CD-recensies september 2018

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

LEON III “Leon III” - AARON LEE TASJAN “Karma For Cheap” - THE UNDERHILL FAMILY ORCHESTRA “Tell Me That You Love Me” - GREGORY ALAN ISAKOV “Evening Machines” - DAVID OLNEY “This Side Or The Other” - PHILIPPE BRONCHTEIN “Me And The Moon” - CHRISTIAN KJELLVANDER “WILD HXMANS” - GARRETT T. CAPPS “In The Shadows (Again)” - PAUL COLLINS “Out Of My Head” - THE BRANDOS “Contribution – The Best Of 1985-1999” en “Live At Loreley” - AUSTIN LUCAS “Immortal Americans” - J.P. HARRIS “Sometimes Dogs Bark At Nothing” - DAVIS KATHRINER “Losing Habits” - MAURICE VAN HOEK “Traveling Man” - LUKE TUCHSCHERER “Pieces” - MALCOLM HOLCOMBE “Come Hell Or High Water” - LITTLE KIM AND THE ALLEY APPLE 3 “Sugarbird” - RYAN MARTIN “Gimme Some Light” - BEN BEDFORD “The Hermit’s Spyglass” - NATHAN BELL “Er Gwaetha Pawb A Phopeth (In Spite Of Everyone And Everything)” - JESSE DAYTON “The Outsider” - CODY CANADA AND THE DEPARTED “3” - PAUL CARRACK “These Days” - WALTER SALAS-HUMARA “Walterio” - CURSE OF LONO “As I Fell” - MOHEAD “Son Of The South” - THE WEIGHT BAND “World Gone Mad” - THE BLACK SORROWS “Citizen John” - THE DEVIL MAKES THREE “Chains Are Broken” - BJ BAARTMANS “Verzamelaar” - JASON MCNIFF “Joy And Independence” - WILLIE NILE “Children Of Paradise” - THE BRANDOS “Honor Among Thieves”, “Gunfire At Midnight”, “The Light Of Day”, “In Exile – Live”, “Pass The Hat” en “Nowhere Zone” - OSBORNE JONES “Ever Closer” - RORY BLOCK “A Woman’s Soul, A Tribute To Bessie Smith” - STACIE COLLINS “Stacie Collins” - GREYHOUND “Double Sixty” - I SEE HAWKS IN L.A. “Live And Never Learn” - PATRICK SWEANY “Ancient Noise” - WEBB WILDER & THE BEATNECKS “Powerful Stuff!” - JENNY VAN WEST “Happiness To Burn” - GORDIE TENTREES & JAXON HALDANE “Grit” - SERA CAHOONE “The Flora String Sessions” - DUMONT “Dumont” - THE WOOD BROTHERS “One Drop Of Truth” - DANA FUCHS “Love Lives On” - KAREN JONAS “Butter” - CARTER SAMPSON “Lucky” - PARKER MILLSAP “Other Arrangements” - TAMI NEILSON “Sassafrass!” - AMERICAN AQUARIUM “Things Change” - THE SLOCAN RAMBLERS “Queen City Jubilee” - STEVE DAWSON “Lucky Hand” - WILL STEWART “County Seat” - GRETCHEN PETERS “Dancing With The Beast” - AVI JACOB “Surrender” - CALEB CAUDLE “Crushed Coins” - ULTAN CONLON “Last Days Of The Night Owl” - SHAGGY DOGS “All Inclusive” - EUGENE RUFFOLO “Canto Per Mangiare: La Musica” - DANNY BRYANT “Revelation” - THE BONNEVILLES “Dirty Photographs” - PHARIS AND JASON ROMERO “Sweet Old Religion” - HANNAH SANDERS & BEN SAVAGE “Awake” - LANGHORNE SLIM “Lost At Last Vol. 1” - HAMISH ANDERSON “Trouble” - MICHAEL MCDERMOTT “Out From Under” - GERRY SPEHAR “Anger Management” - SAM MORROW “Concrete And Mud” - DIETER VAN DER WESTEN BAND “Me And You” - DAN ISRAEL “You’re Free” - KRISTOFFER BOLANDER “What Never Was Will Always Be” - GRANT PEEPLES & THE PEEPLES REPUBLIK “Settling Scores Vol. II” - THE TEXAS GENTLEMEN “TX Jelly” - LUCKY BONES “Matchstick Men” - RANDALL BRAMBLETT “Juke Joint At The Edge Of The World” - ANNIE KEATING “Ghost Of The Untraveled Road” - BEN REEL “Land Of Escape” - SERA CAHOONE “From Where I Started” - ABE PARTRIDGE “Cotton Fields And Blood For Days” - THE DESLONDES “Hurry Home” - COLD TONE HARVEST “After You” - AUDUN SKJOLBERG “Last Days On Earth” - TRAILHEAD “Keep Walking” - JEB BARRY AND THE PAWN SHOP SAINTS “Texas, etc…” - JUKE JOINTS “Live – 35 Years Of Rock Rollin’ Blues” - THE BLUESBONES “Chasing Shadows” - DEAD BRONCO “Driven By Frustration” - SHORTY JETSON AND HIS RACKETEERS “Shorty Jetson And His Racketeers” - SHEESHAM AND LOTUS AND ‘SON “Clear The Table” - MEADOW CREEK “’Til Death Us Do Part” - STAN MARTIN “Long Nights” - IAN SIEGAL “All The Rage” - JERRY LEGER “Nonsense And Heartache” - NORA JANE STRUTHERS “Champion” - HIGH LINE RIDERS “Walking Home” - CHIP TAYLOR AKA JAMES WESLEY VOIGHT “Fix Your Words” - DIJSSELDONK “45” - MARKUS RILL “Getting Into Trouble – Twenty Years Of Gunslinging” - THE SECRET SISTERS “You Don’t Own Me Anymore” - SHOVELS & ROPE “Busted Jukebox Volume 2” - US RAILS “We Have All Been Here Before” - JESSE TERRY “Natural” - DEMI KNIGHT “Budapest” - STEVEN TROCH BAND “Rhymes For Mellow Minds” - ADAM JAMES SORENSEN “Dust Cloud Refrain” - KORBY LENKER “Thousand Springs” - SUSANNA “Go Dig My Grave” - TODD KESSLER “About Memory” - CIARA SIDINE “Unbroken Line” - KEEGAN MCINROE “A Good Old Fashioned Protest” - MARY BATTIATA & LITTLE PINK “The Heart, Regardless” - 3HATTRIO “Lord Of The Desert” - PENNYLEEN “Still Waters / Savage Waves” - BRUNO DENECKERE FEATURING NILS DE CASTER “I Remember The Day” - ZACHARY RICHARD “Gombo” - THE LYNNES “Heartbreak Song For The Radio” - RAVEN & RED “We Rise Up” - KYLE CAREY “The Art Of Forgetting” - EMILY HERRING “Gliding” - ED ROMANOFF “The Orphan King” - MATTHEWS SOUTHERN COMFORT “Like A Radio” - ALL THE LUCK IN THE WORLD “A Blind Arcade” - TORGEIR WALDEMAR “Jamais Vu” - JOAN BAEZ “Whistle Down The Wind” - AD VANDERVEEN “Denver Nevada (Still Life)” - PETE ASTOR “One For The Ghost” - THE REVEREND SHAWN AMOS “The Reverend Shawn Amos Breaks It Down” - DARLING WEST “While I Was Asleep” - BEN MILLER BAND “Choke Cherry Tree” - KACY & CLAYTON “The Siren’s Song” - KEVIN MEISEL “Bring It To Light: Unreleased Demos And Songs, 2005-2017” - RICK SHEA & THE LOSIN’ KIND “The Town Where I Live” - BETH NIELSEN CHAPMAN “Hearts Of Glass” - MARK “PORKCHOP” HOLDER “Death And The Blues” - BUFFALO KILLERS “Alive And Well In Ohio” - BILLY & BLOOMFISH “Happy Incomplete” - DAYNA KURTZ WITH ROBERT MACHE “Here Vol. 2” - LILLY HIATT “Trinity Lane” - ALICE DIMICELE “One With The Tide”

 

LEON III “Leon III” (Cornelius Chapel Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Leon III? Leon The Third! Het nieuwe project van voormalige Wrinkle Neck Mules-leden Andy Stepanian en Mason Brent. En wat voor één! Als hun door de je ongetwijfeld ook van z’n werk met onder meer Bonnie “Prince” Billy en Lambchop bekende Mark Nevers geproduceerde eersteling de maatstaf is voor wat nog volgen moet, dan zal hun nochtans ook al verre van misselijke eerdere oeuvre snel vergeten zijn. Zelden een dergelijk sterk debuut gehoord. Wow!

Knappe rootsrockmomenten worden erop afgewisseld met weidse folk-pop en niet zelden met psychedelische invloeden gelardeerde alternatieve country(rock)deunen. Stepanian en Brent regelmatig een flink eind verwijderd van hun voormalige comfort zone dus. Met als opvallendste momentje misschien wel hun eigenzinnige benadering van “Jesus” van de in 1969 verschenen derde van de Velvet Underground.

Als andere absoluut niet te versmaden song beauties op deze onmiskenbare vijfsterrenplaat onthielden wij in eerste instantie vooral het herfstige, volop met steelklanken overladen “Faded Mountain”, het daar ondanks een volstrekt andere invalshoek op de één of andere manier zeer goed bij aansluitende “Paper Eye” en het ingetogen duo “Alberta” en “Between The Saddle And The Ground”.

Superplaat! Zeg, dat wij het gezegd hebben!

Leon III

 

AARON LEE TASJAN “Karma For Cheap” (New West Records / PIAS)

(4****)

Of Aaron Lee Tasjan na “Karma For Cheap” in de betere platenzaak nog lang in de bak met nieuwe Americana aan te treffen zal zijn is nog maar de vraag. Veel heeft wat hij op zijn nieuwe plaat doet alvast niet meer met dat genre te maken. Zo ongeveer alles wat hij in z’n jonge jaren aan invloeden heeft opgezogen lijkt er op z’n derde weer uit te moeten. Power pop, glam rock, psychedelica, de Beatles en andere Britpop, Jeff Lynne en diens E.L.O., u zegt het maar. Feit is, dat “Karma For Cheap” bol staat van de catchy momenten. Nogal wat van de nummers erop kunnen zó op de radio. Ze doen eigenlijk nu al volop uitkijken naar meer. En dat “The Rest Is Yet To Come” zoals wordt aangekondigd in het derde nummer van de plaat, vormt wat ons betreft dan ook helemaal geen probleem. Hij doet maar, die Tasjan!

Aaron Lee Tasjan

 

THE UNDERHILL FAMILY ORCHESTRA “Tell Me That You Love Me” (Skate Mountain Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Werkelijk alles, maar dan ook echt alles aan “Tell Me That You Love Me”, het onlangs verschenen debuut van The Underhill Family Orchestra, verraadt een sterke drang naar grootse dingen. De manier waarop het vanuit Mobile, Alabama actieve collectiefje hier en passant onvervaard de meest uiteenlopende invloeden op z’n muzikale canvas kwakt spreekt niet enkel ogenblikkelijk tot de verbeelding, het blijkt op de koop toe nog eens allemaal rete-catchy ook.

Op fundamenten van folk-rock kan hier nagenoeg alles. Het ene moment neigt het ongegeneerd naar (rootsy) pop, het andere is de ondertoon er één van blues(rock) dan wel soul. Southern rockelementen hoorden we hier en daar ook. Ja, zelfs een toefje muzikaal New Orleans liet zich aanwijzen.

Nadrukkelijk iets voor avontuurlijk ingestelde muziekliefhebbers dus, dit aanstekelijke kleinood! Voor de productie ervan tekende Noah Shain.

The Underhill Family Orchestra

 

GREGORY ALAN ISAKOV “Evening Machines” (Dualtone / Suburban)

(5*****)

Schrijft u het alvast maar op: dit wordt één van dé indie-succesverhalen van het najaar! “Evening Machines” wordt gegarandeerd het album van de doorbraak voor de vanuit het verre Colorado actieve zingende songsmid Gregory Alan Isakov. Kan in onze ogen haast niet anders! Met twaalf songs van dit kaliber onder de arm zullen er op korte termijn ongetwijfeld héél veel deuren voor de beste man opengaan.

De een daytime job als boer aan een avondlijk bestaan als songwriter koppelende Isakov ontwikkelde zich de voorbije jaren in alle rust tot een ware grootmeester in het combineren van elementen uit de genres folk en alternatieve rock. Met doorgaans eerder donker van ondertoon uitvallende liedjes wist hij beetje bij beetje een alleraardigste fanschare aan zich te binden. Met als voorlopig hoogtepunt ontegensprekelijk een goed en wel twee jaar geleden verschenen samenwerking met de Colorado Symphony gevuld met orkestrale herwerkingen van een aantal fan favorites van z’n eerdere platen.

Die plaat was al héél erg goed, maar z’n nieuwe, “Evening Machines”, is wat ons betreft nog zóveel beter! Isakovs zonderling aantrekkelijke murmelzang, ingetogen gitaargetokkel en al even introverte pianobijdragen vormen daarop naar goede gewoonte weer de hoekstenen voor het gebrachte. Keyboards, lap steel, zingende zaag, strijkers, wat banjo, vanuit de verte hier en daar een elektrische gitaar en wat percussie of elektronische drums maken het af. Voorop staat daarbij te allen tijde het intimistische karakter van de liedjes.

Beluister bij gelegenheid zeker eens het trio “Berth”, “Chemicals” en “Dark, Dark, Dark”. Wedden, dat ook u daarna gegarandeerd verkocht zal zijn?

Op 20 november aanstaande staat Isakov op de planken van de Brusselse Botanique. Een week later, op 27 november meer bepaald, doet hij ook Amsterdam aan voor een optreden in poptempel Paradiso.

Gregory Alan Isakov

 

DAVID OLNEY “This Side Or The Other” (Black Hen Music)

(3,5****)

Voor zijn nieuwe album “This Side Or The Other” riep grijze singer-songwritereminentie David Olney de hulp in van de Canadese alleskunner Steve Dawson. Een goeie zet, zo blijkt nu. Samen met Dawson en andere gasten als Anne McCue, de McCrary Sisters, Fats Kaplin en Charlie McCoy blikte Olney immers andermaal een erg knap album in.

Geen conceptalbum, aldus de beste man zelf daarover, al geeft hij wel toe, dat er best wel wat terugkerende thema’s zijn. Met name de vele verwijzingen naar muren in de liedjes vallen op. “I wanted to explore the idea of walls,” liet Olney daarover zelf nog optekenen, “What does a wall mean? What does it mean to be an immigrant who comes upon that wall as a wanderer, someone lost and alone?” Erover reflecteren leverde hem verrassend uiteenlopende resultaten op. En die presenteert hij ons nu in tien rootsy pop en Americana songs die zijn status van songwriter’s songwriter alleen nog maar meer zullen cementeren.

Onze favorieten: het naar onze bescheiden mening best wel wat Youngiaans aandoende “I Spy”, het samen met Anne McCue en John Hadley gepende titelnummer en vooral ook centrepiece “Wall” en Olney’s rootsy cover van de Zombies-hit “She’s Not There”, al houden we toch nog altijd meer van het origineel.

Tussen 12 en 23 oktober zakt Olney af naar Nederland voor een aantal de release van “This Side Or The Other” ondersteunende optredens. Stops in Bakkeveen, Leusden, Grootschermer, Oentsjkerk, Den Haag, Volendam, Utrecht, Aalsmeer, Eindhoven en Westwoud staan daarbij op het programma. Voor meer en preciezere info vooral ook verwijzen we je hier graag naar de webstek van David Olney zelf.

David Olney

 

PHILIPPE BRONCHTEIN “Me And The Moon” (Philippe Bronchtein)

(4,5*****)

Hét grote voordeel van zo intensief met Americana bezig zijn als ons is, dat er je met enige regelmaat echte pareltjes in de schoot worden geworpen die je anders gegarandeerd ontgaan zouden zijn. Neem nu zoiets als “Me And The Moon” van Philippe Bronchtein. We horen het u al denken: “Philippe wie?” Philippe Bronchtein dus. Aka Hip Hatchet. Misschien zegt die naam u wél al wat. Onder die vlag bracht Bronchtein immers al een drietal langspelers uit en tourde hij naar verluidt ook al uitgebreid doorheen zowel de States als het Verenigd Koninkrijk.

Ons bleef Bronchtein zoals hoger al aangegeven tot voor kort volslagen onbekend. En da’s een gegeven dat we afgaande op de echt torenhoge kwaliteit van “Me And The Moon” absoluut dienen te betreuren. Het betreft daarbij immers een ronduit geweldig te noemen, acht songs rijke collectie liedjes, naar eigen zeggen reflecterend “on the last decade of touring”. Heerlijk ingetogen spul, volop profiterend van de hese, zachtrauwe stem, de akoestische gitaarwondertjes en het ondersteunende toetsenwerk van Bronchtein zelf, de introverte pedal steel- en dobrobijdragen van James Montgomery en fraaie harmony vocals van Anna Hoone. Raakpunten zijn er wat ons betreft onder meer met Bruce Springsteen zo ongeveer ten tijde van “Nebraska”, Robert Earl Keen in ballademodus en vooral ook de onvolprezen Darden Smith.

“Me And The Moon” is voor ons één van dé verrassingen van 2018 so far. Hoe dan ook een kanjer van een aanrader voor allen die hun singer-songwriters graag zo intimistisch mogelijk bezig weten. Doe er vooral je voordeel mee!

Philippe Bronchtein

 

CHRISTIAN KJELLVANDER “WILD HXMANS” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Geen beter moment voor de Zweed Christian Kjellvander om de wereld te bestoken met een nieuw album dan nu. Zowel wat betreft het inhoudelijke aspect van zijn nummers als de vormgeving ervan kan je spreken van op het juiste moment de juiste plaats aandoen. Dat laatste is niet echt iets nieuws. Met zijn best wel wat aan die van David Sylvian, die van Nick Cave en die van Leonard Cohen ook wel herinnerende stem en zijn vaak wat herfstig aandoende liedjes komt Kjellvander nu eenmaal het best tot zijn recht in de maanden oktober en november. De vallende blaadjes en de fameus wat langer wordende avonden, je weet wel. Die periode wanneer al langer sluimerende depressies graag hun slag slaan. Dan en echt alleen dan grijpen Kjellvanders op fundamenten van folk, blues, Americana, rock en free jazz opgetrokken songbouwsels je als luisteraar genadeloos bij de keel. Van de quasi perfecte soundtrack bij dat jaargetijde spreek je dan eigenlijk.

In de acht nieuwe nummers op “WILD HXMANS” heeft Kjellvander het onder meer over afscheid nemen, over vertrekken, over ontsnappen ook en over het gevoel gepaard gaand met aankomen in een nieuwe wereld. Een even heikel als actueel thema. Misschien nog wel het best geïllustreerd door een liedje als “Curtain Maker”, waarvoor onze man zich liet inspirereren door een ontmoeting met een Syrische in het Italiaanse Verona. Zoals überhaupt heel wat liedjes hier hun oorsprong vonden in het leven van Kjellvander zelf overigens. Al lerend leven en er dan over schrijven is immers zo ongeveer het motto van de Zweed.

Onze luistertips: het trio “Strangers In Northeim”, “Curtain Maker” en “Stiegga”, drie voor het geheel best wel representatief te noemen nummers.

Christian Kjellvander

 

GARRETT T. CAPPS “In The Shadows (Again)” (Shotgun House Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Elk jaar opnieuw is het weer van dat… Telkens als ik denk mijn plaat van het jaar beet te hebben, dan duikt er compleet onverwacht toch weer één op die me serieus aan het twijfelen brengt. En misschien wordt het dus toch wel niet “Come Hell Or High Water” van Malcolm Holcombe maar wel deze “In The Shadows (Again)” van Garrett T. Capps. Misschien. De volgende weken zullen het moeten uitwijzen. Feit is, dat Capps met zijn nieuwe worp het soort van album heeft afgeleverd waar je als liefhebber van alternatieve country eigenlijk absoluut niet omheen kan. Die door hemzelf en Lucas Oswald geproduceerde opvolger van “Y Los Lonely Hipsters” is immers in één woord briljant.

Gelijk vanaf openingsnummer “Born Into A Ballroom” was het voor ons alvast volop prijs. De licht getormenteerde zang van Capps zelf, een voorzichtig betokkelde akoestische en zeker ook de van een haast buitenaardse schoonheid zijnde steelgitaarbijdrage van B.J. Cole maken van dat etherische kleinood een absoluut blijvertje. Echt bloedmooi! Vervolgens is er met “Go Home” een eerste countrymomentje. Country genre een Green On Red dan. De fameuze smeulende fluim in het kampvuur waarover wijlen Patrick De Witte het ooit had…

Titelnummer “In The Shadows (Again)” op zijn beurt zwalpt quasi dronken heen en weer tussen de polen Cash, Parsons en Westerberg, “The Interstate 35 Waltz” is opnieuw tot heel erg diep onder de huid gaande steelzwangere schuurpapieren alt-country en het daaropvolgende, enigszins experimentele “Here Right Now” wordt door Capps zelf terecht omschreven als “The War On Drugs meets Gram Parsons”. Tot daar Kant A.

Kant B opent met het hoogst aparte, qua ritmiek aan een zwaar onder de pillen zittend tot stand gebrachte versie van Phil Spectors Wall of Sound herinnerende “Dancing Hands”. “Baby Please” is vervolgens weer klassieker alternatief countryspul, de sleper “Harness The Light” moet het aansluitend daarop vooral hebben van een bijna filmische sfeerschepping en dat geldt bij nader inzicht eigenlijk ook wel voor de epische proporties aannemende afsluiter “Trouble’s Callin’”.

Hoe dan ook nu al één van dé echte highlights van 2018, dit “In The Shadows (Again)”!

Tot slot ook nog even meegeven, dat Capps op 19 oktober aanstaande samen met de Ian Siegal Band De Casino in Sint-Niklaas aandoet voor een ongetwijfeld spraakmakende double gig.

Garrett T. Capps

 

PAUL COLLINS “Out Of My Head” (Alive Naturalsound Records / V2)

(4****)

Jeugdheld Paul Collins bewijst op zijn nieuwe album “Out Of My Head” dat hij ook op latere leeftijd nog niet veel van zijn pluimen verloren heeft. Een stuk in de zestig is hij ondertussen, maar dat belet hem absoluut niet om te stralen als in zijn jonge jaren. Heel even herleven zo weer de dagen waarin hij ons met de Nerves, de Breakaways en met name ook The Beat wist te bekoren. De absolute hoogdagen van het power-popgenre, zeg maar.

Ruim elf nummers lang is het op ’s mans nieuwe plaat genieten geblazen. Van de nog redelijk rechtlijnige gitaarpop van opener “In And Out Of My Head” tot het in het zog daarvan tegen een strak tempo volop Collins’ late seventies spirit weer tot leven wekkende “Go”, van het over een bedje van melodieus rinkelende gitaarklanken gedrapeerde en heel erg sixties aandoende “Kind Of Girl” tot het catchy, bij momenten een heel klein beetje aan de vroege Beatles herinnerende “Just Too Bad You’re Leaving”, van de leuke trage “Emily” tot het sympathiek een eindje weg rockende “Midnight Special”, van het opnieuw over een supermelodie aan de man gebrachte “You Belong To Me” tot het bezwerende, op ongemeen sfeervolle wijze flink gas terugnemende “Killer Inside”, van de knappe ballad “Lost Again” tot het afsluitende tweetal “Tick Tock” en “Beautiful Eyes”, hier stoot je op het soort van compleet elftal waar zo menig een voetbaltrainer dezer dagen alleen maar kan van dromen.

Dikke, dikke aanrader!

Paul Collins

 

THE BRANDOS “Contribution – The Best Of 1985-1999” en “Live At Loreley” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(---)

We hadden het hier enkele weken geleden al aangegeven, ook over de laatste twee delen in de door het Duitse Blue Rose Records ingezetten reeks reissues gewijd aan de Brandos zouden we ons nog buigen. En bij deze is het dus eindelijk ook zover. Met “Contribution – The Best Of 1985-1999” (4****) en “Live At Loreley” (4****) belandden zopas de twee albums waar wij eigenlijk het meest hadden naar uitgekeken op onze schrijftafel.

Bij het eerste van de twee betreft het een in 1999 voor het eerst op de mensheid losgelaten compilatie met het beste van de vijf op dat moment al verschenen studioplaten van Dave Kincaid en de zijnen, aangevuld met een tweetal eerder niet verkrijgbare songs. Openingsnummer “Hallowed Ground” en het afsluitende “My Way To You” meer bepaald. Het eerste behoort wat ons betreft effectief tot het allerbeste van de Brandos. Het betreft daarbij immers een heerlijke, meerstemmig gebrachte lap roots rock die zich gelijk vanaf je eerste beluistering ervan knus tussen je oren nestelt, terloops volop uitnodigend tot meezingen. En ook “My Way To You” mag er bij nader inzicht best wel wezen. Deed ons op de één of andere manier een beetje denken aan het vroegwerk van R.E.M., dat kleinood. Tussen die beide polen treffen we verder ook nog verwacht en minder verwacht spul als “Gettysburg”, “Nothing To Fear”, “Gunfire At Midnight”, “The Solution”, “Partners”, “The Light Of Day”, “The Warrior’s Son”, een akoestische versie van “We Are No Man”, “The Siege”, “Tell Her That I Love Her”, “The Other Side”, “My Friend, My Friend”, “Trial By Fire” en “Contribution” aan. Niet van de partij en dat wekte hier toch wel de nodige verwondering, de cult classic “Strychnine”. Strange…

Nummer twee is in wezen hét snoepje van de hele reeks! Daarbij gaat het immers om het voorheen enkel een poosje via Dave Kincaids eigen label Haunted Field Music verdeelde en al snel uitverkochte “Live At Loreley”. Nu voor het eerst ook officieel verkrijgbaar in Europa en voor het eerst ook digitaal. In concreto betreft het een Rockpalast-registratie van het concert dat Dave Kincaid, Ernie Mendillo, Frank Giordano en Tom Engels op 9 juli 1999 in het Duitse St. Goarshausen afwerkten. Een heerlijk strakke set roots rock, nog aangevuld met twee verdere live-kostelijkheden. Het al in 1987 op het Stadtfest in Bremen vereeuwigde “Strange Interiors” meer bepaald en de in het najaar van ’98 in de Kongresshalle in Giessen aan tape toevertrouwde Little Richard-cover “I Got It”. “Can’t Go Home”, “The Solution”, “Trial By Fire”, “Nothing To Fear”, “The Warrior’s Son”, “My Father’s Gun / Connachtmans’s Rambles / The Mist Covered Mountain”, “Gettysburg”, “Walk On The Water” en “Gunfire At Midnight” vervolledigen het plaatje.

The Brandos

 

AUSTIN LUCAS “Immortal Americans” (Cornelius Chapel / Sonic Rendezvous)

(4****)

Met grote ogen, een weinig verdwaasd zou je bijna zeggen staart singer-songwriter Austin Lucas je vanop het hoesje van zijn nieuwe album aan. Met die zevende studioplaat van ‘m, het onlangs verschenen “Immortal Americans”, zet de beste man een punt achter de ongetwijfeld meest turbulente periode in zijn leven. Daarin kwam hij niet enkel als winnaar uit een gevecht met de drankduivel, maar vooral ook als een ander mens. Samen de strijd aangaan tegen kanker met zijn nieuwe levenspartner en een break-up met zijn oude platenlabel bleken uiteraard ook zware lasten om te dragen, maar ze wezen Lucas ook de weg richting andere – Betere! – levensinzichten. En die kleuren nu uiteraard ook volop zijn nieuwe plaat.

Dat door Lucas samen met Will Johnson van Centro-Matic geproduceerde geheel markeert bij nader inzicht een terugkeer naar de eigen roots. Naar zijn voormalige thuishaven in Bloomington, Indiana meer bepaald. De vele veranderingen in zowel z’n vertrouwde omgeving uit zijn jonge jaren als zijn eigen recente leven vormen evenveel dankbare onderwerpen voor een reeks tot hun naakte essentie herleide heartland rock songs en Americana beauties die je als luisteraar moeiteloos zullen weten te boeien. Of hoe minder, zoals wel vaker juist tot meer leidt.

Vrolijk word je er lang niet altijd van, van wat Lucas hier allemaal te vertellen heeft. Maar dat hoeft natuurlijk ook niet. Vindt ook hijzelf. “Not all of this is happy stuff, but there’s hope,” liet hij recentelijk zelf optekenen. “There’s a light in the darkness. I really do believe in second and third chances, because I know how many chances I’ve received. You have to keep fighting, because that’s what makes life worth living.” En knappe platen als “Immortal Americans” helpen daar alleen maar bij natuurlijk.

Austin Lucas

 

J.P. HARRIS “Sometimes Dogs Bark At Nothing” (Free Dirt / Music & Words)

(5*****)

Ruim vier jaar liet hij ons snakkend wachten op een nieuw album, den J.P. Harris, en dan kan je maar beter stevig uitpakken, he, als je niet de nodige kritiek met betrekking tot die kloeke break wil oogsten. En dat is dan ook exact wat onze vriend doet. In een productie van de je vast ook wel van Old Crow Medicine Show bekende Morgan Jahnig strooit hij weer kwistig met fraai countrywerk in het rond.

Openingsnummer “JP’s Florida Blues #1” is er al gelijk vol op. In die heerlijk strak richting je benen mikkende countryrocker heeft Harris het enkele minuten lang over de vroeg of laat schijnbaar onvermijdelijk opduikende mindere kanten van een leven on the road. Woorden à la “I lost my mind out on the highway seeking my inspiration with my nose,” zijn wat dat betreft wellicht a priori al veelzeggend genoeg. Het meteen daaropvolgende “Lady In The Spotlight” is ook al zo’n beauty. Die bedaard verhalende ballad mag wat ons betreft zo naast iets als de classic “Gentle On My Mind” van de betreurde Glen Campbell. Echt een onwaarschijnlijk mooi nummer, dat liedje! De #MeToo-beweging heeft er allicht een nieuwe held mee bij.

Een volgend hoogtepuntje is “When I Quit Drinking”. Zonder meer één van de meest persoonlijke songs op het repertoire van Harris tot op heden. Als hij met net niet trillende stem verkondigt “When I quit drinking, I start thinking about starting up again,” dan zegt dat veel over zijn eigen getroubleerde recente verleden. In “Long Ways Back” gaat onze man daarna even ongegeneerd aan het croonen alvorens met titelnummer “Sometimes Dogs Bark At Nothing” opnieuw een echt pareltje te droppen. Akoestische Americana van het werkelijk allerbeste soort is dat.

Resten er ons dan nog: de best wel wat aan de hoogdagen van Jerry Reed en co herinnerende retro countryroadrocker “Hard Road”, de als klassieke countrysleper verpakte drinking song “I Only Drink Alone”, het bedaarde “Runaway”, de oorstrelend mooie pianoballade “Miss Jeanne-Marie” en afsluiter “Jimmy’s Dead And Gone”, een niets minder dan wervelende streep country van het eerder alternatieve (outlaw)type.

In de categorie country ontegensprekelijk één van dé platen van het jaar, deze nieuwe van J.P. Harris. En wat ons betreft dan ook een echte musthave.

J.P. Harris

 

DAVIS KATHRINER “Losing Habits” (A*mano Recordings)

(4****)

Ooit behoorde het Amerikaanse collectiefje Wagon tot het uiterst selecte kransje met onze favoriete Americana acts. Wij konden maar geen genoeg krijgen van platen als “No Kinder Room”, “Anniversary” en “Beauty Angel Queen”. Veel mooiere muzikale hattricks als dat tussen 1996 en 1999 verschenen drietal lijken ons ook nu nog amper denkbaar. En dus zijn we ook maar wat blij om de tandem Davis Kathriner zoveel jaren later opnieuw aan elkaars zijde te zien opduiken. Ben Davis waren we door de jaren heen zo ongeveer compleet uit het oog verloren, Danny Kathriner van zijn kant zagen we na het uiteenvallen van Wagon onder meer nog opduiken bij Cave States, de Rockhouse Ramblers, The Accomplices en Half Knots.

Op “Losing Habits” laten Davis en Kathriner dezer dagen ongegeneerd oude tijden herleven. Hun veelal eerder ingetogen, niet zelden enigszins herfstig aandoende Americanadeuntjes herinneren volop aan de hoogdagen van de Jayhawks, Whiskeytown en Wagon uiteraard ook. Americana in sepia lijkt het wel. Met instrumentale hoofdrollen voor met name akoestische gitaren, pedal steel, piano, Wurlitzer en Hammond. En met als speciale blikvanger een gastbijdrage van fan van het eerste uur Laura Cantrell. Met haar penden en brengen Davis en Kathriner de ongemeen mooie ballad “Breakfast Table”. En da’s samen met het soulvolle “Same For You”, een samenwerking met de recentelijk nog zelf haar debuut afgeleverd hebbende Lauren Balthrop, meteen ook één van dé absolute hoogtepunten van “Losing Habits”.

Heel blij jullie terug te hebben, heren!

Davis Kathriner

 

MAURICE VAN HOEK “Traveling Man” (Dox Records)

(4****)

’t Is dat zijn naam maar weinig twijfel over zijn afkomst laat bestaan, anders hadden we Maurice van Hoek op basis van het op “Traveling Man” gebodene gegarandeerd ergens in de States gesitueerd. Aan de goeie kant van Nashville meer bepaald. Maar van Hoek is dus wel degelijk een Nederlander. En hij blijkt met “Traveling Man” na het in 2016 verschenen “Live Forevermore” inmiddels ook al aan zijn tweede album toe.

“Een collectie van gebeurtenissen,” noemt de beste man zelf de elf liedjes van die nieuwe plaat, “herinneringen die ik tot op de dag van vandaag kan herleven.” Een goed uitgangspunt, zo blijkt al snel. Het nogal wat Americana-terrein bestrijkende elftal op “Traveling Man” bestaat immers uit louter winners. Door van Hoek zelf genoemde invloeden als James Taylor en de Eagles zijn daarbij vrij duidelijk aanwijsbaar. Wij van onze kant hoorden ook echo’s van Jackson Browne en vooral ook van Radney Foster terug. Net als die laatste verstaat van Hoek de kunst van het variëren tot in de perfectie. Fraaie tragen als “Darlene” en “Time Of Need” worden vaardig afgewisseld met flink wat vlotter spul à la het titelnummer, het uiterst radiogenieke “Losing My Mind” en het zwierige, ons bij nader inzicht best wel wat aan de jonge Rodney Crowell herinnerende “Just A Fool”.

Veel Amerikaanser kan je als Lagelander naar ons gevoel amper klinken! Echt wel een ijzersterke plaat!

Maurice van Hoek

 

LUKE TUCHSCHERER “Pieces” (Clubhouse Records)

(3,5****)

De Brit Luke Tuchscherer laat er op zijn nieuwe maar weinig twijfel over bestaan: voor hem mag het er allemaal weer best wat ruiger aan toegaan dan op de twee nochtans goed onthaalde voorgangers ervan, zijn solodebuut “You Get So Alone At Times That It Just Makes Sense” uit 2014 en “Always Be True” van vorig jaar.

Gelijk vanaf opener “Sudden Getaway” vliegt hij er stevig in, zó de toon zettend voor een album vol met knappe Americana en roots rock recht in het zog van zijn inmiddels ter ziele gegane oud-groep The Whybirds en met duidelijke raakpunten met acts als Neil Young, John Mellencamp, Tom Petty en Bruce Springsteen.

Topmomenten van “Pieces” zijn wat ons betreft naast het hoger al even genoemde “Sudden Getaway” het met een bluesy vibe en vlijmscherp gitaarwerk gekruide “The MF Blues”, het wel heel erg Youngiaans aandoende “Requiem” en het titelnummer. Van de wat rustigere dingen bleef ons vooral “Charing Cross” bij.

Luke Tuchscherer

 

MALCOLM HOLCOMBE “Come Hell Or High Water” (Gypsy Eyes Music / Proper)

(5*****)

Er zijn maar weinig singer-songwriters die mij keer op keer opnieuw zo diep weten te raken als de Amerikaan Malcolm Holcombe. Met zijn berookte stem als zijn voornaamste bondgenoot laat hij op het canvas van mijn ziel steeds weer de fraaiste miniatuurtjes achter. Elke nieuwe Holcombe-plaat is zoveel als een Americana master class. Ook “Come Hell Or High Water” weer. No doubt about that!

Bij het inblikken van die door Marco Giovino en Jared Tyler geproduceerde nieuwe van ‘m mocht Holcombe voortdurend rekenen op de steun van roots-echtelieden Iris DeMent en Greg Brown. En ook Kerri Powers bleek present voor wat muzikale hand- en spandiensten. Met z’n allen tekenden zij voor een geheel dat moeiteloos tot het allerbeste van Holcombe tot op heden behoort. En geloof ons, dat wil heus wat zeggen! De dertien songs erop zijn echt zonder uitzondering briljant te noemen. En in zijn teksten is Holcombe this time around zelfs veeleisender dan ooit voor zijn publiek. Geen wonder, dat hij door op dat vlak zelf een serieuze reputatie genietende collegae als een David Olney en een Darrell Scott en anderen op handen wordt gedragen.

Sfeergewijs ebt “Come Hell Or High Water” heen en weer tussen lieflijk en creepy, tussen aandoenlijk en beklijvend, tussen getormenteerd en vasthoudend aan dat fameuze laatste greintje hoop. Onmogelijk om tussen de dertien nummers erop stand-outs aan te wijzen. Werkelijk elk van de liedjes op “Come Hell Or High Water” verdient ons inziens dat predikaat. En ik denk dan ook, dat ik mijn plaat van het jaar jaargang 2018 hiermee al ken…

Malcolm Holcombe

 

LITTLE KIM AND THE ALLEY APPLE 3 “Sugarbird” (Sugarbird Recordings)

(4****)

Ondertussen iets meer dan twee jaar geleden toonden wij ons hier al flink in onze nopjes met “The Longest Mile” van nachtegaaltje Little Kim en haar Alley Apple 3 en dat doen we graag nog eens een keer over naar aanleiding van opvolger “Sugarbird”. Ook dat geheel blijkt op de keper beschouwd immers weer goed voor tien lappen onvervalst Belgisch muziekplezier in retrostijl.

Afgetrapt wordt er met het extreem catchy “So Long, Sandro!”. In dat sympathieke R&B-kuitenbijterje vechten de engelachtige stem van frontvrouwe Kimberley Claeys en de sax van Hans Verhelle een fel gesmaakt robbertje uit om je aandacht. En die twee blijken ook de meest in het oog springende ingrediënten van titelnummer “Sugarbird”. Al willen we hier de rol van de bas van Selim Meiresonne in dat wel erg radiovriendelijke kleinoodje ook zeker niet onderschatten. Via de achterbuurtenjazz van “Sacramento Flood”, het heerlijk ingehouden swingende “Two Timing Roscoe” en oorwurm “Ooh La Blues” gaat het daarna snel richting onvervalste steelbeladen country met de ballad “Crow Moon”, Claeys’ signature song, het z’n naam tussen aanstekelijke handclaps door terloops alle eer aandoende “Little Kim’s Blues”, en het wervelende “Big Bill”. Afgerond wordt er met een ook al erg knap duo, te weten de swingende countrydeun “Singing Tires” en het bezwerende, redelijk bluesy aandoende “Snake Charm”.

Wat ons betreft een duidelijk geval van all killer no filler. Warm aanbevolen alleszins aan elke rechtgeaarde liefhebber van retro roots music.

Little Kim And The Alley Apple 3

 

RYAN MARTIN “Gimme Some Light” (High Moon / V2)

(4****)

Met zijn debuut, het in 2015 verschenen “The Beautiful Losers” zetten de jonge Amerikaan Ryan Martin een punt achter enkele van de zwartste pagina’s uit zijn nog prille bestaan. Die plaat was als het ware het mes waarmee hij het touw aan de molensteen om zijn enkels op het allerlaatste ogenblik wist door te snijden. En eenmaal terug aan het wateroppervlak bleek er plots geen stoppen meer aan. Genoemde plaat deed hem een zwaar auto-ongeval, een verslaving en wat tijd in de bajes op z’n minst tijdelijk vergeten. Hij schreef er als het ware zijn verleden mee van zich af. Catharsis heet zoiets.

En op zijn zopas uitgebrachte tweede, het ook al ontzettend knappe “Gimme Some Light”, bewandelt Martin gewoon verder die ingeslagen weg. Ook nu weer laat hij zijn eigen ervaringen volop toe in zijn songteksten. En die krijgen mede daardoor een beklijvend, niet zelden wat donker randje mee. Een zeker literair karakter ook. Ideaal luistervoer dus voor veeleisende oren, zoals die van heel wat van onze lezers. Zij ervaren met Martin een artiest die uit hetzelfde vaatje tapt als acts als Neil Young, Bruce Springsteen, Ryan Adams en Gillian Welch. Kortom een aankomende topper die graag heel breed gaat en daarbij zowat het volledige spectrum tussen melodieuze rock en Americana bestrijkt. Hij zet je als luisteraar zelfs geregeld even op het verkeerde been.

Als luistertips zouden wij u in willekeurige volgorde de volgende zeven beauties durven te suggereren. Vooreerst de als een ontluikende bloem maar langzaam haar geheimen prijsgevende pianoballade “All The Good Men”. Vervolgens het een weinig Springsteen-eske rockertje “Destitute Darlings”, de knappe Americana van eerste single “Death Of Love”, de folky trage “Parasol”, het echt wel serieus hitgevoelige, met zowel aan R.E.M. in zijn hoogdagen als aan de Byrds herinnerende jengelgitaartjes gelardeerde “Say You Love Me”, de strakke rootsrocker “Dangerously Unplugged” en het catchy “Adeline”.

“Gimme Some Light” is wat ons betreft een plaat die je absoluut wil gehoord hebben!

Ryan Martin

 

BEN BEDFORD “The Hermit’s Spyglass” (Cavalier Recordings)

(3,5****)

Eerder dit jaar werd de vanuit Springfield, Illinois actieve singer-songwriter Ben Bedford uitgeroepen tot één van de winnaars van de Kerrville New Folk Competition. Een wapenfeit waardoor hij nu ook effectief ging thuishoren in het rijtje met gewaardeerde songsmeden als een Robert Earl Keen, een John Gorka, een James McMurtry, een Danny Schmidt, een Jonathan Byrd, een Pierce Pettis, een Diana Jones en anderen die hem als laureaten van die prestigieuze wedstrijd voorafgingen. En goed voor de nodige media-aandacht was dat sowieso. Kan je het Bedford kwalijk nemen, dat hij nu van dat momentum gebruik maakt om een nieuw album op ons los te laten? Uiteraard niet.

“The Hermit’s Spyglass” heet ’s mans nieuwste. Zijn vijfde so far. En het is een soort van conceptalbum geworden. Alles draait in de liedjes erop immers om het leven van Bedford zelve en zijn kat Darwin op hun kleine boerderij op de prairie. Een kleine zevenentwintig minuten lang, keurig verdeeld over gezongen nummers en instrumentale stukken, maakt Bedford ons deelachtig aan wat er in hun vreedzame parallelle universum leeft. Het duidelijkst wordt dat in het mooie “Little Falcon”. Als Bedford daarin zingt “…how I wish that I could fly, then I wouldn’t have to know the unkindness here below” weet je meteen ook waarom hij als hij thuis is teruggetrokken leeft.

Een stel heel fraaie luistermuziekjes levert het alleszins op. Spul dat je tijdens het genieten ervan haast onwillekeurig doet terugdenken aan het materiaal van knapen als een Townes Van Zandt, een Bill Morrissey en in iets mindere mate Woody Guthrie. Tot kunst verheven eenvoud is het. Met de wortels nog heerlijk diep in het leven zelf.

Volgende maand zakt Bedford bij wijze van promotie voor zijn nieuwe schijf af naar Nederland. Tussen 16 oktober en 5 november houdt hij halt in Leiden, Hoorn, Vlierden, Nijmegen, Steendam, Haarlem en Eindhoven. Voor meer en preciezere informatie verwijzen we je hier graag door naar zijn eigen webstek.

Ben Bedford

 

NATHAN BELL “Er Gwaetha Pawb A Phopeth (In Spite Of Everyone And Everything)” (Angry Stick Recording Co.)

(4****)

Nathan Bell is één van die artiesten die niet echt veel nodig hebben om je als toeschouwer bij één van hun concerten verbluft achter te laten. Een akoestische gitaar, een mondharmonica en de eigen stem, meer moet dat niet zijn voor Bell. Voor de rest zorgen zijn songs wel. Dezelfde liedjes, die van onder meer “Black Crow Blue”, “Blood Like A River”, “I Don’t Do This For Love, I Do This For Love” en met name ook z’n recentste “Love>Fear” al zo’n geweldige gehelen hadden gemaakt. Namen als die van Townes Van Zandt, Guy Clark en John Prine werden daarvoor door zo menig een recensent als referentiemateriaal tevoorschijn gehaald. Om maar te zeggen, dat Bell echt wel héél goed is in wat hij doet.

En velen zullen “Er Gwaetha Pawb A Phopeth (In Spite Of Everyone And Everything)” wellicht dan ook met open armen ontvangen. Al gaat het daarbij bij nader inzicht louter om een tussendoortje. Een live-zoethoudertje in afwachting van Bells later dit najaar te verschijnen echte nieuwe plaat, het met louter liefdesliedjes gevulde “Loves Bones And Stars, Love’s Bones And Stars”. “The Bootleg Series, Vol. 17 – Live From Cwitch Coffee, Pembroke Dock, Wales, 11/11/2017” prijkt er als ondertitel op het hoesje. Al dienen we dat vooral niet té serieus te nemen. Bell nam al wel vaker shows op, dat wel, maar dit is de eerste die effectief ook op cd belandde.

Naast een aantal publieksfavorieten van zijn eerder verschenen albums serveert Bell hier ook een viertal nieuwigheden. De meest in het oog springende daarvan is “American Gun”. Dat nummer pende Bell niet zo heel erg lang na het verschijnen van “Love>Fear”. En als er al één ding is dat het bewijst, dan wel dat onze man kort na die worp nog lang niet klaar was met het spuwen van zijn gal naar de nieuwe bewindslui in z’n heimat. Ditmaal kaart hij immers met veel onbegrip de door hen gevoede bizarre wapencultuur in de States aan. Echt een beresterk nummer!

Eind november, begin december zakt Bell voor een aantal optredens naar onze kontreien af. Je zal er wel voor naar Nederland moeten. Meer bepaald Terheijden (Puur Wit, 27-11), Utrecht (Tivoli Vredenburg, 28-11), Amen (De Amer, 30-11), Grootschermer (Museum Nic Jonk, 01-12), Tiel (Thedinghsweert, 02-12), Eindhoven (Meneer Frits, 03-12), Den Bosch (Blue Room Sessions, 04-12), Rotterdam (Walhalla, 06-12) en Bakkeveen (De Slotplaats, 07-12) worden aangedaan.

Nathan Bell

 

JESSE DAYTON “The Outsider” (Blue Élan Records / PIAS)

(4,5*****)

Een nieuw album van Jesse Dayton, da’s altijd opnieuw genieten geblazen! Ontgoochelen deed de beste man ons eigenlijk nog nooit. “Raisin’ Cain”, “Hey Nashvegas!”, “Tall Texas Tales”, “Country Soul Brother”, “South Austin Sessions”, “Holdin’ Our Own” (Met de verrukkelijke Brennen Leigh!), “One For The Dance Halls”, “Jesse Sings Kinky”, “The Revealer”, stuk voor stuk zijn het platen waar we nog altijd graag naar blijven teruggrijpen. En dat zal ook met ’s mans nieuwe worp, het onlangs verschenen “The Outsider”, weer niet anders gaan zijn. Daarop toont Dayton zich immers andermaal een ware grootmeester in zaken roots music American style.

Met het ronduit geweldige “May Have To Do It (Don’t Have To Like It)” neemt hij alvast een vliegende start. Heerlijk rauwe rockabilly met een wat creepy kantje is dat. Het soort van muziekje waarmee de makers van het onvolprezen “True Blood” ooit graag hun soundtracks vulden. Vervolgens is er de swampy stamper “Jailhouse Religion”. Opnieuw een dijk van een nummer. En dat geldt al evenzeer voor song nummer drie. Daarin stapt Dayton immers onvervaard in de voetsporen van één van zijn eigen grote helden, te weten wijlen Waylon Jennings. Een bijzonder lekker streepje ingehouden outlaw country is dat. Met de stomende verhalende bluesrocker “Hurtin’ Behind The Pine Curtain” en de een nadrukkelijke voorliefde voor George Jones verradende traditionele countryrage “We Lost It” wordt daarna kwaliteitsvol komaf gemaakt met Side One.

Side Two wordt vervolgens al even swingend ingezet als de andere kant. Met “Tried To Quit (But I Just Quit Tryin’)” met name. Aanstekelijker wordt country amper nog gemaakt, als u het ons vraagt. Daarna zijn er het vrijwel continu tegen een lekker baslijntje aanschurkende countryrockertje “Charlottesville”, het opnieuw volop aan Waylon Jennings refererende “Belly Of The Beast” en het ingetogen “Burnin’”. Afgesloten wordt er na goed en wel drieëndertig minuten met de misschien wel allerfijnste song van het lot. Met de knappe verhalende country rock van “Killer On The Lamb” meer bepaald. Saving the best for last, heet dat dan zeker…

Jesse Dayton

 

CODY CANADA AND THE DEPARTED “3” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“3”, de nieuwe van Cody Canada And The Departed, zadelt ons op met een soortement back to the future-ervaring. Op die vierde zoekt Canada immers nadrukkelijk aansluiting met zijn eigen verleden om aan zijn toekomst te werken. Het is aangenaam omkijken naar de hoogdagen van zijn Cross Canadian Ragweed en tegelijkertijd toch constant ook één oog op wat nog moet gaan komen gericht houden. Het resultaat is een potje red dirt music om duimen en vingers bij af te likken. Heerlijk gevarieerd ook!

Openingsnummer “Lost Rabbit” blijkt zo bijvoorbeeld een potje konijnengeil gerampetamp tussen blues en (country)rock, “Lipstick” is op zijn beurt catchy Americana singer-songwriterspul van het allerlekkerste soort, “A Blackbird” zoekt heus niet alleen snarengewijs – Met dank overigens aan de banjo van Danny Barnes! – aansluiting bij datgene waarin old-time stringbands ooit met zovelen excelleerden, “Daughter Of The Devil” is een streep vlotjes weghappende roots rock en “One Of These Days” een knappe countrygeschoolde ballad waarin ook Jamie Lin Wilson even haar opwachting maakt. Vervolgens gaat het via de met Robert Earl Keen gedeelde Merle Haggard-cover “Footlights” en het wel erg snedig rockende “Paranoid” richting de wat ons betreft ideale singlekandidaat, het bedaarde “Satellites And Meteors”, de melodieuze countryrocker “Unglued”, het ook al zo sympathiek met z’n kettingen rammelende verhalende “Sam Hain”, het in ergens ver weg aan de Byrds verwante gitaarklanken badende “Song About Nothin’” en het in een eigenzinnig soort van gypsy jazz-sfeertje badende “Better”. Afgesloten wordt er met de tandem “Betty Was Black (And Willie Was White)” en “1800 Miles” (plus verborgen bonus track). Het eerste een bluesy rockertje dat we hier ook al kenden in de uitvoering van Todd Snider van diens album “Happy To Be Here”, het tweede een wolk van een trage, klaar voor een lang leven als publieksfavoriet.

Voor de nodige hulp bij het produceren van “3” riep Cody Canada de steun in van zijn oude maatje Mike McClure. En die zag daardoor vanop de eerste rij het vierde album van The Departed de enigszins vreemde naam “3” meekrijgen, omdat de groep tussentijds tot een trio werd afgeslankt. Naast Canada zelf zijn enkel bassist Jeremy Plato en drummer Eric “Waldo” Hansen nog van de partij. Al kunnen we natuurlijk ook niet om de gastenlijst heen, met daarop naast de al genoemde namen van Danny Barnes, Jamie Lin Wilson en Robert Earl Keen ook nog die van Dierks Canada, Mike McClure, Cody Angel en Joe Hardy.

Cody Canada And The Departed

 

PAUL CARRACK “These Days” (Carrack UK / Bertus)

(4****)

“How Long” als kopstuk van Ace, “Tempted” tijdens zijn passage bij Squeeze, “The Living Years” en vele andere als de stem van Mike + The Mechanics, nee, aan klassiekers hoegenaamd geen gebrek op het repertoire van de Brit Paul Carrack. Met zijn ongemeen soulvolle stem zou die er wellicht zelfs in slagen om een willekeurige bladzijde uit de één of andere telefoongids de hitlijsten in te zingen. Iets wat hij gelukkig voor ons wel niet probeert op zijn nieuwe album “These Days”. Zijn zeventiende overigens al. En één van zijn allerbeste überhaupt.

In totaal elf nummers zong Carrack voor de gelegenheid samen met tal van echte kleppers van studiomuzikanten in. Zelf deed hij zijn ding op onder meer keyboards en gitaren, terwijl onder anderen gitarist Robbie McIntosh, bassist Jeremy Meek en drummer Steve Gadd hun reputatie nog maar eens waar maakten. En als serieus surplus is er dan ook nog eens een door de legendarische Pee Wee Ellis uitgezochte en aangevoerde blazerssectie.

Dat ideale studioklimaat en een handvol lyrics aangedragen door Carracks voormalige Squeeze-maatje Chris Difford zorgden ervoor, dat er eigenlijk amper nog iets fout kon lopen. En dat gebeurde dan ook niet. Volop genieten geblazen is het hier wat ons betreft van werkelijk zalige kleinoden als het warmbloedige openingsnummer, het zich met zijn zomers soulvolle blazersbijdrage gelijk ook als een ideale singlekandidaat presenterende “Amazing”, het met wat reggaegevoel besprenkelde titelnummer, ook al zo’n oorwurm, het lijzig voorbij glijdende “Life In A Bubble”, het een heel klein beetje aan de grote Sam Cooke herinnerende “Tell Somebody Who Cares”, het ongegeneerd op een bluesy groove leunende “You Make Me Feel Good” en vooral ook “Dig Deep”. Dat laatste is een nu al bijna klassieke trage van het genre waarvoor allicht zo ongeveer iedereen die John Hiatts “Have A Little Faith In Me” wel kon smaken onvoorwaardelijk zal vallen.

Très sympa allemaal!

Paul Carrack

 

WALTER SALAS-HUMARA “Walterio” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Soms is het gewoon goed als er niet teveel verandert. Het mag dan al zo zijn, dat verandering van spijs doet eten, naar iets wat lekker is zal je uiteindelijk toch altijd blijven teruggrijpen. En dat is wat ons betreft ook zo ongeveer het uitgangspunt met betrekking tot de dezer dagen aan een serieus tempo verschijnende nieuwe albums van Walter Salas-Humario. Het kopstuk van de Silos verkeert zowat in de vorm van zijn leven. En al zeker wat betreft de omvang van zijn productie.

Op zijn vierde in amper twee jaar tijd strooit Salas-Humara net als op “Explodes And Disappears” opnieuw bijzonder genereus met van de energie bulkende rocksongs om zich heen. Nooit spectaculair vernieuwend of zo, maar wel vrijwel zonder uitzondering héél erg lekker. Van de heerlijke amuse “El Camino De Oro”, een kostelijke hap roots rock in het Spaans, over het als een soort directe verbinding met de Silos te beluisteren “Here We Go” tot het zich aan een lijzig bluesy tempo voorbijslepende “Will You Be Ready”, van het van een aantrekkelijk psych-randje voorziene “She’s A Caveman” over het in lentefris gitaargerinkel badende, bijna lieflijk te noemen popniemendalletje “I Want To Be With You”, een love song zowaar, tot de rootsfunkopstoot en español “Hecho En Galicia”, van de op de keper beschouwd best wel soulvol uitvallende en ons wat aan zowel Peter Wolf als aan Paul Westerberg herinnerende  trage “Come In A Singer” over het ingehouden rockertje “Hard (Only Human)” tot het uit de tandem “Should I Wait For Tomorrow” en “Out Of The Band” bestaande afsluitende tweetal, afval is er, om het maar eens met de woorden van voetbalcoach Frankie Vercauteren te formuleren, in het spel van Walterio – het Spaanse koosnaampje van Salas-Humara – eigenlijk zo goed als niet te bekennen. De enige bedenking die wat ons betreft op haar plaats is, is dat onze man in de ballad “Should I Wait For Tomorrow” misschien toch net wat te hoog voor zijn eigen goed probeert te zingen.

Voor de productie van “Walterio” tekende Salas-Humara zelf. Inspelen deed hij de plaat met z’n Silos-maatje Konrad Meissner achter het drumstel en met verdere bijstand van onder meer Joe Reyes, Jonathan Rundman, Angel Cubero, Rod Hohl, Ryan Williams, Eric Kassel, Billy Donohue en Bruce Martin.

Walter Salas-Humara

 

CURSE OF LONO “As I Fell” (Submarine Cat Records / Bertus)

(4****)

Met z’n debuutalbum “Severed” gooide het Londense vijftal Curse Of Lono vorig jaar bijzonder hoge ogen. En het hoeft dan ook niet echt als een verrassing te komen, dat Felix Bechtolsheimer en zijn discipelen al vrij snel met een opvolger daarvoor op de proppen komen. Ijzers die heet zijn vragen er nu eenmaal om om gesmeed te worden. “As I Fell” heet die tweede, hij werd geproduceerd door Oli Bayston en is, om meteen maar met de deur in huis te vallen, opnieuw ijzersterk.

Elf nummers bevat het geheel en daarvan kunnen er naar onze bescheiden mening heel wat rechtstreeks richting de betere radiostations hier te lande. Met hun ongemeen sfeervolle breedbeeldaanpak lijken Bechtolsheimer en de zijnen immers zowat voorbestemend om vroeg of laat in de collecties van heel wat liefhebbers van het werk van acts als The War On Drugs, Lord Huron, Wilco en aanverwanten te belanden. Hoe ze in hun songs elementen uit Americana en alternatieve rock quasi naadloos in elkaar laten overgaan spreekt ook nu weer vrijwel meteen tot de verbeelding. Het resultaat heeft niet zelden iets etherisch, iets cinemascopisch ook wel over zich. Héél knap! Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar het ingetogen “Kathleen” en je zal meteen begrijpen wat we bedoelen!

Andere echte topmomenten zijn wat ons betreft de over een bezwerende groove neergelegde lome rocker “Blackout Fever”, het al wat oudere, door Bechtolsheimer kort nadat hij heroïne en methadon had afgezworen gepende “And It Shows” en vooral ook afsluiter “Leuven”. Leuven? Yep! In dat liedje grijpt Bechtolsheimer immers terug naar een hem door zijn grootvader verteld verhaal. Die zat op de trein met Duitse voetbalsupporters op weg terug naar huis na de eerste naoorlogse Engeland-Duitsland op Wembley die in 1954 vlak achter Leuven ontspoorde. De beelden van bebloede medereizigers zouden hem voorgoed tekenen. De epische rock song die dat hier oplevert ons waarschijnlijk ook. Eén van de mooiste liedjes van het jaar so far is het sowieso.

Curse Of Lono

 

MOHEAD “Son Of The South” (Rogue Records / Continental Song City)

(4****)

Voor onze eerste kennismaking met John Mohead moeten we al aardig wat jaartjes terug in de tijd. Zeggen en schrijven 1995 was het, toen de beste man, toen nog onder zijn volledige naam, onze aandacht wist te trekken met zijn uitstekende debuutplaat “Lula City Limits”. Als “een eigentijdse erfgenaam van de Delta blues” werd hij naar aanleiding daarvan omschreven door All Music. Als “een singer-songwriter die traditionele Mississippi blues aan een update met invloeden uit Southern rock en country onderwierp”. Een omschrijving waarin wij ons hier alvast helemaal konden vinden.

Later zouden er met “Mary’s Porch” (1998), “For Promotional Purposes” (1999), “Rural Electric” (2000) en “Mohead Live!” (2000) nog eens vier platen verschijnen alvorens Mohead besloot om zich volledig aan zijn gezinsleven en aan zijn andere passie, te weten eten, te wijden. Hij opende een eigen restaurantje luisterend naar de fijne naam “Kathryn’s” en daarin bleef hij tot op de dag van vandaag ook actief. Maar, zoals dat wel vaker het geval is, kroop ook bij John Mohead na verloop van tijd het bloed waar het niet gaan kon en viel de beste man tot ons groot jolijt terug in de armen van zijn eerste grote liefde, de muziek.

Het eerste resultaat van die hernieuwde omarming is het zopas verschenen geheel “Son Of The South”. Een op de keper beschouwd wel erg toepasselijke vlag voor de erop aangeboden lading trouwens, die titel. Zoals ook in het verleden al presenteert Mohead zich hier inderdaad als een echte “zoon van het Zuiden”. Met een mengvorm van Americana, Southern rock en blues, die hem wellicht ook this time around weer de nodige vergelijkingen met acts als Little Feat, de Allman Brothers en Van Morrison zal opleveren wist hij ons alvast probleemloos acht nummers lang te bekoren.

Tussen het openingsnummer, het soulvol loom rockende “Without A Melody”, en de afsluiter van het geheel, de knappe bluesy sleper “She Won’t Be Home”, gebeuren er vrijwel constant knappe dingen. We noemen in dat verband bijvoorbeeld ook graag nog de echt wel uitermate radiovriendelijke Zuiderse Americana van het titelnummer, de een zekere verbondenheid met Nederland verradende ballad “Amsterdam” en de heerlijke melodieuze rootsrocker “Blue Canoe”.

Welcome back, John!

Mohead, Bandcamp

 

THE WEIGHT BAND “World Gone Mad” (Must Have Music / CRS)

(5*****)

Het verhaal van het vanuit Woodstock actieve collectief The Weight Band begint zo ongeveer daar, waar dat van The Band ooit ophield. Initiatiefnemer van de groep is immers Jim Weider, zelf ooit nog lid van de laatste bezetting van dat legendarische rootsmuziekinstituut en later ook betrokken bij de Levon Helm Band. Samen met multi-instrumentalist Marty Grebb, toetsenist Brian Mitchell, bassist Albert Rogers en drummer Michael Bram maakt Weider er dezer dagen een punt van om de goede oude tijden van weleer te laten herleven. En hoe! Debuutplaat “World Gone Mad” is er gelijk één om vingers en duimen bij af te likken.

Met het titelnummer wordt meteen met de deur in huis gevallen. Dat door kopstuk Weider samen met collega Colin Linden gepende rootsy kleinood legt lekker rockend de vinger op de pols van deze hoe langer hoe meer naar het waanzinnige neigende tijden. Vervolgens is er het zo mogelijk nog aanstekelijkere “Fire In The Hole”. Met z’n bluesy ondertoontje herinnert dat vrijwel ogenblikkelijk aan zowel The Band als aan Randy Newman. Bijzonder lekker spul, moet ik zeggen. En dat geldt al evenzeer voor de in het kielzog ervan opduikende Grateful Dead-cover “Deal” met als serieus surplus guest vocals en vooral ook zalig slidewerk van Jackie Greene.

Met het gloedvol soulvolle “I Wish You Were Here Tonight” wordt daarna even wat gas teruggenomen. Bezielde zang, fijn toetsenwerk en dito accordeon- en saxbijdragen maken er een vierde hoogtepuntje op een rij van. Next up is dan “Common Man”. In die nog samen met wijlen Levon Helm en Joe Flood geschreven beauty komen onze vijf protagonisten weer heerlijk bluesy rockend uit de kast alvorens er met de lijzige rootsopstoot “Heat Of The Moment” een einde wordt gebreid aan een ronduit voortreffelijke eerste plaathelft.

De tweede wordt daarna ingezet met het als een soort van credo op te vatten en zijn titel sympathiek waggelend helemaal waar makende “You’re Never Too Old (To Rock ’N Roll)”. Opnieuw een co-write met Helm en Flood. Met het daar werkelijk perfect bij aansluitende “Big Legged Sadie” en een heerlijke Americana-adaptatie van Dylans “Day Of The Locusts” volgen twee verdere uitermate smakelijke hapjes. En ook het afsluitende tweetal blijkt er daarna nog boenk op. “Every Step Of The Way” klinkt zo Band als het maar kan en het live geregistreerde “Remedy” is niets minder dan een open invitatie om The Weight Band zo snel mogelijk ook eens ergens op het één of andere podium te gaan bewonderen.

Wat mij betreft zonder ook maar de geringste aarzeling nu al één van de rootsplaten van het najaar, dit “World Gone Mad”. Om het met de wel heel erg toepasselijke naam van het label samen te vatten: Must Have Music.

The Weight Band

 

THE BLACK SORROWS “Citizen John” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Zelf rekenen wij ons zonder ook maar enige vorm van gêne tot het legertje longtime fans dat al sinds jaar en dag likkebaardend blijft uitkijken naar elke nieuwe release van het Australische collectief The Black Sorrows. Sinds de late eighties, toen we door het ronduit heerlijke “Hold On To Me” voor het eerst overstag gingen voor de muziek van Joe Camilleri en co, viel er dan ook al zoveel moois te beleven in het gezelschap van de Aussies. Niet normaal meer!

Met “Citizen John” zijn de vijf inmiddels al aan hun eenentwintigste album toe. En het moet meteen gezegd: de opvolger van “Faithful Satellite” van een jaar of twee geleden is één van de allerbeste platen op het actief van het kwintet tot op heden. Het geheel mag wat ons betreft zo naast bandklassiekers als het al genoemde “Hold On To Me” en “Harley And Rose”. En dat wil gezien de uitzonderlijke kwaliteit van de liedjes op dat tweetal heus wel iets zeggen.

Camilleri zelf klinkt op “Citizen John” soulvoller dan ooit. En de tien songs die hij en writing partner in crime Nick Smith ervoor aandroegen zijn vintage Sorrows. Heerlijk soulvolle, niet zelden aardig bluesy aandoende rootsdeunen dus, die wellicht geen enkele liefhebber van het genre onberoerd zullen laten. Naast die eigen liedjes wagen Camilleri en de zijnen zich hier voorts ook nog aan covers van Dylans “Silvio”, Nina Simone’s “Do I Move You” en de traditional “Sitting On Top Of The World”. En ook van die taak kwijten ze zich met brio.

Onze luistertips: het over een aanstekelijke, voorzichtig swampy aandoende beat gedrapeerde “Wednesday’s Child”, het ongemeen soulvolle “Lover I Surrender”, het ronduit heerlijke bluesje “Do I Move You”, de knappe, ons bij momenten een heel klein beetje aan enkele van de topmomenten van Dire Straits herinnerende rootspop van “Storm The Bastille” en het ingetogen, bij nader inzicht best wel wat Costelliaans werkende titelnummer “Citizen John”.

Andermaal een echte aanrader van formaat.

The Black Sorrows

 

THE DEVIL MAKES THREE “Chains Are Broken” (New West Records / PIAS)

(4****)

Na hun twee jaar geleden verschenen tip of the hat aan het adres van tal van hun eigen helden “Redemption & Ruin” doen Pete Bernhard, Lucia Turino en Cooper McBean het op hun ondertussen zesde langspeler gewoon weer met uitsluitend eigen materiaal. Iets wat gezien de vaardige pen als verteller van verhalen van Bernhard eigenlijk ook alleen maar logisch is. ’s Mans zich als ware short stories ontrollende liedjes zijn echt om van te smullen. In een procuctie van Ted Hutt wordt daarvoor this time around trouwens muzikaal gezien ook best wel wat breder gegaan. Multi-instrumentalist Stefan Amidon zorgt daarbij als helpende hand voor welgekomen aanvullingen op onder meer drums, tal van percussie-instrumenten, piano, mellotron en harmonium.

Het maakt van “Chains Are Broken” het voor velen wellicht meest toegankelijke album van The Devil Makes Three tot op heden. Het klinkt alleszins als hun meest rijpe so far. Helemaal af. Tot in de puntjes verzorgd. Met naast de gebruikelijke verwijzingen naar genres als Delta blues, ragtime, folk en rock & roll vooral ook een hoog pop-, ja zelfs soulgehalte. Heel wat van de elf songs lijken daardoor klaar om te mogen rekenen op flink wat airplay. In de juiste radiomiddens dan toch.

Ingezet worden de feestelijkheden met titelnummer “Chains Are Broken”, waarin ingehouden twangend wordt teruggekeken op een verleden gedicteerd door een ondertussen afgezworen verslaving. Song #2 is meteen één van de allerlekkerste van het lot. In het zwierig voorbij galloperende “Pray For Rain” bidt Bernhard letterlijk om een fikse regenbui. Die is zijns inziens immers dringend nodig om alles wat dezer dagen zoal fout gaat in de wereld in één vlotte beweging weg te spoelen. Zelf gelooft hij immers volop in de positieve kracht van verandering.

Vervolgens belanden we via de bedaarde roots pop van het ook al zeer diepzinnige “Paint My Face” en het springerige, zijn wortels duidelijk ergens in de sixties en in soulterritorium hebbende “Can’t Stop” – Een hit in wording? – bij de stomende countryrocker “Need To Lose”, de op zalig twangy gitaarwerk geënte trage “All Is Quiet” en het catchy “Bad Idea”. “Deep Down” is aansluitend daarop wat ons betreft dé oorwurm van “Chains Are Broken”. Dat qua ritmiek bij momenten echt wel zwaar aan “She’s About A Mover” van de Sir Douglas Quintet herinnerende kleinood swingt echt als de spreekwoordelijke tiet. Een dijk van een nummer!

Met het duo “Native Son” en “Castles” wordt daarna even aardig wat gas teruggenomen. En met name in dat tweede gebeurt dat op heel fijne wijze. Het resultaat is een ronduit zalige lijzige streep kwaliteitsrootspop. En ook afsluiter “Curtains Rise” is er één van het eerder bezadigde type. Woorden als schuifelend en melancholisch leiden ons inziens recht richting het daardoor geëvoceerde gevoel.

Een erg sterke plaat! Benieuwd, hoe de nabije toekomst er hierdoor voor The Devil Makes Three zal gaan uitzien. Ons zou het alvast niet verbazen, mochten er zich de komende weken flink wat opportuniteiten voor het trio gaan aandienen.

The Devil Makes Three

 

BJ BAARTMANS “Verzamelaar” (Continental Records Services)

(4****)

Dit najaar viert BJ Baartmans zijn twintigjarig jubileum als singer-songwriter. Een feestje dat de veelkunner uit het Nederlandse Boxmeer natuurlijk niet zomaar onopgemerkt voorbij wil laten gaan. Bij wijze van presentje voor zichzelf en zijn talrijke fans verschijnt zo binnenkort al ’s mans nieuwe album “Verzamelaar”. Een titel die als vlag prima zijn lading dekt, zo blijkt al snel. Het gaat bij de dertien nummers erop immers om materiaal dat door de jaren heen om de één of andere reden z’n weg richting Baartmans’ reguliere albums niet wist te vinden.

Sommige van de liedjes op “Verzamelaar” schreef Baartmans in opdracht. “De Trein” bijvoorbeeld voor een songproject over concentratiekamp Kamp Vught. En “Stroom” en “Tiengemeten” herinnert u zich misschien ook nog wel van “Mijn Natuur”, een album dat Baartmans zelf produceerde voor Natuurmonumenten met verder onder meer ook nog bijdragen van fijne collega’s als Frans Pollux, Eric van Dijsseldonk, André Manuel, Gé Reinders, Mathijs Leeuwis, Gerard van Maasakkers, Ad van Meurs en Roosbeef. Het zomers soulvolle “Rondemiss” op zijn beurt werd gepend als themanummer voor een jaarlijks weerkerende talkshow over wielrennen in Nijmegen en “Stil Geluk” ontstond als beoogde soundtrack bij een boek- en filmdocument (“Klaar”) over een aangekondigde zelfgekozen dood, een project dat echter gewoon op de plank zou blijven liggen.

Daarnaast zijn er ook nog een aantal liedjes die Baartmans live wel al een poosje ten gehore brengt, een stel met toetsenist Mike Roelofs ingeblikte instrumentale sfeerstukken en wat dingen die gewoon lang nodig hadden om te worden tot wat ze zijn.

Onze favorieten zijn na enkele beluisteringen het funky, sfeergewijs best wel wat met nogal wat dingen die uit New Orleans afkomstig zijn gemeen hebbende “Boek”, het al genoemde duo “Rondemiss” en “De Trein”, het op heerlijke wijze de stamkroeg uit z’n titel verheerlijkende “De Blauwe Nacht”, het ingetogen “Huis”, het behoorlijk jazzy aandoende “Stil Geluk”, oude bekenden “Tiengemeten” en “Stroom”, het ongemeen sfeervolle “Ongeweten” en het lijzige loser’s bluesje “Niemand Kent Je”.

Na het horen van al dat moois – Niet te geloven eigenlijk, dat het zo’n hechte eenheid vormt! – rest er eigenlijk maar één vraag en dat is waarom deze BJ Baartmans in ons land nog niet veel bekender is dan dat het geval is. Met zijn wat aan die van wijlen Bram Vermeulen verwante stem en manier van zingen ook wel, zijn werkelijk weergaloze gitaarspel en al even sublieme liedjes en teksten heeft hij ons inziens immers gewoon alles in huis om week in week uit bezoekers van culturele centra en andere podia te charmeren. ’t Is een kwestie van geduld, zeker…?

Van hieruit warm aanbevolen!

BJ Baartmans, Bandcamp (CRS)

 

JASON MCNIFF “Joy And Independence” (At The Helm Records)

(5*****)

In het zog van de vorig jaar verschenen compilatie “Rain Dries Your Eyes” pakt Jason McNiff nu op zijn drieënveertigste uit met z’n wellicht beste plaat tot op heden. “Joy And Independence” heet die en ze bevat zonder ook maar enige vorm van overdrijving elf van de allermooiste liedjes die we hier dit jaar al te horen kregen.

Elf songs waarin directheid en eenvoud nog volop regeren. Empatisch sterk. Niet zelden neigend naar het poëtische. Verhalend heel straf vooral ook. En muzikaal al evenzeer. En dat ondanks een echt wel tot z’n naakte essentie herleid instrumentarium. McNiffs eigen wollig warme stem en een akoestische gitaar, da’s waarmee we het hier vrijwel voortdurend moeten stellen. Een occasionele pianobijdrage van Sean Read en wat gezongen bijstand van Lily Ramona in het nummer “Thoughts” gemakshalve even buiten beschouwing gelaten.

Dat McNiff ondanks die wel heel erg sobere aanpak toch weet te bekoren heeft hij voornamelijk te danken aan twee dingen. Dat hij met z’n ogen werkelijk wekenlang heeft gestolen van snarenvirtuoos Bert Jansch vooreerst. Van de meester zelve leerde hij immers z’n unieke finger style-spel. En verder ongetwijfeld ook aan zijn intrigerende manier van schrijven, van vertellen. Die roept beurtelings herinneringen op aan groten der aarde als een Townes Van Zandt, een John Prine, een Ramblin’ Jack Elliott en een Bob Dylan. Indrukwekkend lijstje, niet?

Mocht je je daar vragen bij stellen, luister dan bij gelegenheid vooral zelf ook maar eens naar ware schoonheden van liedjes als “Joy And Independence”, “(There Are No) Ordinary Days”, “Midnight Shift”, “Been A Bad Day” en andere. De eigentijdse troubadour McNiff zal er met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zo goed als ogenblikkelijk een nieuwe fan aan overhouden.

Jason McNiff

 

WILLIE NILE “Children Of Paradise” (River House / Sonic RendezVous)

(4****)

Over waardig ouder worden gesproken! Wat een lekkere plaat heeft Willie Nile op z’n ondertussen zeventigste voor ons ins petto, zeg! “Children Of Paradise”, ’s mans ondertussen twaalfde studiorelease, bulkt echt van de geweldige liedjes. Gelijk vanaf openingsnummer “Seeds Of A Revolution” is het volop prijs. Het eerste van een reeks van twaalf nieuwe eigen originelen parkeert zich na een a capella gebrachte inleiding knusjes voor een muur van aan de Byrds in hun hoogdagen herinnerend gitaargerinkel. Echt een zalig liedje! En ook nummer twee in lijn blijkt zo’n oorwurm. Catchy rockend waarschuwt Nile ons in “All Dressed Up And No Place To Go” in niet mis te verstane bewoordingen dat “Time bomb’s tickin’ some could care less, it’s Noah’s Ark for us I guess”. En al even strijdvaardig is hij in het snedige “Don’t”. Daarin gaat hij in tegen de machtsstroom van het grote geld. De lekker bekkende strijdkreet “Don’t let the fuckers kill your buzz!” zegt wel zo ongeveer alles, zeker?

Nog meer activisme is er daarna in het ons in een soort van reciteermodus nog nadrukkelijker op de gevolgen van ons zorgeloos omspringen met de natuur waarschuwende “Earth Blues”. Opnieuw een rockertje om vingers en duimen bij af te likken! En zo gaat het maar door! Via het samen met Martin Briley gepende en wat ons betreft aardig radiovriendelijk overkomende titelnummer en het grotendeels akoestisch gehouden volgende bezwerende vingertje in de lucht “(It’s) Gettin’ Ugly Out There” belanden we vervolgens ook nog bij de pittige Frankie Lee-co-write “I Defy”, bij de zachtjes voorbij schuifelende love song “Have I Ever Told You”, bij het al even persoonlijke “Secret Weapon”, bij het nog met zijn vriend wijlen Andrew Dorff – Herinnert u zich zijn fantastische cd “Hint Of Mess” uit 1997 nog? – uitgewerkte “Lookin’ For Someone”, bij het zijn titel echt alle eer aandoende “Rock ‘N’ Roll Sister” en bij het afsluitende “All God’s Children”, een devote pianoballade.

Voor de productie van deze opvolger van “Positively Bob”, zijn collectie Dylan-covers, tekende Nile zelf samen met de gerenommeerde Stewart Lerman.

Willie Nile

 

THE BRANDOS “Honor Among Thieves”, “Gunfire At Midnight”, “The Light Of Day”, “In Exile – Live”, “Pass The Hat” en “Nowhere Zone” (Blue Rose Records / Sonic RendezVous)

(---)

Het Duitse Blue Rose Records, sinds enkele jaren nu toch al broodheer van de Amerikaanse rockers The Brandos, pakt dezer dagen uit met heruitgaven van alle eerder werk van die groep. En da’s best wel goed nieuws, want lang niet alle vroege platen van de heren waren al even niet meer even gemakkelijk te bemachtigen voor eventuele geïnteresseerden. Tot nu dus. Alle albums worden voor de gelegenheid aangeboden in een fraai nieuw jasje, te weten bijzonder knap ogende digipacks voorzien van begeleidende informatieve booklets. Niet zelden aangevuld met bonus tracks ook. En als kers op de taart gebeurt dat allemaal ook nog eens aan een zacht (mid)prijsje.

Afgetrapt wordt de reeks bijna als vanzelfsprekend met groepsdebuut “Honor Among Thieves” (4,5*****) uit 1987. Het toen nog uit Dave Kincaid (zang en gitaren), Larry Mason (drums en zang), Ernie Mendillo (bas en zang) en Ed Rupprecht (gitaren en harmonica) bestaande collectiefje maakte daarmee meteen een verpletterende indruk. Met name nummers als “Strychnine”, “Gettysburg” en titeltrack “Honor Among Thieves” groeiden in kennerskringen al snel uit tot ware klassiekers. Met hun straffe recht-toe-recht-aan rootsrocksongs en snedig gitaarwerk en vooral ook met Kincaids flink aan die van John Fogerty herinnerende scheurstem hadden de Brandos ogenschijnlijk alles in huis om binnen afzienbare tijd op grote schaal te gaan scoren. Een gevoel dat door er op volgende tournees doorheen zowel de States als Europa met onder meer de Georgia Satellites, de Cars, INXS en The Alarm alleen nog maar meer gevoed werd.

Troubles met hun toenmalige platenlabel zouden korte tijd later echter flink roet in het eten gooien. In die mate zelfs dat het tot een definitieve breuk tussen beide partijen kwam en “Trial By Fire”, de compleet afgewerkte tweede van de Brandos, voorgoed op de plank zou blijven liggen. Pas in 1992 zouden Kincaid en co daardoor met nieuw materiaal kunnen uitpakken. En het door hun geweldige eersteling gecreëerde momentum was daardoor toch wel een beetje weg. Goed dat ook het tweede nu door Blue Rose Records heruitgegeven album “Gunfire At Midnight” (4****) zo’n kanjer van een plaat was. Twee singles daarvan, met name het epische “The Solution” en het deluxe-rockertje “The Keeper”, werden zelfs bescheiden hitjes bij onze noorderburen. Wij van onze kant hadden het meer voor het werkelijk geweldige titelnummer, voor het catchy rockende “Anna Lee”, voor het wel heel opzichtig met de nalatenschap van John Fogerty en CCR flirtende “Fortunes Of War”, voor het zwaar richting blues rock overhellende “One-Dog Brown” en vooral ook voor afsluiter “The Last Tambourine”, een lekker streepje eigentijdse rockabilly Brandos style.

Twee jaar later verscheen met “The Light Of Day” (3,5****) het derde album van The Brandos. In een nieuwe line-up, dat wel. Larry Mason en Ed Rupprecht verlieten de band immers. Rupprecht zelfs nog tijdens de opnamesessies van “The Light Of Day”. Vrienden en ex-Del Fuegos-leden Scott Kempner (gitaar en zang) en Frank Funaro (drums en zang) sprongen bij tijdens het afwerken van de plaat en bleven later ook nog een poosje hangen voor het daaropvolgende live-promotiewerk. Al bij al maakte “The Light Of Day” op ons echter net wat minder indruk dan z’n beide voorgangers. Niet dat er op muzikaal vlak intussen zoveel veranderd was, dat nu ook weer niet, maar het aantal echte blijvertjes erop vonden wij gewoon wat tegenvallen, da’s alles. Al waren – En zijn! – songs als het titelnummer, het lekker strakke “Hard Times” en het fijntjes met folk stoeiende “The Warrior’s Son” zeker ook weer niet te versmaden.

In ’95 kwam met “In Exile” (4****) dan de eerste live-cd van Kincaid en de zijnen. Naast de frontman zelf waren het Mendillo, Kempner en Funaro die laat in ’94 respectievelijk de Paradiso in Amsterdam en de Tivoli in Utrecht one hell of a good time bezorgden. En ze deden dat logischerwijze voornamelijk met materiaal van hun eerdere platen. Aangevuld verder enkel met de traditionals “The Recruiting Sergeant” en “Skillett Good N’ Greasy”, de Scott Kempner-compostie “Get Tough” en een straffe cover ook van moordsong “Psycho” van The Sonics. En Nederland? Dat lustte er zo te horen wel pap van…

Vijfde release in het door Blue Rose Records aan het oeuvre van de Brandos gewijde programma is “Pass The Hat” (3,5****) uit ’96. Opgenomen zonder de inmiddels alweer uit de groep gestapte Scott Kempner. In zijn plaats beroerde voortaan Frank Giordano de snaren. Iets wat an sich maar weinig veranderde aan de muzikale aanpak van Kincaid en de zijnen overigens. Daarvoor was het kopstuk van de groep allicht net iets té dominant aanwezig. Leuk vooral voor de fans van de Brandos is dat ze met de live gebrachte medley “Union Dixie/Gettysburg”, de ook al voor een levend publiek ingeblikte CCR-cover “Green River” en een akoestische versie van “We Are No Man” flink wat bonuswaar voor hun geld krijgen. Vier van de songs van het originele geheel waren overigens heropgenomen versies van het vroeg in hun carrière na een dispuut met hun toenmalig label onuitgegeven gebleven Brandos-album “Trial By Fire”. We hebben het dan meer bepaald over het kwartet “German Skies”, “Let The Teardrops Fall”, “The Siege” en “The Other Side”.

De rest van dat album zou twee jaar later een vergelijkbare beurt krijgen op “Nowhere Zone” (3,5****), de vijfde officiële studioplaat intussen van de Brandos. En ook die krijgt als heruitgave weer flink wat bonussen mee. Om te beginnen live covers van de Eddie Cochran en Chuck Berry hits “Twenty Flight Rock” en “Have Love Will Travel” en daarnaast ook nog een adaptatie van Fogerty’s “Sinister Purpose”. Een leuke aanvulling op een reeks sowieso al straffe songs als daar zijn titelnummer “Nowhere Zone”, Creedence-cover “Lodi”, het ook al titelnummer van “Trial By Fire”, een voor de groep enigszins atypische interpretatie van het bij Bobby Darin gehaalde “Jailer Bring Me Water” en andere.

Over de twee laatste Blue Rose-Brandos-heruitgaves (de oorspronkelijk allebei in 1999 uitgebrachte albums “Live At Loreley” en de verzamelaar “Contribution: The Best Of 1985-1999”) hopen we ons hier binnen enkele dagen ook te mogen buigen.

The Brandos

 

OSBORNE JONES “Ever Closer” (Continental Song City)

(4****)

De Britse tandem Osborne Jones vergast ons nu al enkele jaren lang op goede tot ronduit uitstekende platen. Als weinig anderen focussen beide heren voortdurend op het liedje. Als dat goed is en bovendien ook nog eens goed wordt uitgevoerd, dan kan er in hun ogen eigenlijk maar weinig meer misgaan. Een zienswijze die de twee op termijn allicht geen windeieren zal gaan leggen. Dat merk je alleen al aan het feit, dat steeds meer bekende collega’s zich geroepen beginnen te voelen om mee te werken aan de platen van het duo. In dit geval hun vierde langspeler “Ever Closer”.

Die werd om te beginnen geproduceerd door niemand minder dan Teddy Thompson. En die zag daarbij voor zowat elk van de tien liedjes wel de één of andere naam in de studio passeren. Voor het openingsnummer, de lekker swingende neo-trad country-opstoot “A Million Teardrops” was dat bijvoorbeeld snarenvirtuoos Albert Lee, voor de meteen daaropvolgende oorwurm “Parting Of The Ways” Rick Shea van Dave Alvins Guilty Men, voor de knappe ballad “A Good More Besides” en het groovy “Good Night’s Sleep” ace-gitarist Will McFarlane, voor het inhoudsgewijs zo ongeveer perfect op onze leeftijdsmaat gesneden “I Wish The World Would Slow Down” toetsenist Skip Edwards en voor het zich in weemoed wentelende prijsnummer “I Guess That You Will” en afsluiters “Dominoes Fall” en “Always Write In Blue” op zijn beurt de gerenommeerde Kenny Vaughan.

Ambitieuzer pakten David-Gwyn Jones en David Osborne wat ons betreft eigenlijk nooit eerder uit. “Ever Closer” is een plaat die het naar ons gevoel echt volop verdiend om gehoord te worden. Eentje die we vooral zouden willen aanbevelen aan allen die traditionele country met een modern likje een warm hart toedragen en meer in het bijzonder van volgers van acts als een Dwight Yoakam, een Merle Haggard, een George Jones of dichter bij huis een Dick van Altena.

Osborne Jones, Bandcamp (CRS)

 

RORY BLOCK “A Woman’s Soul, A Tribute To Bessie Smith” (Stony Plain / CRS)

(5*****)

De voorbije jaren maakte Rory Block er een soort erezaak van om zoveel mogelijk van haar mentoren te eren met een tribute. Son House, Skip James, Fred McDowell, Mississippi John Hurt, Bukka White en Reverend Gary Davis, één voor één passeerden ze de revue in haar door bluesliefhebbers wereldwijd vrijwel unaniem lovend onthaalde “Mentor Series”. Wat Block zelf ondertussen echter miste, was een vergelijkbaar initiatief met betrekking tot authentieke blues women. Nog groter was haar bewondering immers voor de in heel wat gevallen lang tot een bestaan in volstrekte obscuriteit gedoemde moedige vrouwen, die het, in een maatschappij die daar nog helemaal niet klaar voor was, hadden aangedurfd om de droom van een bestaan als blues performer na te jagen. Om ook hen de aandacht te geven die ze eigenlijk al veel en veel langer verdienden trapt ze nu onder het motto “Power Women Of The Blues” een nieuwe reeks eerbetonen af.

En de eerste die daarin mag figureren is de door haar bewonderaars liefdevol tot Empress of the Blues uitgeroepen Bessie Smith. Van haar tussen 1923 en 1933 verschenen repertoire plukte Block tien songs voor het eerste volume van wat je wat ons betreft nu al een veelbelovend project mag noemen. Nog meer dan die van haar mannelijke voorbeelden lijken de songs van Smith Rory echt op het lijf geschreven. En dat is gezien het vrouwelijke standpunt van waaruit ze ooit werden geconcipieerd ook niet geheel en al vreemd te noemen natuurlijk.

Het resultaat is een andermaal niets minder dan fantastische plaat. Een echt schoolvoorbeeld van een eerbetoon. Getuigend niet enkel van een diep respect voor het onderwerp van verering maar tevens van een ongelooflijk inlevingsvermogen. Hoe Block zich hier dingen als “Do Your Duty”, “Kitchen Man”, “Jazzbo Brown From Memphis Town”, “Gimme A Pigfoot And A Bottle Of Beer”, “Need A Little Sugar In My Bowl”, “I’m Down In The Dumps”, “Black Mountain”, “Weeping Willow Blues”, “On Revival Day” en “Empty Bed Blues” eigen maakt, dwingt diepe bewondering af. Met haar doorleefde zang en haar al even vaardige snarenbenadering ook this time around weer als haar voornaamste bondgenoten zet ze ook deze nieuwe kruistocht weer met succes in.

Echt wel onwaarschijnlijk goed!

Rory Block, Bandcamp (CRS)

 

STACIE COLLINS “Stacie Collins” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Zeven lange jaren verstreken er indertijd tussen het debuut van Stacie Collins en de opvolger daarvan, “Lucky Spot”. Meer dan tijd genoeg zo bleek om een heuse muzikale metamorfose ondergaan te hebben. De eerder brave, traditioneel geschoolde country girl van haar in 2000 verschenen eersteling had tussentijds moeten wijken voor haar veel gevaarlijkere alter ego, de harp howlin’ twang bangin’ rock & roller. Getrouwd zijn met Al Collins en veel in de buurt vertoeven van knapen als een Dan Baird, een Jason Ringenberg en een Warner E. Hodges had duidelijk zo zijn gevolgen.

Door de jaren heen werd het voor late instappers in het leven en de werken van de Amerikaanse steeds moeilijker om een exemplaartje van Collins’ in eigen beheer uitgebrachte maiden release op de kop te tikken. Een euvel waaraan men nu bij het onvolprezen Duitse Blue Rose Records wil verhelpen. Daar verscheen zopas immers een geremasterde en met liefst zeven tracks uitgebreide heruitgave van het geheel.

De twaalf nummers van het origineel tonen Collins van haar meest country kant. Nu eens (bedaard) rockend, dan weer swingend of in ballademodus. Vrijwel constant met een hoge twang-factor. De zeven nieuwe tracks zijn zonder uitzondering alternatieve versies ervan. Vaak opvallend verschillend van de ons al bekende uitvoeringen. Grotendeels akoestisch en bovenal ook veel simpeler gehouden. Ideaal als contrastmateriaal bij nader inzien.

Stacie Collins

 

GREYHOUND “Double Sixty” (CRS)

(3,5****)

Ruim veertig jaar geleden besloten twee jonge noorderburen om muzikaal met elkaar in zee te gaan. Vanaf dat moment stapten Sjoerd Heijda (zang, gitaar en occasioneel ook piano en mandoline) en Klaas Vermeulen (harmonica) door het leven als Greyhound. Greyhound was een akoestisch duo met een diepe voorliefde voor klassiek Afro-Amerikaans bluesspul. Wat onder meer leidde tot interpretaties van materiaal van Big Bill Broonzy, Tarheel Slim, Sonny Terry & Brownie McGhee en Jim Brewer. Al snel werd er uitgebreid doorheen Nederland getoerd en er volgde zelfs een heuse platendeal. Alleen kwam die plaat er uiteindelijk niet. Om persoonlijke redenen. Meer nog, gaandeweg verloren Heijda en Vermeulen elkaar helemaal uit het oog. Tijdelijk dan toch, want nu vele jaren later duiken ze toch weer als duo op.

Twee trips naar de States op zoek naar de blues en aanverwante muziekvormen deden klaarblijkelijk wonderen. Want er werd zelfs besloten om uiteindelijk toch die plaat samen maar te maken. “Double Sixty” kreeg ze naar analogie met hun beider leeftijd als titel mee en ze bevat naast één origineel nummer van elk der betrokkenen (de harmonica instrumental “P.L. Sam” van Vermeulen en het moody “Chopie” van Heijda) vooral veel covermateriaal. Van spul van oude helden als een Mose Allison (“Your Mind Is On Vacation”), een Lead Belly (“Good Morning Blues”) en een Billie Holiday (“Tell Me More”), maar ook van aanstormende jongere goden als een Paul Thorn (“Whup Somebody’s Ass”) en een John Fullbright (het ongemeen sfeervolle “Satan And St. Paul”). En natuurlijk ook van een vrachtje traditionals als daar zijn “Hang Me”, “Why Did You Leave Heaven” en “Nobody’s Fault But Mine”.

Wat je hoort is een een stel doorgewinterde muzikanten, dat elkaar echt blindelings lijkt aan te voelen. En aan te vullen ook. Voeg daar nog aan toe een bijzonder diepgewortelde liefde voor het door hen gebrachte genre en de nodige kilometers op de teller van het leven en je komt uit bij een ogenschijnlijk op volslagen natuurlijke wijze tot stand gekomen geheel. Een geheel dat klinkt alsof onze beide protagonisten in de veertig jaren die er verstreken sinds hun eerste coup de foudre nooit van elkaars zijde geweken zijn. Niets is echter minder waar.

Très sympa!

Greyhound, Bandcamp (CRS)

 

I SEE HAWKS IN L.A. “Live And Never Learn” (Western Seeds Record Company)

(4****)

Persoonlijk vind ik I See Hawks In L.A. één van de leukste de voorbije twee decennia actieve country rock acts überhaupt. En ik vond het dan ook heel erg jammer, dat er tussen het verschijnen van hun vorige en hun nieuwe plaat zo’n vijf jaren verstreken. Veel te lang natuurlijk voor iets wat je graag hebben mag. Maar ook niet helemaal zonder reden, zo blijkt nu. De voorbije jaren waren immers niet de meest gemakkelijke voor enkele van de bandleden. Zo verloor Rob Waller onder meer onverwacht zijn moeder aan pancreaskanker en zag Paul Lacques zelfs zijn beide ouders komen te overlijden. En dan hebben we het nog niet over tal van andere persoonlijke problemen…

Maar goed, nu zijn de Hawks dus terug. En hoe! “Live And Never Learn” is een liefst veertien songeenheden tellende poging om de draad weer op te pikken daar waar hij in 2013 met “Mystery Drug” werd achtergelaten. En een geslaagde poging wat mij betreft ook. Met vooral veel vintage Hawks en en passant tal van bescheiden nieuwe meesterwerkjes. Ik noem hier in dat verband om te beginnen graag het zalige country dronkemansliedje “Poour Me”. En zeker ook “Last Man In Tujunga”. In dat lekkere rockertje wordt gsm-gewijs een einde gemaakt aan een relatie tegen een achtergrond van een alsmaar dichter naderende bosbrand. Klassieker I See Hawks In L.A.-spul zijn dan weer openingsnummer “Ballad For The Trees” en het bedaarde “Planet Earth”, waarin Waller en Lacques nog maar eens de ecologische toer opgaan. En met “Stoned With Melissa” schudden ze ook weer een rete-catchy weed-deuntje uit de losse pols.

Voor de productie van “Live And Never Learn” tekende Paul Lacques zelf. Muzikale hand- en spandiensten werden de Hawks verleend door onder anderen Richie Lawrence, Dave Markowitz, Danny McGough, Dave Zirbel en Tony Gilkyson.

I See Hawks In L.A.

 

PATRICK SWEANY “Ancient Noise” (Nine Mile Records / V2)

(5*****)

Met zijn achtste volwaardige langspeler tot op heden wist de vanuit Nashville actieve Patrick Sweany ons onlangs gelijk vanaf onze eerste beluistering ervan vol in het hart te treffen. Wat een plaat! Zonder meer één van de schijven van 2018 so far! Dagenlang vult ze nu al ons bestaan en daar lijkt nog niet zo snel een einde aan te gaan komen ook!

Afgetrapt wordt er met twee lillende lappen blues & roots van het type waarmee Sweany al wel langer van zich doet spreken. Die machtige bluesy howl en het al even heerlijke ruwe gitaarwerk van ‘m gaan binnen afzienbare tijd nog veel slachtoffers maken, als u het ons vraagt. Vervolgens slaat Sweany in de pianoballade “Country Loving” op z’n Tom Waits aan het croonen om gelijk daarna met het lekker soulvolle “No Way No How” gelijk weer terug in een ander register te belanden. Dat van de funk à la de grote Allen Toussaint meer bepaald.”Outcast Blues” is daarna een bluesy slow rockertje herinnerend aan de Stones in hun hoogdagen, “Steady” een werkelijk bloedmooie trage genre een John Hiatt of dichter bij huis een JW Roy ook wel en “Get Along” pure, volop van een orgelbijdrage van Memphis-legende Charles Hodges profiterende eigentijdse soul. En dat geldt eigenlijk ook voor het meteen daaropvolgende “Baby Every Night”. Al herinnert ook dat weer volop aan John Hiatt in slowmodus. Echt wel een bloedmooi liedje, die sleper!

En dan is er nog het afsluitende trio. Dat wordt ingezet met “Play Around”. Eén brok emotionaliteit waarbij het maar moeilijk valt om niet meteen aan groten der aarde als een Ben E. King, een Arthur Alexander of een Willy DeVille te gaan denken. Zo goed inderdaad! Net als het uit een geheel en al ander vaatje tappende “Cry Of Amédé” trouwens. Ook dat zich op aardig funky wijze aan de pakkende lotgevallen van de Creoolse muzikant Amédé Ardoin gevende deuntje bleef hier vrijwel meteen plakken. Afgesloten wordt er daarna moe maar voldaan met het op ingetogen wijze nog naar een stevige climax toewerkende “Victory Lap”.

Absoluut niet te missen!

Patrick Sweany

 

WEBB WILDER & THE BEATNECKS “Powerful Stuff!” (Landslide Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Al ruim dertig jaar lang weten Webb Wilder en zijn Beatnecks wereldwijd fans aan zich te binden met hun doorgaans heerlijk aanstekelijk werkende rootsrockhybride. Je weet wel, van het type waarvoor je als liefhebber van het genre onder het motto “It’s only rock & roll but I like it!” steeds weer graag overstag zal blijven gaan. Zelden echt wereldschokkend, maar wel o zo catchy. En Wilder en co genieten dan ook een uitstekende live-reputatie.

Met het onlangs verschenen “Powerful Stuff!” graaien de Amerikanen ongegeneerd in hun eigen verleden rond. Dat album bevat immers uitsluitend voorheen niet verkrijgbaar materiaal uit de periode 1985-1993. Flink wat Wilder- en RS Field-originelen, maar ook een heleboel covers. Van de heerlijk nerveuze rocker “Make That Move” van de Rockats bijvoorbeeld, van het je wellicht ook nog wel van soulduo Sam & Dave bekende “Ain’t That A Lot Of Love”, van de Ike & Tina Turner classic “Nutbush City Limits” ook, van Steve Forberts “Catbird Seat”, van “Hey Mae” van Dusty Kershaw, van “Revenooer Man” van outlaw Johnny Paycheck en afsluitend ook nog van Little Richards onvergetelijke “Lucille”. Daarnaast is er met het titelnummer ook nog de originele uitvoering van wat later zou uitgroeien tot een hit op het repertoire van de Fabulous Thunderbirds.

Het gaat hier beurtelings om studio- en live-materiaal. Alleszins een waardevolle aanvulling op het eerder beschikbare materiaal van Wilder en de zijnen. Goed voor zo menig a rocking good night! Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen.

Webb Wilder

 

JENNY VAN WEST “Happiness To Burn” (Jenny Van West)

(3,5****)

“Happiness To Burn” is na haar in 2015 verschenen debuutplaat “Something Real” en de van een goed jaar later stammende EP “Honey And Hive” al de derde worp van de Amerikaanse zingende liedjesschrijfster Jenny Van West. En het is een best wel goede ook. Lekker gevarieerd, dat alleszins. Wat Van West zelf omschrijft als “confessional fiction that connects introspection and personal experience” wordt ingebed in een veelheid aan onder de ruime vlag Americana vallende stijlen.

Titel- en openingsnummer “Happiness To Burn” is zo een zomers luchtig streepje swing, “Live In A New Way” zouden we hier durven te omschrijven als soulvolle roots pop, trage “Never Alone” is op zijn beurt eerder folky uitvallend spul, “45” leunt vol op een lekkere rock & roll beat en “Where I Stand” zet al even vol in op ballademodus in countrypopstijl. “Empty Bowl” is daarna gewoon een poppy luisterliedje, “Twenty-Seven Dollars” zitten verscholen in een meer traditioneel afgewerkte countryportefeuille, “Thresholds” – Eén van dé absolute topmomenten van “Happiness To Burn”! – is moody Americana singer-songwriterspul, “Can’t Have You Now” sluit daar op de keper beschouwd perfect bij aan en het afsluitende “Embers” is ten slotte een prachtige ballad, flink opgewaardeerd met de zacht huilende pedal steel van Jesse Siebenberg en een ook al erg fijne toetsenbijdrage van Carl Byron.

Voor de productie van “Happiness To Burn” tekende oude bekende Shane Alexander. Een andere opvallende betrokkene was verder ook nog de in onze omstreken redelijk populaire Ted Russell Kamp.

Jenny Van West

 

GORDIE TENTREES & JAXON HALDANE “Grit” (Yukon)

(3,5****)

De Canadese Americana songsmid Gordie Tentrees en zijn op tal van snareninstrumenten bijzonder bedreven landgenoot Jaxon Aldane ontmoetten elkaar voor het eerst in 2005. Door de jaren heen zouden hun paden elkaar vervolgens steeds blijven kruisen. En zoals dat dan gaat kwam uiteindelijk van het één het ander. In 2014 nodigde Tentrees Haldane uit voor een tournee doorheen het Zuiden van de States. Het begin van iets veel groters zou later blijken. Een kleine vijfhonderd gigs samen zouden er uiteindelijk volgen. In elf verschillende landen. En dat moest natuurlijk vroeg of laat ook leiden tot plaatwerk samen. En dat is er nu.

Het betreft daarbij “Grit”, een in november 2016 in tal van venues in Alberta ingeblikt live-geheel. Twaalf songeenheden telt dat album. Het merendeel daarvan zijn uiteraard schrijfselen van Gordie Tentrees. We noemen hier in dat verband graag “29 Loads Of Freight”, “Bottleneck To Wire”, “No Integrity Man”, “Lost”, “Sideman Blues”, “Holy Moly” en “Wasted Moments”. Daarnaast stoten we ook op enkele Tentrees-Haldane-composities. Openingsnummer “Armand” en het ingetogen “Junior” meer bepaald. En dan zijn er ten slotte ook nog het door Tentrees samen met Fred Eaglesmith gepende “Craft Beards & Man Buns”, het bij Daddy (Tommy Womack & Will Kimbrough) geleende “I Don’t Have A Gun” en de Willie P. Bennett cover “Willie’s Diamond Joe”.

Al bij al vooral fijn als aandenken aan een optreden van beide heren samen. Of net als voorbereiding daarop.

Gordie Tentrees

 

SERA CAHOONE “The Flora String Sessions” (Lady Muleskinner Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Nog niet eens zo heel erg lang geleden bespraken we hier van Sera Cahoone het mooie “From Where I Started” en nu is er alweer een nieuwe van de sympathieke Amerikaanse. Op “The Flora String Sessions” herneemt ze een zevental van haar beste liedjes. Stuk voor stuk fanfavorieten. Je zou het een soort Best Of kunnen noemen, maar dan wel eentje waarvoor alle liedjes een nieuw muzikaal kleedje aangemeten kregen. Allemaal werden ze immers van een nieuw arrangement voorzien door Led To Sea-violiste Alex Guy. Naast de stem en de akoestische van Cahoone zelf horen we daardoor enkel nog de viool, de altviool en wat backing vocals van diezelfde Guy, de viool van Kyleen King en de cello van Maria Scherer Wilson. En of die aanpak rendeert!

Door de intimistische benadering van Guy stralen de liedjes van Cahoone hier immers meer dan ooit. Nog meer dan eerder al krijg je als luisteraar het gevoel, dat de Amerikaanse zich met haar muzikaal gemijmer enkel en alleen tot jou richt. Van haar debuut “Sera Cahoone” uit 2006 krijgen we zo een vertederend mooie nieuwe lezing van “Couch Song”, van het twee jaar later verschenen “Only As The Day Is Long” een vernieuwd “Baker Lake”, van “Deer Creek Canyon” uit 2012 worden “Worry All Your Life”, “Shakin’ Hands” en het titelnummer onder handen genomen en van het recente “From Where I Started” ook nog “Dusty Lungs” en “Up To Me”.

Het resultaat is een met z’n speelduur van nauwelijks vierentwintig minuten spijtig genoeg redelijk kort uitvallend geheel, dat elke liefhebber van verstilde Americana tot diep in zijn wezen zou moeten kunnen treffen. En wat ons betreft hoeven Cahoone en Guy het dan ook zeker niet bij deze ene samenwerking te laten. Integendeel zelfs!

Sera Cahoone

 

DUMONT “Dumont” (Starman Records)

(3,5****)

Maatschappelijk verankerde Americana made in Belgium? Yep! In Genk meer bepaald. Waar uit het as van The Swish als een feniks Dumont herrees. Die groep vernoemd naar de Belgische geoloog en mijnbouwkundige die bij begin van de vorige eeuw in het Genkse steenkool vond en op die manier van vitaal belang bleek voor zowat heel Belgisch Limburg verraste onlangs met een ijzersterk visitekaartje.

Slechts vier nummers zijn erop aan te treffen, maar die zijn wel zonder uitzondering prima te noemen. Een mening die overigens niet alleen wij toegedaan blijken. Toen Johan Dengis (zang en gitaar), Dirk Ulenaers (gitaar), Michel Wouters (drums) en Albert Claesen (bas) hun eigen held Elliott Murphy confronteerden met hun muziek wilde die er maar wat graag aan meewerken. En daardoor ga je al bij al toch net iets meer in de picture lopen natuurlijk. Naast Murphy werden verder onder meer ook nog pedal steeler Davy Jansen van Mad About Mountains en toetsenvirtuoos Pino Guarraci aan boord gehaald. Voor de productie tekenden Zjef Cludts en Albert Claesen.

Geopend wordt er met het melodieuze “100 Years”. De link met Elliott Murphy wordt daarin meteen zonneklaar. Dit had immers zo op een plaat van de man zelf gestaan kunnen hebben. Next in line is het door een zomers frivool mondharmonicaatje aangejaagde “Big Bear Street”. Opnieuw een erg knap staaltje Euro Americana. Heel erg radiovriendelijk ook. In de broeierige ballad “Stay A While” blijkt er vervolgens een opvallende rol weggelegd voor de pedal steel van Davy Jansen en afgesloten wordt er met het lekker wegrockende en terloops best wel wat aan knapen als een Bob Seger en een Tom Petty herinnerende “Start Living Now”.

Op vrijdag 22 juni kan u Dumont gratis live gaan bewonderen tijdens Genk On Stage. Wij zullen er alvast graag van de partij zijn.

Dumont

 

THE WOOD BROTHERS “One Drop Of Truth” (Honey Jar / Thirty Tigers / Bertus)

(5*****)

Het vanuit Boulder, Colorado actieve drietal The Wood Brothers heeft zich de voorbije jaren in alle stilte opgewerkt tot een absolute topper binnen het Americana-genre. Met studioplaten als “Ways Not To Lose”, “Loaded”, “Smoke Ring Halo”, “The Muse” en “Paradise” en een hele trits live-schijven ook trokken ze langzaam maar zeker de strop rond de halzen van heel wat potentiële liefhebbers van hun materiaal dicht. Er bleek geen ontkomen aan. En maar goed ook! Ook wat ze op hun nieuwe worp “One Drop Of Truth” te bieden hebben druipt immers weer echt van de klasse. Wij zouden het zelfs hun allerbeste plaat tot op heden durven te noemen.

Naar goede gewoonte leggen de broers Oliver en Christopher Wood en hun buddy Jano Rix zich daarop ook nu weer totaal geen stilistische beperkingen op. Zo ongeveer alle uithoeken van het rootscanvas krijgen we en passant te zien. Met daarbij als kanttekening dat we elke song eigenlijk ook apart dienen te zien. Dat was de bedoeling, aldus de Brothers zelve. “Each one of these songs has its own little world,” citeren we in die context graag Oliver Wood.

Afgetrapt wordt er met de zonderling aantrekkelijke klaaglijke country folk van “River Takes The Town”. Meteen een eerste bescheiden hoogtepuntje al. Met gelijk in z’n kielzog ook al het tweede. Het betreft daarbij “Happiness Jones”, een in zowat alles aan de legendarische Band herinnerende lap Americana funk van het allerfijnste soort. “Laughin’ Or Crying” is aansluitend daarop een streepje catchy achterbuurtenblues, “Strange As It Seems” een dot van een smachtende ballad en “Sky High” opnieuw een geweldige veeg rootsy funk. Het bezadigd rockende “Seasick Emotions” is vervolgens een zoveelste ear-catcher. Met knappe samenzang en heerlijk snarenwerk vooral ook.

Resten er ons daarna nog: de nerveuze blues & roots van “This Is It”, het zomers luchtige “Sparkling Wine”, het gelijk door enkele serieuze mood swings opvallende titelnummer en de Zuiders broeierige, best wel wat swampy aandoende afsluiter “Can’t Look Away”. Waarmee een straffe tien op tien meteen een feit is. En vijf sterren derhalve ook. Dikverdiende vijf sterren!

The Wood Brothers

 

DANA FUCHS “Love Lives On” (Get Along Records / Membran / Suburban)

(4****)

Wat Dana Fuchs op haar nieuwe album “Love Lives On” te bieden heeft is werkelijk om duimen en vingers bij af te likken. Helemaal terug is de ravissante Amerikaanse met een soulplaat van het absoluut allerbeste soort. Met dank onder meer aan tal van muzikanten die in het verleden al ruimschoots hun sporen verdienden bij legendarische labels als Stax en Hi Records.

Met “Love Lives On” trekt Fuchs een streep onder de niet meteen vrolijkste periode in haar leven. Op korte tijd verloor ze maar liefst drie naasten. En ook aan haar relatie met platenlabel Ruff Records kwam abrupt een einde. Pas met de geboorte van haar zoontje ging aan de einder plots weer het verlossende licht schijnen. En die gewaarwording zorgde bij Fuchs meteen ook voor een geweldige opstoot van creativiteit. Met producer Kevin Houston als haar gids gunde ze zichzelf het folietje om zich over te geven aan haar passie, te weten Southern soul zoals die ooit aan de lopende band werd voortgebracht door platenhuizen als Stax/Volt en Hi Records.

Laat je net als ons meeslepen door veritabele heerlijkheden van songs als het zomers luchtige “Sittin’ On”, het voorzichtig gospeleske “Callin’ Angels”, het funky “Nobody’s Fault But Mine” (Die blazers! Zalig!), de klassieke soulsleper “Love Lives On”, het stomende “Sad Solution”, een op ongemeen soulvolle wijze een nieuw leven binnengeleid “Ring Of Fire” (Dé Johnny Cash classic inderdaad!) en vele andere. Je zal het je absoluut niet beklagen!

Dana Fuchs

 

KAREN JONAS “Butter” (Karen Jonas Music)

(4****)

Ik moet toegeven, dat ik aardig gecharmeerd ben door “Butter”, de inmiddels derde van de vanuit Fredericksburg in de Amerikaanse staat Virginia aan de weg timmerende countrychanteuse Karen Jonas. Die vertelt daarop naar eigen zeggen haar eigen verhaal anno nu. “Butter is about my story now, as a working musician and mother – the challenges of each role and, especially, the challenge of balancing the two. It’s about baking my cake and eating it, too,” aldus Jonas.

Leuk is, dat ze daarbij geregeld de haar vertrouwde country- en folkpaden even durft te verlaten. Dat zorgt voor een luchtigheid die van zo ongeveer elke cake een ware delicatesse zou moeten kunnen maken. Invloeden zo divers als ragtime, blues, jazz en soul doen hier wat ons betreft echt wonderen. Eigenaardig genoeg zorgen ze er juist voor, dat de echte countryliedjes van Jonas nog net wat meer gaan blinken. Dingen zoals het ons een weinig aan Carlene Carter herinnerende “Yellow Brick Road”, het verhalende “Mama’s Rodeo” of de echt wel heel mooie ballad “My Sweet Arsonist” worden zoals als het ware rozen tussen het asfalt van een rootsy back road ergens in het Amerikaanse Oosten.

Andere topmomentjes: het ergens tussen jazz en blues volop van gevoelvol honkende blazers en de sensuele zang van Jonas genietende titelnummer, het met een royale dosis country soul besprenkelde “Gospel Of The Road”, het catchy, met een ragtime-motiefje opgewaardeerde “Oh Icarus” en het bij momenten op speelse wijze de sfeer op een ouderwetse kermissite evocerende “Mr. Wonka”.

Karen Jonas

 

CARTER SAMPSON “Lucky” (Continental Song City)

(5*****)

Gelijk vanaf het ons op lijzige wijze weer mee richting het Amerikaanse Zuiden tronende openingsnummer van haar nieuwe plaat, het countryrockende titelnummer ervan, had Carter Sampson ons weer op de knieën. Was is ze toch goed, de Queen of Oklahoma! Haar naam op een plaat aantreffen is voor ons intussen zoveel als een aankoopverplichting. Voorbeluisteren is zo goed als overbodig. Je weet na voorgangers als het briljante duo “Mockingbird Sing” en “Wilder Side” immers toch, dat je bepaald niet ontgoocheld zal worden.

Op “Lucky” doet Sampson het this time around met een viertal nieuwe eigen originelen, een triootje co-writes met de ook mee voor de productie tekenende Jason Scott en covers van Zac Copelands “Hello Darlin”, “Tulsa” van Kalyn Fay en Shel Silversteins, hier eerder vooral in de uitvoering van Dr. Hook & The Medicine Show bekende “Queen Of The Silver Dollar”. Afwisselend (voorzichtig) ritmisch en eerder bedaard spul. Met zo menig een echt toppertje aan boord.

Het heerlijke country slowtje “Hello Darlin” is er zo zeker één. Evenals het zijn roots diep in de grond van Oklahoma hebbende rootsy rockertje “Ten Penny Nail”. Een gegarandeerd toekomstig live-favorietje, dat nummer. Daar kan je donder op zeggen! En verbazen zou het ons alvast niet, mocht ook “Tulsa”, het hoger al even aangekaarte titelnummer en de meteen daaropvolgende valse trage “Anything Else To Do” eenzelfde lot beschoren blijken. In dat laatste liedje herinnerde Sampson ons (stemgewijs) heel even weer aan Kasey Chambers. En dat is natuurlijk geen slecht gezelschap.

Nu al een nadrukkelijke kandidaat voor de hoogste regionen van ons jaarlijstje over 2018!

Carter Sampson

 

PARKER MILLSAP “Other Arrangements” (Okrahoma Records / Thirty Tigers / Bertus)

(4****)

Op zijn vierentwintigste is Parker Millsap al aardig op weg om een gevestigde waarde te worden binnen het actuele Americana-circuit. “Other Arrangements” is ondertussen al zijn vierde langspeler en het is wat ons betreft ontegensprekelijk zijn beste totnogtoe. En dat wil best wel iets zeggen, als je weet dat met name “Parker Millsap” uit ’14 en het daaropvolgende “The Very Last Day” van twee jaar geleden ook al verre van misselijke platen waren.

Wat vooral opvalt op “Other Arrangements” is het sprekende gemak waarmee de jonge Millsap voortdurend tussen verschillende genres over en weer fietst. Van de redelijk strakke funky rock van openingsnummer “Fine Line” over het ongemeen soulvolle “Your Water” tot het ingetogen popkleinood “Singing To Me”, van de zalige ingehouden roots rock van titelnummer “Other Arrangements” over het hypernerveus aan zijn kettingen snokkende rockopdondertje “Let A Little Light In” tot het op indrukwekkende een spagaat richting blues aandurvende “Tell Me”, van het vrijwel ogenblikkelijk om een vaste stek tussen je oren bedelende catchy oorwurmpje “Gotta Get You” over het folky tussendoortje “Good Night” tot het opnieuw heel erg soulvolle “Coming On” en al de rest tot het afsluitende, met de ravissante Jillette Johnson gepende en gebrachte “Come Back When You Can’t Stay”, van een zittende kont geeft Millsap hier eigenlijk nergens blijk. En met dat laatste liedje zou hij bovendien wel eens een serieuze hit in handen kunnen blijken te hebben ook. Het weze hem van hieruit alvast van harte gegund.

Parker Millsap

 

TAMI NEILSON “Sassafrass!” (Outside /V2)

(4****)

Wat een lekkere plaat is me dit, zeg! Lang zal het voor de in Canada geboren, maar ondertussen wel in Nieuw-Zeeland residerende nu wel niet meer gaan duren, alvorens ze op wat grotere schaal weet door te breken. En meer dan verdiend ook! Wat ze op “Sassafrass!” doet is immers lichtjes fantastisch. Zó aanstekelijk allemaal! Niet te doen!

Gelijk vanaf het heerlijk swingende vintage R&B-streepje “Stay Out Of My Business” had Neilson ons volop bij de les. Hevig hipshakend namen we nota van haar niet mis te verstane boodschap. Trash talkin’ is aan haar niet besteed! Een eerste van vele op het huidige sociale klimaat mee surfende sterke-vrouwenteksten. Zo’n beetje dé rode draad doorheen “Sassafrass!” zeg maar. Met als volgende voorbeeld het meteen daaropvolgende “Bananas”, hypercatchy exotica met ditmaal als centraal gegeven de op heel wat plaatsen helaas nog steeds volop bestaande ongelijkheid tussen geslachten. Next in line is het soulvolle nachtbrakertje “Diamond Ring”. Met meteen in het zog daarvan het stijlgewijs echt wel volop aan Bobbie Gentry herinnerende “A Woman’s Pain”. Voor ons één van dé absolute hoogtepunten van “Sassafrass!”.

Lang niet het enige eerbetoon op “Sassafrass!” overigens ook, dat liedje. Zo schreef Neilson de volop aan Rosanne Cash herinnerende country ballad “Manitoba Sunrise At Motel 6” ter nagedachtenis van Glen Campbell op de dag dat die overleed, eert ze in het aanstekelijke soulopstootje “Miss Jones” de onlangs ook van ons heengegane Sharon Jones en is de romantische fifties style ballad “One Thought Of You” een tip of the hat aan het adres van haar eigen pa met wie ze het nummer ook samen pende.

Andere highlights nog van “Sassafrass!”: het in retrostijl sensueel rond een klassiek R&B-motiefje paaldansende “Devil In A Dress”, het groovy “Smoking Gun” en het ons heel even nog volop aan Neilsons rockabilly roots herinnerende “Kitty Cat”.

Tami Neilson

 

AMERICAN AQUARIUM “Things Change” (New West Records / PIAS)

(4,5*****)

Hoe veelzeggend kan een plaattitel zijn… “Things Change”, dingen veranderen inderdaad. En dat mag u in het geval van American Aquarium zelfs heel erg letterlijk nemen. Van de line-up van de groep uit Raleigh, North Carolina die ons in 2015 nog verblijdde met het uitstekende “Wolves” is intussen enkel nog kopstuk BJ Barham over. Alle anderen verlieten het door de jaren heen nochtans steeds succesvoller geworden Americanaschip. En dus kon Barham prompt op zoek naar nieuw personeel, dat hij vond in gitarist Shane Boeker, drummer Joey Bybee, bassist Ben Hussey en pedal steeler Adam Kurtz.

Verandering speelt überhaupt een grote rol op “Things Change”. Openingssalvo “The World Is On Fire” blijkt zo bijvoorbeeld een muzikale kanttekening bij de verblufte reactie van Barham zelf en zijn wederhelft op de resultaten van de jongste presidentsverkiezingen in de States. En elders gaat de beste man ook dieper in op wat er de voorbije jaren in zijn eigen leven zoal veranderde. Een drankverslaving achter je laten, in het huwelijksbootje stappen, je klaarmaken voor nakend vaderschap, het doet allemaal wel wat met een mens. En als het dan een het persoonlijke in zijn teksten niet schuwende liedjesschrijver als Barham betreft, dan levert dat natuurlijk regelmatig heerlijke resultaten op.

De in Tulsa, Oklahoma ingeblikte, door John Fulbright geproduceerde en met gastoptredens van onder anderen John Moreland en Jamie Lin Wilson opgewaardeerde zevende studioplaat van American Aquarium groeit mede daardoor uit tot één van de beste op het actief van Barham so far. Een tien songeenheden tellende opstoot van creativiteit en passant goed voor zo menig een bescheiden briljantje. Ons bleven zo onder meer de catchy country van “I Gave Up The Drinking (Before She Gave Up On Me)”, het door Barham in ballademodus aan de teloorgang van de vorige versie van zijn groep gewijde “When We Were Younger Men”, de ook al heel erg knappe trage “Shadows Of You” en het gitaarzwangere “Tough Folks” bij. En dan vergaten we bijna nog het voor Barhams doen en laten o zo typerende “Work Conquers All”.

Heerlijke plaat! Alweer…

American Aquarium

 

THE SLOCAN RAMBLERS “Queen City Jubilee” (The Slocan Ramblers)

(4,5*****)

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: “Queen City Jubilee” van het Canadese viertal de Slocan Ramblers staat voor dik achtenveertig minuten topbluegrass. Op hun derde langspeler bevestigen de vier uit Toronto al het naar aanleiding van hun beide vorige albums “Shaking Down The Acorns” (2012) en “Coffee Creek” (2015) reeds over hen geschrevene. De veertien liedjes op die nieuwe plaat klinken exact zoals bluegrass anno nu naar ons gevoel eigenlijk gewoon hoort te klinken. Met name als een gedurfde vertaling van traditionele songwaarden en –structuren naar het hier en nu. Ze tonen het nodige respect voor de bijzonder rijke genretraditie zonder deze daarom slaafs te volgen. En precies zo hoort het ook, toch?

Net als voor hun vorige schijf gingen Frank Evans (banjo, harmonica en zang), Adrian Gross (mandoline), Darryl Poulsen (gitaar en zang) en Alastair Whitehead (bas en zang) ook ditmaal weer te rade bij gerenommeerd producer Chris Coole, zelf een druk gesolliciteerde muzikant in de afdeling folk en roots. En net als drie jaar geleden levert dat ook this time around weer de gewenste resultaten af. Met zijn vijven vinden ze terloops het bluegrassgenre als het ware opnieuw uit.

Sterk is, dat ze dat vooral met eigen materiaal doen. Liefst negen van de veertien gebrachte nummers zijn eigen originelen. Evans en Gross leverden er daarvan elk drie aan, maar ook de beide andere heren lieten zich niet onbetuigd. Wat maakte, dat “Queen City Jubilee” uitgroeide tot een echte bandprestatie. Aangevuld werd er met uitmuntende lezingen van de traditionals “Mississippi Heavy Water Blues”, “Hillbilly Blues/Deer On The River” en “Riley The Furniture Man” en al even geslaagde covers van Don Stovers “Long Chain Charlie And Moundsville” en A.P. Carters “Sun’s Gonna Shine In My Back Door Someday”.

Ronduit zalig is het, om te horen hoe deze vier knapen hier met de blik vrijwel voortdurend gericht op de Appalachen ongegeneerd uitkomen voor hun voorliefde voor groten van het genre à la de Louvin en de Stanley Brothers, Bill Monroe & The Bluegrass Boys of Flatt & Scruggs en dat zonder daardoor te vervallen in louter epigonisme. Sprankelende instrumentals worden afgewisseld met piekfijn harmonieerwerk, vingervlotte deunen met wat ingetogener materiaal, kortom alle hoeken van het bluegrasscanvas krijgen we te zien. En precies zo mogen we het hier graag hebben. Echt een aanrader van formaat derhalve ook, dit schijfje!

The Slocan Ramblers

 

STEVE DAWSON “Lucky Hand” (Black Hen Music)

(3,5****)

Eerlijk? Er zijn maar bitter weinig in rootsmiddens actieve artiesten die me een hele instrumentale plaat lang kunnen boeien. Ry Cooder, ja, die uiteraard wel. Maar dan zou ik toch al even flink moeten nadenken. Om vervolgens uit te komen bij de Canadees Steve Dawson. Die inderdaad ook. Hier vooral bekend voor zijn werk als producer en of sidekick voor artiesten als Jim Byrnes, Kelly Joe Phelps, Matt Patershuk, John Hammond en anderen is de man eigenlijk gewoon ook een fantastische performer in his own right. Een echte grootmeester op nagenoeg alles wat snaren heeft en vooral op gitaren dan. En eentje die het op zijn albums zo nu en dan graag volledig instrumentaal mag houden dus ook.

Dat deed Dawson voor het laatst in 2014. Toen verraste hij vriend en vijand met het knappe “Rattlesnake Cage”. En dat doet hij nu, goed en wel een jaar of vier later, andermaal met “Lucky Hand”. Een album, waarvoor hij bij nader inzicht geen betere titel had kunnen verzinnen. Dat gelukkige handje had hij in de aanloop naar het geheel immers daadwerkelijk zelf ook. Meer bepaald toen hij besloot om zijn oude partner Jesse Zubot weer aan boord te halen. Diens arrangementen en zijn bijdragen op de viool betekenen immers een haast zekere meerwaarde. Ze zorgen als het ware voor wat extra kleur. Klankkleur, that is.

De tien bij momenten verraderlijk simpel aandoende stukken op “Lucky Hand”  laten zich beurtelings omschrijven als melodieuze miniatuurtjes en muzikale landschappen. Niet zelden met een zekere breedbeeldkwaliteit. Schreeuwend bijna om bijbehorende beelden. Alleen, die krijgen we natuurlijk niet. Hier draait immers alles om de snarenbenadering van Dawson zelf en muzikale bijdragen van gasten als Jesse en Josh Zubot (violen), John Kastelic (altviool), Peggy Lee (cello), Jeremy Berkman (trombone), Nick Anderson (hoorn), Sam Davidson (klarinet), John Reischman (mandoline) en Charlie McCoy (harmonica’s).

Durf er je tijd voor te nemen en je zal zien, dat er zich tussen je oren werelden voor je zullen openen tijdens het beluisteren van al dit fraais. Heerlijk wegmijmeren is het bij de vingervlugge creatieve escapades van Dawson. De kracht van suggestie, weet u wel. Dawson en Zubot zorgen hier enkel voor de soundtrack, voor de film moet umaar zelf zorgen. Of beter: zal u zelf zorgen, moeite kost dat immers absoluut niet. Als vanzelf droomt u in no time de fraaiste beelden bij elkaar.

Steve Dawson

 

WILL STEWART “County Seat” (Cornelius Chapel Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Bij “County Seat” blijkt het na enkele eerder verschenen EP’s pas om het solodebuut van de dezer dagen opnieuw vanuit Birmingham, Alabama actieve singer-songwriter Will Stewart te gaan. Straf eigenlijk, want het is het soort van platen waar de meesten jaren over doen om er te geraken. Een heel erg voldragen klinkend geheel, gespekt met sublieme liedjes, waarin de grenzen tussen rock en country constant lijken te willen vervagen. Bijzonder lekkere Americana alleszins.

Gelijk vanaf het nostalgische, met sympathiek gitaargejengel gelardeerde “Sipsey” voelden we ons hier thuis. Maar dat eerste van negen liedjes heeft dan ook een bijzonder hoge aaibaarheidsfactor. Via het al even sympathieke bedaarde countryrockertje “Rosalee” en het folky “Brush Arbor” belanden we daarna achtereenvolgens bij het banjogestuurde instrumentale miniatuurtje “Otis In The Morning”, het ronduit heerlijke, ons tegelijk aan de Byrds, het prille R.E.M. en Neil Young herinnerende “Heaven Knows Why” en het voorwaar even aardig Dylanesk aandoende “Dark Halls”. Het ingetogen “Equality, AL” troont ons vervolgens tussen laaghangende slierten pedalsteelnevel door mee naar het Amerikaanse Zuiden, titelnummer “County Seat” blijkt groovy Americana van het ook al eerder ingehouden soort en de met Janet Simpson gebrachte afsluiter “Mine Is A Lonely Life” op zijn beurt een fijn staaltje van klassieke akoestische country.

Negen zonder uitzondering mooie liedjes, als u het ons vraagt, waarvoor vooral Stewarts thuisstaat en zijn inwoners model mochten staan. The Modern South noemt hij alvast zelfs als zijn voornaamste inspiratiebron. Zo’n zevenentwintig minuten klasse-Americana zijn het warm aanbevolen gevolg.

Will Stewart

 

GRETCHEN PETERS “Dancing With The Beast” (Scarlet Letter Records / Proper Records)

(5*****)

Gretchen Peters had zich wat ons betreft de voorbije jaren met knappe platen als “Hello Cruel World” en “Blackbirds” absoluut al een stek verdiend tussen de cream of the crop van het actuele Americanaveld. Maar met haar nieuwe worp, het door Doug Lancio, Barry Walsh en haarzelf geproduceerde “Dancing With The Beast”, doet ze voorwaar zelfs nog beter. Dit is een songwriting master class. Niks meer, niks minder! Dit zijn elf beauties van liedjes, gevoed door bijzondere tijden.

Op “Dancing With The Beast” zijn het immers vrouwen die vrijwel voortdurend centraal staan. Een logische stap voor de altijd al wel een weinig feministisch ingestelde Peters na het tumultueuze voorbije jaar. De #Me Too-beweging haalde eigenlijk gewoon alleen nog wat meer naar de oppervlakte wat er onderhuids an sich altijd al wel was. Aan je DNA zit je nu eenmaal vast. En precies dat maakt, dat Peters dit hete hangijzer wel moest aankaarten. Met bijna als vanzelfsprekend spraakmakende resultaten.

Beklijvende Americana. Vaak melodieus melancholisch van aard. Van een vrijwel voortdurend hartverwarmende schoonheid. Opgehangen aan de lotgevallen van beurtelings sterke en gebroken vrouwen. Liedjes met een duidelijke visie. Met bepaald geen gebrek aan toekomstige podiumfavorieten. We denken hier in dat verband bijvoorbeeld graag aan het majestueuze openingsnummer “Arguing With Ghosts”, aan de ingetogen schoonheden “The Boy From Rye”, “Lay Low” en “The Show”, aan het titelnummer of aan “Truckstop Angel”.

Met liedjes van het kaliber van dat zestal en vele andere hier mogen we Peters zo stilaan beginnen uitroepen tot één van dé voornaamste liedjesschrijfsters van haar generatie binnen het Americanagenre.

Gretchen Peters

 

AVI JACOB “Surrender” (Skate Mountain Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Met zijn speelduur van maar net wat meer dan achttien minuten valt deze eerste kennismaking met singer-songwriter Avi Jacob eerder aan de korte kant uit. Maar dat is dan ook het enige negatieve, wat we hier over dat schijfje kwijt willen. Als appetizer voor ’s mans kunstjes als songsmid kan dit vijf eenheden tellende geheeltje immers al tellen. Het doet wat ons betreft nu al volop uitkijken naar meer. Veel meer zelfs!

Als muzikaal referentiepunt zou pakweg een Ray LaMontagne in zijn begindagen dienst kunnen doen. Net als hij lijkt ook Jacobs er vooral om bekommerd om elementen uit folk en soul met elkaar te verbinden. En dat levert net als in het geval van LaMontagne ook hier erg fraaie resultaten op. Vooral omdat ook Jacob best wel wat te vertellen heeft. Hij gebruikt naar eigen zeggen zijn songs om aan zijn eigen sociaal isolement te ontsnappen, om gevoelens van eenzaamheid en verdriet te verdringen. En eenzelfde resultaat wil hij terloops ook bij anderen bereiken. Om het met zijn eigen woorden te zeggen: “I’m trying to connect people to the reality of their emotions, if they understand them then they can understand and have empathy for others.” Een nobel doel, als u het ons vraagt.

Bij het inblikken van “Surrender” mocht Jacob een beroep doen op de productionele kunstjes van de gerenommeerde Simone Felice. En die bracht gelijk ook maar zijn broer James mee. Diens toesenbijdragen en een vleugje accordeon van Joel Hamilton hier en daar verlenen aan enkele van de liedjes op de EP dat zekere je ne sais quoi waardoor ze nog net wat meer in het oor gaan springen.

Sterkste momenten zijn wat ons betreft het mede door de opvallende toetsenbijdrage erin erg soulvol uit de hoek komende “New England”, het vanaf de eerste tellen meteen door z’n air van vluchtigheid opvallende “One & Only” en het in al zijn intensiteit best wel wat Buckleyaans aandoende afsluitende titelnummer. Met name die drie liedjes maken naar ons gevoel van Jacob een bijzonder veelbelovende nieuwkomer.

Avi Jacob

 

CALEB CAUDLE “Crushed Coins” (Cornelius Chapel Records / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

“Crushed Coins”, het ondertussen achtste en wat ons betreft met afstand beste album van de Amerikaanse songsmid Caleb Caudle, is een inhoudelijk gezien al bij al eerder donker en dromerig uitvallend geheel over het najagen van het in de verte aan het eind van de tunnel schijnende verlossende licht. “I think the overall theme of the record is trying to find hope in a dark place,” aldus Caudle daarover zelf. “It’s about relying on the people and the things you love.”

Onder de hoede van de hier wellicht vooral van zijn werk met hippe acts als Dawes, Band Of Horses, The War On Drugs en Hiss Golden Messenger bekende producer Jon Ashley ging Caudle nadrukkelijk op zoek naar een nieuw geluid. Wat verder weg van de Americana van eerder. Allicht met als achterliggende bedoeling om net als de eerder genoemde acts een wat ruimer publiek aan te boren. En dat zou met het op “Crushed Coins” gebodene best wel eens kunnen gaan gebeuren ook. Door zijn genreoverschrijdende karakter houdt het geheel er naar onze bescheiden mening alvast alle troeven voor in handen. Gevarieerder en beter dan hier klonk Caudle echt nog nooit.

Van het sfeervol-zweverige, naast zijn eigen rusteloosheid vooral ook zijn ongebreidelde liefde voor zijn wederhelft bezingende “Lost Without You”, een prachtig staaltje roots pop, over het catchy popniemendalletje “NYC In The Rain” tot het nog wat meer countrygeoriënteerde “Headlights”, van het bedaard rockende “Empy Arms” over de bijzonder fijne Americana van “Love That’s Wild” tot folky titelnummer “Crushed Coins” – Eén van dé absolute highlights van het album! – en “Way You Oughta Be Seen”, een fijn staaltje singer-songwriter pop tout court, van “Stacks Of Tomorrows”, opnieuw een veelbetekenende voetnoot bij zijn ondertussen naar gehuwd aangepaste burgerlijke stand, over het ingetogen, maar o zo aanstekelijk werkende Americanariedeltje “Madelyn” en het daar sfeergewijs nagenoeg perfect bij aansluitende “Six Feet From The Flowers” tot afsluiter “Until It’s Over”, wij vonden hier echt niks om over te klagen. En dat doen we dan ook niet. Van ons krijgt deze nieuwe van Caleb Caudle integendeel juist een hele dikke thumbs up mee.

Caleb Caudle

 

ULTAN CONLON “Last Days Of The Night Owl” (DarkSideOut Records)

(4****)

Sinds het verschijnen van zijn vorige langspeler, “Songs Of Love So Cruel”, ben ik een onvoorwaardelijke fan van de Ierse songsmid Ultan Conlon. Net zoals ik dat ook ben van die andere Brit Richard Hawley. Beiden weten ze me eigenlijk op een enigszins vergelijkbare manier te raken. Met hun fluwelen stemmen in de eerste plaats. Met hun je vaak met iets van een wee gevoel in de maagstreek achterlatende, regelmatig schaamteloos melancholisch dan wel romantisch aandoende songs zeker ook. Beiden zijn het grootmeesters in het pennen van intelligente, ogenblikkelijk goed in het gehoor liggende liedjes. Supermelodieus spul allemaal.

Twaalf stuks heeft Conlon daarvan ditmaal in de aanbieding. En echte uitschieters zitten daar eigenlijk andermaal niet tussen. Neen, “Last Days Of The Night Owl” luistert gewoon weer heerlijk weg als een geheel. Zelfs eerste single “The Measure” valt onderweg nauwelijks op. Enkel het wat wulpsere ritme daarvan rechtvaardigt enigermate de keuze om het als vaandeldrager voor deze collectie fraaiheden uit te sturen. Al had men dan net zo goed voor pakweg “Twice A Child” kunnen gaan. Maar soit, het zij zo.

Voor ons rest er hier eigenlijk maar één vraag meer. Wie haalt er deze man snel eens voor wat optredens naar ons land? Hij verdient het.

Ultan Conlon

 

SHAGGY DOGS “All Inclusive” (First Offence Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Op hun door de Brit Gary Bromham geproduceerde nieuwe album “All Inclusive” maken de Shaggy Dogs er andermaal een wild feestje van. De vijf Fransen steken opnieuw nergens onder stoelen of banken zwaar beïnvloed te zijn geweest door acts als de Inmates, Dr. Feelgood en Nine Below Zero, maar dat kan de pret zeker niet drukken. De dertien tracks die ze hier vanuit de lichtstad weer op ons afvuren zijn immers de nouveau zo aanstekelijk dat zitten blijven een zo goed als onmogelijke opdracht wordt. Dit is muziek waarvoor tafels en stoelen onverwijld aan de kant gaan, muziek waarop je vooral loos wil gaan. Opzwepend spul dat constant de grenzen tussen R&B, blues en rock & roll aftast. En met zo nu en dan ook wel eens ruimte voor een wat exotischer noot. Zoals in het zomerse “El Dia De Los Muertos” bijvoorbeeld. Dat laatste is een geheide toekomstige live-favoriet. Met zijn hitsig ritme en zijn en passant passerende ay-ay-ay-kreetjes is het ons inziens immers ideaal spek naar de bek van feestgrage concertgangers. Zoals überhaupt veel van het hier gebrachte dat is overigens. Van het tempogewijs inderdaad wat rudeboy-bloed in de aderen hebbende “Blues Steady” over de swingende R&B-stamper “Facebook Fury” , de wervelende harmonicabluesescapade “Watch Out” of het de held uit zijn titel erende “Link Wray” tot het de feestelijkheden op stomende wijze afsluitende “No Mo Do Yakamo”, er valt hier zoveel lekkers mee te pakken! Très, tres sympa!

Shaggy Dogs

 

EUGENE RUFFOLO “Canto Per Mangiare: La Musica” (Cane Morte Music)

(4****)

Met zijn nieuwe album verwezenlijkt Eugene Ruffolo eindelijk een door hemzelf jarenlang gekoesterde droom. Geïntrigeerd door de heerlijk veelzijdige muziek van het Zuiden van het land van herkomst van zijn voorouders stort de Italo-Amerikaan zich op “Canto Per Mangiare” immers op een twaalftal liedjes in het Italiaans. Al dan niet voorzien van een bescheiden rootsy noot.

Het blijkt daarbij te gaan om tot eigen favorieten uitgegroeide traditionele Italiaanse folkdeunen, een stel moderne (pop) classics van onder meer Pino Daniele (“Pace E Serenita” en “Anima”) en Lucio Battisti (Emozioni”) en een drietal nummers van eigen hand (“Bella Maria”, “Ma Quando” en “Rimbombito Un Po”). Een heerlijk gevarieerd, lekker zomers aandoend aanbod alleszins, waarin mooizinger Ruffolo echt zijn hele ziel en zaligheid kwijt kan. Elke nog bestaande twijfel aan zijn kwaliteiten als vocalist kan nu wel voorgoed overboord.

“Canto Per Mangiare” werd door Ruffolo overigens geconcipieerd als een tweeledig project. De muziek zou je daarbij een beetje oneerbiedig kunnen zien als loutere ondersteuning bij een boekwerk waarin de beste man als “muzikant met een diepgewortelde voorliefde voor de Italiaanse keuken” uitpakt met precieuze familierecepten, essays, foto’s, verhalen over de gebrachte liedjes en dies meer. Maar zo werkt het natuurlijk niet. “Enjoyed together,” aldus Ruffolo zelf, “these two pieces offer a glimpse into the musical and epicurean charms that Italian culture has to offer.”

Wij zouden u van onze kant hier als entreetje alvast ‘s mans bewerkingen van het u onder meer in een uitvoering van wijlen Elvis Presley bekende “Torna A Sorrento” en Pino Daniele’s “Anima” en zijn eigen originelen “Bella Maria” en “Rimbombito Un Po” willen aanbevelen. De zin naar meer volgt daarna vast vanzelf wel.

Eugene Ruffolo

 

DANNY BRYANT “Revelation” (Jazzhaus Records / Coast To Coast)

(3,5****)

Bluesrocker Danny Bryant gaat op zijn nieuwe album “Revelation” op indrukwekkende wijze de confrontatie met enkele demonen uit zijn eigen recente verleden aan. Het is daardoor zonder meer zijn meest persoonlijke en emotionele plaat so far. En dat heeft alles te maken met het feit, dat hij op amper zes maanden tijd eerst één van zijn oudste en beste vrienden verloor en korte tijd later ook nog zijn vader. Met name het afscheid van die laatste, ook de bassist in zijn band, zou Bryant in geen tijd richting een flinke depressie stuwen. En daar probeert hij zich nu een weg uit te banen. Met nummers met een zeker therapeutisch karakter. Songs opgehangen aan thema’s als isolatie, wanhoop en donkere tijden. Inhoudelijk al bij al eerder donker van aard dus.

Toch wil Bryant zelf niet zover gaan om dit als rouwmuziek te bestempelen. Naast sfeergewijs zijn gemoedstoestand perfect verklankende dingen staan er op de opvolger van “Temperature Rising” en “Blood Money” immers ook een heleboel songs met een aardig wat prettiger tempo. Spul, dat Bryant bij momenten eerder in de hardrockhoek dan in de bluesvariant daarop laat situeren. Soms zelfs met een uitgesproken poppy of soulvol randje. Iets waaraan met name de toevoeging van koperblazers en toetsen niet vreemd is.

Onze voorkeursmomenten: het uitermate beklijvende titelnummer, de indringende slow rocker “Liars Testament”, het ingetogen “Someday The Rains Will Fall”, de sympathiek schuifelende bluesy kuitenbijter “Truth Or Dare” en het echt wel ongemeen soulvol uit de speakers glijdende “May I Have A Talk With You”.

Danny Bryant

 

THE BONNEVILLES “Dirty Photographs” (Alive Natural Sound / V2)

(3,5****)

Tweede album van het Noord-Ierse, naar eigen zeggen met name door de Jon Spencer Blues Explosion en RL Burnside beïnvloede duo The Bonnevilles. En wat de tandem Andrew McGibbon en Chris McMullan daarop te bieden heeft valt inderdaad ook nadrukkelijk in dezelfde hoek te situeren. Met hun mix van gritty blues en primitieve rock & roll kiezen ze alvast voor eenzelfde no-nonsense-aanpak als hun helden. Af en toe hoor je ook de jonge Hendrix of een prise R&B. En veel punk. Uiteraard.

Al knalt lang niet alles hier even heftig, hoor. Tussendoor worden zo bijvoorbeeld ook enkele heuse ballads opgedist. Gevoelig spul weliswaar, maar tegelijk ook nog heel erg rauw, ruw van aard. Zoals “Don’t Curse The Dark”. Met zijn ingehouden vibrerende gitaar en een sfeervolle orgelbijdrage meteen één van de absolute toppers op “Dirty Photographs”. Behoren tot dat selecte groepje wat ons betreft verder zeker ook: de stomende garagerocker “The Good Bastards” en titelnummer “Dirty Photographs”, een ode aan de lekkere kont van McGibbons wederhelft.

Punk-blues van het absoluut betere soort. Lekker! Echt lekker! (Al is dat op de keper beschouwd misschien toch net wat té cheesy als afsluiter…)

The Bonnevilles

 

PHARIS AND JASON ROMERO “Sweet Old Religion” (Lula Records / Lucky Dice Music)

(5*****)

Met het ook hier uitgebreid bejubelde “A Wanderer I’ll Stay” sleepte het Candese echtpaar Pharis en Jason Romero in 2016 in eigen land naar onze bescheiden mening volkomen terecht de felbegeerde Juno Award voor “Traditional Roots Album of the Year” in de wacht. En ’t is dat in ongeveer dezelfde periode een brand hun hele hebben en houden in de as legde, of de twee zouden het ondertussen allicht ook hier al veel verder hebben geschopt dan wat naambekendheid in echte connaisseurskringen. Wat ze samen brengen is immers van een haast onaardse schoonheid. Hoe ze met name old-time folk en country naar het hier en nu weten te vertalen spreekt vrijwel doorlopend tot de verbeelding. Fans van acts als Gillian Welch en Mandolin Orange zijn bij dezen gewaarschuwd!

Met hun inmiddels vierde langspeler “Sweet Old Religion” staan de echtelieden uit Horsefly, BC nu wat ons betreft voor het moment van de waarheid. De elf nieuwe liedjes daarop – Voor het eerst uitsluitend eigen originelen! – zijn op de keper beschouwd nog mooier dan die op het an sich ook al geweldige “A Wanderer I’ll Stay”. De samenzang is al vanouds hemels en ook muzikaal gezien zit alles weer snor. Kon eigenlijk ook moeilijk anders. Als er immers al één iemand is die weet, hoe je dat instrument hoort te laten klinken, dan wel banjobouwer Jason Romero. En ook op tal van gitaren weet hij zijn weg best wel te vinden. Net als wederhelft Pharis trouwens. En dan hadden we het nog niet over gastbijdragen van schoon volk als John Reischman op de mandoline, Josh Rabie op de fiddle, Marc Jenkins op de pedal steel, John Raham op drums en Patrick Metzger op bas en baritongitaar.

Met een Europese tournee op komst en met een korf vol veritabele schoonheden van songs als “Sweet Old Religion”, “Stitch In Time”, “Salt & Powder”, “Old World Style”, “Age Old Dream”, “The Salesman”, “You Are A Shining Light”, “You Are The Best Thing”, “Leave The Garden Gate Open”, “Come On Love” en “Babes, Mothers & Fathers” onder de arm lijkt niets een doorbraak op wat grotere schaal nog in de weg te kunnen staan. 2018 wordt het jaar van Pharis en Jason Romero. Zeker weten!

Pharis And Jason Romero

 

HANNAH SANDERS & BEN SAVAGE “Awake” (Sungrazing Records / Proper)

(5*****)

Eens om de zoveel tijd komt er compleet out of the blue een plaat voorbij waarvan je gelijk vanaf het eerste moment weet, die wil ik nooit meer missen. Dit is er eentje voor de eeuwigheid. Eentje om te hebben en intens van te houden. En van te blijven houden vooral ook. Het soort van plaat, waarover je van de daken af wil schreeuwen, hoe geweldig ze wel is. Het soort van plaat, dat je aan al je vrienden cadeau zou willen doen, als je wat beter bij kas zat. Dat soort van plaat is voor ons “Awake”, de tweede samenwerking tussen Hannah Sanders en Ben Savage. Schoonheid pur. Oorstrelend werkelijk van de eerste tot de laatste tel.

En als dusdanig de belofte van “Before The Sun”, hun debuut samen van ondertussen zo’n jaar of twee geleden, volledig inlossend ook. Bij nader inzicht eigenlijk zelfs nog overtreffend. Voor wat Sanders en Savage hier onder de vakbekwame productionele hoede van de Canadees David Travers-Smith (Madison Violet, Wailin’ Jennys) klaarmaken schieten woorden bij momenten gewoon tekort. Zelden een act zo mooi een brug horen slaan tussen traditionele Engels en Amerikaanse folk- en rootsmuziek. Met dank daarvoor onder meer ook aan het adres van betrokken gerenommeerde gasten als Suzanne Ungerleider (Oh Susanna), het duo Gimore & Roberts en pedal steel wizard Burke Carroll.

Er valt hier echt zoveel te genieten! De engelenstem van Sanders. Geweldig! Het fluweel van die van Savage. Dito! Hun harmonieerwerk. Hemels! ’s Mans meesterlijke benadering van instrumenten als akoestische gitaar en dobro. Om van te smullen! Net als van Sanders’ bijdragen op de dulcimer overigens. De ideale middelen om eender welk doel hier te heiligen, zo blijkt. Het resultaat is van een haast bedwelmende schoonheid. Ongelooflijk delicaat bij momenten. Met klanken geschilderde miniatuurtjes waarvoor er tussen elk stel gezonde oren plaats zou moeten zijn. Dromen mag!

Zes van de elf gebrachte liedjes zijn ditmaal overigens eigen originelen. Met als absolute uitschieters wat ons betreft het door de ingenieuze wisselwerking tussen de sirenenstem van Sanders en de virtuoze snarenbenadering van Savage naar eenzame hoogten gestuwde “Selkie Song” en het etherische “Seven”. Met “Every Night When The Sun Goes In”, “Reynardine” en “Santa Fe Trail” werden er verder ook weer een stel traditionals aan boord gehaald en covers zijn er daarnaast ook nog van het je ongetwijfeld ook van één van de “Mermaid Avenue”-Guthrie-samenwerkingen tussen Billy Bragg en Wilco bekende “Way Over Yonder In The Minor Key” en van Pete Seegers “One Grain Of Sand”.

Werkelijk bloedmooi! Eén van dé platen van 2018 so far!

Hannah Sanders & Ben Savage

 

LANGHORNE SLIM “Lost At Last Vol. 1” (Dualtone / Bertus)

(4,5*****)

Ik zal maar eerlijk zijn, zeker? Als ik het hier over Langhorne Slim moet hebben, dan gebeurt dat niet meteen onbevooroordeeld. Ik ben immers een onvoorwaardelijke fan van de man. Ik hou wel van zijn (aparte) aanpak. Die is naar mijn bescheiden mening vaak even simpel als briljant. Maar meer nog: ik zie in de beste man zoiets als een medestander. De manier waarop ook hij ook op zijn nieuwe worp weer vecht voor ons almaar meer in het gedrang komende recht op eigenheid is bijna ontroerend. In ware Don Quichote-stijl roept hij op om toch vooral maar niet in de vele vallen van deze tijd te trappen. Vooral het willen beantwoorden aan je door sociale en andere media opgelegde leefregels vindt hij maar niks. Het zoeken naar groener gras elders leidt er volgens hem alleen maar toe, dat je een vaak al heel erg goed leven zomaar aan je voorbij laat glijden zonder er ten volle van te genieten. Een mening waar zeer nadrukkelijk een zekere hang naar jammer genoeg lang vervlogen tijden uit spreekt. Om het met de titel van één van de liedjes op “Lost At Last Vol. 1” samen te vatten: “Life Is Confusing”. Het leven van vandaag de dag is nogal verwarrend.

Met zijn net wat meer dan drieëndertig minuten speeltijd is “Lost At Last Vol. 1” wat je noemt een korte maar intense luisterervaring. Ongemeen eerlijk en bij momenten aardig emotioneel ook. Zonder blad voor de mond. Puur. Americana van het ontwapenendste soort. Van vele markten thuis, van vele walletjes etend. Nu eens poppy of folky, dan weer soulvol. Niet vies van een snuif old-time (country) ook. Doorlopend erg catchy. Dat alleszins. En eerder nostalgisch van aard ook. Moest ook wel, gezien de eerder al even aangekaarte boodschap erachter.

Kortom: heerlijk plaatje, deze zesde volwaardige langspeler van Slim!

(Langhorne Slim doet begin mei Nederland aan voor enkele optredens. Deventer (Pennickhuis, 04-05), Vlieland (Here Comes The Summer, 05-05 en Amsterdam (Sugarfactory, 06-05) zijn daarbij de gaststeden.)

Langhorne Slim

 

HAMISH ANDERSON “Trouble” (Hamish Anderson / Sonic Rendezvous)

(4****)

Naar de jonge Aussie Hamish Anderson zal allicht altijd wel verwezen blijven worden als het wonderkind dat op zijn drieëntwintigste als laatste de eer had om voor wijlen BB King te mogen openen. En dat is iets wat hij zelf allicht niet eens erg zal vinden ook, aangezien hij de drievuldigheid BB, Albert en Freddie King als enkele van zijn grootste voorbeelden noemt, naast verder onder meer ook nog Peter Green, Eric Clapton, Keith Richards, Jeff Buckley, Tom Petty, Robert Johnson, Buddy Guy, Elmore James en Son House. Een hele trits namen die je meteen ook in de juiste richting duwt met betrekking tot ’s mans muziek. Anderson voelt zich immers daadwerkelijk het best in de schemerzone tussen blues en rock. En een goede dosis soul is daarbij meestal ook niet te ver uit de buurt.

Zijn door de je onder meer van zijn werk met en voor Tom Petty, de Tedeschi Trucks Band, Ryan Bingham en Wilco bekende Jim Scott geproduceerde eerste volwaardige langspeler “Trouble” is wat je noemt een verdomd sterk debuut. Met de twaalf veelal eigen liedjes daarop bewijst Anderson moeiteloos over zoveel meer troeven dan alleen maar zijn looks te beschikken. Noem hem maar a triple threat: een prima zanger, een al even getalenteerde gitarist en ook als songsmid staat de youngster meer dan zijn mannetje.

Met titelnummer “Trouble” gidst hij ons funky rockend zijn eigen universum binnen. En daar blijkt het al snel bijzonder fijn toeven. Zo is het lijzig rockende, wat naar Clapton neigende “Fire” mede dankzij een gesmaakte toetsenbijdrage van Jerry Borge erg fijn luistervoer en ook het werkelijk van de soul bulkende “18 Days” kon hier meteen op de nodige goedkeuring rekenen. Memphis leek plots even heel dichtbij! “Holding On” op zijn beurt koppelt de blues aan een flink uit de kluiten gewassen popgevoel, met “Working Blues” slaan we even ongegeneerd aan het rocken en “Never See You Again” is opnieuw een aardig poppy knipoog richting tot luisteren bereide mediafiguren.

In “Hold On Me” slaat Anderson vervolgens tegen een funky boogie beat gekund een brug tussen verleden en heden. Retesterke song, dat laatste liedje. Aansluitend daarop mag het tempo dan even serieus naar omlaag. Voor de soulvolle trage “Am I A Good Man” meer bepaald. Voor ons persoonlijk meteen één van dé absolute topmomenten van “Trouble”.

In “My Love” vaart Anderson daarna op bedaarde wijze andermaal even een als eerder poppy te omschrijven koers, met het springerige “Don’t Look Back” trekt hij opnieuw zo goed als alle registers open, “U” blijkt een verdere ongemeen soulvolle sleper en ook afsluiter “My Sweetheart, You” hoort thuis in dat laatste rijtje, zij het dan ook met een vette knipoog richting het R&B-genre.

Anderson is dezer dagen voor het eerst ook in Europa live te bewonderen. Haltes daarbij zijn onder meer Ospel (Moulin Blues, 04-05), Zwolle (Bevrijdingspop, 05-05), Leiden (Qbus, 17-05), Eindhoven (Wilhelmina, 18-05) en Raalte (Ribs & Blues, 20-05). Je zal er dus wel even de grens voor over moeten.

Hamish Anderson

 

MICHAEL MCDERMOTT “Out From Under” (Continental Song City)

(4,5*****)

Wat gaat het plots allemaal hard voor de Amerikaanse singer-songwriter Michael McDermott. Na zijn terugkeer langs de grote poort met The Westies, met wie hij de voorbije jaren de uitstekende albums “West Side Stories” en “Six On The Out” afleverde, lijkt er helemaal geen stoppen meer aan. Het lijkt wel alsof er iets aan ‘s mans creatieve kraantje scheelt. De geweldige songs en verhalen blijven er immers maar uitgelopen komen. Of wat complete drooglegging zoal met een mens kan doen. Het afzweren van drank en drugs legt McDermott alvast geen windeieren. Ten getuige daarvan is er nu alweer “Out From Under”. Opnieuw elf nieuwe liedjes, het ene al mooier dan het andere.

Als entrée fungeren het bezwerende “Cal-Sag Road” en het sympathieke rootsy niemendalletje “Gotta Go To Work”. Vervolgens zijn er de radiovriendelijke funky rocker “Knocked Down”, het al even catchy en ons en passant een weinig aan The Boss herinnerende “Sad Songs” en de heerlijke ballad “This World Will Break Your Heart”. Titelnummer “Out From Under” op zijn beurt hengelt middels een dansbare beat nadrukkelijk naar media-aandacht. Opnieuw loert daarbij de vergelijking met Springsteen om de hoek. En dat mag u wat ons betreft gerust als een serieus compliment beschouwen.

De tweede plaathelft wordt in het zog daarvan ingezet met rustpuntje “Celtic Sea”. Next up zijn het op ongemeen zwierige wijze naar de hoogdagen van het Motown-label teruggrijpende “Rubber Band Ring” en de ronduit verbluffende rocker “Never Goin’ Down Again”. Dat laatste is zo’n beetje hét centrale stuk op “Out From Under”. Daarin maakt McDermott immers definitief komaf met de demonen uit zijn verleden. Resten ons daarna nog: het zomers luchtige “Sideways” en de opnieuw heel erg Springsteeniaans aandoende trage “God Help Us”.

Als er zoiets als gerechtigheid bestaat, dan verkoopt Michael McDermott de komende maanden van dit schijfje vele duizenden exemplaren en groeit hij uit tot één van dé revelaties van de zomer van 2018. Wij van onze kant gunnen het de beste man alvast van ganser harte. Wij hopen van u hetzelfde.

Michael McDermott, Bandcamp (CRS)

 

GERRY SPEHAR “Anger Management” (Gerry Spehar)

(4****)

Van de Amerikaanse songsmid Gerry Spehar bespraken we hier vorig jaar nog het leuke “I Hold Gravity”. Maar met die plaat heeft ’s mans nieuwe worp nog maar weinig gemeen. En al zeker wat betreft het inhoudelijke aspect ervan dan. Op “Anger Management” presenteert Spehar zich immers als een soort van eigentijdse uitvoering van Woody Guthrie. Het betreft daarbij een plaat geïnspireerd door de woelige politieke tijden in zijn land. En door Trump natuurlijk. Hoe kan het ook anders.

Openingsnummer “Thank You Donald” is zo bijvoorbeeld meteen een cynisch opgestoken middenvinger aan het adres van de huidige politieke baas van de States. Daarin wordt die laatste bedankt omdat hij het voor Spehar voorlopig zo goed als onmogelijk maakt om er het bijltje bij neer te leggen. Voor zijn familie is hij nu immers meer dan ooit nodig. En ook zijn stem is natuurlijk een beetje onmisbaar geworden. In het eerder lijzig neergelegde “Son Of An Immigrant” en ook in border song “Barrier Reef” gaat Spehars aandacht dan weer richting de immigratieproblematiek van zijn land, titelnummer “Anger Management” praat op z’n J.J. Cale’s zijn eigen boosheid goed, “A Soldier’s Spiritual” is een ouderwets countrywalsje over het vaak pijnlijke lot van oorlogsveteranen in de jaren na hun terugkeer van het front en het ingetogen “Pearl Harbor” op zijn beurt een anti-oorlogsliedje pur sang. En zo gaat het maar door. Aan dankbare onderwerpen dezer dagen bepaald geen gebrek voor Spehar. Van kernwapens tot de moeder van alle kwaad, hebzucht, tot… U zegt het maar! Met een speciale vermelding enkel nog voor het afsluitende “What Would Jesus Do?”. Is echt een heerlijk liedje, dat laatste. Hoe Spehar Jezus daarin als een doorsnee Texaan door het leven laat gaan is niet alleen goed voor een brede grijns op je gelaat maar ook voor de nodige vragen. Zou Hij een muur bouwen? Zou Hij een wapen dragen? Zou Hij hongerige kleine kinderen gewoon wandelen sturen? Zou Hij voor Trump stemmen? Zou Hij minder belastingen opleggen aan de rijken en de armen zonder gezondheidszorg achterlaten? Wat zou Jezus doen? Aan duidelijkheid laten Spehars woorden maar weinig te wensen over…

Voor de productie van “Anger Management” zocht Spehar zijn heil bij Paul Lacques van I See Hawks In L.A.. En in diezelfde groep en bij die van Double Naught Spy Car vond hij ook het gros van zijn begeleiders. Zijn verder onder meer ook nog aan boord: Rick Shea, Brantley Kearns, Gabe Witcher, John David en Tommy Joran. Met z’n allen maakten zij van “Anger Management” het soort van plaat dat zich niet enkel laat aanraden aan liefhebbers van protestliedjes maar bijvoorbeeld ook aan die van het werk van singer-songwriters à la een Robert Earl Keen, een Fred Eaglesmith en aanverwanten. Of die van een lekker gevarieerd potje Americana tout court. Want dat is “Anger Management” heel zeker.

Gerry Spehar

 

SAM MORROW “Concrete And Mud” (Forty Below Records)

(4****)

Sam Morrow lijkt met zijn derde worp helemaal klaar voor een wat meer vooraanstaande rol binnen het actuele West Coast countrygebeuren. Met de opvolger van z’n debuutplaat “Ephemeral” uit 2014 en het van net geen drie jaar geleden stammende “There Is No Map”, het door Eric Corne geproduceerde “Concrete And Mud”, zet hij wat ons betreft alvast enorme stappen vooruit.

“Heartbreak Man” is gelijk nagenoeg perfecte Southern country rock en derhalve ook catchy as hell. “Paid By The Mile” moet het op zijn beurt hebben van een ongemeen groovy Zuiders geluid, “San Fernando Sunshine” is een wolk van een doorleefde trage, zoals we die ooit ook op regelmatige basis door Waylon Jennings voorgeschoteld kregen, “Quick Fix” is een streepje over gesyncopeerde beats heen gedrapeerde lome country funk van de bovenste plank en “Good Old Days” herinnert er je als luisteraar terstond aan waarom je ooit zo van country rock bent gaan houden, veel aanstekelijker worden ze immers amper nog gemaakt. Love it!

De tweede plaathelft wordt vervolgens ingezet met de sfeervolle sleper “Weight Of A Stone”. Andermaal een fantastisch nummer. Next in line is dan het heupwiegend voorbijflitsende rockertje “Skinny Elvis”, door Morrow gedeeld met collega Jaime Wyatt. De semi-ballade “Coming Home”, het opnieuw lijzig countryfunkende “Cigarettes” – Echt iets voor liefhebbers van het werk van good old Tony Joe White! – en het innemende “Mississippi River” vervolledigen tenslotte een erg knap songtiental.

Het is moeilijk om van een plaat als deze niet te houden. Probeer het zelf ook maar eens!

Sam Morrow

 

DIETER VAN DER WESTEN BAND “Me And You” (Dieter Van Der Westen Band / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Old Oak Tree”, het al in 2016 verschenen solodebuut van de jonge Nederlander Dieter van der Westen, ontging ons indertijd jammer genoeg volledig. Pas onlangs kregen we dat prima visitekaartje hier te horen. Bij wijze van aanloop als het ware naar een recensie van ’s mans tweede worp. “Me And You” heet die en aan de naam van de singer-songwriter werd voor de gelegenheid het woordje Band toegevoegd. Logisch maar, aldus van der Westen zelf: “Muziek is een sociaal proces, je deelt niet alleen de noten, maar ook je persoonlijke verhalen en een band groeit steeds meer naar elkaar toe. En dat hoor je in de muziek. Ieders karakter komt in het nieuwe album naar voren.” Het resultaat is een erg knap, op de keper beschouwd behoorlijk Amerikaans klinkend geheel. Lekker gevarieerd ook.

Afgetrapt wordt er met road song “Driving Home”, een terloops een weinig aan iets van Neil Young herinnerend liedje gewijd aan wat er zoal door je hoofd gaat tijdens lange eenzame ritten op de weg terug naar huis. Titelnummer “Me And You”, een ongemeen sfeervolle trage gekruid met fijn gitaar- en vioolwerk, sleurt ons vervolgens inhoudsgewijs richting l’amour, één van de voornaamste pijlers van het geheel, zo zal later blijken. Vervolgens is er het met name door het banjogepingel van Joost Abbel als een sympathiek zuchtje lentewind voorbij gewaaid komende “Lay Me Down”, een song die zijn oorsprong vond in het overlijden van een familielid van één van de bandleden.

Via het atmosferische, voorzichtig met world music flirtende “Come Come Come”, het catchy, aan een leuk countryritme opgehangen “I Miss You More”, de knappe ballad “Sometimes” – één van onze persoonlijke favorieten hier – en het rockertje “Heart Of Mine” worden we daarna in één vlotte beweging klaargestoomd voor een ferme finale. Die wordt ingezet met het verhalende “Jesse James”, een Amerikaanse traditional hier zonder blikken of bloze omgetoverd tot een geweldig staaltje Euro Americana, met opnieuw Abbels banjo in een opvallende hoofdrol. De voorlaatste halte is aansluitend daarop het een weinig met alles ervoor brekende “Take Me Higher”. Het betreft daarbij immers een rootsy opstoot van da funk. Verdomd lekker dingetje! Zullen ze live allicht nog veel plezier aan gaan beleven. En last but not least is er dan ook nog “Where I Belong”. Daarin toont van der Westen zich van zijn meest rockende kant. Knap trouwens ook, hoe in dat overspelliedje de spanning naar een absolute climax wordt opgebouwd. Precies wat deze plaat verdiende eigenlijk…

Dieter Van Der Westen Band

 

DAN ISRAEL “You’re Free” (Dan Israel)

(4,5*****)

Er zijn zo van die artiesten die een heel leven lang goede tot zelfs ronduit uitstekende platen kunnen blijven maken zonder daarbij terloops ook al is het maar voor heel even enig serieus uitzicht op succes te krijgen. Life sucks, denk je dan. Eerlijk is anders. Neem nu zo iemand als Dan Israel. Al sinds jaar en dag grossiert de beste man in veritabele heerlijkheden van liedjes. Zijn naam op een platenhoes aantreffen is als het ware een garantie voor kwaliteit. In zaken roots rock is de Amerikaan ontegensprekelijk één van de best bewaarde geheimen van de klas gebleven. Onbegrijpelijk eigenlijk, waarom hij in tegenstelling tot verwante muzikale geesten à la een Tom Petty of een Paul Westerberg nooit de grote massa wist te bereiken. Aan de kwaliteit van zijn songmateriaal zal het wat ons betreft alvast zeker niet gelegen hebben. Dat was immers vrijwel doorlopend top.

Ook nu weer. Op zijn inmiddels veertiende studioplaat al. En die kreeg van Israel toepasselijkerwijze de veelbetekenende titel “You’re Free” mee. Onze man besloot immers niet zo heel erg lang geleden om zijn vaste job vaarwel te zeggen in ruil voor een onzekere toekomst in de muziek. Je moet het maar doen! Feit is, dat die breuk effectief wel heel bevrijdend lijkt te hebben gewerkt. Ze heeft Israel naar onze bescheiden mening zijn misschien wel allerbeste plaat so far opgeleverd. Een geheel bulkend van de fraaie liedjes, die je graag de door Tom Petty na zijn overlijden achtergelaten leemte zullen helpen opvullen. Liedjes, niet zelden gekleurd door tijdseigen gevoelens als hartzeer, eenzaamheid, vervreemding en frustratie. Maar even goed met oog voor de onhoudbare huidige politieke toestand van de wereld. En uiteraard ook voor zijn eigen pas herwonnen vrijheid.

Eerder contemplatief, graag naar het melancholische neigend materiaal genre een “Gets You Through It”, “Stay On The Run”, “Feeling Better” en “Make This Life Mine” wordt daardoor op “You’re Free” afgewisseld met heerlijke opstoten van lentefrisse jangle pop genre het titelnummer of een “Someday You’ll Stay” ook. En uiteraard zijn er ook weer wat love songs op z’n Israels. Zoals het heel erg radiogenieke “Back To You” bijvoorbeeld en het al even aanstekelijke “If I Didn’t Have You”. Zelfs wat voorzichtig bluesy spul. Met name de rootsy rammelaar “Long Gone Dream”, “Soul Will Be Found” en het enigszins atypische afsluitende instrumentaaltje “Porch Storm”.

Wordt dit de plaat waardoor Dan Israel eindelijk alle aandacht krijgt die hij eigenlijk al jarenlang verdient? Wij hopen het hier alvast van ganser harte! Elke liefhebber van intelligente catchy roots rock songs die ze zich niet in huis haalt loopt daardoor immers een vriend voor het leven mis.

Dan Israel

 

KRISTOFFER BOLANDER “What Never Was Will Always Be” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“What Never Was Will Always Be” is de enigszins cryptisch getitelde tweede van de Zweedse singer-songwriter Kristoffer Bolander. Die verbaasde ondertussen zowat een jaar of drie geleden vriend en vijand met het knappe “I Forgive Nothing”. Na bijna een decennium lang met de alternatieve folkband Holmes aan de weg getimmerd te hebben was dat zijn eerste soloplaat. En die moest het bijna volledig hebben van de hemelse stem van de man. Deed in de veelal melancholische liedjes niet zelden een weinig denken aan die van Neil Young eigenlijk. Ideaal dus voor het vereeuwigen van intimistische poëtische pareltjes als deze waarmee de plaat tot de nok toe gevuld bleek.

“What Never Was Will Always Be” is op de keper beschouwd totaal andere koek. Niet dat Bolander plots geen deftig liedje meer geschreven zou krijgen of zo, dat zeker niet, maar hij kiest hier toch wel nadrukkelijk voor een totaal andere aanpak. Weg is het spaarzame geluid van “I Forgive Nothing”. In plaats daarvan mag ditmaal een band mee van stal. Alles klinkt daardoor automatisch een stuk voller, atmosferischer ook. En al zeker als er terloops ook nog eens geëxperimenteerd wordt met vervormde gitaarklanken en/of elektronische elementen. Dan lijken ’s mans verhalen over verloren steden en levensveranderende romances plots bijna ondergeschikt aan de opgeroepen moods.

Als folk tout court zouden we wat Bolander hier aflevert dan ook niet langer willen bestempelen. Noem het wat ons betreft maar eigentijdse folk pop. En zo nu en dan mag daar zelfs de uitbreiding electro voor. Dan krijg je bij tijd en wijle zelfs even iets van een dance-gevoel.

Onze luistertips: het epische “Cities”, de ingetogen beauty “To Come Back” en vooral ook het klein gehouden en daardoor wel nog heel erg folky aandoende “True Romance”.

Kristoffer Bolander

 

GRANT PEEPLES & THE PEEPLES REPUBLIK “Settling Scores Vol. II” (Continental Song City)

(4,5*****)

Grant Peeples is wat je noemt een verdomd bezige bij. Het zopas verschenen “Settling Scores Vol. II” is al ‘s mans tiende release sinds zijn debuut in 2008. En wat mij persoonlijk betreft is het meteen ook zijn allerbeste. De eerste waar ik helemaal niks op aan te merken heb. De eerste die me van begin tot einde mateloos weet te boeien. Een album gelijk opvallend door zijn constant erg hoge songkwaliteit.

Afgetrapt wordt er met het omineuze “Pitchforks And Torches”. Een bijzonder lekker lijzig rootsrockertje. Vervolgens belanden we bij de ook al heel erg mooie trage “Goodbye”. “A Steve Earle song I would have written… if he hadn’t,” aldus Peeples daarover zelf in de liner notes. Het ingetogen “Dear Judas” op zijn beurt had volgens Peeples net zo goed “Love, Betrayal And Forgiveness” geheten kunnen hebben en dat zegt meteen ook veel over de inhoud ervan. Het bluesy ”This Could Be A Long Night” deed mijn gedachten vervolgens even afdwalen tot bij Tom Waits, love song “Liliana” is een reprise van een nummer van zijn eigen, al een poosje niet meer verkrijgbare “PawnShop”-album uit 2009, “The Black Dress” leeft niet alleen van een begrafenissfeertje, maar werd er bij nader inzicht ook effectief door geïnspireerd en het funky “More For Us, Less For Them” is uiteraard een sneer naar het huidige beleid van de States en allen die zich daarin kunnen vinden.

Hét absolute hoogtepunt van “Settling Scores Vol. II” moet wat mij betreft dan nog komen. Meer bepaald de epische afsluiter “The New Brownsville Girl”. Dat blijkt bij nader inzicht een rewrite van het Dylan-nummer dat we kenden van diens “Knocked Out Loaded”-album. Leuk om te horen, hoe Dylan-fan Peeples daarin een geheel eigen draai aan het nummer van zijn grote voorbeeld weet te geven.

Voor de productie van “Settling Scores Vol. II” tekende Gurf Morlix. Andere prominente gasten waren onder meer ook nog toetsenist David Webb, drummer Rick Richards en accordeonist Joel Guzman.

Grant Peeples

 

THE TEXAS GENTLEMEN “TX Jelly” (New West Records / PIAS)

(5*****)

The Texas Gentlemen zijn een door Beau Bedford geassembleerd vijfmanschap dat de voorbije jaren reeds flink van zich deed spreken. Als backing band speelden ze onder meer reeds achter Ray Wylie Hubbard, Kris Kristofferson, Shakey Graves, Nikki Lane, Leon Bridges, Jim James, George Strait, Ray Benson, Shawn Mendes, Ed Sheeran en Joe Ely. Met “TX Jelly” wordt nu de logische volgende stap gezet. En dat plaatdebuut van de vijf youngsters uit de Lone Star State is er één om niet vlug te vergeten. Precies vier dagen, meer hadden Bedford en de zijnen niet nodig om in de vermaarde FAME Studios in Muscle Shoals zo menig een streepje volstrekt tijdloze muziek uit de mouw te schudden.

Het resultaat van hun noeste arbeid daar in Alabama is een echt wel heerlijk gevarieerd geheel. Definitely Southern! Met “Habbie Doobie” wordt alvast een vliegende start genomen. Da’s een streepje rete-swingende vintage country funk. Vervolgens gaat het via de een weinig aan wijlen John Lennon herinnerende waggelende rocker “Pain” en het lekker soulvolle “Bondurant Women” richting een volgend echt hoogtepunt. Want dat is “Dream Along” heel zeker. Een geweldige country tearjerker in onvervalste Willie Nelson-stijl! “Gone” is op zijn beurt dan weer countryspul met een nadrukkelijk Zuidstatengevoel à la een Bobby Bare in zijn hoogdagen en in “My Way” wordt er aanvankelijk zelfs even gecroond.

“Superstition” is daarna zweverig Westcoast-materiaal inclusief piano en sax, titelnummer “TX Jelly” funkt uitgelaten ergens in de buurt van de legendarische Meters, “Pretty Flowers” is bloedmooie country soul uitermate geschikt voor het betere één-tegelwerk, “Shakin’ All Over” een als de jonge Ali echt alle uithoeken van het canvas bestrijkende, ruim acht minuten bestrijkende cover van de Johnny Kidd & The Pirates classic en “Trading Paint” zorgt afsluitend ook nog even voor een bedaarde verhalende Tex-Mex-noot.

Heerlijke plaat! Period!

The Texas Gentlemen

 

LUCKY BONES “Matchstick Men” (Lucky Bones Promotions)

(3,5****)

“Matchstick Men” is het ondertussen derde volwaardige album van de vanuit het Ierse Dublin actieve zingende liedjesschrijver Eamonn O’Connor. Eerder verscheen van de beste man ook al het duo “Together We Are All Alone” (2010) en “Someone’s Son” (2013). Twee platen die lang niet alleen hier op uitermate positieve reacties konden rekenen. En daarmee hebben we gelijk ook al een aanknopingspunt met ’s mans nieuwe worp. Ook dat uiteraard weer onder het pseudoniem Lucky Bones op de wereld losgelaten geheel lijkt immers voorbestemd om veel vrienden te gaan maken.

Ook op “Matchstick Men” grossiert O’Connor weer doorlopend in intelligente teksten. En die verpakt hij op even catchy als eigenzinnige wijze in liedjes die vrijwel zonder uitzondering een heel ruim publiek zouden moeten kunnen aanspreken. Het element folk is daarbij aanwezig. Uiteraard, zouden we haast zeggen. Maar dominant is het zeker niet. Zijn Keltische achtergrond loopt O’Connor nergens echt voor de voeten. Daarvoor schuilt er ook teveel van een Ryan Adams in hem. Vooral die van in zijn wat bezadigdere momenten dan. Zou een vergelijkingspunt kunnen zijn. Maar dat geldt zeker ook voor populaire acts als War On Drugs en Lord Huron. Met hen deelt O’Connor het scherpe randje dat hun muziek ook in rockkringen salonfähig maakt.

Eén minpuntje afrondend toch ook. Met maar acht liedjes en een speelduur van nog geen vijfendertig minuten valt “Matchstick Men” eerder kort uit. Voor de productie ervan tekende Gavin Glass.

Lucky Bones

 

RANDALL BRAMBLETT “Juke Joint At The Edge Of The World” (New West / PIAS)

(3,5****)

Op de opvolger van het knappe “Devil Music” uit 2015 gooit singer-songwriter-multi-instrumentalist Randall Bramblett het resoluut over een enigszins andere boeg. R&B en soul mogen dan nog steeds nadrukkelijk aan de basis van veel van het erop gebrachte liggen, het album ademt toch vooral funk en jazz. En da’s een omgeving waarin de teksten van de man uit Georgia echt wel geweldig gedijen. Diepgaande lyrics worden daarbij regelmatig gekoppeld aan heupwiegende ritmes. Da funk, weet u wel.

Elders regeert dan weer volop de groove. Dan hoor je muzikanten in de weer die geen netjes afgebakende hokjes meer nodig hebben. Knapen, die spelen op het gevoel. Op het elkaar aanvoelen ook wel. En dan beland je als vanzelfsprekend in buurten wel vaker gefrequenteerd door jazzmusici en aanverwanten.

Rocken – zij het dan ook aan de eerder lijzige kant – doet het gelukkig af en toe ook nog wel. Een knap voorbeeld daarvan is het er loom een flinke lel op gevende “Fine”. Da’s rootsy rockspul van het betere soort. Van het genre dat je pakweg ook van een Eric Clapton wel verwachten zou.

Al bij al not your typical Bramblett, dit. Minder Americana, meer funk en jazz zeg maar. Minstens even aantrekkelijk, maar wel anders.

Randall Bramblett

 

ANNIE KEATING “Ghost Of The Untraveled Road” (8th Street Studios)

(4****)

Ergens diep vanbinnen hoop ik, dat dit tussendoortje een indicatie mag vormen voor wat we in de nabije toekomst nog van Annie Keating mogen verwachten. Met zijn amper vijf liedjes is “Ghost Of The Untraveled Road” immers een echt mini-meesterwerkje. Hier hoor je Keating zoals je dat eigenlijk altijd al wel wilde. Veelal eerder ingetogen. Tegelijk hard en vertederend. In een compleet akoesttisch gehouden setting. Poëtisch als steeds. Kortom Americana met de nodige diepgang. Van het niveau van pakweg een Lucinda Williams of een Patty Griffin. Echt wel bloedmooi dus.

Het materiaal op “Ghost Of The Untraveled Road” ontstond op de keper beschouwd eerder spontaan. Keating (gitaar en zang) nodigde haar vaste maatjes Steve Mayone (mandoline, gitaar en harmony vocals), Jason Mercer (staande bas) en Chris Tarrow (gitaren en pedal steel) gewoon bij haar thuis uit, alwaar ze samen in één en dezelde kamer aan de slag gingen. De liedjes groeiden zo gaandeweg tot wat ze zijn. Losjes uit de pols. Heerlijk ontspannen. Een aanpak die Keating zo erg beviel, dat ze besloot om ook in de studio dezelfde modus operandi te volgen. Zij het dan wel met ook nog fiddler Alex Hargreaves (Sarah Jarosz, Noam Pikelny) en Kate Steinberg (harmony vocals) aan boord.

Het resultaat zijn vijf heerlijke luisterliedjes. Top-Americana echt. Achttien van de fijnste muzikale minuten die we dit jaar al mochten bespreken. Een echte streling voor het oor!

Annie Keating

 

BEN REEL “Land Of Escape” (B. Reel Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Over lekkere schijven gesproken, dit is er nog eens één, zie! En eigenlijk hadden we dat gewoon ook wel verwacht ook. De Ier Ben Reel verblijdde ons de voorbije jaren immers reeds meermaals met ronduit uitstekend te noemen spul. En alsof dat nog nodig was, topt hij dat wat ons betreft ditmaal zelfs nog. De twaalf nummers op ’s mans achtste studioplaat behoren vrijwel zonder uitzondering tot het allerbeste wat hij tot op heden al wist af te leveren. Verdomd goed dus!

Geïnspireerd als Reel naar eigen zeggen is door grootheden als een Bruce Springsteen, een Van Morrison en een Neil Young is het bepaald niet abnormaal te noemen dat hij ook ditmaal weer uitpakt met een geheel waarop elementen uit genres als pop, rock, folk, country, Americana, blues en soul elkaar liefdevol in de armen vallen. Het levert hem tal van momenten op, die ons inziens zomaar richting radio kunnen. Superieur luistervoer, echt waar!

Meer nog dan bij eerdere gelegenheden wijkt wat Reel ditmaal doet een weinig af richting alt folk. Luister bij gelegenheid maar eens naar dingen als het atmosferische “Landscapes”, het over een speels ritme richting lente gejaagde “Fields Of Dreams”, het ons een beetje aan iets van Paul McCartney herinnerende folkpopkleinood “Soldier Of Love” of het soulvolle “Fish Out Of Water” en je zal allicht meteen begrijpen, waar we met die vaststelling naartoe willen. Bovendien zal je daarna vast ook graag de rest van de rit willen uitzitten! Er wachten dan immers nog eens acht verdere uitstekende songs op je!

Ben Reel tourt momenteel ook doorheen de Lage Landen. In ons land zal hij eerdaags te zien zijn in Geel (De Sport, woensdag 11 april) en in Wijnegem (The Early Morning, donderdag 12 april).

Ben Reel

 

SERA CAHOONE “From Where I Started” (Sera Cahoone / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Voor de opnames van “From Where I Started”, haar intussen toch ook al vierde langspeler, trok de doorgaans vanuit rockstad Seattle aan de weg timmerende zingende liedjesschrijfster Sera Cahoone zuidwaarts. Naar Portland meer bepaald. Daar werkte ze samen met de onder meer van eerdere jobs voor Neko Case, Alela Diane en Laura Gibson bekende producer John Askew. Samen met hem, wat lokale muzikanten en een stel maats uit haar eigen band blikte ze er elf liedjes in. Samen goed voor de langverwachte opvolger van het al in het najaar van 2012 uitgebrachte “Deer Creek Canyon”.

In de schemerzone tussen folk, country en pop toont Cahoone zich daarop ook ditmaal weer als triple threat. Haar fluwelen stem, haar op instrumenten als de gitaar en de banjo bijzonder vaardig uit de hoek komende vingers en vooral ook haar schrijfkunsten blijken immers andermaal evenveel troeven. In heel wat van de liedjes op “From Where I Started” is het centrale thema het omgaan met de tweeling love and loss. Cahoone mag nu eenmaal graag wat donkerdere variantjes afleveren op de traditionele love song. En dat is haar volste recht natuurlijk. En al zeker als ze er zo nu en dan de nodige ruimte in laat voor wat hoop.

Enkele luistertips van onzentwege: de in al zijn bescheidenheid buitengewoon catchy oorwurm “Always Turn Around”, de heerlijke ballad “Better Woman”, het door Cahoone naar aanleiding van de tragische dood van haar nichtje Tawnee gepende “Ladybug”, liefdesliedje “Up To Me” en het afsluitende, op sfeervolle wijze naar een bescheiden climax opbouwende “House Our Own”.

Sera Cahoone

 

ABE PARTRIDGE “Cotton Fields And Blood For Days” (Skate Mountain Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Ik ga hier heel eerlijk met u zijn: “White Trash Lipstick”, het ergens halverwege 2016 verschenen debuut van de Amerikaan Abe Partridge, ging indertijd compleet onopgemerkt aan me voorbij. Nu is dat an sich geen wereldschokkend nieuws natuurlijk, aangezien het in het steeds dichter bevolkt rakende americanagenre al lang niet meer zo vanzelfsprekend is om alles meteen mee te krijgen. Daarvoor gebeurt er dezer dagen gewoon te veel. Dat het tot nu geduurd heeft alvorens ik toch bij ’s mans werk uitkwam, vind ik al veel erger. “Cotton Fields And Blood For Days”, de tweede van de naar eigen zeggen vooral door Townes Van Zandt, Son House en Bob Dylan beïnvloede voormalige evangelische dominee, is immers wat je noemt een echt plaatje van een plaat.

Met zijn heerlijk rauwe, een weinig aan knapen als een Ben Weaver en een Jon Dee Graham herinnerende stem als zijn wat mij betreft voornaamste bondgenoot maakt Partridge ons op “Cotton Fields And Blood For Days” deelachtig aan zijn eigen hoogst aparte gedachtenwereld. In veelal somber uitvallende verhalen gaat hij amper een onderwerp uit de weg. Niet zelden schuilt er wel de één of andere boodschap achter zijn poëtische uitlatingen. Een enkele keer gaat hij zelfs de persoonlijke toer op.

Onze luistertips: het gevoelsmatig een weinig aan Springsteen ten tijde van zijn meesterwerk “Nebraska” herinnerende “”Turn The Volume Down”, het in countrylegende Willie Nelson een lotgenoot vindende “”Ride Willie Ride (Or Thoughts I Had While Contemplating Both The Metaphysical Nature Of Willie Nelson And His Harassment By The International Revenu Service)”, het desolaat scherp werkende “The Ghosts Of Mobile”, het als een wat jongere uitvoering van Tom Waits neergelegde “Our Babies Will Never Grow Up To Be Astronauts” en zeker ook manische afsluiter “Satan Your Kingdom Must Come Down”.

Bepaald straf spul!

Abe Partridge

 

THE DESLONDES “Hurry Home” (New West Records / PIAS)

(4,5*****)

In de States verscheen “Hurry Home”, het nieuwe album van het vanuit muziekstad par excellence New Orleans actieve kwintet The Deslondes, goed en wel een maand of negen geleden al. Waarom het pas nu ook hier het daglicht te zien krijgt, is voor ons één groot raadsel. Net als z’n voorganger, de al in 2014 verschenen titelloze eersteling van de groep, is ook “Hurry Home” immers weer een ronduit heerlijke rootsplaat geworden. Een bijzonder smakelijke muzikale gumbo, rijk aan rootsy en andere ingrediënten. Met name Americana, country, folk, R&B en rock & roll vormen daarvan de basisbestanddelen.

In een productie van de je ongetwijfeld ook van zijn werk met Alabama Shakes, Hurray For The Riff Raff en Benjamin Booker bekende producer Andrija Tokic excelleren Sam Doores, Riley Downing, Dan Cutler, John James Tourville en Cameron Snyder hier opnieuw dertien nummers lang. Het ene moment tegen een als eerder lijzig tot zelfs echt langzaam te bestempelen tempo, het andere volop op de benen mikkend. Tot de eerste categorie behoren zo bijvoorbeeld het zich dromerig tegen walstempo doorheen een aan dat van tal van David Lynch-films verwant decorum voortbewegende “Just In Love With You”, het onder de noemer klassiek bedaard singer-songwriterspul vallende “Beautiful Friend” en de echt wel verbluffend mooie afsluitende schuurpapierballade “Deja Vu And A Blue Moon”. Voor het nodige leven in de brouwerij zorgen anderzijds adrenalineopstoten à la de stomende rockabillyhybride “Hurricane Shakedown”, de ook al wervelende eigenzinnige honky-tonk van “One Of These Lonesome Mornings” en het ons terloops een weinig aan iets van Doug Sahm in betere tijden herinnerende en op zwierige wijze een streepje Tex-Mex onder een flinke laag catchy orgelwerk bedelvende “Every Well”.

Daarmee hadden we het al over zes van de hoogtepuntjes op “Hurry Home”, maar ach, er zijn er nog zoveel meer. Van de twangy retro roots pop van “(This Ain’t A) Sad Song” over de Everlyeske zomers lome sleper “She Better Be Lonely” tot de melancholie pur van “Muddy Water” of de ongemeen sfeervolle desert fun van “Many Poor Boy” en nog zoveel meer, “Hurry Home” van de Deslondes staat garant voor zo’n achtendertig minuten intens luisterplezier. Het is het soort van plaat, die je keer op keer opnieuw zal willen beluisteren. Het soort van plaat ook, waarop je altijd weer andere dingen zullen blijven opvallen. ’t Is dat ze direct zo ongelooflijk aanstekelijk werkte, anders hadden we hier ongetwijfeld van een groeibriljantje gesproken.

The Deslondes

 

COLD TONE HARVEST “After You” (Cold Tone Harvest)

(5*****)

Cold Tone Harvest is een uit Andrew Sigworth (zang, gitaar en trompet), Anthony Pace (lap steel, gitaar, dobro en zang), Ozzie Andrews (diverse bassen en tuba) en Brian Williams (banjo, drums en percussie) bestaand viertal uit het Zuidoosten van Michigan, dat ons onlangs na een eerste beluistering van z’n langspeeldebuut “After You” meteen compleet verbluft achterliet. Wat een plaat! Zo mogen wij onze Americana nu eens graag hebben, zie! Hier klopt nu eens werkelijk alles!

En dat lijkt ons in niet geringe mate de verdienste van kopstuk Sigworth. Diens mild rauwe stem is immers nagenoeg onweerstaanbaar en ook zijn aandeel wat betreft het gebrachte songmateriaal is werkelijk immens te noemen. Tien van de twaalf liedjes nam hij voor zijn rekening en dan weet je het wel zo’n beetje. Enkel “Adeline” en “Out On The Weekend” vormen wat dat betreft uitzonderingen. Het eerste is een nog redelijk traditioneel opgevatte alterna-countryschuifelaar niet enkel geschreven maar ook gezongen door groepslid Anthony Pace, het tweede een compleet heruitgevonden Neil Young-deun.

Bij Cold Tone Harvest draait veel zoniet alles om het delicate evenwicht tussen country- en rockinvloeden. De roots van de vier heren liggen nadrukkelijk in beide genres. En precies die dualiteit levert hier echt de ene na de andere beauty op. Heerlijk sfeervol spul, altijd weer bulkend van de aan het countrygenre ontleende elementen, maar op de één of andere manier toch ook steeds weer met wat rock in het DNA. En met als niet te versmaden surplus bovendien ook nog eens de een nadrukkelijke hang naar de meer poëtische kant van het leven etalerende teksten van Sigworth.

Superplaat!

Cold Tone Harvest

 

AUDUN SKJOLBERG “Last Days On Earth” (Snaxville Recordings / PIAS)

(3,5****)

Audun Skjølberg werd in het verleden door hen die hem al kenden wel eens de Noorse versie van James Taylor genoemd. En met liedjes als “Ray”, “Love Song”, “Walk With Me” en “Here I Am” staan er ook op zijn ondertussen derde soloplaat “Last Days On Earth” wel weer een paar dingen die een dergelijke vergelijking volop rechtvaardigen. Er is natuurlijk de stemgelijkenis tussen beide heren, daar kan je sowieso niet omheen, maar ook qua aanpak zit de Noor daar echt wel in het vaarwater van zijn Amerikaanse voorbeeld. Iets waar hij trouwens niet echt lijkt om te malen, want hij zal je maar wat graag vertellen, waar hij de mosterd haalde. En dat is naast bij James Taylor verder onder meer ook nog bij Paul Simon, Bob Dylan, Tim Hardin, Jackson Browne en Gene Clark. Vooral in de singer-songwriters gunstig gezinde seventies dus.

Naast pop en folk belanden bij Skjølberg geregeld ook andere ingrediënten in de mix. We denken dan bijvoorbeeld aan soul, blues en rock. En in titelnummer “Last Days On Earth” gaat het zelfs enkele ogenblikken lang de psychedelische toer op. En misschien is dat wel net de sterke kant van het met amper acht nummers aan de eerder korte kant uitvallende geheel. Zijn wispelturigheid en de daaruit voortvloeiende variatie heeft Skjølberg wat ons betreft duidelijk voor op Taylor. Met name spul als het energiek funky rockende “Baby Come On” en de van een zalige rootsy groove profiterende schuifelaar “Laughing All Alone” zien we die laatste nog niet zo gauw afleveren.

Onze aandacht heeft de Noor hiermee alvast. Nu die van jou nog.

Audun Skjølberg

 

TRAILHEAD “Keep Walking” (Requa Records)

(4****)

Dat wij het hier wel hebben voor de Duitse songsmid Tobias Panwitz, dat kon u al afleiden van onze besprekingen van eerder materiaal van de beste man. Met z’n tussen 2009 en 2015 onder het pseudoniem Traihead verschenen platen “The Road To Salamanca”, “Bodies In The Basement”, de in het Duits ingeblikte EP “Berlin Brandeburg”, “Leave Me To Learn” en de akoestische solovariant daarop wist hij bij ons steeds opnieuw de juiste snaar te raken. Hij deed ons bij nader inzicht een beetje denken aan door ons zeer gewaardeerde collega’s als een Jackson Browne en een Ron Sexsmith. En da’s in ons boek nog altijd prima gezelschap.

Naast liedjes schrijven mag Panwitz vooral ook graag weel wandelen. Meer nog, hij houdt ervan om op die manier te reizen. Iets wat hem recentelijk onder meer nog tot in Spanje, Noorwegen en Zuid-Amerika bracht. En dat leverde lekker veel stof voor songmateriaal op. Songs die eigenlijk gewoon ook onderweg ontstonden. Geïnspireerd door ’s mans lange wandelingen, die een ideale voedingsbodem bleken. En met de monotonie van het onvermoeibare stappen voorwaar als een bondgenoot. Wie ooit in z’n eentje gewandeld of gelopen heeft, weet ongetwijfeld ook wat we daarmee bedoelen. De tijdens dergelijke tochten gevonden rust tussen de oren werkt niet enkel extreem louterend maar ook bepaald inspirerend.

Op “Keep Walking” verzamelt Panwitz nu een twaalftal van die door de jaren heen ontstane walking songs. En daarvan situeren er zich inhoudelijk nogal wat in Spanje. De straten van Madrid (“Walking Round Madrid”), de Camino de Santiago (“Walking The Camino”), de weg richting Salamanca (“Road To Salamanca”), allemaal komen ze terloops even aan bod. En ook de “City Of The Saint” zelf natuurlijk. Daarin beschrijft Panwitz op pakkende wijze zijn aankomst in Santiago de Compostela. Het levert meteen één van de absolute hoogtepunten van een plaat gevuld daarmee op.

Andere echte oorwurmen: het aanvankelijk voorzichtig bluesy opgevatte maar gaandeweg als een prachtige rootspopbloem ontluikende en als een open invitatie op te vatten “Take A Walk”, het een nadrukkelijke voorliefde voor de ook hoger al even genoemde Jackson Browne etalerende “One More Veterano”, het door Reinhold Messners boek “The Crystal Horizon” geïnspireerde “White Flag” en titelnummer “Keep Walking”.

Trailhead

 

JEB BARRY AND THE PAWN SHOP SAINTS “Texas, etc…” (DollyRocker Recordings)

(3,5****)

Nog niet zo heel erg lang geleden bespraken we hier “Nonsense And Heartache”, de over twee eerder karig gevulde schijfjes uitgesmeerde (Prima!) nieuwe langspeler van Jerry Leger. Een verschijnsel waarmee we ook nu weer geconfronteerd worden naar aanleiding van de nieuwe van Jeb Barry. Of beter: Jeb Barry And The Pawn Shop Saints, want de man die ons zo’n twee jaar geleden aangenaam wist te verrassen met het album “Milltown” doet het dezer dagen niet langer solo.

Met de uit Michael O’Neill (gitaren, zang en mandoline), Chris Samson (bas) en Josh Pisano (drums) bestaande Pawn Shop Saints vergast Barry (leadzang, gitaren, banjo, harmonica, mandoline, bas en dobro) ons op een negentiental nieuwe songs. En die werden – net zoals dat bij Leger het geval bleek – keurig verdeeld over twee aparte schijfjes. En omwille van dezelfde redenen ook. Ook Barry en co zagen het materiaal immers nadrukkelijk uiteenvallen in twee contrasterende groepen liedjes. Bij de ene helft, aangeboden onder de vlag “The Sainted”, betrof het wat hardere, meer uitgewerkte full band stuff. Bij de andere, ons ditmaal aangereikt onder de noemer “The Saintless”, veel schaarser aangekleed, eerder reflectief, net-niet-solo materiaal. En dat blijft wat ons betreft toch ’s mans sterkste kant. Daarin kan hij excelleren à la de jonge Steve Earle of recenter Stephen Simmons, met wie hij overigens ook wel enige stemgelijkenis vertoont.

Zijn titel ontleende het geheel aan het feit dat nogal wat songs erop over de Lone Star State blijken te gaan. We noemen in dat verband onder meer graag “Gravel Roads And Whiskey Bars”, “Galveston ‘92”, “I Can’t Live In Houston Anymore” en “El Paso Sucks”. En voorts is er natuurlijk ook nog het feit, dat met name de tweede cd nadrukkelijk te kaderen valt binnen het traditionele Texaanse singer-songwritergebeuren.

Al bij al aangenaam luistervoer voor wie houdt van de Texaanse aanpak, deze dubbele dosis hard dirt Americana.

Jeb Barry And The Pawn Shop Saints

 

JUKE JOINTS “Live – 35 Years Of Rock Rollin’ Blues” (CRS)

(4****)

In april van vorig jaar mochten we hier nog “Crossroads Un&Plugged” begroeten, het samen met de Australische gitarist Lloyd Spiegel live voor het gelijknamige radioprogramma van de onvolprezen Jos van den Boom voor BRTO Radio in het Nederlandse Bergen op Zoom opgenomen vorige album van de Juke Joints, en nu nauwelijks twaalf maanden later is er alweer een nieuwe concertregistratie van de Zeeuwse bluesrockers. En wat voor één! Ondertussen vijfendertig jaar diep in hun carrière trakteren Peter Kempe (leadzang, drums en mandoline), Michel Staat (gitaar), Sonnyboy v.d. Broek (harmonica, zang en accordeon) en Derk Korpershoek (bas en zang) ons op een ruim zeventig minuten durend feestje voor oren en ogen.

“Live – 35 Years Of Rock Rollin’ Blues” bevat immers twee schijfjes. Respectievelijk een cd- en een dvd-registratie van een optreden dat de vier op 11 november van vorig jaar afwerkten voor een compleet uitverkochte zaal De Piek in Vlissingen. Met daarop echt alles waardoor we door de jaren heen zo van de Joints zijn gaan houden. Vanaf de eerste seconde vliegen ze er met heel veel goesting in. Via de stomende eigen nummers “Hold On” en “Mercy Mercy” belanden we zo aan een echte rotvaart bij een cover van het bij de Paul Butterfield Blues Band gehaalde “Born In Chicago” en de door Kempe met de glimlach aan een zomerse mandolineregen blootgestelde traditional “Bullfrog Blues”. Volgende haltes zijn daarna het harmonicazwangere “I Will Follow”, het feestelijke “Don’t Give It Up”, het moddervette “Let It Roll”, de ellenlang uitgesponnen trage “Nataly”, het rete-groovy, zijn titel terloops alle eer aandoende “Stax Sound” en het heerlijk funky, als een soort van geloofsbelijdenis neergelegde “Addicted To The Blues”.

Afgerond wordt er met een eigenzinnige lezing van Lead Belly’s “Out On The Western Plain”, het alweer wervelende “Back Stabbing Woman” van The Nighthawks en Kempes eigen “My Baby”. Daarna mogen we moe maar voldaan naar huis… En daar kan het nu gewoon op repeat! Zalig, toch?

The Juke Joints

 

THE BLUESBONES “Chasing Shadows” (Naked / Donor / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

De Bluesbones behoren nu al enkele jaren lang onafgebroken tot het allerbeste wat ons land op bluesvlak te bieden heeft. Een gegeven dat in 2016 onder meer al resulteerde in het winnen van de prestigieuze Belgian Blues Challenge en een tweede plaats op de aansluitende Europese variant daarop in het Deense Horssens. Om maar te zeggen, de Bones zijn lang niet alleen hier hot! En het werd dan ook hoog tijd voor nieuw materiaal. En dat is er nu.

Op “Chasing Shadows” presenteren Nico De Cock (zang), Stef Paglia (gitaar en backing vocals), Edwin Risbourg (toetsen en backing vocals), Geert Boeckx (bas) en Koen Mertens (drums) zich in regelrechte bloedvorm. Met uitsluitend origineel materiaal pakten de vijf ons ook nu weer vanaf onze eerste beluistering ervan moeiteloos in. Wie houdt van bluesrock is hier echt wel in for a real treat!

Geopend wordt er met het groovy rockende “Find My Way Out”. Aansluitend glijden we via het lijzige “Going Down” en het behoorlijk opzichtig met een exotisch ritme flirtende “Demon Blues” met het ritmisch aantrekkelijke “A Better Life” één van dé echte topmomenten van “Chasing Shadows” binnen. En het meteen daaropvolgende “Love Me Or Leave Me” is er gelijk nog zo één. Met toetsen bijna net zo herkenbaar als die van de legendarische Doors indertijd hengelt dat geweldige kleinood met veel verve naar radio- en andere (media-)aandacht.

“Sealed Souls” heeft vervolgens ongemeen soulvol de blues, “Romance For Rent” zwengelt op zijn beurt het tempo weer wat aan en effent zo als het ware het pad voor moordsong “Psycho Mind”, een ronduit heerlijke heavy rock song met z’n roots duidelijk ergens in de tweede helft van de jaren zeventig ten tijde van Bad Company en aanverwanten. Het slotsalvo bestaat daarna nog uit respectievelijk het ingehouden funky werkende “Betrayal”, het op een aanstekelijk swingend rockritme geënte “Seesaw Blues” en het toepasselijk getitelde en ongemeen sfeervol neergelegde “The End”.

Voor de productie van “Chasing Shadows” tekende Tim Janssens.

The Bluesbones

 

DEAD BRONCO “Driven By Frustration” (Roots Union Records)

(3***)

Het Baskisch-Amerikaanse vijftal Dead Bronco is in ons land redelijk snel uitgegroeid tot een graag geziene gast in middens waar rootsmuziek net wat steviger zijn mag. Een ideaal voorbeeld daarvan is het naar goede jaarlijkse gewoonte op 1 mei aanstaande weer in Lessen plaatsvindende Roots And Roses Festival. Daarop treden Matt Horan en de zijnen dit jaar aan naast onder anderen Tony Joe White, The Blasters, Left Lane Cruiser, The Darts, King Khan & The Shrines, Tjens Matic, J.D. Wilkes And The Legendary Shack Shakers, Fifty Foot Combo en Black Lips.

Wat van Horan en co zo’n succes maakt? Wellicht is het gewoon het feit dat ze vrijwel meteen opvallen met een geheel en al eigen smoelwerk. Met hun aanstekelijke mix van country, folk en punk durven ze daar te komen waar vele anderen voor hen wegbleven. Het heeft allemaal iets frenetisch. De bezetenheid straalt er van af. Americana sludge noemen ze het zelf.

Traditionele instrumenten als de banjo en de mandoline worden hier behandeld als alle ander in rockmiddens gebruikelijk instrumentarium. Aan de eraan onttrokken geluiden wordt vrijwel doorlopend een soort van elektrische twist verleend. Definitely rock! En da’s iets wat zeker ook gezegd kan worden van de stem van kopstuk Horan. Een brulboei als hem zou je eerder verwachten aan het hoofd van een roedel jonge punkwolven dan aan het roer bij een alternatief rootscollectiefje.

Live absoluut niet te versmaden, op plaat naar onze bescheiden mening net wat minder.

Dead Bronco

 

SHORTY JETSON AND HIS RACKETEERS “Shorty Jetson And His Racketeers” (Tub Thumper Records)

(4****)

Shorty Jetson And His Racketeers dat zijn Robin van den Plas (zang), Rolf Hartogs (gitaar), Kris Muyldermans (staande bas) en Omar Hauari (drums), een met old school country, rock & roll en rockabilly stoeiend viertal uit de omgeving van Turnhout, waarvan de goede naam ondertussen reeds tot een aardig eind buiten onze landsgrenzen reikt. En dat niet meer dan terecht ook! Overtuig je daarvan vooral ook zelf met het voorliggende album. Tussen de dertien nummers daarop in het geheel geen afval, om het maar eens met de woorden van onze favoriete voetbalcoach Frank Vercauteren te zeggen. Het door van den Plas en co gebodene is integendeel juist van een constant erg hoge kwaliteit. En aan variatie is er daarbij ook al geen gebrek.

Openingsnummer “Evil Johnny” is zo bijvoorbeeld verhalende country van het lekkerdere soort op sleeptouw genomen door een catchy retro rock & roll-gitaartje, “Real Disease” moet het op zijn beurt hebben van een ritme dat nadrukkelijk terugharkt naar de prille hoogdagen van het fenomeen Johnny Cash, “Knock Knock” rockt gewoon snoeihard een eindje weg en de Jetson-versie van “East Bound And Down” zal ook wijlen Jerry Reed, de maker van het je ongetwijfeld ook uit filmkaskraker “Smokey And The Bandit” bekende origineel, ergens daarboven allicht niet geheel en al onberoerd laten.

Is trouwens niet de enige cover hier, dat nummer. Ook Hank Williams’ “House Of Gold”, Johnny Hortons “Cherokee Boogie”, Marcel Bontempi’s “Dig A Hole” en Mel Dorsey’s “Little Lil’” krijgen ergens along the way een gesmaakte beurt mee. Van de resterende vijf Jetson-nummers maakten vooral de heerlijk strak gebrachte countryrockers “Get A Grip” en “Why Do I Always Drink Too Much”, het moody “Dreamin’” en het afsluitende rockabillyjuweeltje “Rocket In Your Pocket” hier de nodige indruk.

Voor de productie van dit meer dan geslaagde debuut tekenden JB Biesmans en Bird Stevens.

Shorty Jetson And His Racketeers

 

SHEESHAM AND LOTUS AND ‘SON “Clear The Table” (Lucky Dice Music)

(3,5****)

Op zondag 8 april aanstaande zijn Sheesham And Lotus And ‘Son één van de trekpleisters van de vierde editie van Down By The River, het rootsfestival aan de boorden van de Maas in het Nederlandse Venlo. Samen met Blitzen Trapper, The Deep Dark Woods, Andrew Combs, Kacy & Clayton, The Yawpers, Twain, Jerry Leger & The Situation, Jay-Roon & The Loose Ends en Maurice van Hoek zullen ze er vanaf half vier ’s namiddags voor liefhebbers van het genre ongetwijfeld één groot feest van maken. Iets waartoe hun muziek zich uitermate goed leent.

Sheesham Crow, Lotus Wight en Son Sanderson hebben er immers hun missie van gemaakt diverse onder de noemer old-time vallende genres een nieuw leven te gunnen. Appalachenfolk, old-time stringband music, Mississippi folk blues, brass & jugband stuff, u zegt het maar. De heren tackelen het op hun nieuwe worp “Clear The Table” terloops allemaal wel ergens. En dat op een zodanig bruisende manier dat het nagenoeg onmogelijk wordt om er onbewogen bij te blijven. Als we niet zo braaf waren zouden we ongegeneerd schrijven, dat dit swingt als een tiet.

Nu zijn er natuurlijk wel meer acts die zich dezer dagen wagen aan dit soort van retro fun. Wat Sheesham And Lotus And ‘Son echter onderscheidt van de rest is hun zo op het eerste gezicht wat bizar ogende instrumentarium. Naast fiddle, banjo en contrabas zijn zo bijvoorbeeld ook nog kazoo, harmonica, sousafoon en mondharp vrijwel doorlopend van de partij. En dan hebben we het nog niet over een aantal zelf ontworpen instrumenten, die aan hun live gigs steevast dat zekere je ne sais quoi meer verlenen. Feit is, dat het van deze Canadese retronauts graag geziene gasten op festivalpodia over zowat de gehele wereld maakt.

Op het programma op “Clear The Table”: traditionals als “Darling Cora”, “Dance All Night”, “High Petition”, “I Truly Understand” en “Lonesome John” en ander eveneens stokoud materiaal van onder anderen Jelly Roll Morton, Uncle Dave Macon, Clyde Davenport, Ed Haley en Big Bill Broonzy.

Het zullen stevige tafels mogen zijn om de door deze feestplaat op de been gebrachte dansende meute te kunnen blijven dragen…

Sheesham And Lotus And ‘Son

 

MEADOW CREEK “’Til Death Us Do Part” (Meadow Creek Music)

(3,5****)

“’Til Death Us Do Part” is het debuut van Meadow Creek, een uit echtelieden Peter en Linda Dahl bestaand duo actief vanuit het Zweedse Degerfors. Een doorstart als het ware na eerdere successen binnen de countryscène van hun land met de band Whisky & Dynamite. Met die groep namen de twee in respectievelijk 2006 en 2009 al twee langspelers op. Sedertdien oogstten ze vooral nog lof met hun schrijfselen voor anderen. Veelal popspul.

Op “’Til Death Us Do Part” regeert nu echter opnieuw Koning Country. In de negen eigen songs daarop wordt vooral teruggegrepen naar country, americana en bluegrass. Met zo nu en dan een voorzichtig uitschietertje richting pop en blues, dat wel. Het tiende nummer is een rootsy cover van het op John Mayers “The Search For Everything” gevonden “In The Blood”.

In een productie van hun landgenoot Göran Eriksson etaleren de Dahls hier vooral twee dingen. Enerzijds leren ons hun liedjes dat we wel degelijk te maken hebben met een stel prima songwriters, anderzijds blijken de twee ook uitstekende zangers. Vooral de manier waarop ze op regelmatige basis aan het harmoniëren gaan sprak hier echt wel tot de verbeelding. Op die momenten hoeft hun muziek in niets onder te doen voor die van vergelijkbare Amerikaanse acts. Prima Euro Americana dus!

Enkele luistertips van onzentwege: de eerder al genoemde Mayer-adaptatie, de moody roots pop beauty “Hey Now” en het zachtjes twangende titelnummer“’Til Death Us Do Part”.

Meadow Creek

 

STAN MARTIN “Long Nights” (Twangtone Records)

(4****)

Stan Martin heeft al sinds jaar en dag een vaste stek op ons lijstje met huisfavorieten. De beste man benadert het gegeven country dan ook nog op heerlijk ouderwetse wijze. Zoals zijn eigen grote voorbeelden Marty, Merle, Waylon, Johnny, Willie en Buck het gedaan zouden hebben. Old-school spul met het hart op de juiste plaats dus. Gebracht door een man met niet enkel een fraaie stem maar ook een set uitermate vaardige vingers ter beschikking. Een twang master met een handje voor goede tot ronduit uitstekende songs bovendien. Zo ongeveer het totaalpakketje dus.

En als zo iemand voor zijn nieuwe plaat dan ook nog eens Kenny Vaughan (gitaren) weet te strikken, dan weet je eigenlijk vooraf al, dat het niet meer stuk kan. Samen met Dave Roe (bas en background vocals), Jerry Roe (drums) en Michelle Martin (background vocals) tekent Martin hier voor tien ongemeen fijne staaltjes aan songkunst. Veelal twangy spul met regelmatig een outlaw country randje of gekruid met een snuif Bakersfield. Soms voorzichtig rockend (titelnummer “Long Nights”, “She Meant What She Said” en het afsluitende “All Mine”), elders juist heel erg ingetogen, in ballademodus zeg maar (“Stolen Kisses” en “My Dream”).

Een enigszins vreemde eend in de bijt is bij nader inzicht “El Tarantino”. Daarbij blijkt het immers te gaan om een gitaarinstrumental waarbij je twijfelt of het hete zand tussen je tenen dat van een door surfers overstroomd strand is dan wel dat van een onder een loden zon badende desert. De fimmaker uit de titel ervan zou er wel raad mee weten, zo lijkt ons.

Voorts ook nog heel erg leuk: de nadrukkelijk de voetsporen van Marty Robbins zoekende border ballad “Dos Tequila” en het met werkelijk alles wat het heeft swingende “What Made You Think”. Liedjes van dat kaliber maken ook van Martins zesde weer een aanrader van formaat.

Stan Martin

 

IAN SIEGAL “All The Rage” (Neugene / Bertus)

(4,5*****)

Van alle vandaag de dag actieve blues men is de Brit Ian Siegal ontegensprekelijk onze absolute favoriet. Telkens er nieuw materiaal van de beste man aangekondigd wordt, zitten wij wekenlang met hangende pootjes bij onze brievenbus klaar. Siegal ontgoochelde ons dan ook nog nooit. Integendeel, zijn naam op een album aantreffen betekende telkens opnieuw zoveel als een niet mis ter verstane kwaliteitsgarantie. En dat is ook anno nu weer niet anders. Met “All The Rage”, zijn eerste nieuwe studioplaat in zes jaar tijd, levert Siegal ons inziens zelfs één van zijn allerbeste werkstukken überhaupt af.

Voor die nieuwe worp dook hij de studio in met Jimbo Matthus als producer. En met Dusty Ciggaar (elektrische en akoestische gitaren, pedal steel en backing vocals), Danny Van ’t Hoff (bas en backing vocals) en Rafael Schwiddessen (drums, percussie en backing vocals) oftewel The Rhythm Chiefs als begeleiders uiteraard. Voor het eerst overigens. Live gold die combinatie al wel langer als een winner en nu bewijst ze ook indoor voor eens en voor altijd die reputatie meer dan waard te zijn. Tien nummers en ruim vijftig minuten lang spelen Siegal en zijn maats, her en der aangevuld met Merel Moelker (backing vocals) en vooral ook Matthus (elektrische en akoestische gitaren, mandoline, piano, orgel, percussie, drums en backing vocals), hier de sterren van de blueshemel naar beneden. Met een heerlijk divers songaanbod met de tanden diep in het vlees van deze daar luidkeels om vragende tijden geplant.

Afgetrapt wordt er met het zijn boosheid bepaald niet onder stoelen of banken stekende “Eagle-Vulture”. Meteen weten we zo, dat het Siegal menens is this time around. Heerlijk slidewerk overigens daarin ook. Nummer twee in lijn is het met Isa Azier en Mischa den Haring uitgewerkte “Jacob’s Ladder”, het soort van spul waarbij spontaan gedachten aan vrijblijvend pingelen op een back porch ergens diep in het Amerikaanse Zuiden opkomen. De derde halte is daarna wat ons betreft meteen één van de allerstrafsten van het hele lot. “The Sh*t Hit” is immers werkelijk weergaloos loom elektrisch bluesspul. Een gegarandeerde toekomstige live-favoriet. Een lot dat voor “Won’t Be Your Shotgun Rider” met z’n bedaarde country vibe allicht niet weggelegd zal blijken.

“Ain’t You Great?” is in het zog daarvan subtiel twangend, enigszins (Latin) jazzy aandoend spul terloops goed voor de titel van het geheel en wordt op de voet gevolgd door “My Flame”, een rootsy soulsleper van het zuiverste water signé Siegal en Mathus. Daarna is het de beurt aan het omineuze “One-Eyed King”, het cyclische bluesje “If I Live” (opnieuw een Mathus-Siegal-co-write), de gospeleske soul van “Sweet Souvenir” en de galgenhumor van afsluiter “Sailor Town”, waarvoor schrijfhulp werd gezocht en gevonden bij collega Hook Herrera.

In de nochtans aardig dichtbevolkte schemerzone tussen blues en roots van het allerbeste wat je je wensen kan!

Ian Siegal

 

JERRY LEGER “Nonsense And Heartache” (Latent Recordings - Proper / Bertus)

(4,5*****)

Voor de productie van “Nonsense And Heartache”, het nieuwe album van de uitermate getalenteerde Canadees Jerry Leger, tekende niemand minder dan Michael Timmins van Cowboy Junkies. En het was ook die laatste, die met het voorstel op de proppen kwam om er gelijk maar een dubbelaar van te maken. Eén lading “Nonsense”, één lading “Heartache”. Twee aparte schijfjes, die op de keper beschouwd perfect op één enkele cd hadden gekund, maar dan was het concept natuurlijk wel naar de kloten geweest. En dus bleven het er gewoon twee.

De afdeling “Nonsense” laat zich misschien nog het best omschrijven als heerlijk vuige rock & roll. Elektrisch natuurlijk. En niet zelden met een bluesy randje. Zoals bijvoorbeeld gelijk al in aftrapper “Coat On The Back”. Het meteen daaropvolgende “Forged Check” heeft van zijn kant dan weer iets exotisch, “Baby’s Got A Rare Gun” is bloedlinke gitaarzwangere garage R&B, “The Big Smoke Blues” is veel meer power pop dan het in zijn titel genoemde genre vooraf doet vermoeden en “She’s The Best Writer You’ve Never Heard Of” is underground-gitaarrock zoals die vooral in grote delen van de jaren tachtig een tijdlang erg populair was.

Onder de noemer “Heartache” wordt anderzijds de singer-songwriter Leger weer even van de leiband gelaten. Met hemzelf beurtelings met een akoestische omgegord dan wel achter de piano, James McKie op fiddle en lap steel, Dan Mock op de staande bas en Kyle Sullivan subtiel in de weer op tal van percussie-instrumenten. Met als resultaat een heerlijk gevarieerd, doorgaans flink wat trager geheel. Al gaat het daarbij zeker lang niet altijd om ballads en aanverwanten. Americana in de ruimste zin van het woord, dat is het. Of moet de term Canadiana weer eens van stal? Met duidelijk hoorbaar de invloeden van Dylan, Lennon, Young en Danko. Al blijft Leger op de keper beschouwd toch vooral zichzelf.

Achttien liedjes slingert de Canadese veelkunner ons this time around op ons bord. En het allermooiste daarvan vonden wij persoonlijk het ingetogen “Take The Ashes And Run”. Onder meer ook dankzij een fijne bijdrage op de viool van James McKie. Ander niet te versmaden fraais: het klaaglijke “He’s The Lonely One Now”, het allicht in een enigszins vergelijkbare mood bedachte “Things Are Changing Round Here” en zeker ook het afsluitende “Pawn Shop Piano”.

Net als Legers eerdere werk is ook het tweeluik “Nonsense And Heartache” weer een aanrader van formaat. Wie haalt deze knaap ook eens naar België?

Jerry Leger

 

NORA JANE STRUTHERS “Champion” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Champion”, het nieuwe album van de bevallige Amerikaanse Nora Jane Struthers, is wat je noemt een dapper geheel. Op die opvolger van het drie jaar geleden verschenen “Wake” geeft Struthers zich emotioneel immers zo goed als helemaal bloot. Had ze het op “Wake” nog vooral over een nieuwe liefde en een nieuw begin, dan blijken heel wat van de nummers op “Champion” bij nader inzicht aardig wat diepzinniger van inhoud. Met name de beproevingen waarvoor je als volwassene zoal kan komen te staan vormen een dankbaar onderwerp. En één daarvan in het bijzonder. Al sinds haar achttiende weet Struthers immers, dat ze nooit op een normale manier kinderen zal kunnen krijgen. En dat weegt op haar. Gevoelens, die ze op “Champion” uitgebreid deelt en van zich af tracht te schrijven. Met hopelijk voor haar cathartische gevolgen.

Wat betreft de muzikale kant van “Champion” lieten Struthers en kompanen zich maar wat graag inspireren door producer van dienst Neilson Hubbard. Onder zijn vakbekwame vleugels was het niet enkel aangenaam maar duidelijk ook heel erg vruchtbaar – Excusez le mot! – werken. De grenzen tussen genres als folk, country en rock vervagen hier bij momenten zo goed als volledig. En dat zorgt ervoor, dat het merendeel van de veertien liedjes op “Champion” zó de radio op kunnen. De commerciële potentie druipt er bij momenten als het ware van af.

Onze luistertips: het voor het een moeilijke zwangerschap doormakend bevriend stel geschreven en voorzichtig rootsy ingekleurde “Wonderful Home”, titelnummer “Champion” en het door Struthers met haar wederhelft Joe Overton gepende en op poëtische wijze hun liefde voor elkaar verheerlijkende “Each Season”.

Nora Jane Struthers

 

HIGH LINE RIDERS “Walking Home” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

“Walking Home” heet de gloednieuwe studioplaat van de High Line Riders, het bandje rond de Amerikaanse singer-songwriter Ed Pettersen. En die volgt alles in acht genomen eigenlijk al vrij snel na het ons ondertussen zowat een jaar of drie geleden bereikt hebbende “Bumping Into Nothing”, het album waarmee de groep toendertijd haar onverwachte reactivering wat meer glans wist bij te zetten. Een erg leuke plaat was dat en dat geldt eigenlijk evengoed voor deze nieuwe worp.

Dat “Walking Home” is op de keper beschouwd een eerder tijdloos aandoend geheel, waarop Pettersen en co heel mooi het midden weten te houden tussen Americana, folk en country- en roots rock. Met twaalf songs van eigen hand bedient Pettersen daarop vooral liefhebbers van melodieus rockwerk met een retrorandje op hun wenken. U weet wel, van dat spul waarmee je vooral al wat ouder wordende jongeren in no time breed aan het grijnzen krijgt.

Dezer dagen tellen de High Line Riders naast Pettersen zelf (gitaren, toetsen en zang) ook nog Gary Goodlow (gitaren), Atom Schmitt (pedal en lap steel), Kevin Hornback (bas) en Mike Bailey (drums) in hun rangen. Gastbijdragen waren er onder meer van Danny Flowers, Garrison Starr, Ida Jenshus en Freedy Johnston. Voor de productie van “Walking Home” tekende Pettersen ook zelf.

High Line Riders

 

CHIP TAYLOR AKA JAMES WESLEY VOIGHT “Fix Your Words” (Train Wreck Records / CRS)

(5*****)

Van Chip Taylor kan je veel zeggen, maar dat dat hij op zijn lauweren rust, neen, dat zeker niet. Het tempo waaraan de beste man kwalitatief hoogstaand materiaal blijft afleveren is eigenlijk niet meer van deze tijd. Alhoewel… Juist wel eigenlijk. In een tijdperk waarin we internetgewijs dagelijks onze dosis nieuw voorgeschoteld menen te moeten krijgen is de als James Wesley Voight geboren Taylor immers een echte verademing. Als tegengif voor de veelheid aan inhoudsloos gebral waaronder we dreigen bedolven te raken kunnen ‘s mans liedjes al tellen. Sla er zijn productie van de jongste jaren bij gelegenheid maar eens even op na. Lang zal het niet duren vooraleer je ons volmondig zal bijtreden in onze stelling.

Voor zijn nieuwe worp deed Taylor zoals in het recente verleden al wel vaker een beroep op Goran Grini. En dat niet enkel als co-producer maar uiteraard ook weer voor zijn kunstjes op onder meer tal van toetseninstrumenten. Zijn verder ook vrijwel voortdurend van de partij: gitarist John Platania, bassist Tony Mercadante en drummer Tony Leone. En tussen de vele gasten springt vooral ook de naam van pedal steel-virtuoos Greg Leisz nog in het oog.

Zijn nieuwe album werd door Taylor keurig onderverdeeld in twee helften. De liedjes op de met het titelnummer bij wijze van indicatie op bedachtzame wijze ingezette a-kant hebben iets van als gebeden verpakte gedachten. Introvert als zo vaak al zet Taylor ons ook nu weer uitgebreid aan het nadenken.

En de b-kant is zo mogelijk nog sterker. De vier liedjes daarvan behoren wat ons betreft zonder uitzondering tot de allerbeste op het nochtans redelijk uitgebreide repertoire van Taylor. Luister bijvoorbeeld maar eens het als titelnummer uitgespeelde “When I Was A Kid”. Hoe Taylor daarin in ware verteltrant terugkeert naar zijn grotendeels door sad songs gekleurde jonge jaren is van een haast onaardse schoonheid. Al mijmerend worden herinneringen opgehaald aan lang vervlogen tijden. Veel breekbaarder kan je je artiest nauwelijks opstellen.

Taylors nieuwe is naar onze bescheiden mening dan ook niets minder dan een zoveelste meesterwerk. Het soort van plaat waarvan elke groef lijkt te staan voor een aantal eenheden op de kilometerteller van het leven. Een plaat als “Fix Your Words” maak je pas als je leeftijd je dat toelaat. Op het genieten ervan plakt gelukkig geen leeftijd. Al maak ik me sterk, dat het ook daarbij wel helpt om al wat geleefd te hebben.

Chip Taylor, Bandcamp

 

DIJSSELDONK “45” (Driekusman Produkties)

(4****)

Echt veel is er niet altijd nodig om een brede glimlach op ons gelaat te toveren. Een paar goed gemikte liedjes volstaan daartoe soms al ruimschoots. Zoals ook nu weer. De vijf op “45”, de voortreffelijke nieuwe EP van de Nederlander Eric van Dijsseldonk, meer bepaald. Die doet het daarop andermaal in het Nederlands. En dat hebben we hier op de keper beschouwd eigenlijk nog het liefst ook. In zijn eigen landstaal imponeert het voormalige kopstuk van de Smalltown Romeos immers nog net dat beetje meer.

Wat van Dijsseldonk doet op “45” mag wat ons betreft zomaar worden vergeleken met het beste van songwriters als pakweg een Neil Finn of een Ron Sexsmith. Dit is ronduit tijdloze Nederpop. Liedjes gegrepen uit het leven van een ondertussen veertiger met het hart op de juiste plaats. Veelal eerder melancholisch van inborst. Verhalen gebed in melodieën om u tegen te zeggen.

Luister bij gelegenheid bijvoorbeeld maar eens naar veritabele songjuweeltjes als “Een Ander Leven”, opgehangen aan het weldadige gerinkel van een gitaartje uit dezelfde school waar ook de Byrds ooit hun kunstjes leerden, het zondags luie “In Bed Met Jou”, het al spelend met de woorden uit de titel ervan het einde van een relatie beklinkende “Weg Van Haar”, afscheidsliedje “Ik Sta Stil” of de prachtballade “Het Mooiste Meisje Van De Klas”, waarin onvervulde verlangens zoveel jaren later leiden tot een werkelijk bloedmooi liedje.

Voor de productie van “45” tekende Gabriël Peeters, die zich verder ook op tal van instrumenten ten dienste van van Dijsseldonk stelde. Andere bij het project betrokkenen waren ook nog zangeressen PennyLeen Krebbers en Maaike Hermans. Zelf nam van Dijsseldonk naast de zangpartijen ook nog gitaren, bas, een Bontempi-orgeltje en wat percussie-instrumenten voor zijn rekening.

Dijsseldonk

 

MARKUS RILL “Getting Into Trouble – Twenty Years Of Gunslinging” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Onze favoriete Americana-Duitser Markus Rill viert dit jaar zijn twintigste verjaardag als recording artist. Twee decennia na zijn debuut “Gunslinger’s Tales” lost hij daarom een dubbelaar met een grote strik er omheen. Zijn nieuwe album bevat enerzijds het nieuwe songelftal “Getting Into Trouble”, anderzijds een terugblik op twintig jaar nevenprojecten en die kreeg als titel “20 Years Of Gunslinging” mee.

Op “Getting Into Trouble” worden we net geen tweeënveertig minuten lang getrakteerd op wat je zou kunnen omschrijven als vintage Rill. Op elf stuk voor stuk sterke liedjes tussen Americana, folk en country- en roots rock. Met als gebruikelijke plussen de heerlijke schuurpapieren stem van Rill zelf en uiteraard ook ’s mans als steeds knappe teksten. Met als absolute uitschieters wat ons betreft het met wat vocale steun van Camille Bloom gebrachte “For The Love Of Anne Boleyn”, het heerlijk twangende “Desperate Ride”, de ballad “On The Sly” en het als een soort van postuum eerbetoon aan het adres van de King of Hillbilly Jazz Vassar Clements opgevatte “Vassar Played The Fiddle”.

Minstens even leuk is cd 2. Wat heeft dat ook al elf eenheden tellende rariteitenkabinetje verdomd veel aan moois te bieden! Van het Springsteeniaanse Heartland rockertje “Young Again” over een ingetogen cover van het hier vooral in de uitvoering van Elvis Presley bekende “Can’t Help Falling In Love” en de zalige Americana van het met Hope Waits gepende “The Spirit Of Bayou Desiard” tot de kippenvelballade “Drifting In + Out Of Sleep”, van het met collega’s Franz Schuier en Hubert Treml ingeblikte en wel heel erg radiovriendelijk-soulvolle “Girl On The Train” en “For A While”, een duetje met Annika Fehling, over de swingende story song “Kill Will” en het innemende “The Hardest Thing To See” tot het recht-toe-recht-aan rockende “The Killer On The Radio”, hét prijsnummer van de digitale EP “Makin’ Trouble” uit 2010, de met de lichtjes fantastische Rachel Harrington gedeelde Gillian Welch-adaptatie “One More Dollar” en het op introverte wijze afsluitende “Angel On The Stars”, opnieuw met het duo Schuier-Treml, dit is echt ouderwets genieten geblazen van de eerste tot de laatste seconde.

Zoals zo ongeveer alles wat Markus Rill in het verleden al maakte een dikke aanrader, deze dubbelaar.

Markus Rill

 

THE SECRET SISTERS “You Don’t Own Me Anymore” (New West Records / PIAS)

(5*****)

Met hun in het najaar van 2010 verschenen titelloze debuutplaat palmden Geheime Zussen Laura en Lydia Rogers indertijd stormenderhand zowat het gehele countrywereldje in. Zowel liefhebbers van traditionele country en Americana als flink wat avontuurlijker ingestelde geesten raakten maar niet uitgepraat over die door T-Bone Burnett en Dave Cobb geproduceerde eersteling van de twee. Het leverde hen onder meer plankenwerk als opener voor Bob Dylan, Willie Nelson en Paul Simon op. Om maar te zeggen, dat het echt wel heel erg hard ging voor de Rogers-zusjes. Spijtig genoeg kwam na die pijlsnelle klim al even ras ook de val. Toen hun tweede album “Put Your Needle Down” de veel te hoge ambities van hun platenlabel niet bleek waar te kunnen maken, werden de Sisters door dat laatste prompt gedumpt. Iets wat uiteindelijk zelfs zou leiden tot een bankroet. Een toekomst zonder muziek leek zich aan te dienen.

Gelukkig kwam het uiteindelijk zo ver niet. Met dank daarvoor aan fan Brandi Carlile. Toen die aanbood om een eventuele nieuwe langspeler van het duo te producen en een in het zog van die belofte inderhaast opgestarte PledgeMusic-campagne onverhoopt succesvol bleek, zagen de Rogersen hun kans schoon om alsnog hun dromen na te jagen. Eén geweldige opstoot van creativiteit later is er nu album nummer drie, het ronduit magistrale “You Don’t Own Me Anymore”. En ja, die titel mogen we als een gestrekte middenvinger aan het adres van allen die hen enkele jaren geleden zomaar weer uitspuwden beschouwen. Als een buitengewoon overtuigend “Zien jullie nu wel…”

Twaalf nummers langen toveren Laura en Lydia Rogers weer. Ooit noemden we hen hier “het zo’n halve eeuw te laat opgedoken vrouwelijke antwoord op de Everly Brothers” en da’s een uitspraak die zich na het beluisteren van “You Don’t Own Me Anymore” vrijwel onmiddellijk opnieuw opdringt. Al zijn de zussen ondertussen wel flink wat wijzer geworden en draait niet langer alles om hun zo verbluffende samenzang. Aan het handje van Brandi Carlile en Tim en Phil Hanseroth krijgt hun muziek dat zekere je ne sais quoi mee waardoor ze ook buiten de States een veel ruimer publiek zou moeten kunnen aanspreken. Een beetje zoals we dat ook al zagen gebeuren bij acts à la First Aid Kit en Larkin Poe.

Het merendeel van de liedjes op “You Don’t Own Me Anymore” schreven de twee zelf, al dan niet in samenwerking met anderen. Met als absolute uitschieters wat ons betreft het op een cocktail van gemengde gevoelens drijvende titelnummer, het een apart, überhaupt wat herfstig loom sfeertje uitademende “The Damage” en het werkelijk magistrale “Mississippi”. Op het kruispunt tussen traditie en nu van het allerbeste wat je als luisteraar maar krijgen kan. Van de twee covers die het geheel vervolledigen viel het van Paul Simon geleende “Kathy’s Song” ons het best mee. Alsof er twee engeltjes op je tong piesen, zo mooi!

“Vocaal vuurwerk van de bovenste plank,” schreven we hier acht jaar geleden al over het visitekaartje van de Secret Sisters en dat schreeuwen we hier en nu graag nog eens opnieuw uit. Laat ze aub niet nog eens vallen…

The Secret Sisters

 

SHOVELS & ROPE “Busted Jukebox Volume 2” (New West Records / PIAS)

(4****)

Eerder deze week bogen we ons hier met het erg knappe “We Have All Been Here Before” van US Rails al eens over een collectie covers en dat doen we vandaag met het nieuwe album van het duo Shovels & Rope graag nog eens over. Op die opvolger van “Busted Jukebox, Vol. 1” van een jaar of twee geleden wagen Cary Ann Hearst en Michael Trent zich andermaal aan een reeks eigenzinnige alterna-Americana- en rootsrockvertolkingen van nummers die hen om de één of andere reden nauw aan het hart liggen. En ze doen dat ook ditmaal weer in ronduit uitstekend gezelschap.

Openingsnummer “Cleanup Hitter” is meteen dé grote uitzondering van het geheel. Dat nummer schreef Trent immers zelf samen met Bill Carson. Vertolkt wordt het door Shovels & Rope en de lichtjes fantastische Brandi Carlile, waarmee ze goed bevriend raakten tijdens een muzikale cruise ergens in 2013. Wat volgt is een werkelijk schitterende versie van “Joey” van Concrete Blonde. Geweldig, hoe Nicole Atkins zich daarin weet in te werken. Via een met Rhett Miller gebracht en wat rommelig aandoend “Do You Love Me Now” van The Breeders belanden we aansluitend daarop in een hoogst aparte, van de tristesse druipende versie van Willie Nelsons klassieke “Blue Eyes Crying In The Rain”, met daarin een vocale hoofdrol voor de grofgevooisde John Moreland. Mathew Logan Vasquez toont zich daarna op zijn beurt zeer geïnspireerd in een moody lezing van “Untitled 1” van Sigur Ros. Meteen ook het einde van de a-kant van “Busted Jukebox Volume 2”.

Op de b-kant wordt als eerste de door Albert Hammond gepende Hollies-hit “The Air That I Breathe” getackeld. Met de bevriende Owen Beverly van Indianola met name. Daarna gaat het langs een hoogst bevreemdend werkende, met huisfavorietje John Fullbright gedeelde uitvoering van Leonard Cohens “I’m Your Man” en het als punk rock met cowboybotten aangeboden “Death Or Glory” met Hayes Carll nog richting een topmomentje met Lera Lynn en één solo slim. Bij het eerste van die beide afsluiters betreft het een sexy herwerking van “Epic” van Faith No More, het laatste is een extreem catchy alleen-wij-uitvoering van Chuck Berry’s “You Never Can Tell”.

Voor ons hoeven Hearst en Trent er ook na dit tweede volume absoluut nog niet mee te stoppen. Voor de manier waarop ze zich keer op keer opnieuw het materiaal van anderen weten toe te eigenen is het nodige respect immers op z’n plaats. Allen die hier een beurt kregen zullen het allicht maar wat graag beamen.

Shovels & Rope

 

US RAILS “We Have All Been Here Before” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Ben Arnold, Tom Gillam, Scott Bricklin en Matt Muir vonden van zichzelf dat ze ook wel eens een verzetje verdienden. En dat kwam er ook prompt in de gedaante van “We All Have Been There Before”, hun inmiddels vijfde album onder de vlag US Rails. Daarvoor lieten de vier heren immers hun licht schijnen op songmateriaal van anderen. Eigen pop-, rock- en bluesfavorieten werden zorgvuldig afgestoft en met veel liefde van een nieuw laagje charme voorzien.

Elk van de vier heren deed daarbij keuzegewijs zijn duit in het zakje. En dat leidde uiteindelijk tot een prima rootsrockalbum met daarop nieuwe versies van respectievelijk “Second Hand News” van Fleetwood Mac, “Everybody Knows This Is Nowhere” van Neil Young, “Poor Poor Pitiful Me” van Warren Zevon, “Love In Vain” van Robert Johnson, “Train In Vain” van The Clash, “Put The Message In The Box” van World Party, “So Into You” van de Atlanta Rhythm Section, “Loving Cup” van de Rolling Stones, “You’ve Got To Hide Your Love Away” van de Beatles, “I’d Rather Be (Blind, Crippled & Crazy)” van OV Wright en “Running On Empty van Jackson Browne. Een zo op het eerste gezicht redelijk onsamenhangend songelftal, maar niks blijkt bij nader inzicht minder waar. Door hun enthousiaste benadering van het voorliggende materiaal kneedden de vier er net één wel heel erg lekker geheel van. Zowel wat betreft het vocale aspect, als wat betreft de instrumentale invulling van de songs werkelijk beresterk.

Speciale vermeldingen zijn er daarbij wat ons betreft vooral voor Arnolds soulvolle vertolking van het door Karl Wallinger gepende “Put The Message In The Box”, voor een even geslaagde als gewaagde verbouwing van het Clash-kleinood “Train In Vain” van de album classic “London Calling” uit 1979 en voor Muirs verbazend goed uitpakkende versie van Fleetwood Macs “Second Hand News”, ook al ontleend aan zo’n klassiek album, aan het onsterfelijke “Rumours” met name.

Gaan zowel de heren zelf als hun fans live nog heel veel plezier aan beleven, aan het spul op dit setje. Zeker weten!

US Rails

 

JESSE TERRY “Natural” (Jackson Beach Records)

(4****)

Nog niet eens zo heel erg lang geleden bespraken we hier het mooie “Stargazer” van de getalenteerde Amerikaanse songsmid Jesse Terry. “Het soort van plaat waarmee je de stilaan al wat ouder wordende jongere in ons telkens opnieuw een groot plezier doet,” schreven we daarover toen. En dat geldt op de keper beschouwd misschien nog wel meer voor opvolger “Natural”. Dat is immers een plaat die haar titel werkelijk alle eer aandoet. Eentje waarvoor Terry nadrukkelijk een meer organische benadering voor ogen had. Daarbij vertrekkend vanuit een redelijk basic gehouden instrumentarium, met voorop een akoestische gitaar en een piano. De nadruk komt daardoor vooral op twee andere aspecten van het geheel te liggen. Met name de liedjes en de vertolkers ervan.

Vertolkers. Een meervoud inderdaad. Want daar gunden Terry en producer Josh Kaler zich een nogal in het oog springend folietje. Voor zo goed als alle nummers haalden ze immers een door Terry zelf bewonderde vrouwelijke collega aan boord. Iets wat uiteindelijk bijdragen opleverde van respectievelijk Kim Richey, Dar Williams, Sarah Darling, Cary Ann Hearst van Shovels & Rope, Liz Longley, Annie Clements en Erin Rae. Bepaald schoon volk dus.

En het resultaat is een ook al bepaald schoon album. Met daarop een drietal heruitvindingen van nummers van “Stargazer”, een heerlijke akoestische cover van “Mr. Blue Sky” van ELO en uiteraard tal van nieuwe nummers. De meest in het oor springende daarvan zijn naar onze bescheiden mening het samen met Michael Logen gepende en met Dar Williams gebrachte en heel erg sterk aan Simon And Garfunkel in hun hoogdagen herinnerende “Noise”, de plukrijpe country pop van het met Carry Ann Hearst gedeelde “Mountain Rose”, de door de bekoorlijke Liz Longley met wat gezongen hand-en-spandiensten opgewaardeerde ballad “Close My Eyes” en “Carry” en “I Was An Island”, twee nummers waaraan Kim Richey haar medewerking verleende.

Warm aanbevolen!

Jesse Terry

 

DEMI KNIGHT “Budapest” (Sonic Rendezvous)

(4****)

Deze jonge Nederlandse schone heeft wat ons betreft echt alles in huis om de nieuwe Ilse DeLange te gaan worden. Net als haar gerenommeerde landgenote kiest ze op haar langspeeldebuut “Budapest” resoluut voor een geluid waarvoor beurtelings de termen country en Americana uit de kast mogen. In tien eigen liedjes bewijst ze daarop heel goed naar haar voorbeelden Dolly Parton en Loretta Lynn te hebben geluisterd.

Al op zeer jonge leeftijd deed de ondertussen eenentwintigjarige Knight in 2015 van zich spreken, toen ze zowat heel Nederland charmeerde tijdens haar deelname aan het tv-programma “De Beste Singer-Songwriter Van Nederland”. Daarna volgde een eerste EP en nu dus ook een eerste volwaardige langspeler. Die nam ze op met haar vaste band bestaande uit gitarist Filip Schrijver, toetsenman Jasper Schalks, drummer Martijn Soetebroek, bassist Bram Schrijver en steelgitarist David Gram.

De liedjes van Knight zijn zonder uitzondering top te noemen. En bepaald radiogeniek bij momenten ook. Met de sympathieke countrysnik in haar stem als voornaamste bondgenoot lijkt ze zodoende haast voorbestemd om veel platen te gaan verkopen. En dat is iets wat ze op basis van uitermate leuke songs als “Alcohol”, “Hush” en eerste single “Margaret” ook absoluut verdient.

Gaan we in de nabije toekomst ongetwijfeld nog heel veel van horen, van deze Demi Knight!

Demi Knight

 

STEVEN TROCH BAND “Rhymes For Mellow Minds” (Sing My Title / N.E.W.S.)

(4****)

Aan diversiteit hoegenaamd geen gebrek op “Rhymes For Mellow Minds”, het nieuwe album van harmonicamaestro Steven Troch. Dertien nummers lang is het daarop weer genieten geblazen van blues made in Belgium in de waarlijk ruimste zin van dat woord. Troch piest op z’n tijd duidelijk graag net naast de bluespot, zoveel is na het horen van al dat fraais wel duidelijk.

Geopend wordt er met de onthaaste, maar ondanks alles heerlijk vet gebleven R&B van “Short End”. Vervolgens mogen we ons in het ongemeen grappige “Bad Taste” met z’n allen even overgeven aan een chagrijnig rumbaritme. En in het zog daarvan is het met “Going To Dagobah” de beurt aan een ingehouden stompende knappe harmonica-instrumental.

Het jazzy “Troubled One” klinkt daarna mede door een bijzonder gesmaakte toetsenbijdrage van Bruce James als iets weggelopen bij Dr. John of AJ Croce, het tekstueel ook al erg leuke “Long Long Beard” lonkt ritmegewijs nadrukkelijk richting trad country, “White Line Express” is op zijn beurt meer recht-toe-recht-aan swingend blueswerk, “Rabbit Foot Trail” heeft duidelijk wat met gospel en “15 Minutes” dompelt ons onder in een badje van groovy jazz swing.

Moeten daarna nog de revue passeren: de moody blues rocker “Mister Jones”, het door de saxen van David Loos, Nicolas Talbot en JB Biesmans richting creepy paden gejaagde “Vertigo”, de knappe R&B-trage ”Bedroom Eyes”, het in al zijn melodieuziteit bijna té nadrukkelijk om radioaandacht smekende “Rain Rain” en de heerlijk gemeen aan zijn kettingen snokkende afsluiter “Walk Away” – een opnieuw erg jazzy uitgevallen hidden bonus track gemakshalve even niet meegerekend.

Stuk voor stuk songs signé Troch. Gebracht door de naast hemzelf (leadzang, Hohner- en andere mondharmonica’s en mouth bow) verder ook nog uit Liesbeth Sprangers (elektrische bas, washboard en zang), Little Steve Van Der Nat (gitaren en zang) en “King Berik” Heirman (drums, percussie, marimba, thunder tube en zang) bestaande Steven Troch Band.

Met een geweldig album als dit onder de arm zouden Troch en co wel eens een erg drukke concertzomer tegemoet kunnen gaan. En onze paden mogen ze daarbij alvast graag eens kruisen!

Steven Troch Band

 

ADAM JAMES SORENSEN “Dust Cloud Refrain” (Continental Song City)

(5*****)

Met “Dust Cloud Refrain”, de nieuwe worp van de Amerikaan Adam James Sorensen, dient er zich nog vroeg in het jaar al een zoveelste klant voor ons jaarlijstje over de jaargang 2018 aan. En ik zou zelfs meer durven zeggen: een klant voor de bovenste regionen daarvan. De vanuit Chicago actieve Sorensen heeft ons verdomd lang laten wachten op een opvolger voor het ook al erg knappe “Midwest” uit 2012, maar neemt u het vrij van mij aan, dat lange wachten is meer dan de moeite waard geweest. Zelden een plaat gehoord, die gelijk vanaf mijn eerste beluistering ervan een dergelijke impact op me maakte als deze. En dat wil gezien het volume aan muziek waar ik me dag in dag uit aan overgeef echt wel wat zeggen.

Op het ongemeen sfeervolle “Dust Cloud Refrain” gidst Sorensen ons op doorgaans eerder intimistische wijze doorheen een reeks stories ontleend aan zowel zijn eigen levensverhaal als aan dat van folklegende Woody Guthrie. Daarbij vakbekwaam gestuurd door de u ongetwijfeld ook van zijn werk met Gregory Alan Isakov en Nathaniel Rateliff bekende producer Jamie Mefford slaagt hij erin om aan zijn van oorsprong duidelijk traditionele muziek een attractief actueel randje te verlenen, zoals bijvoorbeeld ook Daniel Lanois dat zo goed kan. Mede daardoor wordt het op “Dust Cloud Refrain” gebodene eensklaps ook een stuk aantrekkelijker voor een veel ruimer publiek. De warmte die van z’n songs afstraalt, het ongemeen rijke geluid ervan, de ruimte die Sorensen in zijn teksten aan je verbeelding laat, het zijn stuk voor stuk serieuze troeven.

Tussen de tegen een ritme in de verte verwant aan dat van Springsteens “I’m On Fire” neergelegde ramblin’ song “Steam Train” en de melancholische afsluiter “Seasons” gebeurt er hier zoveel moois, niet normaal meer. Met name het ook al van de weemoed druipende “Jane Dudley”, het werkelijk magistrale titelnummer, het etherische “Boxcar” en het daar perfect bij aansluitende “Angel” zijn naast het al genoemde tweetal echte pareltjes. Zonder daarbij afbreuk te willen doen aan de dan nog resterende drie nummers overigens, want ook die zijn erg knap.

Om de aandacht op “Dust Cloud Refrain” te vestigen zal Adam James Sorensen de komende dagen een aantal concerten afwerken in Vlaanderen en Nederland. Hier staan zo optredens in Zomergem (vrijdag 02/03, Soul Bar), Gent (zondag 04/03, De Loge), Reningelst (maandag 05/03, De Blauwe Plek) en De Pinte (donderdag 08/03, een house concert) gepland.

Adam James Sorensen, Bandcamp

 

KORBY LENKER “Thousand Springs” (Soundly Music)

(3,5****)

Zijn zevende langspeler zal voor de Amerikaan Korby Lenker allicht altijd wel zijn speciaalste blijven. Niet dat het materiaal erop van die aard is om dat van zijn voorgangers compleet te doen verbleken, neen, dat zeker niet. Het speciale schuilt hem vooral in de manier van inblikken ervan. Lenker besloot immers om met zijn nieuwe songs uit studio’s weg te blijven. In plaats daarvan trok hij naar zijn thuisstaat Ohio om er zijn nieuwe plaat op te nemen op diverse plaatsen die voor hem om de één of andere reden een speciale betekenis hadden.

Daarnaast reed hij ook nog eens zowat het hele land rond om vocale en instrumentale bijdragen te verzamelen van dertig van de fijnste folktalenten van het moment. We noemen hier in dat verband onder meer graag Ryan Culwell, Molly Tuttle, Anthony Da Costa, Nora Jane Struthers, Matt The Electrician, John Reischman, Raina Rose, Carrie Elkin, Robby Hecht, Kristin Andreassen, Caroline Spence en Amy Speace. Met een aantal onder hen schreef Lenker overigens ook liedgoed voor “Thousand Springs”. Hun bijdragen nam hij onder meer op in achtertuintjes, op hotelkamers en zelfs in een boekenwinkel.

Het resultaat is een enigszins onopvallend wegluisterende collectie liedjes van het genre waarvoor het Amerikaanse magazine American Songwriter ooit al de omschrijving “huggable folk-pop” hanteerde. Nogal braaf aandoend, van het eerder vrijblijvende soort, zoals bijvoorbeeld ook een Josh Rouse die dezer dagen nogal eens durft te maken. Al durven ze inhoudsgewijs bij momenten wel aardig diep te gaan. Zo schreef Lenker het afsluitende “Wherever You Are” bijvoorbeeld naar aanleidng van het overlijden van een familielid. En het moody “Northern Lights” kon eveneens al amper over wat anders gaan dan een ander verlies. In dit gevallen een verloren liefde.

Onze plats préférés hier zijn echter enkele andere deunen. Met name het lichtvoetige, met Nora Jane Struthers gedeelde en zijn eigen voorliefde voor literatuur als uitgangspunt nemende “Book Nerd” en het wat stevigere, voorwaar zelfs even voorzichtig rockende “Last Man Standing”. Dat laatste schreef Lenker over Chief Sitting Bull na het lezen van “Bury My Heart At Wounded Knee” van Dee Brown.

Korby Lenker

 

SUSANNA “Go Dig My Grave” (SusannaSonata / Konkurrent)

(4****)

Toen ik haar echt wel ontwapenend mooie nieuwe versies van Lou Reeds “Perfect Day” en “Wilderness” van de Joy Division hoorde, toen wist ik meteen, dat ik op Ctrl. Alt. Country wat aandacht zou gaan besteden aan het nieuwe album van de Noorse Susanna Wallumrød. Haar twaalfde inmiddels al sinds ze in 2004 voor het eerst van zich deed spreken. En wat voor één! De ideale soundtrack als het ware achter de ijselijk koude dagen die ons momenteel gijzelen. Muziek even betoverend mooi als de witte toplaag die onze streken onverwachterwijze van Moeder Natuur meekregen.

Op “Go Dig My Grave” trakteert sirene Wallumrød ons in totaal op een tiental liedjes. Het merendeel daarvan zijn covers. Herinterpretaties niet enkel van rock classics als het hoger al even genoemde tweetal, maar evenzeer van spul ontleend aan het Great American Songbook, van Engelse traditionals, van folk songs allerhande. Herinterpretaties effectief, want wat Wallumrød hier doet, is het haar ter beschikking staande materiaal zo ongeveer volledig naar zich toe trekken. Zich daarbij bedienend van een hoogst apart instrumentarium (kalimba, harp, accordeon, diverse fiddles) baant ze zich een weg doorheen zo menig een van verdriet vervuld thema. Als een echt ijskonijn eigent ze zich zo onder meer ook nog Elizabeth Cottens “Freight Train”, de oude Engelse folkballade “The Three Ravens” en de traditionals “Rye Whiskey”, “The Willow Song” en “Go Dig My Grave” toe. Liedjes, die zich zonder uitzondering situeren aan de eerder tragische kant van het leven. Het enige nieuwe nummer hier is “Invitation To The Voyage”. Voor die compositie baseerde Susanna zich op een gedicht uit “Les Fleurs Du Mal” van Charles Baudelaire.

Begeleid wordt Wallumrød op “Go Dig My Grave” door de al wel vaker haar pad gekruist hebbende harpiste Giovanna Pessi, door de getalenteerde jonge accordeoniste Ida Løvli Hidle en door de bekende Noorse violiste en folkzangeres Tuva Livsdatter Syvertsen. Voor de productie van het album tekende ze samen met Deathprod zelf.

Susanna

 

TODD KESSLER “About Memory” (Wyzguy Records)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat de naam Todd Kessler me tot voor kort volledig vreemd was. En dat ondanks het feit, dat de beste man al in 2006 een eerste album op de wereld losliet. “We Are The Musicmakers” was dat, later nog gevolgd door een stel andere platen, onder meer met The New Folk. Maar, zoals al gezegd, die kende ik dus geen van alle.

Compleet onbevangen boog ik me dus over ’s mans nieuwe worp “About Memory”. En die bleek op de keper beschouwd goed voor wat je noemt een hoogst aangename verrassing. Wat Kessler erop brengt laat zich misschien nog het best samenvatten met de naam van zijn eerder genoemde groep. Het uitgangspunt is immers nadrukkelijk een folkgeluid. Folk anno nu that is, waarin je als luisteraar met enige regelmaat uitglijdt richting andere genres als pakweg alternatieve pop en rock en Americana.

Alles draait daarbij om de in groten getale het hoofd van Kessler bevolkende herinneringen. “About Memory” dus effectief. Alsof je samen met hem in een slecht verduisterde kamer naar een aftands scherm zit mee te kijken naar de door een ook al zijn beste tijd gehad hebbende projector erop achtergelaten beelden van things en times gone by. Nostalgie troef dus. Melancholie vaak ook. In een reeks commercieel best wel potente liedjes, gebracht door een man gezegend met een stem klaar om het (Ook hier!) mits de juiste mediabenadering snel te gaan maken, een echte earcatcher, zeg maar.

“About Memory” werd ingeblikt in de ooit door Elliott Smith bekend geraakte New Monkey Studio in Los Angeles. Voor de productie ervan tekenden Marc Daniel Nelson en Ran Jackson.

Todd Kessler

 

CIARA SIDINE “Unbroken Line” (Blue Kapibara / Music & Words)

(4****)

Van een force of nature gesproken! Met die onwaarschijnlijk soulvolle sirenenstem van ‘r zal de Ierse Ciara Sidine de eerstvolgende weken weer flink wat luistergragen op haar muzikale klippen laten lopen, dat mag u nu al van ons aannemen. Met “Unbroken Line”, de opvolger van haar ook al erg knappe debuutplaat “Shadow Road Shining” uit 2011, slaat Sidine nu immers pas echt spijkers met koppen. Met de twaalf liedjes daarop rechtvaardigt ze volop in het verleden reeds gemaakte vergelijkingen met onder anderen Emmylou Harris, Maria McKee en Mary Black. En voeg aan dat lijstje wat ons betreft ook maar de namen van Mary Chapin Carpenter en Maura O’Connell toe. Want een straffe madam met een straffe stem, da’s exact wat ook Sidine is.

En eentje met het hart op de juiste plaats bovendien ook. Dat blijkt uit zo menig een op “Unbroken Line” aangesneden thema. Uit heel wat van Sidine’s songs spreekt een nadrukkelijk verlangen naar meer sociale rechtvaardigheid. Het misschien wel allermooiste voorbeeld daarvan vinden wij persoonlijk “Let The Rain Fall”. Daarin trekt Sidine eigenzinnig soulvol van leer tegen een Kerk die het maar blijft nalaten om haar verantwoordelijkheid op te nemen inzake in het verleden tegen jonge kinderen gepleegde misdrijven. Alleen dat liedje al rechtvaardigt ons inziens een onverwijlde aanschaf van “Unbroken Line”.

En het is dan nog maar één van de vele pareltjes op “Unbroken Line”. Van de aangrijpende Americana van “Finest Flower” over het veelzeggend getitelde “Woman Of Constant Sorrow” tot de voorzichtig met een reggaemotiefje flirtende schuifelcountry van “2 Hard 2 Get 2 Heaven”, van het regelrecht richting de sterren gecroonde “Watching The Dark” over de twang-a-billy van “Wooden Bridge” tot de soulvolle ballads “River Road” en “Take Me With You”, van het speelse “Lemme Drive Your Train” of het rootsy “Trouble Come Find Me” over het titelnummer en het hoger al uitgebreid bejubelde “Let The Rain Fall” tot afsluiter “Little Bird Song”, eigenlijk valt hier gewoon niets uit de toon. “Unbroken Line” is met andere woorden niks minder dan een hele straffe Euro-Americanaplaat. Hopelijk laat Sidine ons op een opvolger hiervoor weer geen jaren wachten. Zou heel erg jammer zijn!

Ciara Sidine

 

KEEGAN MCINROE “A Good Old Fashioned Protest” (Keegan McInroe)

(3,5****)

“This is a protest against war. It is also a protest against and a comment on anumber of other ills. It is a protest for unity, compassion, reason, action and love. I lend my voice to the chorus of voices around the world calling for a peaceful, humane, respectful, enlightened tomorrow.” Tja, wat kan je daar nog aan toevoegen? Keegan McInroe is in de titel en het artwork van zijn nieuwe album meer dan duidelijk: het is wat hem betreft hoog tijd voor protest. Iets waar hij zich hier dan ook negen nummers en zo’n achtentwintig minuten lang volledig aan overgeeft.

McInroe profileert zich in de liedjes op de opvolger van het ook al leuke “Uncouth Pilgrims” van zo’n jaar of twee geleden als een verre afstammeling of meer eigentijdse opvolger van iconische protestzangers als Woody Guthrie en Bob Dylan. En dat doet hij goed. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het zijn titel en passant alle eer aandoende “Talking Talking Head Blues”. Hoe hij daarin een sneer uitdeelt aan het adres van de dezer dagen de publieke opinie voor ons aller goed net iets teveel richting angst en haat dirigerende tv-journalisten in zijn land, spreekt tot de verbeelding. Is zelfs goed voor een flinke glimlach, als hij het hen op spottende wijze verwijt meer geïnteresseerd te zijn in het doen en laten van Justin Bieber dan in nieuws dat er echt toe doet.

Andere sterke momentjes: het op bezwerende wijze een aantal gezwellen gedijend op de tijden waarin we met z’n allen leven blootleggende “Big Old River”, het talking bluesje van dezelfde titel waarin hij “bombing for peace” vergelijkt met “fucking for virginity” en het verhalende, op z’n Steve Earle’s naar de gruwelen van WOI teruggrijpende “Christmas 1914”.

Lang niet alleen aan te bevelen aan allen die houden van protestliedjes, dit schijfje. Ook fans van schone lieden als de al genoemde Steve Earle, John Prine, Guy Clark en Todd Snider zullen hier ons inziens uitgebreid aan hun trekken komen.

Keegan McInroe

 

MARY BATTIATA & LITTLE PINK “The Heart, Regardless” (Mary Battiata & Little Pink)

(3,5****)

Gaan al een aardig poosje mee, deze Mary Battiata en haar Little Pink. Onze eerste cd van dat alternatieve countrybandje kochten we effectief reeds in 2001. Het album “Cul-de-sac Cowgirl” was dat. Het debuut ook van de eerder vooral naambekendheid als journaliste bij de Washington Post genietende Battiata. En een hele leuke plaat vooral. Toen overigens nog gewoon onder de noemer Little Pink aan de man gebracht. Met Karl Straub als Battiata’s voornaamste steun en toeverlaat.

Die Straub is er intussen niet meer bij. Dezer dagen bedient Battiata zich bij het brengen van haar door de jaren heen beduidend meer richting trad country geëvolueerde muziek van een bandje bestaande uit Tim Pruitt op elektrische gitaar, Alex Weber op diverse bassen, Dave Hadley op pedal steel en Ed Hough in de weer met drums en diverse percussie-instrumenten. En met daarnaast ook nog een heel stel special guests aan boord, waarvan we u Arty Hill, banjo- en mandolinevirtuozen Mike Munford en B.J. Lazarus en Dudley Connell van Seldom Scene als voornaamsten zeker niet willen onthouden.

In totaal veertien nummers staan er op Battiata’s nieuwe worp “The Heart, Regardless” en liefst dertien daarvan zijn eigen originelen. Enkel voor het catchy niemendalletje “Drive That Fast” ging ze elders in de leen. En dat meer bepaald bij de hoger ook al even genoemde Arty Hill.

En Battiata verkeert hier bij momenten echt wel in bloedvorm. Zo vonden wij het persoonlijk bijvoorbeeld flink genieten geblazen bij het op buitengewoon twangy wijze ongegeneerd naar de prille dagen van het countrygenre teruggrijpende “Can’t Take My Mind Off You”, bij het al even aanstekelijke countryrockertje “20 Words”, bij het lijzige, op de één of andere manier best wel wat aan Lucinda Williams ten tijde van “Car Wheels On A Gravel Road” herinnerende “Big Big World”, bij het folky anti-oorlogsliedje “March 20” en het sfeervolle “Remember This”.

Oude liefde roestte in dit specifieke geval terecht niet!

Little Pink

 

3HATTRIO “Lord Of The Desert” (Okehdokee Records / Lucky Dice Music)

(3,5****)

Wie én actief zijn in de sector Americana én vernieuwend bezig zijn als vereisten stelt aan wie of wat mag proberen om hem of haar op muzikaal vlak te bekoren, die zit bij het van ergens in de buurt van het Zion National Park in Utah actieve drietal 3hattrio beslist aan het juiste adres. Wat Hal Cannon (gitaar, banjo en zang), Eli Wrankle (viool) en Greg Istock (double bass, percussie en zang) samen brengen is immers volstrekt uniek te noemen. De manier waarop ze hun folk en country verrijken met genrevreemde elementen sprak hier alvast meteen tot de verbeelding.

Naast een regelmatig uitermate desolaat aandoend karakter heeft hun muziek haast al even vaak iets filmisch over zich. Gestoei met Auto-Tune, de uitgesproken voorliefde van de heren voor een eerder minimalistische aanpak en het toelaten van psychedische indringers in de mix is daaraan bepaald niet vreemd. Zelf noemen Cannon, Istock en Wrankle wat ze brengen American desert music. Een omschrijving die wat ons betreft tegelijk alles en niets over hun materiaal zegt.

Dat je in en tussen de dertien nummers op “Lord Of The Desert” wel door muzikaal woestijnzand lijkt voort te strompelen, da’s een waarheid als een koe. En dat het door en door Amerikaanse (folk)muziek betreft al evenzeer. Maar wat moet je je daar dan precies bij voorstellen, he? Om daar achter te komen is er eigenlijk maar één goede oplossing: gun de nieuwe van 3hattrio bij gelegenheid eens een kennismakingsbeurt. Er wacht je ergens ver weg van het gebruikelijke aanbod echt een verrassing van formaat!

3hattrio

 

PENNYLEEN “Still Waters / Savage Waves” (Kroese Records)

(3,5****)

Leuke nieuwe plaat van PennyLeen Krebbers. De Nederlandse die als muzikante al op jonge leeftijd podia deelde met gerenommeerde artiesten als Hans Dulfer, Kaz Lux, Rosa King en anderen is inmiddels uitgegroeid tot een bijzonder zelfverzekerde zingende liedjesschrijfster. Eentje die dankzij met name haar soulvolle zang best wel eens een groot publiek zou kunnen gaan aanspreken. Al is wat ze doet eigenlijk wel aardig eigenzinnig. Krebbers is er immers niet de vrouw naar om naar de wensen van anderen te plooien. Ze zegt dat trouwens ook zelf: “Het doel was (…) het maken van een fantastisch album, en de weg ernaar toe bepaalde ik zelf.”

Voor de productie van “Still Waters / Savage Waves” ging ze in zee met veelkunner Gabriël Peeters. Een goede keuze zo blijkt nu. Peeters zorgde er immers mee voor, dat wat Krebbers’ naar eigen zeggen meest persoonlijke plaat tot op heden geworden is ook op muzikaal vlak werkelijk puntgaaf afgeleverd werd. Hij dacht volop met de artieste mee en zorgde er mee voor, dat ze vocaal kon excelleren in een context waarin elementen uit vooral pop, rock, folk, jazz, blues en soul op zonderlijke wijze samengaan.

Aan “Still Waters / Savage Waves” werkten in totaal niet minder dan vijfendertig mensen mee. Onder meer ook Mark Lennon van Venice, met wie Krebbers het bedaard soulvolle duetje “Help Me” inblikte.

Een plaat met een al bij al aardig hoge aaibaarheidsfactor!

PennyLeen

 

BRUNO DENECKERE FEATURING NILS DE CASTER “I Remember The Day” (Lie Records / Donor / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Toen ik hier enkele weken geleden het album “Happy Incomplete” van Billy & Bloomfish mocht bespreken, heb ik meermaals gedacht, dat het erg onwaarschijnlijk zou zijn dat er dit jaar een nog betere Belgische rootsplaat mijn paden zou kruisen. Maar zie daar… Nauwelijks enkele weken verder zijn we en het is al van dattum! De daders, vroeg u? Wel, dat zijn de onvolprezen Bruno Deneckere en zijn secondant Nils De Caster.

Met “I Remember The Day” levert dat tweetal een intimistische schoonheid van een plaat af, die samen met “Old Light” en “Stalemate Days”, de jongste twee worpen van HT Roberts, en “Heroes & Has-Beens”, de recente samenwerking van beide Gentenaren aan het hoofd van The Landed Gentry, ontegensprekelijk aantoont, dat Vlaanderen wel degelijk een prominente plaats op de mondiale Americanakaart verdient. Elf nummers lang spoken je hierbij als luisteraar immers de namen van illustere Amerikaanse collega’s van Deneckere als een Townes Van Zandt en een Guy Clark door het hoofd. Eenzelfde tijdloosheid als deze die veel van het werk van die twee grootheden kenmerkt hangt immers ook over het hier door Deneckere en De Caster gebrachte.

Er resoluut voor kiezen om al het werk onder hun tweeën te verdelen was ons inziens zo ongeveer de beste move die Deneckere en De Caster konden doen. Dat ze elkaar echt blindelings lijken aan te voelen verleent aan de liedjes op “I Remember The Day” immers dat zekere je ne sais quoi waardoor het album tot mijlenver boven het gebruikelijke aanbod uitstijgt. Het klinkt tegelijk allemaal ontzettend af en toch ongemeen spontaan. Je moet het maar doen!

“Tekstueel probeer ik m’n eigen realiteit met al de hoop en wanhoop vanop een afstand te duiden,” aldus Deneckere zelf met betrekking tot het inhoudelijke aspect van het gebodene. Wat betreft het muzikale wisselt hij ingetogen country en folk songs af met zich voorzichtig wat wilder presenterend materiaal. Het beste voorbeeld van dat laatste is allicht het zich heupwiegend een weg richting een knusse stek tussen je oren banende “Rocking Right”.

Dé trekpleisters van “I Remember The Day” zijn echter vooral de vele slow songs en ballads erop. Dingen als “Breathing Again”, “Where Are The Smoky Bars?”, “Waiting For You”, “I Missed That Train Again”, “Take My Hand” en “True Love” zijn van een dergelijk kaliber, dat ze probleemloos het gros van het ons dezer dagen vanuit de States bereikend materiaal achter zich weten te laten. Goed voor een coup de foudre van jewelste!

Bruno Deneckere

 

ZACHARY RICHARD “Gombo” (RZ Records)

(4****)

De naam Zachary Richard op een album aantreffen is ondertussen zo goed als een kwaliteitsgarantie. Dat bewijst ook zijn nieuwe “Gombo” weer. Met de vijftien songs daarop profileert hij zich op z’n zevenenzestigste andermaal als één van de voornaamste uithangborden van wat er op muziekvlak leeft in Louisiana. Mooi, hoe hij daarbij voortdurend tussen twee culturen heen en weer laveert. Het verleent op de keper beschouwd aan zijn muziek iets volstrekt unieks.

Laat je net als ons verleiden door fraai spul als het zijn titel en passant volledig waarmakende “Zydeco Jump”, de onder meer over voorzichtig Knopfleriaans aandoend gitaarwerk neergelegde rapexercitie “La Ballade D’Ėmile Benoit”, de gevoelige acadiarcana van “La Ballade Du Irving Whale”, het inderdaad nogal bluesy uitvallende “Jena Blues”, het zwierige, samen met de hier vooral van de originele versie van Raymond van het Groenewouds “J’veux De L’amour” bekende Robert Charlebois geschreven en ook gebrachte “Catherine, Catherine”, het groovy ‘La Ballade De L’éxclus”, het uitbundige zydeco-stampertje “Dans Les Grands Chemins”, het al even aanstekelijke swampy “Pop The Gator”, “Fait Briller La Lumière”, een bijzonder radiovriendelijk duetje met Angélique Kidjo, en andere, je zal het je beslist niet beklagen.

Met “Gombo” is het voorzichtig alweer vooruitkijken naar wat warmere dagen. Dan zullen de vele fraaie muziekjes erop hier tegen valavond op het terras nog vaak dienst gaan doen als de zo ongeveer ideale soundtrack. We kunnen haast niet wachten om het uit te proberen…

Zachary Richard

 

THE LYNNES “Heartbreak Song For The Radio” (The LYNNeS)

(4,5*****)

De voorbije tien jaar kruisten de paden van Lynn Miles en Lynne Hanson elkaar zo vaak, dat de beide dames recentelijk besloten om hun lot voor een poosje aan dat van mekaar te verbinden. Als The LYNNeS leveren ze nu alvast hun debuutplaat af. En u mag ons op ons woord geloven: dat is een echt plaatje van een plaat geworden. Een album om te hebben en intens van te houden. Tien goede songredenen om je helemaal over te geven aan twee van Canada’s mooiste stemmen überhaupt.

Een eerste is het moody “Cold Front”. Daarin wordt meteen duidelijk, hoe goed de beide dames elkaar wel aanvoelen. En dat zowel aan de schrijftafel, als achter de microfoon. Mooi vooral, hoe hun stemmen elkaar op volledig natuurlijke wijze lijken te complementeren. Nummer twee is het met Lonesome Paul Monnette gepende en gezien die naam misschien niet volledig onverwacht van weemoed doordrongen “Cost So Much”. Als serieus surplus valt ons daarin ronduit prachtig snarenwerk van Kevin Breit te beurt.

Titelnummer “Heartbreak Song For The Radio” is not just that. Het is, aldus de dames zelf, “the world’s saddest brokenhearted song”. Alles wat van een relatie overbleef. En een alweer bloedmooi liedje. Iets heel anders is vervolgens het aanstekelijke “Recipe For Disaster”. Daarin treffen we de LYNNeS immers in de buurt van voorbeelden als de Everly Brothers en Rockpile aan. Een nummer met een melodie zo hoog als een huis, als u het ons vraagt. Even gas terugnemen doen we in het zog daarvan met het sfeervolle “Don’t Look Down” – Opnieuw met een bescheiden glansrol voor Kevin Breit! – en het bizarre, effectief in driekwartsmaat neergelegde “Dark Waltz”.

Resten ons daarna nog: het groovy stompertje “Halfway To Happy”, het ons lang niet enkel gevoelsmatig best wel wat aan het tragere werk van Chris Isaak herinnerende “Blue Tattoo”, het als eerder bedaard te bestempelen “Blame It On The Devil” en het bezwerende, volop desolate Western settings evocerende “Heavy Lifting”.

The LYNNeS

 

RAVEN & RED “We Rise Up” (Line Crossing Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Raven & Red is een vanuit Nashville actief trio bestaande uit Brittany Lynn Jones en de broers Mitchell Lane en Cole King. Jones en Lane ontmoetten elkaar tijdens hun universitaire studies en kwamen er al snel achter, dat ze op muzikaal vlak nogal wat gemeen hadden. En met name hun voorliefde om eclectisch tewerk te gaan dan. De zin om genres als Americana, folk, country, bluegrass, ja zelfs classic rock en pop met elkaar te versmelten. En dat vanuit een louter akoestische invalshoek. Met buitengewoon veel aandacht voor hun samenzang. En daar werd het plots handig om ook te kunnen beschikken over Mitchells nog piepjonge broertje Cole King. Kwestie van te kunnen uitpakken met onvervalste three-part harmonies.

Op “We Rise Up” presenteren de drie zich in de eerste plaats als bijzonder bekwame muzikanten. Brittany Lynn Jones neemt zo naast lead & harmony vocals ook de viool, een tenorgitaar, een mandoline en een banjolin voor haar rekening. Lane van zijn kant zingt eveneens lead en harmony en toont zich daarnaast uitermate begaafd op de zes- en twaalfsnarige gitaar. King vervolledigt het trio met harmonyzang en bijdragen op mandoline. Special guests Paul Leech en Justin Collins verrijken het klankpalet aanzienlijk met hun contributies op elektrische en akoestische bassen, cello en drums en wat percussie.

Daarnaast zijn Jones en Lane ondanks hun nog relatief jonge leeftijd ook prima songwriters. Naar eigen zeggen verliefd op liedjes die een verhaal vertellen. Echte verhalen net zo goed als fictieve. Daarbij geïnspireerd door anderen John Denver, Jim Croce en Tim O’Brien.

Raven And Red

 

KYLE CAREY “The Art Of Forgetting” (Riverboat Records / World Music Network / Music & Words)

(4,5*****)

De fijne kunst van het vergeten… Zelf worden we er met het verstrijken der jaren alsmaar beter in. Maar da’s naar verluidt niet echt abnormaal. Gelukkig maar! En gelukkig maar ook, dat we nog niet zo ver zijn, dat we systematisch alles vergeten. In dat geval zouden we ons immers ook “Monongah” en “North Star” niet herinneren, de beide vorige platen, waarmee de zoetgevooisde Kyle Carey onze aandacht wist te trekken.

Daarop wist Carey ons mateloos te fascineren met een zeldzaam mooie symbiose van Keltische folk en Americana. En die beide polen blijven gezien de veelal lovende reacties op die twee platen ook de voornaamste bestanddelen van het op Carey’s derde gebrachte. Ook daarop weer twaalf staaltjes van werkelijk verbluffend mooie van wat Carey zelf ondertussen graag als Gaelic Americana mag bestempelen. Eigen nummers, al dan niet geïnspireerd door materiaal van anderen, maar ook enkele covers.

Voor het vereeuwigen van het materiaal van “The Art Of Forgetting” liet Carey zich ditmaal begeleiden door Dirk Powell. Die zag erop toe, hoe schone lieden als Sam Broussard (gitaar), John McCusker (fiddle), Mike McGoldrick (fluit), Ron Janssen (mandoline), Rhiannon Giddens (backing vocals) en anderen hun kunstjes volledig ten dienste van Carey en haar materiaal kwamen stellen. Zelf deed hij daarnaast ook nog een aardige duit in het muzikale zakje met bijdragen op respectievelijk bas, fiddle, mandoline, accordeon, banjo en piano. Zo goed als een garantie voor kwaltitatief hoogstaand materiaal dus. En daarmee is “The Art Of Forgetting” dan ook van begin tot einde gevuld.

Van de pure poëzie van openings- en titelnummer “The Art Of Forgetting” over het jazzy, deels in Schots Gaelic gebrachte “Siubhail À Rùin” tot het ingetogen, door een Ierse traditional geïnspireerde “Come Back To Me”, van de werkelijk bloedmooie ballad “Tell Me Love” over een wederom in het Gaelic gebrachte versie van de Amerikaanse gospelhymne “Down To The River I Pray” tot de afsluitende cover van Nanci Griffiths “Trouble In The Fields” en werkelijk alles inbetween, dit is genieten geblazen van a tot z.

Met haar ons een weinig aan die van Mary Chapin Carpenter herinnerende fluwelen stem betovert Carey ook ditmaal weer. Echt een aanrader van formaat, deze derde van haar, durven we hier bij wijze van conclusie dan ook ongegeneerd te stellen.

Kyle Carey

 

EMILY HERRING “Gliding” (30 Eight Records)

(4****)

Dat Emily Herring één van dé interessantste nieuwkomers van de Texaanse en bij uitbreiding ook de hele Amerikaanse countryscène van de laatste jaren is, dat mogen we ondertussen toch wel stellen. Met drie eerdere albums (“My Tears Will Be Relieved” uit 2005, “The Cat, Beaver, Bee” uit 2007 en vooral ook het ijzersterke “Your Mistake” uit 2013) deed ze met mondjesmaat steeds meer van zich spreken in kennerskringen. En met haar zopas verschenen vierde worp is het er nu helemaal boenk op. Dit is de plaat die ze al al die tijd in zich had. Een echt pareltje!

De overdag als automechanieker haar boterham verdienende en ’s avonds laat haar dromen als singer-songwriter najagende Herring trakteert ons op dat nieuwe album van haar op zo menig een beauty van een liedje. Gelijk het eerste van het lot is wat ons betreft al een echte winnaar. In dat ingehouden countryrockdeuntje presenteert de Texaanse zich als de vrouwelijke evenknie van kleppers als een Radney Foster en een Rodney Crowell. Vervolgens is er een ronduit zalige cover van de Red Foley-hit “Midnight”. Heerlijk gewoon, hoe Herring aan die evergreen middels een licht beschonken ondertoon waggelend nieuw leven schenkt. Daar geven we er graag ééntje op!

Meteen daarna werden we bij onze eerste beluistering van “Gliding” al helemaal van onze stoel geblazen. Met het louter muzikaal gezien een weinig aan Bruce Springsteens “I’m On Fire” herinnerende en over een schijnbaar onmogelijke liefde handelende “Yellow Mailbox” zou La Herring zomaar eens een echte hit in handen kunnen hebben. En als het met haar versie al niet lukken zou, dan zal vroeg of laat de één of andere collega er wel mee scoren, let op onze woorden!

Via het bedaard twangende “Best Thing I’ve Seen Yet” (Over een lover of wat dacht u?) belanden we aansluitend daarop bij het alweer volgende hoogtepunt van “Gliding”. De innemende semi-ballade “Right Behind Her” met name. In dat nog voor haar dood nu twee jaar geleden geschreven deuntje vroeg Herring zich af, of en hoe ze het leven na het heengaan van haar anchor, haar best friend, haar confidant, haar biggest fan de baas zou kunnen blijven. Een veel mooier eerbetoon kan je je als moeder amper voorstellen.

Ook in de klassieke countrysleper “The Last Of The Houston Honky Tonk Heroes” draait in het zog daarvan alles nog even om afscheid nemen, alvorens we met de zwierige, door Mary Cutrufello gepende en ook samen met haar gebrachte honky-tonkstamper “All The Millers In Milwaukee” even helemaal in feestmodus worden gebracht. Nu ja, met de muzikale aankleding ervan toch. Inhoudelijk gezien blijft het allemaal kommer en kwel als alle Millers, Buds, Jack Danielsen en aanverwanten niet volstaan om haar over haar vers ludduvuddu heen te helpen. “Just like you, the bottle done me wrong,” luidt het daarin veelzeggend.

Afgesloten wordt er met een drietal bestaande uit “Balmorhea” (Een streepje countryeske gypsy swing of was het toch eerder omgekeerd?), “Semi Truck” (Een bijzonder straffe cover van die Commander Cody classic!) en “Getting By” (Een als heerlijk relaxte country jazz verpakte uiting van tevredenheid over het eigen doen en laten.). Al bij al een zeer geslaagde eindspurt na een ook al erg leuke koers, als u het ons vraagt.

Vermelden we ten slotte ook nog even, dat Steve Fishell (Radney Foster, Rodney Crowell, Rosie Flores, Emmylou Harris) voor de productie tekende en dat verder onder meer ook Redd Volkaert, Glenn Fukunaga, Dave Sanger, Will Armstrong, de al genoemde Mary Cutrufello en Sophia Johnson bij dit project betrokken waren. Dan weet u zo ongeveer alles wat u weten moet over “Gliding”.

Emily Herring

 

ED ROMANOFF “The Orphan King” (Pinerock Records / Proper)

(4,5*****)

Ondertussen goed en wel zes jaar geleden wist de Amerikaan Ed Romanoff ons voor het eerst te vloeren. Met zijn indertijd verschenen titelloze debuutplaat met daarop veritabele heerlijkheden van songs als “St. Vincent De Paul”, “Curveball”, “Breakfast For One On The Fifth Of July”, “Lady Luck”, “Sacred Wreck” en vele andere deed hij ons een heel klein beetje denken aan collega’s als Robbie Robertson in z’n nadagen en Phil Cody. Een heerlijke plaat was dat, waar we hier ook nu nog steeds graag naar blijven teruggrijpen.

En dat zou binnen enkele jaren ook wel eens het geval kunnen blijken met ’s mans nieuwe worp. Ook Romanoffs door Simone Felice geproduceerde tweede is immers weer een echte dijk van een singer-songwriterplaat. Met z’n dertien tracks is het geheel goed voor net geen vierenvijftig minuten intens luisterplezier op de vaak flinterdunne scheidingslijn tussen pop, rock, folk en Americana. Mede door toedoen van Felice krijgt de Americana van Romanoff hier een aangenaam alternatief randje mee. Zijn muziek wordt er ook voor een flink wat ruimer publiek aantrekkelijk door gemaakt.

Wat vrijwel meteen opvalt is het atmosferische karakter van veel van de liedjes hier. Wellicht is het precies dat gegeven dat ons samen met de brommende vertelstem van Romanoff weer meteen aan Robbie Robertson deed denken. En met name die van de late jaren tachtig dan. Die van dingen als “Somewhere Down The Crazy River”, “Fallen Angel” en “Showdown At Big Sky”. Net als Robertson is ook Romanoff een meester-verteller. Eentje met een immer alert oog voor medemens en omgeving. Al gaat hij in zijn veelal poëtisch uit de hoek komende teksten zeker ook heikele thema’s niet uit de weg. Het huidige politieke klimaat in zijn land bijvoorbeeld. Het afsluitende “Coronation Blues” is wat dat betreft exemplarisch. Zonder ook maar één keer de naam Trump te laten vallen verkondigt Romanoff daarin met de tong stevig in de wang geplant zijn mening over de huidige Amerikaanse president.

Andere echte topmomenten op “The Orphan King”: het ingetogen titelnummer, sympathieke eerste single “Without You” en zeker ook de ronduit heerlijke Americana van “Less Broken Now”. Al zouden we hier probleemloos ook een stel andere songs kunnen vernoemen, hoor. Romanoffs nieuwe album kent immers niet echt mindere momenten. En dat hoeft eigenlijk ook absoluut niet te verwonderen, als je leest, wie er zoal allemaal aan meewerkte. Schrijfhulp kreeg onze man zo bijvoorbeeld van Mary Gauthier, Josh Ritter, Crit Harmon en Lisa Drew. En studiobijdragen waren er onder meer van Cindy Cashdollar, Simone en James Felice, Rachael Yamagata, Cindy Mizelle, Kenneth Pattengale van Milk Carton Kids en Larry Campbell en Teresa Williams.

Topplaat!

Ed Romanoff

 

MATTHEWS SOUTHERN COMFORT “Like A Radio” (MIG-Music)

(4****)

Met hun weergaloze cover van Joni Mitchells “Woodstock” scoorden Iain Matthews en zijn maats van Southern Comfort in 1970 een wereldwijde hit. Meteen ook hun enige, want korte tijd later verliet Matthews het schip. Met Plainsong en diverse andere groepen en vooral ook solo toonde hij zich in de jaren daarna bijzonder actief. En in onze platenkast is dan ook zo menig een Matthews-werkstuk terug te vinden. Zo ook “Kind Of New”, het album waarmee hij in 2010 Matthews Southern Comfort nieuw leven inblies. In een andere bezetting als weleer wou hij komaf maken met “some unfinished business”. Iets wat zo goed uitpakte, dat er nu met “Like A Radio” ook al een vervolgstuk is.

Met z’n Nederlandse collega’s Bart Jan Baartmans (diverse gitaren, mandoline, sitar, bouzouki, bas en banjo), Bart de Win (toetsen, accordeon en backing vocals) en Eric Devries (akoestische gitaar en backing vocals) brengt Matthews op die nieuwe in totaal vijftien nummers. Het gros daarvan schreef hij zelf, al dan niet samen met anderen. Tussendoor is er echter ook ruimte voor een stel welgemikte covers. Van het bij het legendarische Canadese folkduo Ian & Sylvia geleende “Darcy Farrow” bijvoorbeeld, van “To Love” van Carole King ook, van Michael Fracasso’s “Right As Rain” en van James Taylors “Something In The Way She Moves”.

De echte krenten in de pap zijn echter vooral een aantal eigen originelen. Openingsnummer “The Thought Police” is er gelijk zo eentje. Dat op beklemmende wijze de confrontatie met het thema geleefd en voortdurend gecontroleerd worden aangaande kleinood is wat ons betreft een echt toppertje. En dat geldt al helemaal voor “The Age Of Desolation”. Dat ook muzikaal aardig desolaat aandoende juweeltje is een onverholen uithaal naar een tijd waarin “nothing seems to matter but that telephone’s vibration”. Een waarschuwing waar we met z’n allen gewoonweg niet omheen kunnen.

Ook héél erg mooi: de zachte folkrocker “Bits And Pieces”, die met name opvalt door zijn oog voor het schrille contrast tussen de drukte van de grote stad en de eigen (ziels)rust. En dan hadden we het nog niet over het misschien wel allermooiste nummer van allemaal. Dat is wat ons betreft zonder ook maar de minste twijfel het op speelse wijze op de daarbij voortdurend vervagende scheidingslijn tussen pop en folk openlijk aan ons aller toekomst twijfelende “Crystals On The Glass”.

Matthews had als u het ons vraagt dik gelijk, toen hij voor z’n Matthews Southern Comfort revival zijn heil zocht in z’n Wahlheimat Nederland. Veel beter gezelschap dan dat van gelijkgestemde geesten Baartmans, de Win en Devries had hij zich daarbij immers niet kunnen wensen. Dat mogen we na twee platen van dit kaliber wel stellen, toch?

Iain Matthews

 

ALL THE LUCK IN THE WORLD “A Blind Arcade” (All The Luck In The World)

(4****)

All The Luck In The World is een drietal bestaande uit de Ierse songwriters Neil Foot, Ben Connolly en Kelvin Barr. Hier vooralsnog nobele onbekenden, maar daarin zal als we mogen afgaan op het op hun tweede album gebodene zeer snel verandering gaan komen. Wat de drie ondertussen vanuit Berlijn actieve heren daarop doen werkt immers zo aanstekelijk dat het haast niet anders kan, of je komt ze er vroeg of laat mee tegen op allerhande grote festivals. En daartoe zullen ze het begrip uit hun groepsnaam heus niet nodig gaan hebben.

Met de vakbekwame bijstand van producer Paul Pilot losten de drie een songelftal waarmee ze binnen korte termijn bij een zeer ruim publiek zouden moeten kunnen scoren. Een beetje zoals Mumford & Sons of de Avett Brothers nog niet eens zo heel erg lang geleden. Ook Foot, Connolly en Barr pakken immers uit met een ogenblikkelijk herkenbaar geluid. Enigszins vernieuwend en verfrissend tegelijk. Heel erg catchy alleszins. Een soort van alternatieve folkhybride met een bij momenten ook aardig hoog popgehalte.

En bovendien ook tekstueel aan de eerder rijke kant met verhalen die beurtelings zowel persoonlijk als een stuk abstracter blijken en door de heren zelf worden omschreven als “een combinatie van ervaringen, empathie en fictie”.

Onze luistertips: de op ingehouden wijze duizelingwekkend mooie hoogten bereikende nieuwe single “Contrails” en het aangenaam vinnige “Landmarks”. Al was het maar omdat die twee liedjes zo’n beetje de uitersten vormen waartussen die van All The Luck In The World zich quasi voortdurend bewegen.

All The Luck In The World

 

TORGEIR WALDEMAR “Jamais Vu” (Jansen Records / PIAS)

(3,5****)

De Noor Torgeir Waldemar is een hier graag geziene gast. En heus niet alleen hier ook. Dat bewijzen onder meer een tiental shows die hij het voorbije jaar in Nederland mocht afwerken. ’s Mans ster is duidelijk rijzende. En dat verdient hij wat ons betreft op basis van zijn twee vorige platen ook wel. Zowel zijn naar zichzelf vernoemde debuut als het vorig jaar verschenen geheel “No Offending Borders” zijn immers ijzersterke songcollecties.

Met “Jamais Vu” lijkt Waldemar nu het ijzer te willen smeden terwijl het nog heet is. Het tegenovergestelde van een déjà-vugevoel wordt met het materiaal erop nagestreefd, aldus de beste man daarover zelf. Het bekende wordt ons op een zodanige manier aangereikt, dat het niet langer als dusdanig meer aanvoelt, dat het iets nieuws of onbekends over zich krijgt. In concreto betekent dat, dat we van ’s mans laatste plaat “No Offending Borders” de liedjes “Sylvia (Southern People)”, “Among The Low” en “Summer In Toulouse” in akoestische versies voorgeschoteld krijgen en dat we het omgekeerde zien gebeuren met een aantal deunen van zijn titelloze eersteling. Daarvan krijgen “Streets” en “Take Me Home” hier en nu een full-blown elektrische benadering mee.

Ruim achtentwintig minuten bezwerende folk en Americana met hoog Neil Young-gehalte zijn het resultaat. Enige opmerking met betrekking tot het gebodene: het had van ons best wel wat meer mogen zijn. Maar dat houden we dan maar tegoed voor een volgende gelegenheid, zeker?

Torgeir Waldemar

 

JOAN BAEZ “Whistle Down The Wind” (Proper Records)

(4****)

Ongelooflijk eigenlijk. Het was echt al van 2008 en van het destijds nog door Steve Earle geproduceerde “Day After Tomorrow” geleden, dat folkicoon Joan Baez nog eens uitpakte met een nieuwe studioplaat. Veel te lang dus. Daarover zijn we het allicht allemaal wel eens. En dus doet het bijzonder veel plezier om Baez weer eens haar ding weten te doen. This time around aan het handje van producer Joe Henry. En ook dat is natuurlijk alleen maar goed nieuws. Wat Henry aanraakt verandert immers doorgaans eensklaps in goud.

Nieuwe songs van de hand van Baez zelf hoeft u op “Whistle Down The Wind” niet te verwachten. Het erop aangeboden tiental bestaat immers uitsluitend uit materiaal van anderen. Voor haar nieuwe plaat gunde Baez zichzelf immers een pleziertje. Ze besloot zomaar om een handvol liedjes van haar eigen favoriete artiesten te coveren. Maar van die taak kweet ze zich wel met brio.

Uit het songbook van Tom Waits en Kathleen Brennan scheurde ze met “Whistle Down The Wind” en “Last Leaf” liefst twee bladzijden, van producer Joe Henry tackelde ze het innemende “Civil War”, van huisfavorietje Josh Ritter zong ze met “Be Of Good Heart” en “Silver Blade” ook al twee nummers in, bij Eliza Gilkyson leende ze “The Great Correction”, bij Anohni “Another World”, bij Zoe Mulford “The President Sang Amazing Grace” en bij Tim Eriksen tot slot haar muzikale hartewens “I Wish The Wars Were All Over”.

Stuk voor stuk sterke liedjes en ook nog eens bijzonder sterk vertolkt. Met een Baez in vocale topvorm en een Henry die er voortdurend op toezag, dat er uiteindelijk ook een samenhangend geheel uit de bus kon komen. En de knappe plaat die “Whistle Down The Wind” echt wel geworden is.

Joan Baez

 

AD VANDERVEEN “Denver Nevada (Still Life)” (Continental Song City)

(5*****)

Aan goede tot zelfs ronduit uitstekende Americana releases vooralsnog geen gebrek in 2018, maar deze schatten we hier toch nog net wat hoger dan de meeste daarvan in. Een nieuwe van Ad Vanderveen, da’s sowieso altijd al een feest, maar deze is in al zijn bescheidenheid niks minder dan hors catégorie. Dit is een singer-songwriter masterclass. Eenvoud verheven tot kunst. Met songs onder meer opgehangen aan inmiddels zo ongeveer tot op het bot afgekloven universele thema’s als eenzaamheid en verlangen, dat wel, maar toch. In de vakbekwame handen van Vanderveen veranderen deze terstond weer in goud. De Midas touch noemen ze zoiets.

Gek, om dezelfde man zich in openingsnummer “Another Song” aan de zijde van collega John Gorka horen af te vragen, of hij ooit nog wel eens een liedje schrijven zal. Wij kunnen het ons amper anders voorstellen, beste Ad! Zeker als ze van dezelfde oorstrelend mooie kwaliteit eruit blijven rollen als dingen als de ingetogen desolate beauty “Big Old Lonely Feeling”, als de ook al bijzonder fraaie, met fijne blazers opgewaardeerde schuifelaar “Backroads Of Hope”, als het op de keper beschouwd met een anagram van de eigen naam als titel gezegende “Denver Nevada”, als het zomers heupwiegende, aan een Canadese zegswijze opgehangen “Wooden Shoes, Wooden Head”, Wouldn’t Listen” of als de berustende ballad “My Sweet, Crushed Angel”. Iets wat je eigenlijk eerder uit de koker van iemand als een Willie Nelson verwachten zou, dat laatste liedje. En dat bedoelen we dan als een serieus compliment.

Voor de productie van deze aanrader van formaat tekende Pete Fisher (ook bas en percussie). Andere erbij betrokkenen waren onder meer Kersten de Ligny (zang en percussie), Rene Kaaij (piano, keyboards, accordeon, conga’s, drums, omnichord en zang, Jim Morrison (viool), Frans Cornelissen (trombone), Wouter van Bemmel (trompet), Linley Hamilton (eveneens trompet) en Rogier van der Erve (drums). Zelf nam Vanderveen naast de zang ook gitaar- en harmonicawerk en wat pianovlijt voor zijn rekening.

Van de vele, vele Ad Vanderveen-platen in ons bezit is deze in no time uitgegroeid tot onze absolute favoriet. Een plaat bestemd voor de eeuwigheid!

Ad Vanderveen

 

PETE ASTOR “One For The Ghost” (Tapete Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

De al wat oudere jongeren onder jullie is de naam Pete Astor allicht niet helemaal vreemd. En al zeker niet als u net als ons ooit helemaal verknocht was aan all things indie. We zeggen en schrijven het midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw toen Astor met zijn groepjes The Loft en vooral ook The Weather Prophets tot de smaakmakers van het bij de incrowd razend populaire Creation Records behoorde. Misschien was hij wel één van uw jeugdhelden, wie weet.

Hoe dan ook, onze vriend Astor is nu al enkele jaren terug van een poosje toch wel een beetje uit de kijker weggeweest. Een remonte ingezet in 2015 toen hij met een ex-student van ‘m begon samen te werken. Met de ons vooral van Veronica Falls bekende James Hoare met name. Diens precieuze gitaarwerk was er mee verantwoordelijk voor, dat Astors vorige, het in 2016 verschenen “Spilt Milk”, op vrijwel unaniem positief uitvallende commentaren kon rekenen. En terecht ook!

Dat Astor ervoor koos om zijn nieuwe worp volledig in het verlengde daarvan te concipiëren is ons inziens dan ook niet verwonderlijk. Never change a winning team wil het spreekwoord immers. En dus is Hoare snarengewijs ook nu weer ‘s mans voornaamste steun en toeverlaat. Voor ritmische bijdragen zorgen daarnaast bassist Franic Rozycki en drummer Jonny Helm, beiden actief bij The Wave Pictures. En wat gezongen hand- en spandiensten zijn er verder ook nog van ex-Black Tambourine Pam Berry.

Tijd was volgens Astor de voornaamste factor bij het tot stand komen van “One For The Ghost”. Toen hij op een avond na het genieten van een glas van zijn favoriete rode wijn besloot om er nog één te drinken “for people and times past” zette hij onwetend de trend. “One for the ghost.” Al snel werd het een gewoonte, later een liedje, nog wat later de titel van een heel album. En daarmee bevinden we ons meteen weer terug in het hier en nu.

Op “One For The Ghost” staan in totaal tien liedjes. En flink wat daarvan vallen onder de noemer tijdloze indie gitaarpop. Van het intelligentere type, that is. Met wel vaker die voor Astor onderhand typerende directe connectie met de Velvet Underground. Met één oog nog op het verleden, maar het andere reeds volop op de toekomst. Nu eens van het eerder ingetogen, noem het voor ons part melancholische soort, dan weer bedaard uitgelaten. Net zoals Reed en co in hun hoogdagen inderdaad.

Onze onverbintelijke luistertips van een eigenlijk in haar geheel hoogst genietbare plaat: de milde, maar o zo catchy gitaarpop van openingsnummer “Walker”, het net wat vinnigere tweetal “Water Tower” en “Golden Boy” en het nadrukkelijk op nerveus richting Rockland meanderende gitaarklanken geënte “You Better Dream”.

Pete Astor

 

THE REVEREND SHAWN AMOS “The Reverend Shawn Amos Breaks It Down” (Put Together Music / CRS)

(4,5*****)

Aandachtige lezers van deze pagina’s herinneren zich ongetwijfeld nog wel onze lofzang aan het adres van The Reverend Shawn Amos naar aanleiding van diens laatste langspeler “The Reverend Shawn Amos Loves You”. Vijf sterren hadden we hier voor die heerlijk gevarieerde plaat over. Die krijgt de beste man ditmaal net niet. Wat echter niet wegneemt, dat ook zijn nieuwe worp weer onwaarschijnlijk goed is.

Negen liedjes serveert de weleerwaarde Shawn ons this time around. En opnieuw blijkt variëren daarbij een behoorlijk vitaal gegeven. Zoveel wordt als snel duidelijk op dit zich meermaals aardig militant opstellende geheel. Zo menig een nummer heeft duidelijk zijn roots in het door Trump gezochte Amerika anno nu. Of toch zijn reasons. Neem nu bijvoorbeeld zoiets als het op muzikaal vlak volop aan Curtis Mayfield, de Staple Singers en de Temptations bij het begin van de seventies refererende “2017”. Da’s niets minder dan een subtiele poging om z’n medemensen een geweten te schoppen met betrekking tot de toekomst (van hun kinderen). En een erg gesmaakte bovendien ook nog eens.

Een ander ontegensprekelijk highlight van “The Reverend Shawn Amos Breaks It Down” is de als de “Freedom Suite” aangeboden drieling “Uncle Tom’s Prayer”, “Does My Life Matter” en “(We’ve Got To) Come Together”. Het eerste een pakkende a-capellavertolking van de gelijknamige traditional, het tweede ongemeen sfeervol broeierig soulspul geïnspireerd door Dylans cover van Bukka White’s “Fixin’ To Die”, het derde ten slotte een na een gospel intro in een catchy funky soulkleinood ontaardend kuitenbijtertje.

En dan hadden we het nog niet over de twee covers op Amos’ nieuwste. Ook die springen vrijwel meteen in het oor. Zeker de eerste van de twee. Daarbij betreft het immers een zo goed als spiernaakte bluesversie van de David Bowie classic “The Jean Genie”, opgenomen in de vermaarde FAME Studios in Muscle Shoals, Alabama, de geboorteplaats van zo menig een onvergetelijke soulklassieker. En over klassiekers gesproken: ook de andere hertaling van Amos valt zeker onder die noemer. Nooit geweten, dat er zoveel gospel- en soulbloed verscholen zat in Nick Lowe’s “(What’s So Funny About) Peace, Love And Understanding”.

Samen met het groovy “Moved”, het ook al lekker funky neergelegde “Hold Hands” en de zwierige pop blues van “Ain’t Gonna Name Names” goed voor alles samen net geen negenentwintig minuten blues & soul van de bovenste plank! Doe er vooral je voordeel mee!

The Reverend Shawn Amos

 

DARLING WEST “While I Was Asleep” (Jansen Records / PIAS)

(3,5****)

Hoe hard het soms kan gaan in een nog prille artiestencarrière ervoeren de drie van het Noorse Darling West kort na het verschijnen van hun tweede album “Vinyl And A Heartache”. Niet enkel haalden ze met hun muziek eensklaps de Amerikaanse country charts, ze zijn ondertussen ook optredens op gerenommeerde festivals als SXSW in Austin, Folk Alliance in Kansas City, het Americana Fest in Nashville en Eurosonic dichter bij huis in het Nederlandse Groningen wijzer, mochten mee op tournee met Sam Outlaw, traden op als support act voor Lucinda Williams en kunnen tussentijds bogen op meer dan 30 miljoen beluisteringen via Spotify. Niet niks dus.

En dat vroeg dan ook om bevestiging. En als het even kon zo snel mogelijk ook. Vandaar nu “While I Was Asleep”. Een derde langspeler die in grote lijnen volledig in het verlengde van zijn voorganger ligt. Net als die schijf bevat ook de nieuwe worp van Darling West voornamelijk rete-catchy, volop op de fraaie samenzang van alle betrokkenen leunende liedjes, die hun roots hebben in respectievelijk Americana, country en folk, met her en der een poppy randje – het moet tenslotte ook hier verkopen, hè, denk bijvoorbeeld ook First Aid Kit!

Feit is, dat je muziekjes zoals die van Darling West ook hier aan bijdehante radiojongens kwijt zou moeten kunnen. En wie weet wat er dan nog allemaal zit aan te komen. Commercieel succes zou zomaar eens kunnen! En eigenlijk best wel mogen ook! Dingen als de door een catchy mondharmonicaatje ingeleide moderne old-time Americana van “After My Time”, het bezwerende “Rolling On”, de knappe pianoballade “Ballad Of An Outlaw” en vele andere rechtvaardigen het wat ons betreft alleszins.

Mooie plaat!

Darling West

 

BEN MILLER BAND “Choke Cherry Tree” (New West Records / PIAS)

(4,5*****)

Sinds “Any Way, Shape Or Form” van inmiddels iets meer dan drie jaar geleden zijn wij hier onvoorwaardelijke fans van de Ben Miller Band. En op een nieuwe worp van het tussentijds tot een viertal aangedikte trio uit Joplin, Missouri was het dan ook met hangende pootjes wachten. Tot nu dus. Met “Choke Cherry Tree” verscheen zopas immers de derde van markante kop Miller en de zijnen.

En opnieuw is dat een geheel om vingers en duimen bij af te likken geworden. Een plaat die je elf nummers lang werkelijk alle hoeken van de ring laat zien. Gevarieerder dan ooit bovendien. Afgetrapt wordt er zo bijvoorbeeld met het voor het combo al bij al eerder atypisch te noemen rustige Americana-deuntje “Nothing Gets Me Down”. Meteen ook een eerste hoogtepunt wat ons betreft. En daarvan volgen er al snel nog flink wat meer. We noemen zo bijvoorbeeld al de aanstekelijke boogiehybride “Akira Kurosawa”, de als een gemeen hoogzomers dondersalvo over je neerdalende bluesrocker “One More Time” en het daar heerlijk rammelend op aansluitende “Big Boy”, dat louter ritmegewijs in de leen lijkt te zijn gegaan bij de één of andere field holler van weleer. Het catchy “Trapeze” is er vervolgens op zijn beurt dan weer het levende bewijs van, dat overgoten met een spicy cajunsausje zo ongeveer alles beter gaat smaken. Ook heel erg knap: de vanuit een hoekje van de één of andere bar ergens diep in het Amerikaanse Zuiden op ons losgelaten pianoballade “Lighthouse”, het door Miller en zijn secondante Rachel Ammons samen gepende en ook gebrachte en volop van de ingehouden spanning erin levende “Redwing Blackbird” en het lekker funky uit de kast komende “Life Of Crime”. Ach, eigenlijk gewoon alles hier.

Een plaat als deze doet je nu al volop uitkijken naar de eerstvolgende doortocht van Miller en de zijnen doorheen ons land. Ambiance sowieso verzekerd!

Ben Miller Band

 

KACY & CLAYTON “The Siren’s Song” (New West Records / PIAS)

(5*****)

“The Siren’s Song”, het nieuwe album van het vanuit het Canadese Saskatchewan actieve duo Kacy & Clayton, is het soort van plaat dat je het liefst van al zo snel mogelijk met al wie je lief is wil delen. Veel mooier dan dit worden ze immers maar amper nog gemaakt. Het juiste woord ervoor is betoverend. Tot de nok toe gevuld met liedjes die zoals de gezangen van de sirene uit de titel ervan alleen maar voorbestemd lijken om je op hun klippen te laten lopen.

Voor de productie van “The Siren’s Song” tekende Wilco’s Jeff Tweedy. En het was ook op zijn uitnodiging dat het duo Anderson en Linthicum afzakte naar The Loft, de studio van die groep in Chicago, voor het inblikken van z’n intussen vierde album, de opvolger van het hier ook al uitgebreid bejubelde “Strange Country” van zo’n twee jaar geleden. Een samenwerking die het tweetal bepaald geen windeieren heeft gelegd, als je het mij vraagt. Aan de vaste hand van Tweedy wagen de twee jonge Canadezen zich hier immers meer dan eens op voor hen nog onontgonnen terrein. Niet langer zijn het enkel en alleen de engelenzang en het daar amper voor onder doende vioolwerk van Kacy, de kleine gitaarwondertjes van neefje Clayton en vooral ook hun harmonieerwerk die stilletjes om aandacht schreeuwen. Tweedy zorgde er immers voor, dat er regelmatig werd geopteerd voor een full-band approach. En precies dat gegeven maakt, dat de liedjes van Anderson en Linthicum hier nog beter tot hun recht komen. En wat meer is: op die manier ontlopen de twee ook de zich in de verte al nopvallend aandienende valkuilen van gewenning. Twee vliegen in één klap dus.

Wat betreft de muzikale invulling van “The Siren’s Song” denk ik te mogen stellen, dat de focus als vanouds vooral op folk en country is komen te liggen. Met een lichte voorkeur voor het eerste genre, met verwijzingen naar zowel het rijke Britse folkverleden als naar de evenmin te onderschatten scène in hun eigen land. En met zo nu en dan een uitschietertje richting roots pop en rock als extra pigment. En als lichtvoetig tegengewicht meteen ook voor de niet zelden eerder zwaar aandoende thema’s van de gebrachte liedjes.

Benieuwd, of ik dit jaar nog een mooier liedje dan het me in al zijn intensiteit volop aan wijlen Sandy Denny herinnerende “A Certain Kind Of Memory” te horen zal gaan krijgen! Het zou me alvast heel erg verbazen…

Kacy & Clayton

 

KEVIN MEISEL “Bring It To Light: Unreleased Demos And Songs, 2005-2017” (Brambus Records)

(3,5****)

De titel en ondertitel van het geheel zeggen in dit geval hoegenaamd alles. “Bring It To Light” is inderdaad een zeer geslaagd te noemen poging om wat op de plank liggen gebleven materiaal van de Amerikaanse songsmid Kevin Meisel van onder het stof vandaan te halen en aan het daglicht toe te vertrouwen. En het betreft daarbij inderdaad allemaal liedjes die ontstonden ergens tussen 2005 en 2017. Demo’s, maar ook wat meer uitgewerkt spul. Zo goed als compleet akoestisch gehouden en minimaal opgesmukt. Spul voor getrainde oren dus. Voor echte fijnproevers. Voor mensen die houden van een goed verhaal Americana style op z’n tijd. Al mag voor heel wat nummers hier net zo goed de noemer folk uit de kast.

In totaal zeventien nummers worden ons geserveerd. Twee daarvan, met name het afsluitende duo “Black Potatoes” en “I Can’t Let Her Go”, zijn ook echt nieuw. De overige vijftien viste Meisel van tussen het kaf van eerdere albums “Country Lines”, “Cruising For Paradise” en “Black Orchard Songs” vandaan. Al klinkt dat bij nader inzicht veel oneerbiediger dan het eigenlijk bedoeld is. Daarvoor zijn zelfs de liggenblijvertjes van de beste man immers veel en veel te goed.

Ons herinnerde hij hier bij momenten afwisselend aan de jonge Steve Earle en aan Bob Dylan. Iets waaraan ook zijn hese stem wel niet helemaal vreemd zal zijn. Al zijn het toch vooral zijn veelal door zoekenden bevolkte liedjes die dat effect op ons hadden, hoor. Het verlangen en de bijhorende queeste naar een zinvol leven lijken daarin zowat als een rode draad te kunnen fungeren.

Kevin Meisel

 

RICK SHEA & THE LOSIN’ KIND “The Town Where I Live” (Tres Pescadores Records)

(4,5*****)

In de States verscheen dit album al zo’n vijf maanden geleden en nu is het eindelijk ook de beurt aan Europa. Eindelijk, omdat Rick Shea wat ons betreft steeds meer uitgroeit tot één van de interessantste singer-songwriters van het huidige Americana-lot. Op zijn ondertussen tiende soloplaat klinkt de beste man als de zo ongeveer ideale kruising tussen Dave Alvin en wijlen Merle Haggard. En dat zowel als storyteller als als zanger. Met beide heren deelt Shea een markante, ogenblikkelijk herkenbare, warme stem, gemaakt als het ware om al zingend verhalen aan de man te brengen. Z’n pen anderzijds verraadt nadrukkelijk zijn Californische muzikale achtergrond.

In het gezelschap van zijn vaste begeleiders van The Losin’ Kind en her en der bijkomend bijgestaan door schoon volk als een Cindy Wasserman, een Claire Holley en een Shawn Nourse trakteert Shea ons op “The Town Where I Live” op negen eigen nieuwe songs en een prima cover van Cowboy Jack Clements “Guess Things Happen That Way”. Deunen die op intelligente wijze heen en weer laveren tussen genres als country, folk, blues en rock. American music dus, om er de door fan voor het leven Dave Alvin ten tijde van de Blasters graag voor gebruikte term even op te plakken. Met nogal wat momentjes die ook na meerdere beluisteringen blijven hangen.

We noemen hier in dat verband bijvoorbeeld graag de met Claire Holley gedeelde knappe Americana ballad “The Angel Mary And The Rounder Jim” en de werkelijk excellente border style country van “The Town Where I Live”, maar evenzeer andere dingen als het ons een beetje aan iets van Tom Russell herinnerende openingsnummer “Goodbye Alberta”, het moody, met name verhalend erg sterk uit de hoek komende “The Road To Jericho” en het groovy wegrockende “Hold On Jake”.

Rick Shea

 

BETH NIELSEN CHAPMAN “Hearts Of Glass” (BNC Records / Proper Records)

(4****)

“Hearts Of Glass”, het nieuwe album van de echt al jaren meegaande Amerikaanse Beth Nielsen Chapman, is een bont allegaartje aan speciaal voor de gelegenheid gepende verse nummers en herinterpretaties van eerder spul, al dan niet door haarzelf elders al eens gebracht. In een productie van Sam Ashworth wordt daarbij hier en nu meer dan voorheen de gitaar een hoofdrolspeler. Die vervangt als het ware de piano.

Onder het motto “minder is meer” worden zo onder andere dingen als “Rage On Rage”, “Dancer To The Drum” en “Child Again” heruitgevonden. Maar bijvoorbeeld ook nog “Old Church Hymns & Nursery Rhymes”, een nummer dat u zich misschien nog wel herinnert in de uitvoering van wijlen Waylon Jennings als afsluiter van zijn album “The Eagle” uit 1990. Nielsen Chapman maakt er hier iets heel moois van. Net als van “If My World Didn’t Have You” trouwens. Dat in de versie van die andere outlaw Willie Nelson op zijn ook al uit 1990 stammende langspeler “A Horse Called Music” al een stevige indruk op ons makende liedje rekenen wij hier graag ook tot de hoogtepunten van “Hearts Of Glass”.

Van de echt nieuwe dingen op het album deden vooral het beklijvende “Epitaph For Love”, het zich in al zijn aanstekelijkheid vrijwel meteen knus tussen de oren nestelende “Enough For Me” en het tijdens een sessie in Engeland samen met Graham Gouldman en Kevin Montgomery gepende “Come To Mine” zich opmerken.

Schrijf maar op: “Hearts Of Glass” is ontegensprekelijk Beth Nielsen Chapmans beste plaat tot op heden. De nu ingeslagen koers vooral blijven aanhouden dus maar! Zou wel eens een gouden zet kunnen gaan blijken.

Beth Nielsen Chapman

 

MARK “PORKCHOP” HOLDER “Death And The Blues” (Alive Natural Sound Records / V2)

(4****)

Mark “Porkchop” Holder gaat echt al wel een hele poos mee. Jaren geleden al maakte hij mee het mooie weer bij het aan het bluesgenre een serieuze injectie nieuw leven toedienende punkbluesgezelschap Black Diamond Heavies. Het was in die dagen ook, dat hij de basis legde voor zijn elkaar anno nu wel erg vlotjes opvolgende soloplaten. Nauwelijks negen maanden na zijn debuut “Let It Slide” pakt Holder (leadzang, gitaar en harmonica) samen met zijn maats Travis Kilgore (bas, akoestische gitaar en backing vocals) en Doug Bales (drums, percussie en backing vocals) al met een nieuwe worp uit. En ook die heeft het weer helemaal in zich, is er boenk op.

“Blues is the music of poor people, and poor people live closer to death than other people do,” aldus Holder zelf over de titeltrack en de inhoudelijke kant ervan. “The message of the title track is simple: death and blues are real. I have a personnal connection with the symbols of death; they remind me not to waste my time.” En met name die laatste woorden blijven nog wel even nazinderen. Zijn tijd verdoen is immers wel het allerlaatste wat Holder op “Death And The Blues” doet. Gelijk vanaf openingsnummer “Captain Captain” houdt hij de blues weer in een wurggreep. Van een vliegende start gesproken! Dit is bluesrocken bij de beesten af! Wow! En dat tempo wordt nog wel even aangehouden! In de heerlijk strak gebrachte Junior Kimbrough-cover “Sad Days And Lonely Nights” bijvoorbeeld en in het volop van heerlijk moddervet slidewerk profiterende “Coffin Lid” zeker ook. Via meer van dattum in het omineuze “Big Boat” belanden we daarna bij “Nobody Wants To Cry”, een tweede, old-time style gebrachte adaptatie van materiaal van een ander, met name van “Everybody Wants To Go To Heaven” van Don Nix.

“Be Righteous” lijkt daarna enkele tellen lang voor een eerste rustpuntje te zullen mogen doorgaan. Maar die illusie spat al snel uiteen.  Na z’n intro rockt het immers al snel minstens even genadeloos als het gros van zijn voorgangers hier. En volgen dan nog: de ongemeen sfeervolle korte instrumental “Bless Me Santasima”, een wervelende boogievertolking van de traditional “Billy The KId”, een aan zijn Black Diamond Heavies-maatje James Leg gewijde en ook naar die laatste vernoemde kuitenbijter van formaat, een qua intensiteit bijna Hendrixiaans aandoende rocker (“What Is Wrong With Your Mind”) en het afsluitende “Death And The Blues”, waarover we het hier hoger al even hadden.

Mark “Porkchop” Holder (Alive Natural Sound Records)

 

BUFFALO KILLERS “Alive And Well In Ohio” (Alive Natural Sound Records / V2)

(3,5****)

In tegenstelling tot wat de titel ervan je zou durven te laten denken is “Alive And Well In Ohio” geen concertregistratie van Buffalo Killers. Het betreft gewoon de achtste plaat die de heren sinds hun debuut in 2006 nu al op de wereld loslaten. En dat is een hele goede ook. Ingeblikt in hun eigen analoge studio en vooral ook aan hun eigen tempo. Zonder druk van buitenaf en dat hoor je eraan ook. Het is immers een heerlijk relaxed klinkend geheel geworden.

Als vanouds etaleren de Gabbard-broers en co daarop hun nadrukkelijke voorliefde voor stevig in de sixties en seventies verankerd zittende gitaarrock. Zonder zich daarom te laten vastpinnen op één enkel genre trouwens, want ook invloeden uit bijvoorbeeld power pop, Southern rock, blues en country laten zich en passant probleemloos aanwijzen. Luister wat dat betreft bijvoorbeeld al maar eens naar openingsnummer “Death Magic Cookie”, het op een vreemde manier catchy uit de hoek komende “What A Waste” of “Eastern Tiger” en je zal allicht meteen op dezelfde golflengte komen te zitten als ons.

Voor de teksten van de songs op “Alive And Well In Ohio” lieten de Gabbard-broers zich onder meer inspireren door het leven zelf, hun familie, hun verlangens en de liefde. Muzikaal gezien leken onder meer Cream, de Beatles, Crazy Horse, Buffalo Sprigfield en Grateful Dead mee bepalend voor het op deze wijze tot stand komen van hun materiaal. En dat maakt, dat we van hieruit hun nieuwe worp graag durven aan te bevelen aan liefhebbers van hippe acts als de Black Keys, North Mississippi Allstars en Rich Robinson. De dertien liedjes erop zouden wel eens spek naar hun bek kunnen zijn.

Buffalo Killers (Alive Natural Sound Records)

 

BILLY & BLOOMFISH “Happy Incomplete” (Lie Records / Donor Productions / Sonic Rendezvous)

(4****)

Kathleen Vandenhoudt en Pascale Michiels oftewel Billy & Bloomfish verrassen erg vroeg op het jaar reeds met wat straks best wel eens de allerbeste Belgische roots release van 2018 zou kunnen gaan blijken. Met de opvolger van “Ridin’ The Rods” scoren ze wat ons betreft alvast een heuse muzikale homerun. Wat een heerlijke Americanaplaat alweer, zeg! Zo menig een Amerikaanse tegenvoeter zou bij het horen hiervan deemoedig het hoofd buigen. En terecht ook!

Aan variatie hoegenaamd geen gebrek op deze grotendeels met eigen songmateriaal gevulde tweede van het duo. Muzikale mood swings die nergens storend werken overigens. Er komt integendeel net iets heel moois uit voort. Volop aan het singer-songwriterspul van grote madammen als een Lucinda Williams, een Mary Gauthier en een Mary Chapin Carpenter refererend als in “Crack In The Wall”, mikkend op een border sound à la Tom Russell in titelnummer “Happy Incomplete”, broeierig Zuiders soulvol in het niet weinig aan het materiaal van de iets verderop met “Out Of The Rain” ook effectief gecoverde Tony Joe White herinnerende “Sad-Eyed Woman”, absoluut haciendafähig met de met veel gevoel gebrachte ballad “Broken Man”, bedaard bluesy in “The Brighter Side”, uitgelaten old-timey in het nog heerlijk traditionalistisch opgevatte “Sing Bluebird Sing” of gewoon Americana tout court in de alweer bloedmooie trage “Just A Smile”, het kan hier in één vlotte beweging allemaal.

De laatste rechte lijn van “Happy Incomplete” wordt vervolgens ingezet met het door Marion Oprel van lyrics voorziene “Mulberry Mine” om via de door het gedicht “Zo Stil” van Paul Cox geïnspireerde sleper “So Quiet” – Naar onze bescheiden mening hét absolute hoogtepunt van deze nieuwe van Vandenhoudt en Michiels! – finaal uit te komen bij het zomers frivole “Warriors Of The Rainbow” en de hoger al even aangekaarte Tony Joe White-vertolking “Out Of The Rain”.

Nadrukkelijk iets voor op fraaie samenzang kickende Americanaliefhebbers, dit uitermate warmbloedige geheel! Van ganser harte aanbevolen van hieruit alleszins!

Billy And Bloomfish

 

DAYNA KURTZ WITH ROBERT MACHE “Here Vol. 2” (Kismet Records / Lucky Dice Music)

(4,5*****)

Ondertussen een klein jaar geleden verraste Dayna Kurtz vriend en vijand met wat als we de titel ervan geloven mochten het eerste uit een reeks live-albums zou gaan blijken. Het met haar vaste snarensecondant Robert Maché op diverse locaties in Nederland ingeblikte “Here Vol. 1” was naar onze bescheiden mening een echt plaatje van een plaat. Een fantastisch souvenir aan een rondje briljante optredens waarbij Kurtz en Maché tegen een tot het absoluut noodzakelijke herleid decorum hun weg zochten doorheen zo ongeveer het volledige repertoire van de zingende liedjesschrijfster. Zo menig een echte parel was het resultaat van die aanpak. Die stem! Kippenvel gegarandeerd gewoon. Daarvoor werd ooit de omschrijving “een stem als een klok” uitgevonden! En de manier waarop Maché op tal van snareninstrumenten zorgde voor een even vlekkeloze als essentiële begeleiding deed daarvoor al amper onder. Werkelijk boedmooi was het, hoe de twee elkaar op het podium voortdurend wisten aan te vullen. “Van een ongekende intimistische intensiteit, echt druipend van de passie”, schreven we hier toen al. En die woorden herhalen we nu graag nog eens voor opvolger “Here Vol. 2”.

Ook dat album blijkt immers weer goed voor ruim tweeënveertig minuten luisterplezier van de bovenste plank. Opnieuw voel je je na het beluisteren van de acht liedjes erop geroepen om spoorslags op zoek te gaan naar de concertagenda van Kurtz en Maché. Bij een volgende gelegenheid wil je er immers absoluut ook zelf bij zijn. Zó knap is het allemaal, wat de twee brengen. Van een verbluffend mooie lezing van haar signature song “Another Black Feather” over het bezwerende “Somebody Leave A Light On” en het van de passie overlopende “You’re Not What I Need (But You’re All That I Want)” tot andere al wat oudere dingen als “Monroe” en “Venezuela”, het is is er telkens opnieuw boenk op. En dat geldt al evenzeer voor de twee covers waaraan Kurtz zich waagt. Het ons eerder vooral in de uitvoering van Johnny Adams bekende “Reconsider Me” en de Waits-Brennan-compostie “Talking At The Same Time” eigent ze zich echt wel met verve toe.

Een echt thing of beauty, dit album, en als dusdanig a joy for ever, om het met de beroemde woorden van dichter John Keats samen te vatten. Meer dan goed genoeg alleszins om nu al de nodige ruimte te voorzien voor een bezoekje aan één van de volgende Kurtz-Maché-gigs in ons land. Daarvoor kan je begin maart terecht in respectievelijk Bree (CC De Breughel, 01-03), Wetteren (Kultuurschuur, 03-03) en Wilrijk (De Kern, 04-03).

Dayna Kurtz, Lucky Dice Music

 

LILLY HIATT “Trinity Lane” (New West Records / PIAS)

(4****)

Hoe goed ze ooit ook worden zal, ze zal allicht altijd wel een beetje de dochter van blijven zeker? Dat hoort er nu eenmaal bij, als je op de wereld wordt gezet door bekende ouders. Da’s voor Lilly Hiatt niet anders dan voor anderen. Een album van haar bespreken zonder even naar de bloedband met vader John te verwijzen lijkt a priori bijna uitgesloten. Al hebben de twee louter muzikaal gezien eigenlijk maar weinig met elkaar te maken. Lilly heeft er immers altijd al voor gekozen om haar eigen weg te bewandelen. Iets wat an sich al lovenswaardig is. En op termijn meestal ook wel veel lonender blijkt.

Het naar haar thuishaven in East Nashville vernoemde “Trinity Lane” is inmiddels al het derde album van La Hiatt. En het is ontegensprekelijk ook haar beste so far. Een plaat, die je de voorbije weken terecht al in heel wat Americana-jaarlijstjes zag opduiken. In een productie van Michael Trent van Shovels & Rope presenteert Hiatt ons this time around twaalf liedjes handelend over “hanging on, working hard and keeping the faith”. Liedjes waarvoor lang niet altijd het eerste lid roots voor rock dient te worden geplaatst. Meer dan eens mogen we het ditmaal hebben over gewoon rocken. En liefst van al met een wat alternatief randje dan nog. Wat scherper, zeg maar. Met zo nu en dan ook ruimte voor iets tragers. Een heel knap voorbeeld daarvan is het vurige “Everything I Had”, waarin Hiatt nadrukkelijk een stukgelopen relatie van zich af zingt. Voor ons meteen ook één van dé absolute hoogtepunten van “Trinity Lane”.

Tot dat selecte kransje rekenen we verder zeker ook nog het qua aanpak nogal zwaar naar de nineties lonkende “The Night David Bowie Died”, het lekker wegrockende titelnummer, het op innemende wijze op haar relatie met haar pa na de zelfmoord van haar moeder ingaande “Imposter” en het ons op de één of andere manier terloops best wel wat aan Tom Petty herinnerende “Rotterdam”.

Überhaupt een bijzonder knap geheel, dit songtwaalftal! Veel opener en eerlijker kom je ze alleszins niet vaak meer tegen.

 Lilly Hiatt

 

ALICE DIMICELE “One With The Tide” (Alice Otter Music)

(3,5****)

De eerste weken van een nieuw jaar houden steevast al enkele uitstekende singer-songwriterplaten in petto en da’s ook dit jaar weer niet anders. Dat zal je de eerstkomende dagen nog uitgebreid gaan merken. Eerder hadden we het hier al over de prachtige nieuwe worp van Mary Gauthier en het al even verbluffend knappe “Fear Not” van Cameron Blake, vandaag is het de beurt aan “One With The Tide” van Alice DiMicele. En ook dat is een erg knap album.

“One With The Tide” is al de veertiende langspeler van de vanuit Medford, Oregon al een poosje om onze aandacht bedelende muzikale activiste. DiMicele blijft ook op die opvolger van het hier in mei van 2015 op de nodige bijval onthaalde “Swim” trouw aan haar missie. Ze kiest ervoor om muziek te maken waarmee ze mensen kan verbinden. Ze hoopt er zieltjes mee te winnen in haar persoonlijke kruistocht om de wereld te redden. Dat klinkt misschien nogal zwaar op de hand allemaal, maar zo voelt het bij nader inzicht gelukkig niet aan.

Als haar voornaamste bondgenoot mag DiMicele daarbij haar eigen heerlijk expressieve stem beschouwen. Zelfs als ze gewoon de in haar zakagenda opgetekende afspraken zou inzingen zou dat waarschijnlijk als hemelse muziek in de oren klinken. Maar dat doet ze hier gelukkig niet. Met op de cover ervan de meteen in het oog springende slogan “We are the voice of the water!” trakteert ze ons op “One With The Tide” om te beginnen op een achttal eigen nieuwe songs, die gelijk vanaf een eerste beluistering ervan opvallen door hun diversiteit. Het moge duidelijk zijn, dat DiMicele graagt stoeit met stijlen. En dat vaak zelfs binnen de contouren van één en hetzelfde liedje. Van pop (titelnummer “One With The Tide”) over folk (“The Other Side”) tot jazz (de knappe pianoballade “Nature Reigns”), R&B (de geweldige sleper “Lonely Alone” en het broeierige “Desire”) en blues (“Voice Of The Water”). Altijd wel met een zeker Americana-randje (“Seeds”). Een enkele keer zelfs voorzichtig exotisch (“Waiting”). Afsluiten doet DiMicele met een cover van één van haar eigen all-time favorites, te weten John Lennons klassieker “Imagine”. Thematisch gezien uiteraard perfect aansluitend bij het gedachtengoed van de Amerikaanse en al bij al best wel mooi gebracht ook. Al zullen velen naar goede gewoonte het origineel wel weer beter blijven vinden. (Hun volste recht ook natuurlijk…)

Alice DiMicele

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home