreft een hoogst aangename kennismaking met een rootsrocker waarvan we ongetwijfeld nog veel meer gaan horen, dit “Big Dark City”. Marine zou het ons inziens alvast meer dan verdienen!

Sam Marine

 

MARK MARTYRE “Rivers” (Mark Martyre)

(4****)

Dit moet zowat één van de best bewaarde singer-songwritergeheimen van Canada zijn. Wij kenden de beste man tot voor vandaag alleszins nog niet. En dat terwijl “Rivers” toch al zijn vijfde langspeler blijkt te zijn. Eerder verscheen van Mark Martyre immers ook reeds het viertal “Down, Record” (2012), “London” (2013), “Red Letters” (2014) en “Bluebird” (2016).

Met zijn nieuwe worp wist Martyre ons vrijwel onmiddellijk te charmeren. Op dat door hemzelf geproduceerde geheel prijken in totaal tien eigen liedjes, netjes verdeeld over een a- en een b-kant. En die showcasen een heerlijk ruwe, wat aan die van knapen als een Tom Waits, een Jon Dee Graham of een Ben Weaver herinnerende stem en een fijn handje voor liedjes die je als recensent zonder al te veel twijfelen zomaar durft aan te bevelen aan fans van diezelfde Waits, The Boss, een John Prine en een Bob Dylan ook. Tijdloos poëtisch spul, waarvan je eigenlijk na één enkele beluistering al weet, dat je er ook binnen enkele jaren nog met het nodige plezier naar zal blijven teruggrijpen. Ontstaan op de dunne scheidingslijn tussen genres als Americana, folk en pop.

“It’s about dragging around the shadows of the past, living in a fog of memory, regret, and restlessness, while still trying to move forward… towards something,” aldus de beste man zelf over het inhoudelijke aspect ervan. Voor ons ruimschoots genoeg om er binnenkort zo menig een knusse herfstavond mee door te brengen. Luistertips als “Come Lie Beside Me, Dear”, “Carry On”, “The Next Song” en “Anywhere But Here” zullen ook jou daarvan allicht snel weten te overtuigen.

Dikke, dikke aanrader, deze plaat!

Mark Martyre

 

LEIF DE LEEUW BAND “Until Better Times” (CRS)

(3,5****)

Na het bijzonder lovend ontvangen “Leelah” van zowat een jaar geleden wachtte de jonge Nederlandse gitaarbeul Leif de Leeuw de moeilijke taak om met z’n tweede volwaardige langspeler nu ook te bevestigen. Een job waarvan hij zich wat ons betreft met “Until Better Times” met veel brio kwijt. In de nasleep van de release ervan zal het gaan stormen voor de youngster en de zijnen, daar kun je van op aan. Dat nieuwe album van de Leeuw en de zijnen bulkt immers van de nummers die echt schreeuwen om live-uitvoeringen. Heel wat organisatoren wrijven zich ongetwijfeld nu al in de handen.

De jaren zeventig zijn nooit veraf op “Until Better Times”. En dat zonder dat de band daardoor ook maar enigszins passé gaat klinken. Wel integendeel zelfs! Invloeden als de Allman Brothers Band en Led Zeppelin worden keurig geparkeerd in de buurt van recentere acts als de Henrik Freischlader Band en met name ook Blackberry Smoke. De voornaamste attractiepolen daarbij, vroeg u? Dat zijn naast de bezielde vocals van Britt Jansen zonder meer de heerlijk vette riffs van de Leeuw zelf en de twin leads met opnieuw Jansen. Bonuspunten worden verder nog gescoord door bassist Boris Oud en met name ook drummer-percussionist Tim Koning.

In de schemerzone tussen rock, blues, funk en soul van het beste wat je in de Lage Landen krijgen kan. Doe er dan ook vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Leif de Leeuw Band

 

PETER GALLWAY “Feels LIke Religion” (Gallway Bay Music)

(4****)

Wat heeft deze man ondertussen al een indrukwekkend repertoire op zijn naam staan! Meer dan twintig albums moeten het zijn. In z’n eentje, maar ook als één helft van het duo Hat Check Girl met Annie Gallup, waarmee er naar verluidt ook alweer een release in de pipeline zit. Bezig baasje dus, die Peter Gallway!

Voor zijn nieuwste worp voor eigen rekening liet hij zich naar eigen zeggen inspireren door wijlen Laura Nyro. Haar unieke stem en kijk op de wereld waren van grote invloed op de toen nog jonge Gallway, die zich niet enkel tot het kransje intieme vrienden van Nyro mocht rekenen, maar ook het genoegen mocht smaken om nog met haar samen te werken.

“Feels Like Religion” is dus Gallways muzikale tip of the hat aan het adres van die al in april ’97 overleden zingende liedjesschrijfster. Alsof hij met de elf liedjes erop heeft willen aantonen, hoe groot haar invloed op hem wel geweest is. Het resultaat is een ongemeen sfeervol geheel, dat ingetogen schoonheden van rootsy popliedjes afwisselt met mild uitgelaten varianten daarop. Daarbij terloops niet enkel herinnerend aan Laura Nyro, maar zeker ook aan andere enigszins vergelijkbare acts als daar zijn een Joni Mitchell, een Rickie Lee Jones en een Donald Fagen. Popperfectie is derhalve ook nooit echt ver uit de buurt. En “Feels Like Religion” is wat ons betreft gewoon de zoveelste regelrechte aanrader op het actief van Gallway.

Enkele luistertips misschien nog snel. Het ijle, ons sfeermatig best wel wat aan de aanpak van The Blue Nile herinnerende titelnummer is er zeker één, het zomers luchtige “Shorty Moves On” al evenzeer en ook het intimistische “Just Lucky” zouden we hier ondertussen absoluut niet meer willen missen.

Peter Gallway

 

THUNDERBOLT & LIGHTFOOT “Songs For Mixed Company” (Vesper Music)

(4****)

Eerlijk? Als ze onze aandacht al vrij snel wisten te trekken, dan was dat in de eerste plaats te danken aan een cover van een hit van Bruce Springsteen. Een supermooie uitvoering van “I’m On Fire” meer bepaald. Die deed ons vrijwel meteen vallen voor de charmes van Sarah Fuerst en Phil Barry, een duo uit Kalamazoo. En met name hun samenzang deed het ‘m voor ons daarin. Close harmony van het allerbeste soort gewoon!

En veel meer van dattum is er nu op hun inmiddels tweede plaat al, het onlangs verschenen “Songs For Mixed Company”. Tien liedjes lang zingen Fuerst en Barry daarop samen de sterren van de hemel naar beneden. Iets meer dan een half uur drukken ze je als luisteraar liefdevol aan de borst met naast die ene cover uitsluitend nog eigen materiaal. En daarvoor mag u wat ons betreft zelf het label verzinnen. Folk? Die term gaat zeker op. Roots pop? Idem dito. Americana? Soms ook, ja. Maar vooral heel erg mooie, veelal eerder ingetogen muziek, waarmee je inderdaad kan uitpakken voor een aardig divers gezelschap. Wij kunnen het ons alvast amper voorstellen, dat iemand zich zou storen aan bedaarde schoonheden van songs à la “Let’s Be Friends”, “Miss Me”, “Sad Song”, “Dearly Beloved” en andere.

Uitermate geschikt voor Radio 1, zo lijkt ons. Luisteraars van die zender zouden hier wel eens een heel erg smakelijke kluif aan kunnen hebben. Wij doen het hen alvast voor.

Thunderbolt & Lightfoot

 

JOHN F. KLAVER BAND “Catch The Morning Sun” (John F. Klaver Band)

(3,5****)

“Catch The Morning Sun”, het nieuwe mini-album van de John F. Klaver Band klinkt niet alleen verrassend, het klinkt ook verrassend goed. De durf om te vernieuwen heeft hier duidelijk geloond. En met name de toevoeging van vocaliste Nicole Verouden aan het kader betekent wat ons betreft een echte verademing. Met haar warm-soulvolle stemgeluid slaagt die er bij momenten in de gitaar van haar broodheer even in een ondersteunende rol te dwingen en misschien was het wel net dat, wat Klavers muziek zo nu en dan nodig had.

Veel meer dan op de nog altijd in ruim voldoende mate aanwezige solo’s van de Nederlandse gitaarbeul lijkt ditmaal tijdens de opnames de focus op de vibe te hebben gelegen. Zoals dat bijvoorbeeld ook bij de Tedeschi Trucks Band vaak het geval is. En vanuit die optiek is het dan ook niet echt een verrassing te noemen, dat men bij het kiezen van enkele covers ook ging voor een compositie van het echtpaar Trucks-Tedeschi. Voor het ingetogen soulvolle “Shelter” meer bepaald, u allicht ook wel bekend van het machtige album “Revelator” en hier zeer knap vertolkt door Verouden. Een tweede cover is er eentje van Paul Pena’s “Gonna Move”. Ook al met met een glansprestatie van Verouden. Als het ware in duet met de gitaar van Klaver zelf. Mooi alleszins, hoe ze elkaar hier wonderwel aanvullen.

Verder enkel nog eigen nummers op “Catch The Morning Sun”. Om te beginnen het rootsy groovende “There Will Be A Day” en titelnummer “Catch The Morning Sun”, met ditmaal Klaver zelf vol aan de bak, zowel vocaal als op de snaren, met als resultaat een stevige lap melodieuze gitaarrock pur. Het daaropvolgende “Funny Way Of Showing It” leeft met name van z’n hoogst aparte, beurtelings wat tegen jazz en gospel aanschurkende ritmiek, “Learned A Lot” is een wolk van een soulvolle trage – Dé geknipte single? – en “”Rollin’ Away” ten slotte gunt het rockbeest in Klaver nog even een laatste beurt.

John F. Klaver Band

 

ELLES BAILEY “Wildfire” (Outlaw Music)

(4****)

De Engelse term wildfire wordt doorgaans gebruikt in verband met maar moeilijk controleerbare branden. En vanuit dat standpunt bekeken is het eigenlijk een bepaald niet slecht gekozen titel voor het debuut voor de vanuit Bristol actieve schone Elles Bailey. Niet enkel haar felle ogen op het hoesje daarvan, maar haar hele wezen straalt op die eersteling namelijk iets onbedwingbaars uit. Niet te stoppen lijkt ze in een spoedopmars richting de absolute top van het blues- en rootswereldje. Met dank vooral aan haar ongemeen krachtige stem. Die klinkt als die van Melissa Etheridge, die van Bonnie Raitt en die van wijlen Janis Joplin gecloond in één en dezelfde persoon. Rauw, passioneel, soulvol.

Op haar visitekaartje doet Bailey het met tien eigen nummers aangevuld met een rootsy cover van Taylor Swifts “Shake It Off”. Haar eenmalige knieval richting gewillige radiojongens, moet je maar denken. Verder gaat het er immers allemaal een stuk compromislozer aan toe. Om te beginnen in het na een machtige slide intro in een beresterke bluesy rock song ontbolsterende titelnummer. Van een aftrap in stijl gesproken! Een knappe treffer al na enkele seconden, zoiets…

Vervolgens zijn er de ook al beresterke eerste single “Same Flame” – wat meer rockgeoriënteerde passie tout court – en de knappe pianoballade “What If I”. Met het sfeergewijs best wel wat aan Chris Isaak herinnerende “Barrel Of Your Gun” komt de focus aansluitend daarop wat meer op roots te liggen, “Perfect Storm” bulkt op zijn beurt van de soul en in “Let Me Hear You Scream” gaan zowel Bailey zelf als de slide van Brent Mason daadwerkelijk machtig aan het schreeuwen. Iets als een open invitatie aan ons adres, zeg maar.

Na de hoger al even besproken Swift-adaptatie gaat het via het heerlijk ritmisch met de kont schuddende “Shackles Of Love” en het gevoelvolle “Believed In You” naar wat naar onze bescheiden mening gerust bestempeld mag worden als hét absolute hoogtepunt van de plaat. We hebben het dan over het straffe “Howlin’ Wolf”, een ronduit subliem eerbetoon aan heel wat van haar eigen helden, heus niet alleen die uit de titel ervan. Verwachten ons dan nog: de mooie ballad “Girl Who Owned The Blues” en bonus track “Time’s A Healer”, nog zo’n verstilde schoonheid van een song met naast de stem van Bailey zelf verder enkel nog de resonator van Joe Wilkins, de akoestische en wat zang van Will Edmunds en de bas van Zak Ranyard. Moest ze dringend ook maar eens een kans op single gunnen, dat nummer! Zou wat ons betreft zomaar dé verrassingshit van het najaar kunnen worden.

Dikke aanrader, hoor, dit “Wildfire”!

Elles Bailey

 

SUSTO “& I’m Fine Today” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Melodieus kunst-en-vliegwerk van een groep die ergens diep vanbinnen net zo graag hitparades overal ter wereld zou bestormen als zichzelf geapprecieerd weten in ruimere rootskringen, zo lijkt ons. En Justin Osborne en de zijnen lijken daar nog mee weg te zullen komen ook. In de States dan toch, waar hun tweede nu goed een half jaar geleden al verscheen. Daar worden ze intussen al gezien als één van dé nieuwe acts van 2017.

Hun nieuwe worp is al bij al dan ook een verre van kwade plaat. Het op hun titelloze debuut van drie jaar geleden ingeslagen pad blijkt er ondertussen één met veel zijwegeltjes te zijn geworden. De country rock van weleer wordt regelmatig verlaten voor een nadrukkelijk meer pop- of rockgeoriënteerd geluid, waarin opvallend actieve gitaren, dito keyboards en strijkers bij momenten de dienst uitmaken. Altijd met de nodige aandacht voor het liedje, dat wel.

Wat ons betreft vooral iets voor wat alternatiever ingestelde geesten, al zal pakweg de doorsneefan van knapen als een Ryan Adams of een Neal Casal hier ook wel raad mee weten.

Susto

 

BENDIK BRAENNE “The Last Great Country Swindle” (Bendix Records / PIAS)

(3,5****)

“The Last Great Country Swindle” is de wat ons betreft toch wel enigszins misleidende titel van de tweede van de je misschien ook al wel van zijn bijdragen aan Los Plantronics bekende Noorse songsmid  Bendik Braenne. Die met de productionele hulp van Daniel Romano en Lars Erik Larsen ingeblikte opvolger van het vier jaar geleden verschenen “How To Fake It In America” heeft immers nog maar weinig meer met country te maken.

Afgetrapt (en ook afgesloten) wordt er met een prima rootsy cover van Del Shannons klassieker “Runaway”. De toevoeging van wat mariachi- en surfelementen verleent aan dat nummer voorwaar een compleet nieuw leven. Je moet het maar flikken! Vanaf het tweede nummer komt de klemtoon echter elders te liggen. Dat zomerse popdeuntje (“Ain’t Nobody Like Me”) blijkt later een behoorlijk goede indicator voor wat nog komen moet. Via het vinnig soulvol poppy uit de hoek komende “Summerfield”, de mooie trage “I’ll Be Gone Tomorrow” en het zijn wortels ergens vroeg in de seventies hebbende popmeezingertje “Quick-Loving Hearts” komen we vervolgens immers ook nog uit bij het over een bizarre groove uitgesmeerde “Worries Me” en het bijzonder radiogenieke trio bestaande uit “I Got (Everything But You)”, “Close To The Ground” en “Sunshower”.

’t Is dat we door de Noor voorafgaandelijk op een compleet verkeerd spoor werden gezet, maar verder is hier absoluut niks mis mee, hoor! “The Last Great Country Swindle” is echt wel een prima plaatje. Een prima popplaatje, that is.

Bendik Braenne

 

PAAL FLAATA “Love And Rain: The Athletic Sessions” (Blue Mood Records / PIAS)

(5*****)

Met zijn albumtrio “Wait By The Fire”, “Bless Us All” en “Come Tomorrow”, gewijd aan de songs van respectievelijk Chip Taylor, Mickey Newbury en Townes Van Zandt heeft Paal Flaata onverwacht hoge ogen gegooid. En daarvan lijkt ook het voormalige kopstuk van Midnight Choir zelf zich maar al te goed bewust. Getuige daarvan zijn voornemen om in het najaar de drie platen samen met enkele speciaal voor de gelegenheid ingeblikte bonusnummers ook in een box set op de wereld los te laten. Maar van het één kwam zoals wel vaker het ander. Tijdens hun verblijf in de Athletic Sound-studio in het Noorse kuststadje Halden voor het inblikken van die bonusjes hadden Flaata en zijn vaste maatje Goran Grini het danig naar hun zin, dat ze aan de sessies uiteindelijk een volledig album overhielden. En dat wordt nu ook als stand-alone geheel uitgebracht.

De nadruk ligt daarbij voornamelijk op Amerikaans songerfgoed. Van Mickey Newbury wordt zo ditmaal “Hand Me Another Of Those” gebracht, van Kris Kristofferson wordt de onder meer door Al Green de souleeuwigheid ingezongen trage “For The Good Times” neergelegd, in het songbook van Jimmy Webb viel de keuze bijna als vanzelfsprekend op “The Moon Is A Harsh Mistress”, bij Donnie Fritts pikten de twee “We Had It All” op, bij Conway Twitty mocht “It’s Only Make Believe” dan weer mee en afgesloten wordt er met Don McLeans romantische klassieker “And I Love You So” en “Feel Like Going Home” van Charlie Rich.

Tussendoor is er ook ruimte voor twee Britse bijdragen. En niet van de minste ook! Misschien wel het allermooiste liedje van de hele collectie is Flaata’s bezielde lezing van Elvis Costello’s “The Comedians”, ooit ook door Roy Orbison al eens heel erg knap vereeuwigd. En ook de andere vreemde eend in de bijt mag er best zijn. Ewan MacColls “First Time Ever I Saw Your Face” krijgt hier immers een ongemeen soulvolle kippenvelbehandeling mee.

Het tiende en laatste nummer van het lot is er eentje speciaal voor de gelegenheid geschreven door Chip Taylor. Bij wijze van dankjewel trakteerde hij Plaata en Grini op het titelnummer. En dat blijkt een qua mood perfect bij de rest hier aansluitende ballade.

Kort samengevat: Paal Flaata en Goran Grini verheffen het brengen van covers op “Love And Rain: The Athletic Sessions” ook verder tot kunst. Er zijn er ons inziens alleszins maar weinigen die in deze discipline dezelfde pakkende resultaten kunnen voorleggen.

Heerlijke plaat!

Paal Flaata

 

THE GREAT CRUSADES “Until The Night Turned To Day” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het vanuit Chicago actieve indierockviermanschap The Great Crusades maakt al sinds jaar en dag goede tot uitstekende platen. Verrassen doen de grofgevooisde Brian Krumm en de zijnen daarbij wat ons betreft al lang niet meer echt, maar dat hoeft ook niet. Zolang de songs zo goed blijven als op “Until The Night Turned To Day” zal u ons allerminst horen klagen.

Op z’n negende kruistocht so far neemt het kwartet ons mee langs elf nieuwe haltes. De klemtoon ligt daarbij nu eens meer op pop of rock, dan weer eerder op country en blues. Het ene moment wordt er stevig geknald, het andere gaat het er flink wat rustiger aan toe. Soms komen we tussen die twee stoelen te zitten. Zoals in openingsnummer “If You Could Only See Me Now” bijvoorbeeld gelijk al. Dat wil wel rocken, maar doet dat zo loom dat we nog niet echt onder stoom komen. Heel knap nummer overigens wel, dat liedje!

En dat vonden wij vervolgens ook wel van de leuke countryrocktrage “Only Took A Minute Not To Say Goodnight”, van de langzaam naar een fameuze climax opbouwende rocker “Hey Hey (River Charles)”, van de met Katie Todd gebrachte pianoballade “Gutter Punks”, van de akoestische folkrocker “If I Changed My Mind” en nog wel wat anderen.

Onopvallend goed, zeg maar.

The Great Crusades

 

JW ROY & THE ROYAL FAMILY “A Room Full Of Strangers” (Royal Family Records)

(5*****)

Als ik binnenkort naar goede jaarlijkse gewoonte weer aan het nadenken zal gaan over wat er voor mij nu precies de beste platen van 2017 geweest zullen zijn, dan zal deze zo goed als zeker ook de gedachtenrevue passeren. Met “A Room Full Of Strangers” levert de sympathieke Nederlander JW Roy immers één van zijn allerbeste albums tot op heden af. Hij heeft er ons lang op laten wachten, maar geloof me vrij, het wachten heeft de moeite geloond. Een veel pakkendere plaat als deze mocht ik het voorbije jaar niet beluisteren. Maar ze ontstond dan ook in bijzondere omstandigheden.

Oorspronkelijk was het Roys bedoeling geweest om de liedjes op zijn nieuwe plaat aan anderen te wijden. Op persoonlijk vlak ging het hem immers redelijk voor de wind en dat levert zoals alom geweten niet meteen de beste songs op. Een speling van het lot gooide echter al snel roet in het eten. Het overlijden van Roys geliefde vader deed hem uiteindelijk toch weer graven in zijn eigen ziel. En dat is eigenlijk ook gewoon wat hij het beste kan. Liedjes geïnspireerd door zijn eigen persoonlijke leven waren altijd al zijn forte.

De twee knapste voorbeelden daarvan zijn hier en nu de samen met zijn broer Jeroen gebrachte ballad “Broke Brothers” en het afsluitende “The Big Chief”. In het eerste kijken twee gebroken broers bij het graf van hun overleden vader terug op een verleden vol liefde, het tweede bezegelt muzikaal het afscheid van “The Big Chief” (het koosnaampje waarmee JW’s vader in familiekring al sinds tijden werd aangesproken). Het is moeilijk om het bij die twee liedjes droog te houden. Zeker als je, zoals mij, recentelijk ook je pa verloren bent. Veel meer nog voel je dan, hoe echt de gevoelens wel zijn, die Roy hier verklankt. Echt bloedmooi!

Andere hoogtepunten op “A Room Full Of Strangers” zijn een erg mooie cover van Townes Van Zandts “To Live Is To Fly”, de met vriendin des huizes Ilse DeLange vereeuwigde trage “We’re Still Here”, de echt van de joie de vivre barstende en samen met Lea Kliphuis gebrachte eerste single “Keep It Simple”, “Kind Of Blue”, een knappe samenwerking met Michael Prins, en “Riddle Of The Sands”, dat op zijn beurt gedeeld wordt met de broers Sander en Arnout Brinks van het Nederlandse folkduo Tangarine. En dan vergaten we bijna nog dat lekkere streepje bedaarde countyrock helemaal bij het begin, “Blue Sunrise”.

The Big Chief zal ergens daarboven andermaal erg fier zijn op zijn zoon. Zeker weten.

JW Roy

 

ERIC WESTBURY “Atomic Wilderness” (Barreltown Records)

(4,5*****)

Van de vele albums waarover ik hier sinds de begindagen van Ctrl. Alt. Country mijn licht al mocht laten schijnen is “Burnt Tongues & Blue Truths” van Eric Westbury altijd één van mijn favorieten gebleven. Die plaat, die het indertijd in 2003 erg goed deed in zowel de Euro Americana Chart als de Freeform American Roots Chart, stond voor zo ongeveer alles wat ik graag mocht hebben in mijn Americana. En ik overdrijf dan ook niet, als ik zeg dat ik lang heb zitten uitkijken naar een opvolger ervan. Maar die leek er na een poosje niet meer te komen. En dus verslapte mijn aandacht gaandeweg ook volledig. Nu, veertien lange jaren later, gebeurt het onverwachte plots echter toch nog…

Met “Atomic Wilderness” pakt Eric Westbury eindelijk uit met zijn derde langspeler. En het moet gezegd: de opvolger van “Walking Tracks” uit 2000 en het hoger al genoemde “Burnt Tongues & Blue Truths” van zo’n drie jaar later is opnieuw een plaatje van een plaat geworden. Mij greep ze alvast meteen weer bij mijn nekvel. Alles wat me aan de voorganger ervan bekoren kon is ook nu weer in ruime mate aanwezig. Er is in de eerste plaats natuurlijk nog altijd die heerlijke Waitsiaanse rasp van een stem van Westbury, er zijn z’n fijne, als vanouds het midden tussen country, folk en rock houdende muziekjes, er zijn z’n immer scherpzinnige teksten, waarin hij zich uitlaat over onder meer sociale, politieke en milieuzaken. Een echte verademing!

Geproduceerd werd “Atomic Wilderness” door Westbury zelf samen met z’n landgenoot Russell Broom en met ook nog een handje hulp van Zak Cohen. Eraan meewerken deden verder onder meer ook nog Gurf Morlix en Denis Dufresne.

Mijn luistertips voor je: de prachtige ballade “Here Lies Vera”, het de toekomst niet bepaald rooskleurig tegemoetziende “Stupid Answers To Stupid Questions” en het ook al van zo’n veelzeggende titel voorziene “My Kind Of People (Are Getting Hard To Find)”.

Eric Westbury

 

JIM BYRNES “Long Hot Summer Days” (Black Hen Music)

(5*****)

Welk een magistrale plaat alweer, deze nieuwe van het Canadese bluesfenomeen Jim Byrnes. Op z’n negenenzestigste presenteert de beste man ons zijn misschien wel allerbeste album tot op heden. En geloof ons vrij, dat wil in zijn geval heel wat zeggen! We herinneren u graag even aan enkele van zijn recentere worpen als “House Of Refuge”, “St. Louis Times”, “I Hear The Wind In The Wires” en “My Walking Stick om u een referentiekader te geven. Stuk voor stuk top, die platen, en dat is dus ook voor “Long Hot Summer Days” weer niet anders.

Op die opnieuw door Steve Dawson geproduceerde schijf focust Byrnes vooral op liedjes die hem de kans gunnen om vocaal te excelleren. En daarbij dwaalt hij nogal eens af richting wat er zoal te beleven viel op de radio tijdens zijn eigen jonge jaren in St. Louis. Voor “There’s Something On Your Mind” bijvoorbeeld ging hij in de leen bij het onvolprezen souldier Bobby Marchan. En “Ain’t No Love In The Heart Of The City” herinnert u zich vast ook nog wel in de uitvoering van Bobby “Blue” Bland.

Andere geleende kleinoden zijn onder meer ook nog een ongemeen doorleefde versie van Jesse Winchesters “Step By Step”, gebracht met de nodige vocale ondersteuning van de ook zelf lichtjes geweldige Sojourners, een heerlijk loom pompende bluesversie van “The Shape I’m In” van The Band, een werkelijk sublieme rootsy lezing van Leonard Cohens “Everybody Knows”, een hoogst aparte, lekker naakt gehouden benadering van Willie Dixons “Weak Brain, Narrow Mind”, ingezongen vanop een metertje of tien van de enige microfoon in de buurt, een bijna als vanzelfsprekend van de soul bulkende full band-vlucht doorheen Wilson Picketts “Ninety Nine And A Half (Won’t Do)” en het in één enkele take ingeblikte “Something Inside Of Me”, met daarbij een glansrol voor Steve Dawson op de gitaar. Afgesloten wordt het rijtje covers met de ons onder meer in een uitvoering van Percy Sledge bijgebleven Dan Penn-compositie “Out Of Left Field”.

Tussendoor krijgen we ook nog een drietal originelen voor de kiezen. Twee daarvan schreef Byrnes samen met Steve Dawson. Het titelnummer deed ons in al zijn broeierigheid onwillekeurig terugdenken aan de grote Nina Simone, het zomerse “Deep Blue Sea” anderzijds strandt ergens dicht in de buurt van Van Morrison in zijn hoogdagen ergens diep in de seventies. “Anywhere The Wind Blows” ten slotte is een stomend Dawson-origineel. (Met een topprestatie van Monkeyjunks Steve Marriner op de mondharmonica!)

In de categorie blues & roots ontegensprekelijk één van dé absolute hoogtepunten van 2017, deze nieuwe Byrnes!

Jim Byrnes

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home