CD-recensies september 2017

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

WALTER SALAS-HUMARA “Work: Part Two” - HT ROBERTS “Stalemate Days” - SETH WALKER “Gotta Get Back” - MATT PATERSHUK “Same As I Ever Have Been” - THE REMEDY CLUB “Lovers, Legends & Lost Causes” - LUKE TUCHSCHERER “Always Be True” - JOLIE HOLLAND & SAMANTHA PARTON “Wildflower Blues” - PETER BRUNTNELL “Nos Da Comrade” - THE WYNNTOWN MARSHALS “After All These Years” - BOB BRADSHAW “American Echoes” - JESSE TERRY “Stargazer” - CIARA SIDINE “Unbroken Line” - GREGG STEWART “TwentySixteen” - RED HERRING “Here To Distract You” - TOM RUSSELL “Folk Hotel” - PAUL BRADY “Unfinished Business” - MARTIN SIMPSON “Trails & Tribulations” - CHRIS BLEVINS “Better Than Alone” - TIP JAR “Gemstone Road” - SUSAN CATTANEO “The Hammer & The Heart” - DUANE FORREST “The Climb” - RON POPE “Work” - VIPER CENTRAL “The Spirit Of God & Madness” - STEVE MAYONE “Sideways Rain” - ED DUPAS “Tennessee Night” - DOUG MACLEOD “Break The Chain” - TROND SVENDSEN & TUXEDO “Palomino Hotel” - RICHARD THOMPSON “Acoustic Classics II” - DOWN HARRISON “Possessed” - SLAID CLEAVES “Ghost On The Car Radio” - THE BRANDOS “Los Brandos” - THE PALADINS “New World” - DANIEL ROMANO “Modern Pressure” - GOSPELBEACH “Another Summer Of Love” - JUSTIN TOWNES EARLE “Kids In The Street” - HARPER’S WEEKLY “Morning Comes” - CLARENCE BUCARO “Tableau” - MIKE YOUNGER “Little Folks Like You And Me” - CURSE OF LONO “Severed” - JEFF FINLIN “The Guru In The Girl”

 

WALTER SALAS-HUMARA “Work: Part Two” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Artiesten die een flink eind ver in hun carrière plots aan de slag gaan met herinterpretaties van hun eigen materiaal, meestal duidt het op niet veel goeds. Vaak is het niks meer dan een goedkope manier om een creatieve impasse te camoufleren. Het niet willen toegeven dat men droogstaat. Dat er geen volwaardig nieuw materiaal meer komen wil. Maar dat is gelukkig niet het geval bij Walter Salas-Humara. Zowel met The Silos als solo deed hij de voorbije jaren nog geregeld van zich spreken. Met als voorlopig laatste wapenfeit tot voor kort het vorig jaar verschenen “Explodes And Disappears”.

Kort voor die plaat had Salas-Humara ons ook al “Work: Part One” geschonken. Daarop ging hij creatief aan de slag met eigen al wat ouder materiaal. Veel Silos-spul vooral. En dat doet hij nu nog eens dunnetjes over. De aanduiding “Part One” had het eigenlijk al een beetje aangekondigd: er was nog meer op komst. En ook ditmaal weer focust onze man daarop vooral op Silos-materiaal. Uit de periode 1985-1994 met name. Tien liedjes krijgen op dit nieuwe deel een wat eigentijdsere akoestische Americana sound mee. En net als eerder al bevalt die aanpak ook nu weer bijzonder goed. Met dank daarvoor onder meer ook aan producer Rich Brotherton.

Dit zijn de tien Silos classics die we hier herwerkt krijgen voorgeschoteld: “Find A Way”, “A Few Hundred Thank You’s”, “My Big Car”, “The Only Story I Tell”, “All Falls Away”, “The Sounds Next Door”, “Here’s To You”, “Start The Clock”, “Picture Of Helen” en “Miles Away”.

Walter Salas-Humara

 

HT ROBERTS “Stalemate Days” (Lie Records / Donor / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Toen HT Roberts twee jaar geleden “Old Light” op ons losliet, wisten we hier met onze woorden van bewondering compleet geen blijf meer. ’s Mans met zijn maatje Bruno Deneckere ingeblikte tiende was een schoolvoorbeeld bij de stelling dat minder vaak juist zoveel meer is. Met enkel Roberts op gitaar of banjo en Deneckere op een tweede gitaar en als tweede stem groeide dat album uit tot wat wij het voorlopige chef-d’oeuvre van de Vlaming noemden. Het voorlopige. Wisten wij toen veel, dat dat ene woordje op korte termijn zoveel verschil zou kunnen uitmaken. Dat er misschien toch nog wat beters inzat.

Feit is, dat we met “Stalemate Days” eigenlijk gewoon op onze wenken bediend worden. Never change a winning team wil het gezegde immers en dat deed HT Roberts dan ook niet. Hij serveert ons meer van wat ze zo graag hadden. Zelf doet hij het daarbij ditmaal op gitaar, banjo, mandoline, harmonica en dulcimer. Bruno Deneckere is opnieuw van de partij als tweede stem en tweede gitarist en Nils De Caster een enkele keer op de viool, in “Dripping Into Flood” meer bepaald.

Het resultaat is een andermaal verbluffend mooi album. Veelal eerder herfstig van ondertoon. Muzikaal sepia. Een novemberplaat, mogen we dat zeggen? Nu al klassiek, ergens tussen folk en Americana. Met opnieuw Townes Van Zandt en Guy Clark als wellicht belangrijkste referentiepunten, maar ditmaal zeker ook populaire folkies als Leonard Cohen en Nick Drake. Toevalligerwijze allemaal knapen met ondertussen het woordje wijlen voor hun namen. Maar Roberts hebben we gelukkig nog wel. Hij streelt hier ruim achtenveertig minuten lang onze zinnen. Elf nummers lang regeert daarbij uitsluitend eenvoud. Zo laat Roberts naar eigen zeggen ruimte voor verbeelding. Onze verbeelding. Zo nodigt hij ons uit deelachtig te worden aan zijn poëtisch verwoorde gedachten. Om erin mee te gaan. En dat doen we natuurlijk met veel plezier.

HT Roberts

 

SETH WALKER “Gotta Get Back” (The Royal Potato Family)

(4****)

Eén enkel nummer. Veel meer was er eigenlijk niet nodig om ons de muzikale golflengte van Seth Walker te krijgen. De catchy funky roots pop van openingsnummer “High Time” volstond daartoe al ruimschoots. En dan moest er nog zoveel moois komen.

Het met een ons best wel wat aan het spel van Tom Waits-sidekick Marc Ribot herinnerend gitaartje gelardeerde soulvolle swampy opdondertje “Fire In The Belly” bijvoorbeeld al, de met Oliver Wood van de lichtjes geweldige Wood Brothers gepende gospeldeun “Back Around” ook, de ook al van de soul bulkende trage “Call My Name”, het met flink wat zomers popgevoel onderbouwde “Movin’ On”, het louter muzikaal gezien op even aanstekelijke als ongegeneerde wijze naar ’s mans woonplaats New Orleans verwijzende “Way Past Midnight”, het akoestische bluesje “Home Again” en nog een goed handjevol anderen.

Wat ons betreft dan ook nadrukkelijk te bestempelen als een aanradertje, deze nieuwe van de in het voorjaar van 2018 ook naar Europa afzakkende Seth Walker. Hoeft op het snijvlak tussen genres als pop, R&B, blues, gospel, folk en Americana echt niemand te vrezen. Een heerlijk soulvolle stem, vrijwel voortdurend inventief over de snaren glijdende vingers, een getraind handje in het schrijven van topsongs en de smaakvolle productie van Jano Rix van opnieuw de Wood Brothers deden het hem voor ons. Voor jou ook?

Seth Walker

 

MATT PATERSHUK “Same As I Ever Have Been” (Black Hen Music)

(4,5*****)

U houdt van gruizige stemmen, catchy songs, de middelmaat flink overstijgende teksten? Dan zit u bij de Canadees Matt Patershuk goed. Wij leerden de beste man kennen naar aanleiding van zijn vorige release, het begin vorig jaar verschenen “I Was So Fond Of You” en waren meteen verkocht. John Prine, Guy Clark, Slaid Cleaves, Rod Picott, Townes Van Zandt, het waren allemaal namen die bij het beluisteren van Patershuks tweede spontaan door ons hoofd flitsten. Een fluks inhaalmanoeuvre drong zich dan ook op. Het nog als Matt Patershuk & The Dirty Plaid Orchestra op de wereld losgelaten “Outside The Lights Of Town” uit 2013 moesten we ook hebben. En ook die plaat bleek er vol op. Wat maakte dat we hier ook echt uitkeken naar nummer drie. En die is er nu.

“Same As I Ever Have Been” heet het schijfje. Met als een soort van ondertitel op de foto op het hoesje ervan “Songs For Regretful Brutes And Sentimental Drunkards”. Twaalf andermaal door zijn landgenoot Steve Dawson geproduceerde songschoonheden, ingeblikt in Vancouver, in de om zijn goede akoestiek geroemde Warehouse Studio van rockster Bryan Adams. Met naast Patershuk zelf en snarenvirtuoos Dawson als verdere betrokkenen onder meer drummer Jay Bellerose, bassist Jeremy Holmes, toetsenist Christ Gestrin, mandolinefenomeen John Reischman, fiddler Josh Zubot, saxofonist Jerry Cook en collega-songsmid Ana Egge aan boord. Die laatste horen we gesmaakt haar opwachting maken in delicatere dingen als het titelnummer, “Gypsy” en “Sparrows”.

De echte topnummers op “Same As I Ever Have Been” zijn wat ons betreft echter een stel andere. Het door een lekker vettig uit de hoek komende gitaar aangejaagde openingsnummer “Sometimes You’ve Got To Do Bad Things To Do Good”, het naar de dood van zijn door een dronken bestuurder aangereden zus enkele jaren geleden teruggrijpende “Memory And The First Law Of Thermodynamics” en “Hot Knuckle Blues” meer bepaald. In dat laatste is het onderwerp het verliezen van je werk in een wereld voortdurend kreunend onder de economische veranderingen.

Matt Patershuk

 

THE REMEDY CLUB “Lovers, Legends & Lost Causes” (High Flying Disc Records)

(3,5****)

Wat vrijwel meteen opvalt bij het beluisteren van “Lovers, Legends & Lost Causes”, het debuut van het Ierse tweetal The Remedy Club, is het ongemeen hechte harmonieerwerk van echtelieden KJ McEvoy en Aileen Mythen. Dat gegeven, de knappe composities van de twee en het ook al uitstekende gitaarwerk van McEvoy zijn wellicht de drie voornaamste fortes van het album.

“Lovers, Legends & Lost Causes” werd door het duo gewoon in eigen land opgenomen. In Wexford meer bepaald. Zelf tekenden ze er ook voor de productie. Afgemixt werd het geheel later in Nashville door Ray Kennedy en de onder meer om zijn werk met Jason Isbell bekende Mark Petaccia. Vandaar wellicht de geweldige sound ervan. Opvallende betrokkene is verder ook nog de ook hier te lande best wel wat naambekendheid genietende Eleanor McEvoy. De zus van en goed voor meerdere gesmaakte bijdragen op viool en altviool.

Centrale thema’s op het ondanks wel meer invloedssferen al bij al toch eerder countrygetinte “Lovers, Legends & Lost Causes” zijn de drie pijlers uit de titel ervan. De liefde regeert zo bijvoorbeeld volop in openingsnummer “I Miss You” en het over een catchy ritme gedrapeerde “Last Song”, wat eigen helden worden geëerd in “When Tom Waits Up”, “Listening To Hank Williams” en “Django” en onder de noemer Lost Causes mogen dingen als “Bottom Of The Hill” en “Get Away With It”.

Wat ons betreft een hoogst aangename verrassing, dit “Lovers, Legends & Lost Causes”. Een potje alleraardigste Euro Americana alleszins.

The Remedy Club

 

LUKE TUCHSCHERER “Always Be True” (Clubhouse Records)

(3,5****)

Tweede soloplaat voor de je misschien ook al wel van zijn werk bij The Whybirds bekende Luke Tuchscherer. Uit te spreken overigens als “tuck shearer”, die wat bizarre familienaam toch wel voor een Brit, maar dat geheel en al terzijde. Want wat ons hier vooral interesseert, is natuurlijk de kwaliteit van het werk van de beste man. En daar is absoluut niks mis mee. Het leverde hem hier al de nodige knuffels op voor voorganger “You Get So Alone At Times” van zo’n jaar of drie geleden en dat is nu, naar aanleiding van “Always Be True”, niet anders.

“Always Be True” bevat tien ouderwets over twee sides uitgesmeerde eigen nieuwe liedjes. Dingen die door Tuchscherer naar eigen zeggen zo werden geconcipieerd dat ze zich veel beter tot live-vertolkingen lenen dan die van hun voorganger. Maakt niet uit, of het daarbij gigs in kleine zaaltjes dan wel grotere gelegenheden betreft, solo dan wel met band. Een flinke stap vooruit dus.

Opvallend: voor twee tracks van “Always Be True”, met name het door zonnig gitaargejengel aangejaagde “Don’t Put Me Out” en de knappe ingetogen Americanadeun “These Lonesome Blues”, trommelde Tuchscherer de complete Whybirds weer even op. En optrommelen is in dezen niet eens zo’n gekke woordkeuze. Bij dat bandje zat Tuchscherer immers zelf achter de drum kit.

Opvallendste nummer op het muzikaal gezien nogal nauw bij het materiaal van acts als Uncle Tupelo, Steve Earle en Tom Petty aanleunende “Always Be True” is het afsluitende “Song For Jack Brown”. Dat nummer schreef Tuchscherer ter nagedachtenis van een populaire eenentwintigjarige uit het naburige Leighton Buzzard. Hij kon het maar niet vatten, dat die op het eerste gezicht echt alles hebbende jongeman op een dag zomaar beslist had om uit het leven te stappen. Het resultaat is een ongemeen innemend deuntje, goed voor het nodige kippenvel bij zowat elke nieuwe beluistering ervan.

Andere zeker ook bijblijvende nummers op “Always Be True”: het bedaard, maar aanstekelijk rockende openingsnummer “Waiting For My Day To Come” en de hoger al even vermelde alt-country beauty “Don’t Put Me Out”. En ook de tragen “Outside, Looking In” en “Amanda Jane” mogen zeker mee op de foto.

Leuke plaat!

Luke Tuchscherer

 

JOLIE HOLLAND & SAMANTHA PARTON “Wildflower Blues” (Cinquefoil Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

“Wildflower Blues” betekent het na enige jaren van windstilte elkaar terug in de armen vallen van Jolie Holland en Samantha Parton. De twee stonden zoals allicht alom bekend samen met Trish Klein ooit nog aan de wieg van de Be Good Tanyas. Holland zou met het geweldige “Blue Horse” slechts één plaat lang aan boord van dat collectiefje blijven, alvorens naar de States terug te keren. Parton van haar kant zou het ruim een decennium lang uitzingen. De gevolgen van twee auto-ongevallen en andere gezondheidsproblemen deden er ook haar uiteindelijk mee kappen in 2012.

Maar nu zijn de twee dus terug. En dat voor de gelegenheid als duo. Holland (zang, gefluit, gitaar en viool) en Parton (zang en gitaar) worden daarbij bijgestaan door Stevie Weinstein-Foner (gitaar en zang), Jared Samuel (bas, piano, orgel en baritongitaar) Justin Veloso (drums) en Paul Rigby (elektrische fuzzgitaar). Samen brengen ze een zevental nummers van eigen hand en een stel welgemikte covers. Tot die laatste reeks liedjes behoren een werkelijk verbluffend mooie adaptatie van wijlen Townes Van Zandts “You Are Not Needed Now”, een al even fraaie, door Holland terloops van het nodige gefluit voorziene versie van Michael Hurley’s “Jocko’s Lament” en een even eigenzinnige als geslaagde benadering van Bob Dylans “Minstrel Boy”.

In de overige zeven nummers, eigen materiaal zoals eerder reeds gesteld, doen Holland en Parton exact datgene wat je op basis van hun verleden van hen dacht te mogen verwachten. Op veelal eerder intimistische wijze en te allen tijde met de nodige diepgang vinden ze in de schemerzone tussen folk, country, blues, jazz en rock de ideale voedingsbodem voor hun hang om met elkaar samen te zingen. Op volstrekt organische wijze ontstaan zo liedjes die al heel lang lijken mee te gaan. Lijken, want het betreft natuurlijk nieuw materiaal. Liedjes, die op onnavolgbare wijze een stuk muzikale traditie vertalen naar het heden. Beklijvend, aangrijpend, vaak eerder dromerig, altijd soulvol.

Voor mij één van de platen van het jaar so far. Misschien zelfs wel dé allerbeste van het lot.

Jolie Holland & Samantha Parton

 

PETER BRUNTNELL “Nos Da Comrade” (Domestico Records / CRS)

(4****)

Is eigenlijk al zo’n jaar of twee oud, dit schijfje, maar het werd onlangs door het Nederlandse CRS opnieuw opgepikt en hernieuwd onder de aandacht gebracht. En laat ons hopen, dat het ditmaal ook echt iets oplevert voor Peter Bruntnell. Want eigenlijk is het echt wel bevreemdend te noemen. De Brit maakt al jarenlang knappe platen en wordt door flink wat collega’s echt op handen gedragen, maar vooralsnog is zijn lot dat van de eeuwige belofte gebleven.

“Nos Da Comrade” – Welsh voor “Goeienacht, vriend!” – heeft net als z’n negen voorgangers weer alles wat je als lezer van deze pagina’s van een goede plaat verwacht. Het door Bruntnell zelf geproduceerde album bevat elf de meest uiteenlopende thema’s aankaartende nieuwe eigen liedjes. In het onder heerlijk gitaargejengel bedolven openingsnummer “Mr. Sunshine” trapt hij zo na op Donald Trump. Dat die een complete Schotse vissergemeenschap deed wijken voor de aanleg van een golfterrein, zat hem duidelijk hoog. En de daaropvolgende ingetogen beauty is eigenlijk nog veel meer een song naar ons hart. In “End Of The World” heeft Bruntnell het er immers over, dat we ons met de dag meer gaan verliezen in de zo goed als alles onthullende virtuele wereld. Maar waarom eigenlijk? Moet je echt alles weten? En vooral: is die andere realiteit het waard om elke voeling met de echte wereld te verliezen? Neen, toch?

In het licht psychedelisch getinte “Yuri Gagarin” mag een jonge knaap er dan weer van dromen om te mogen zijn als de eerste man in de ruimte, in het rustige “Peak Operational Condition” stuit een reizende op moeilijkheden bij het verwoorden van alle in zijn nieuwe omgeving opgedane ervaringen bij het schrijven naar zijn vrouw, in het melodieus rockende “Long Way From Home” regeert nostalgie, de nadrukkelijke wens om weer jong te zijn, en in het afsluitende “Caroline” worden we geconfronteerd met wat er gebeurt als twee mensen die elkaar graag mogen te lang wachten om hun gevoelens jegens elkaar te uiten. Enfin, zo ongeveer elke tekst van Bruntnell hier houdt naar goede gewoonte wel weer wat interessants voor ons in petto.

’s Mans fans hebben ze natuurlijk al lang in huis, maar alle anderen nodigen we bij dezen dan ook uit om zich deze veritabele schoonheid van een plaat onverwijld aan te schaffen. Al moeten we wel waarschuwen: één Bruntnell-album kopen zou je nadien wel eens flink in de kosten kunnen gaan jagen… Het zou ons namelijk heel sterk verbazen, mocht je na “Nos Da Comrade” niet ook naar ’s mans verleden willen terruggrijpen. ’t Is maar dat je het weet!

Peter Bruntnell, CRS

 

THE WYNNTOWN MARSHALS “After All These Years” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Een goed decennium ver in hun carrière blikken de Schotse Wynntown Marshals met “After All These Years” enerzijds terug op het door hen reeds gepresteerde en anderzijds ook al een weinig vooruit op wat nog komen moet met een aantal nieuwe nummers. Drie in totaal. Allemaal samen goed voor een zestien tracks tellend album. Redelijk representatief al bij al voor alles wat de heren door de jaren heen tussen alt-country, country rock en power pop zoal uit de mouw wisten te schudden.

Interessant waren voor ons natuurlijk vooarl de nieuwe dingen. Eerst en vooral het heel erg persoonlijke “Your Time”. Daarin wordt onder hoogst sfeervole lagen gitaar- en orgelklanken op aandoenlijke wijze teruggekeken op een stukgelopen relatie. En datzelfde onderwerp blijkt ook het uitgangspunt te zijn geweest voor één van de andere nieuwe nummers, de atmosferische trage “Odessa” meer bepaald. Ook daarin heeft men het immers over een relatie die het niet tot het einde wist uit te zingen. Het derde “nieuwe” nummer ten slotte is een in de huidige groepsbezetting herwerkte versie van “Different Drug” van het ep-debuut van de band uit 2008.

Voorts enkel van eerdere platen bekend materiaal. En wie “Westerner” (2010), “The Long Haul” (2013) en/of “The End Of The Golden Age” (2015) op de plank heeft staan, weet dat dit alleen maar goed nieuws kan betekenen voor allen die de Marshals nog niet kennen en er eerdaags via dit album voor het eerst mee geconfronteerd zullen worden.

Van “Westerner” krijgen we “Ballad Of Jayne”, “Snowflake” en “Thunder In The Valley” voorgeschoteld, van “The Long Haul” dan weer “Canada”, “Low Country Comedown”, “Tide” en “Curtain Call” en van “The End Of The Golden Age” “Being Lazy”, “Red Clay Hill”, “Moby Doll” en het titelnummer. De resterende twee liedjes zijn live-favorietje “The Burning Blue” en “11:15”, ook al van de hoger ook al even vermelde ep-eersteling van de groep.

Net geen negenenzeventig minuten Euro-Americana van absoluut topniveau!

The Wynntown Marshals

 

BOB BRADSHAW “American Echoes” (Fluke Records)

(4,5*****)

Onder de tray van het Bob Bradshaws nieuwe album omhullende digipack prijkt er een knappe zwart-witfoto van een door een aardig desolaat ogend uitgestrekt landschap lopende spoorweg. En dat blijkt op de keper beschouwd helemaal geen toeval. Op zijn inmiddels toch ook al zevende studioplaat trakteert de al een kleine eeuwigheid in de States residerende Ier ons immers op een dozijn verhalen die hem door de jaren heen bijbleven van zijn vele trips doorheen zijn wahlheimat. “American Echoes” dus.

En die brengt de beste man in beurtelings met ingrediënten uit genres als onder meer pop, folk, country, bluegrass en blues ontleende Americanadeunen. Veelal (maar zeker niet uitsluitend) van het eerder zachtere type. Van het soort dat je kameraadschappelijk onder de arm neemt en vraagt om even te gaan zitten en te luisteren. Zoals ook al op voorgangers “Home” (2013) en “Whatever You Wanted” (2015) eigenlijk. Als je al één van die beide platen in huis zou hebben, dan kan je eigenlijk gewoon blind overgaan tot een aanschaf van “American Echoes”. Ook dat album zal je dan immers niet ontgoochelen.

Van het ronduit sublieme drinklied “A Bird Never Flew On Just One Wing” over het pittig rockende “Weight Of The World” tot love song “Stella”, van het Waitsiaans jazzy “My Double And I” over het met een snuif exotica gekruide “Workin’ On My Protest Song” tot de old-timey afsluiter “Old Soldiers” en dan vergeten we er nog wel enkele, dit zijn echt wel topsongs! En “American Echoes” al bij al gewoon ook een superknappe plaat. Van harte aan te bevelen wat ons betreft aan liefhebbers van het materiaal van enigszins vergelijkbare artiesten als een Darden Smith, een Robert Earl Keen, een Fred Eaglesmith en een Joe Henry in zijn beginjaren.

Bob Bradshaw

 

JESSE TERRY “Stargazer” (Jackson Beach Records)

(4****)

Door zijn wollige, enigszins omfloerste stem en zijn nadrukkelijke voorliefde voor strijkers en een groot geluid duurt het bij het beluisteren van “Stargazer” van Jesse Terry niet lang of je gaat onwillekeurig denken aan de in zo menig een opzicht met hem vergelijkbare Ron Sexsmith. Wie van diens materiaal houdt zal zich aan dit vijfde album van de vanuit New England actieve Terry zeker ook geen buil vallen. En al zeker niet als acts als de Beatles of Jeff Lynne (en zijn ELO) op hun tijd ook nog eens uit de kast mogen. Terry is immers niks minder dan een geweldige songsmid, die net als zijn grote voorbeelden valt voor onmiddellijk aansprekende melodieën.

Het is alleszins moeilijk om er niet onmiddellijk als een blok voor te vallen. Luister bij gelegenheid maar eens naar willekeurig gekozen kleinoden als het ongemeen sfeervolle “Stargazer”, het met een bedaard rocksausje overgoten duo “Woken The Wildflowers” en “Dangerous Times” of het behoorlijk ongegeneerd naar de hoogdagen van de eerder genoemde Lynne en zijn cohorten terugharkende “Kaleidoscope” en je zal ons daarin wellicht al snel bijtreden.

Het soort van plaat waarmee je de stilaan al wat ouder wordende jongere in ons telkens opnieuw een groot plezier doet. Dat was al zo met voorgangers “The Runner”, “Empty Seat On A Plane”, “Stay Here With Me” en “The Calm And The Storm” en dat is met “Stargazer” zeker niet anders.

Warm aanbevolen!

Jesse Terry

 

CIARA SIDINE “Unbroken Line” (Ciara Sidine)

(4****)

Van een force of nature gesproken! Met die onwaarschijnlijk soulvolle sirenenstem van ‘r zal de Ierse Ciara Sidine de eerstvolgende weken weer flink wat luistergragen op haar muzikale klippen laten lopen, dat mag u nu al van ons aannemen. Met “Unbroken Line”, de opvolger van haar ook al erg knappe debuutplaat “Shadow Road Shining” uit 2011, slaat Sidine nu immers pas echt spijkers met koppen. Met de twaalf liedjes daarop rechtvaardigt ze volop in het verleden reeds gemaakte vergelijkingen met onder anderen Emmylou Harris, Maria McKee en Mary Black. En voeg aan dat lijstje wat ons betreft ook maar de namen van Mary Chapin Carpenter en Maura O’Connell toe. Want een straffe madam met een straffe stem, da’s exact wat ook Sidine is.

En eentje met het hart op de juiste plaats bovendien ook. Dat blijkt uit zo menig een op “Unbroken Line” aangesneden thema. Uit heel wat van Sidine’s songs spreekt een nadrukkelijk verlangen naar meer sociale rechtvaardigheid. Het misschien wel allermooiste voorbeeld daarvan vinden wij persoonlijk “Let The Rain Fall”. Daarin trekt Sidine eigenzinnig soulvol van leer tegen een Kerk die het maar blijft nalaten om haar verantwoordelijkheid op te nemen inzake in het verleden tegen jonge kinderen gepleegde misdrijven. Alleen dat liedje al rechtvaardigt ons inziens een onverwijlde aanschaf van “Unbroken Line”.

En het is dan nog maar één van de vele pareltjes op “Unbroken Line”. Van de aangrijpende Americana van “Finest Flower” over het veelzeggend getitelde “Woman Of Constant Sorrow” tot de voorzichtig met een reggaemotiefje flirtende schuifelcountry van “2 Hard 2 Get 2 Heaven”, van het regelrecht richting de sterren gecroonde “Watching The Dark” over de twang-a-billy van “Wooden Bridge” tot de soulvolle ballads “River Road” en “Take Me With You”, van het speelse “Lemme Drive Your Train” of het rootsy “Trouble Come Find Me” over het titelnummer en het hoger al uitgebreid bejubelde “Let The Rain Fall” tot afsluiter “Little Bird Song”, eigenlijk valt hier gewoon niets uit de toon. “Unbroken Line” is met andere woorden niks minder dan een hele straffe Euro-Americanaplaat. Hopelijk laat Sidine ons op een opvolger hiervoor weer geen zes jaar wachten. Zou heel erg jammer zijn!

Ciara Sidine

 

GREGG STEWART “TwentySixteen” (Stewsong Records)

(3,5****)

Eerder dit jaar debuteerde Gregg Stewart met een met name door tal van Amerikaanse college stations goed onthaald gewoon naar zichzelf vernoemd album. Nu ja, debuteerde… Da’s eigenlijk een groot woord voor iemand die op dat moment bij nader inzicht al jarenlang in de business meeging. Vijf albums met het onvolprezen Stewboss brachten hem zelfs reeds meermaals tot in Europa.

En dat solodebuut krijgt nu, nauwelijks enkele maanden later, alweer een opvolger. Een plaat met een hoogst interessant concept erachter. “TwentySixteen” blijkt immers een collectie covers van prijsnummers geplukt van de repertoires van in het jaar uit de titel ervan overleden artiesten. Van new wave act Dead Or Alive van wijlen Pete Burns krijgen we zo een van alle overbodige franje ontdane versie van de superhit “You Spin Me Round (Like A Record)”, bij George Michael werd “A Different Corner” geleend en bij Prince het lijzige “Raspberry Beret”. Van het Britse indiebandje Viola Beach, waarvan alle vier de leden tragischerwijze samen om het leven kwamen bij een auto-ongeval, brengt Stewart het knappe “Daisies”, van de hand van Earth, Wind & Fire-kopstuk Maurice White koos hij “Sing A Song”, van Leon Russell op zijn beurt dan weer “One More Love Song” en uit de ruime collectie pareltjes van Merle Haggard diepte hij tot ons genoegen “If I Could Only Fly” nog eens op.

Een tweede reeks van zeven tracks wordt ingezet met Gene Wilders “Pure Imagination”, op de voet gevolgd door de door de begin vorig jaar aan de gevolgen van een hartaanval overleden Paul Kantner mee gepende Jefferson Airplane-kraker “High Flying Bird”, “I Found Somebody” van Eagle Glenn Frey, Guy Clarks “Out In The Parking Lot” en Andrew Dorffs “That’s How You Know”. En natuurlijk ontbreken ook herinterpretaties van nummers van Leonard Cohen en David Bowie niet op het appel. Van de eerste doet Stewart op aardig soulvolle wijze “Leaving The Table”, van de tweede brengt hij afsluitend het al even mooie “Starman”.

Best wel knap eigenlijk, hoe de brave man al die nummers naar zich toe weet te trekken en er bovendien ook nog eens in slaagt om uit dat toch behoorlijk diverse lot een alleraardigste muzikale eenheid te smeden. Zijn eerder sober te noemen rootspopaanpak werkt dus wel degelijk. Met dank daarvoor zeker ook aan zijn muzikale begeleiders Carl Byron (toetsen), Kurtis Keber (bas) en Kevin Jarvis (drums en percussie). Die laatste tekende overigens ook voor de productie van “TwentySixteen” en zag als special guests ook Renee Faia (The Mazarines), Evan Slamka (Marjorie Fair) en Cherish Alexander en Frank Lee Drennen (Dead Rock West) nog even langskomen.

Gregg Stewart

 

RED HERRING “Here To Distract You” (Red Herring)

(4****)

Of bluegrass en Nederland kunnen samengaan, vroeg u? You bet! En een veel mooier voorbeeld dan het voorliggende “Here To Distract You” van het vanuit Rotterdam actieve viertal Red Herring hadden we ons om die mening te onderschrijven op de keper beschouwd amper kunnen wensen. Al beperken Arthur Deighton (zang, gitaar, mandoline, bouzouki), Joram Peeters (zang, fiddle, gitaar, mandoline en bouzouki), Loes van Schaijk (zang, double bass en bodhran) en Paul van Vlodrop (banjo, mandoline en zang) zich op dat aangenaam gevarieerde geheel zeker niet louter tot bluegrass. Ook folk en Americana komen terloops behoorlijk nadrukkelijk aan bod.

Afgetrapt wordt er bijvoorbeeld al met een streepje Americana. Het moody “No Hearts Won” meer bepaald. Daarin is er een vocale glansrol weggelegd voor van Schaijk. De eerste van drie vocalisten, zo zal later blijken. Bluegrass pur is vervolgens wel het door Joram Peeters geschreven en ook zelf gebrachte staaltje levenslust – sic – “Rather Die Alone”. “Pigs Upon A Ninja” heeft dan weer wat met folk en roots, het sfeervolle “The Beaten Track” is Americana met een dun laagje bluegrass eronder – Of was het toch eerder omgekeerd? – en het bij Dougie MacLean geleende en door van Schaijk a capella ingeleide en ook verder slechts heel sober ingevulde “Garden Valley” mag onder de hoofding folk of zelfs onder het bordje singer-songwriter stuff.

Peeters’ “A Loved Man’s Lonely Blues” slaat vervolgens op fraaie wijze een brug tussen Americana, bluegrass en blues, “Uphill Climb” van Chris Jones staat al barstend van de joie de vivre voor het pure spul en dat net als “Barefoot Nellie” van Jim Davis en Don Reno trouwens. Plaats voor een enigszins aparte jazzy bluegrassnoot is er daarna in de instrumental “Whatsapp Doc”, alvorens Arthur Deighton lijzig de gevoelens gepaard gaand met het einde van een relatie bezingt in het coole “The Longest Day”. Afgerond wordt er met een knappe lezing van de traditional “Wedding Dress” en het innemende “Two Sisters”, een door Peeters aangevatte adaptatie van een oude Britse folkballade.

Als de titel staat voor hun missie, dan zijn die van Red Herring wat ons betreft met brio geslaagd in hun opzet! Heerlijk plaatje!

Red Herring

 

TOM RUSSELL “Folk Hotel” (Frontera Records / Proper Records)

(4****)

“Folk Hotel” is na het enkele maanden geleden verschenen “Play One More: The Songs Of Ian & Sylvia” al de tweede Tom Russell-plaat dit jaar. En een verdomd ambitieuze ook! Veel van zijn luisteraars eisend, zoals recent wel vaker. In een productie van Mark Hallman en met de gewaardeerde medewerking van onder anderen Eliza Gilkyson, Joe Ely, Augie Meyers en Joel Guzman.

Wat het tekstuele betreft gaat Russell op “Folk Hotel” heel erg ruim. In openingsnummer “Up In The Old Hotel” heeft hij het zo bijvoorbeeld over het vermaarde Chelsea Hotel in New York, in de Tex-Mex border song “Leaving El Paso” neemt hij ons mee op een trip van El Paso naar Santa Fe en in “I’ll Never Leave These Old Horses” laat hij collega-cowboy Ian Tyson even aan het woord. Het ingetogen “The Sparrow Of Swansea” richt hij vervolgens aan dichter Dylan Thomas en in “All On A Belfast Morning” confronteert hij ons met de grauwe dagdagelijkse realiteit in die wereldstad. En dan is er het voor Russell enigszins atypische akoestische bluesje “Rise Again, Handsome Johnny”. Daarin heeft hij het over een ontmoeting met JFK. En er is nog zoveel meer! Maar dat moest u bij gelegenheid maar eens zelf gaan ontdekken!

Vermelden doen we hier ten slotte enkel nog de twee aan de twaalf songs toegevoegde bonus tracks. En dat dan vooral omdat het bij één van die twee blijkt te gaan om een in duet met Joe Ely gebrachte herinterpretatie van Bob Dylans klassieker “Just Like Tom Thumb’s Blues”. Very Lone Star State indeed. Met name ook dankzij de Tex-Mex accordeonbijdrage van Joel Guzman.

Prima plaat alweer!

Tom Russell

 

PAUL BRADY “Unfinished Business” (Proper Records)

(3,5****)

Paul Brady is wat je noemt een echte songwriter’s songwriter. De al ruim een half decennium in de muziek actieve Ier wordt door heel wat van zijn collega’s echt op handen gedragen. Dat bewees onder meer ook de guest list van zijn recente live-dubbelaar “The Vicar Street Sessions” nog. Van Morrison, Mark Knopfler, Bonnie Raitt, Mary Black, Gavin Friday, het zijn maar enkelen van de velen die Brady tijdens die sessies met een tip of the hat vereerden.

Met “Unfinished Business” meldt de beste man zich nu terug voor zijn eerste studioplaat in zeven jaar. Het album zal de geschiedenis ingaan als zijn vijftiende soloplaat en als opvolger van “Hooba Dooba” uit 2010. En vooral ook als een aangenaam gevarieerd geheel, waarop we als luisteraars andermaal worden geconfronteerd met de eclectisch ingestelde muzikale geest van Brady. Negen nieuwe eigen liedjes staan erop, evenals covers van twee traditionals. Voor het pennen van de nieuwe originelen ging Brady this time around samenwerkingen aan met Paul Muldoon, Sharon Vaughn en Ralph Murphy. De overgeleverde nummers zijn respectievelijk “Lord Thomas And Fair Ellender” en “The Cocks Are Crowing”.

Veelal waagt Brady zich in zijn verse nummers weer op het slappe koord tussen pop en rock enerzijds en folk anderzijds. Al vallen invloeden uit genres als soul en blues zeker ook nu weer niet te ontkennen. Enkele van de mooiste momenten vonden wij persoonlijk het aardig jazzy uit de hoek komende titelnummer, het ingetogen, ons best wel wat aan de hier eerder ook al even opgevoerde Van Morrison herinnerende “Harvest Time” en de sprankelende lentefrisse popdeun “I Love You But You Love Him”. En ook ’s mans lezing van de folk traditional “The Cocks Are Crowing” wist ons best wel te bekoren.

Paul Brady

 

MARTIN SIMPSON “Trails & Tribulations” (Topic Records)

(3,5****)

“Trails & Tribulations” is de titel van de nieuwe cd van huisfavorietje Martin Simpson. Zijn twintigste soloplaat inmiddels al en zijn eerste nieuwe sinds het in 2013 verschenen en nagenoeg onder de lofbetuigingen bedolven “Vagrant Stanzas”.

Het door Andy Bell geproduceerde “Trails & Tribulations” is een in totaal dertien songeenheden tellende collectie liedjes waarin Simpson het heeft over de natuur, over reizen en over hem door het leven zelf aangereikte verhalen. Eigen liedjes, maar ook covers. Eigentijdse, maar ook overgeleverde. Liedjes, die het hem vooral ook toelaten zijn instrumentale vaardigheden eens te meer vetjes te onderlijnen. Onder meer op akoestische en elektrische gitaren, resonators, lap steel, banjo en ukelele.

Bijgestaan wordt Simpson hier onder andere door Nancy Kerr, Ben Nicholls, Toby Kearney, Andy Cutting, John Smith, Helen Bell, Amy Newhouse-Smith en zijn eigen dochter Molly.

Onze luistertips: het fraaie drietal bestaande uit de songs “Blues Run The Game”, “Thomas Drew” en “St. James Hospital”.

Martin Simpson

 

CHRIS BLEVINS “Better Than Alone” (Horton Records / CRS)

(5*****)

Eerlijk is eerlijk: tot voor het beluisteren van het voorliggende “Better Than Alone” was Chris Blevins voor ons niets meer dan een nobele onbekende. En dat hoeft niet eens te verbazen ook, aangezien het hierbij ook nog maar het debuut van de Amerikaan betreft. Een eersteling op het in onze kontreien door het onvolprezen CRS verdeelde Horton Records, thuishaven van zo menig een rastalent uit Oklahoma. Het lijstje wordt zo stilaan eindeloos. Want een rastalent is Chris Blevins zeker. Een regelrechte aanrader voor fans van acts als John Fullbright, Hayes Carll, Steve Earle, Owen Temple, JW Roy en aanverwanten.

Blevins vliegt er meteen stevig in met de heerlijk spitante countryrocker “Big Man”. Vervolgens is er het over een onthaast klassiek rock & roll-motiefje uitgesmeerde “Clean”. Gelijk een tweede echte homerun wat ons betreft. En dan moest “Abilene” nog komen. Die in sfeervolle lap steel- en orgelklanken gehulde ballad is van het allermooiste wat we hier dit jaar al op ons bord kregen.

Bijzonder soulvol gaat het er vervolgens aan toe in “Jezebel”, een pak gewaagder in het aan een vrijwel gelijk in het oor springend ritme opgehangen “Wicker Man”, bedaard in het onmogelijk anders dan als een verder hoogtepunt te omschrijven “Wildfire” en enigszins bluesy in het sfeergewijs zijn titel volledig nakomende “Daydream”. Via de ingehouden honky-tonk rocker “Songs” en de alweer werkelijk bloedmooie trage “The Way Down” worden we ten slotte met “Better Than Alone” volledig voldaan weer richting de uitgang geleid.

Voor de productie van “Better Than Alone” tekende Chris Combs. Voor verdere hand-en-spandiensten kon Blevins een beroep doen op een soort van lokale all-star cast. De meest in het oog springende naam op de gastenlijst is alleszins die van de hier al eerder genoemde John Fullbright.

Ontegensprekelijk jaarlijstjesmateriaal!

Chris Blevins (CRS)

 

TIP JAR “Gemstone Road” (Shine A Light Records)

(4****)

Wat een ongelooflijk mooie plaat alweer, deze nieuwe van het Nederlandse duo Tip Jar. We hebben het hier in verband met de samenwerking tussen songwriter Bart de Win en zijn echtgenote Arianne Knegt in het verleden al wel eens vaker gehad over a match made in heaven en die mening blijven we ook na deze nieuwe worp nadrukkelijk toegedaan. Wat de twee hier met de hulp van onder meer Walt Wilkins en Ron Flynt afleveren is wat we een twaalf songs lange streling voor het oor zouden willen noemen. Een echte Americana tour de force. Niet geheel en al toevallig allicht ingeblikt in Austin, Texas.

Een dozijn schoonheden van “songs about love and life” zijn het resultaat van een bijzonder innige Nederlands-Amerikaanse samenwerking met als betrokkenen naast de Win en Knegt zelf en Walt Wilkins en Ron Flynt onder meer ook nog de Mystiqueros van Wilkins, Kim Deschamps, vaste Tip Jar-muzikanten Harry Hendriks en Joost van Es en de Brit Gilad Atzmon. Wij onthielden daarvan vooral het enigszins moody aandoende titelnummer, het van de melancholie stijf staande “Loving Is Hard To Do”, het op een lekker speels banjomotiefje geënte “Rosie”, het absoluut niets met het muziekgenre uit z’n titel van doen hebbende “Never Sing The Blues” – één van de in totaal drie de Win-Knegt-co-writes hier – en de ronduit geweldige ballad “Right Here”.

Maar begrijp ons vooral niet verkeerd: naar ook maar één minder moment zal u op “Gemstone Road” vruchteloos zoeken. Voor de twaalf liedjes hier is het voortdurend kiezen tussen de kwaliteitslabels mooi, mooier en mooist.

Tip Jar

 

SUSAN CATTANEO “The Hammer & The Heart” (Jersey Girl Music)

(4****)

Dat Susan Cattaneo een uitstekend liedje in de vingers had, dat wisten we hier al wel langer. Dat ze ooit een plaat van het kaliber van haar nieuwe worp zou maken, dat nog niet. Met die dubbelaar gooit ze wat ons betreft bijzonder hoge ogen. En dat heeft zo zijn redenen ook. Liefst veertig bekende en minder bekende vrienden van de vanuit Boston actieve liedjesschrijfster werden immers bereid gevonden om een duit in het zakje te komen doen. En dat met bij momenten werkelijk oorstrelend knappe resultaten. Keurig verdeeld over twee plaathelften overigens: de onder de vlag “The Hammer” naar onze gunsten dingende eerste cd zou je de elektrische kunnen noemen, de tweede, ook wel “The Heart”, op zijn beurt de akoestische.

Afgetrapt wordt “The Hammer” met “Work Hard Love Harder”, een deluxe countryrocker gebracht aan het handje van de onvolprezen Bottle Rockets. De volgende in lijn om wat hand-en-spandiensten te komen verlenen is singer-songwriter Mark Erelli. Hem horen we terug in het moody “The River Always Wins”. In het daaropvolgende swingertje “In The Grooves” stoten we vervolgens voor het eerst op wat snarenkunstjes van Bill Kirchen. En ook in de ballad “When Love Goes Right” blijkt die present. Ditmaal zelfs met wat lead vocals.

Met het slidegestuurde “Lonely Be My Lover” volgt dan het misschien wel allerknapste nummer van het lot. En dat met opnieuw de Bottle Rockets als bondgenoten. Al is ook het in het zog daarvan ontluikende “Dry” bepaald niet te versmaden. Sfeervoller dan dat met Dennis Brennan gebrachte duet worden ze ons inziens amper nog gemaakt. En desolater al helemaal niet. Afgerond wordt “The Hammer” met een heel knappe cover van de Buddy & Jullie Miller classic “Does My Ring Burn Your Finger?”, het bluesy, samen met Jillian Cardarelli gepende “Ten Kinds Of Trouble” en het samen met Davy Knowles gebrachte en ons eerder vooral van de Robert Cray Band bekende, maar door Cattaneo eigenlijk gewoon bij Bonnie Hayes geleende “Back Door Slam”.

Het akoestische “The Heart” wordt eveneens ingezet met “Work Hard Love Harder”. Ditmaal betreft het een enigszins richting bluegrass overhellende versie van het nummer vertolkt samen met The Boxcar Lilies. De eerste van opnieuw een vijftal opvallende samenwerkingen, zo zal al snel blijken. Zo komen we na de ons best wel wat aan Rosanne Cash herinnerende trage “Ordinary Magic” in de pianoballade “Carried” bijvoorbeeld ook nog Jenee Halstead tegen, geeft Jennifer Kimball acte de présence in het poppy “Smoke”, draaft Nancy Beaudette op als duetpartner voor de ingetogen beauty “Fade To Blue” en mogen Amy Fairchild en Todd Thibaud mee de afsluitende herinterpretatie van “Space Oddity” van David Bowie naar hun hand zetten.

Voor de productie van het bepaald ambitieuze “The Hammer & The Heart” tekende Cattaneo voor het eerst ook zelf.

Susan Cattaneo

 

DUANE FORREST “The Climb” (Traaxx Music)

(3,5****)

Elk jaar weer dient er zich eentje aan en ditmaal lijkt het Duane Forrest te zullen gaan worden. Je weet wel, van die zoetgevooisde troubadours die met hun fluwelen stemmen de vaak ideale soundtrack bij zwoele zonsondergangen weten te serveren. Genre een Jack Johnson, een Matt Costa, een Jason Mraz, een Amos Lee, een Michael Franks en aanverwanten. Aangespoeld op popkusten, niet zelden tussen restjes jazz dan wel wat anders, wat meer exotisch. In het specifieke geval Forrest naast jazz ook nog bossa, reggae en soul. Wellicht gevoed door ’s mans vele tijdelijke verblijfplaatsen. We noemen in dat verband onder andere Mexico, Honduras en Puerto Rico.

Het was trouwens ook in Mexico, dat de dezer dagen in Toronto woonachtige Forrest de inspiratie voor het voorliggende album vond. In de woorden van een plaatselijke vlam meer bepaald. “Ik ben een appel in een boom,” zei ze. “In die boom hangen er nog veel binnen handbereik en ook op de grond bevinden er zich, die je gemakkelijk kan oprapen, maar voor mij zal je moeten klimmen…” De verliefde Forrest ging er zich niet alleen naar gedragen, hij schreef er ook over. “The Climb” is dat verhaal. “It’s about the work, the hard work it takes to rise to a place where perhaps I could be with the woman of my dreams,” aldus nog de beste man zelf daarover.

Het resultaat is een dertien tracks lange trip doorheen een zomers muzikaal landschap, waarin het met name dankzij de warmbloedige voordracht en het verzorgde gitaarspel van Forrest zelf zalig toeven is. Cocktailtje bij de hand en genieten maar, zouden we zo zeggen.

Enkele luistertips: “Edge Of The Sea”, “Midsummer Night’s Dream”, “G’Morning Bossa”, “Chevrolet” en “End Of The World”.

Duane Forrest

 

RON POPE “Work” (Brooklyn Basement Records)

(4****)

Hier is Ron Pope nog niet echt wat je noemt een naam. En dat is eigenlijk best wel vreemd te noemen, want online doet hij het echt uitstekend. ‘s Mans resultaten via Spotify, Pandora, YouTube en andere spreken zwaar tot de verbeelding. Zijn cijfers via die diensten reiken tot ver in de miljoenen. En een vlugge beluistering van zijn nieuwe album “Work” maakt al snel duidelijk waarom. Wat Pope daarop aan te bieden heeft is immers echt r-e-t-e-a-a-n-s-t-e-k-e-l-i-j-k. Eerste single “Bad For Your Health” bijvoorbeeld al is een extreem catchy opstoot van soulvolle rockkoorts. Het is hoegenaamd onmogelijk om bij dat nadrukkelijk door Stax geïnspireerde kleinood stil te blijven zitten. En da’s dan nog maar het begin! Ook de nieuwe single “Let’s Get Stoned” is weer los in de roos. Ook daar loopt de soul weer met beekjes van af. Heerlijk die blazers ook! Heeft wel iets van Van Morrison in betere tijden!

“Can’t Stay Here” legt de nadruk vervolgens net wat meer op rock en deed ons om de één of andere reden vrijwel meteen denken aan Mick Jagger en Willy DeVille. Titelnummer “Work” is daarop aansluitend een pracht van een verhalende ballad. Iets waar de fans van knapen als een Bruce Springsteen en een Little Steven wel aan zullen willen, als je het ons vraagt. Wat meer Americana zijn op hun beurt dan weer “The Last” en het bedaarde “Someday We’re All Gonna Die”.

Bij “Partner In Crime” dwaalden onze gedachten meteen weer af richting The Boss en “Dancing Days” veroorzaakte iets vergelijkbaars maar dan richting Ryan Adams. Restten er dan nog: de knappe intimistische ballad “The Weather” en de daar quasi perfect bij aansluitende afsluiter “Stick Around”.

Misschien moest je deze zevende van Pope snel ook maar eens proberen. Iets diep in ons binnenste zegt ons, dat je het je niet zal beklagen!

Ron Pope

 

VIPER CENTRAL “The Spirit Of God & Madness” (Viper Central)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat het Canadese vijftal Viper Central mij vóór mijn eerste beluistering van “The Spirit Of God & Madness” volslagen onbekend was. Ik wist dus compleet niet, dat ze al in 2008 debuteerden met “The Devil Sure Is Hard To Please”. En al evenmin, dat ze in British Columbia een uitstekende roep genieten. Met name in bluegrasskringen dan. Al biedt hun muziek dan ook zoveel meer dan dat. Viper Central – Zoveel werd me al snel duidelijk! – laat zich niet zomaar voor één gat vangen.

Wat de muziek van Kathleen Nisbet (fiddle en zang), Steve Charles (gitaren, banjo en zang), Tim Tweedale (steelgitaren en zang), Mark Vaughan (mandoline en tenorgitaar) en Patrick Metzger (bas, gitaar en zaang) vrijwel meteen doet opvallen is de grote bereidheid van de vijf om andere genres in hun bluegrass te integreren. Nisbet en co gaan daarin zo ver, dat ze bluegrasspuristen ongetwijfeld stevig voor het hoofd zullen stoten. Bij momenten is het eigenlijk enkel nog het gebezigde instrumentarium dat hun roots verraadt. Eclectisch ingestelde rootsmuziekliefhebbers zullen het graag lezen. (En horen!)

Overgeleverde Canadese rootsmuziekjes (o.a. van de Métis), country, swing, bluegrass, old-time, blues, rockabilly,… Je zegt het maar! Bij Viper Central zullen ze er hun hand niet voor omdraaien om elk van deze stijlen in hun muzikale gumbo te verwerken. Veelal in eigen materiaal, maar ook in enkele welgemikte covers. Als daar zijn uitvoeringen van de traditional “Devil’s Reel”, het aan ene Reg Bouvette toegedichte “Bloodvein Breakdown” of Gram Parsons’ “Luxury Liner”.

Voor mij een echte openbaring! Knappe liedjes en teksten, geweldige zang, virtuositeit alom en een ongelooflijke spelvreugde, wat moet een mens zich nog meer wensen?

Viper Central

 

STEVE MAYONE “Sideways Rain” (Janglewood Records)

(3,5****)

Aan variatie weer absoluut geen gebrek op het ondertussen toch ook al vijfde album van de Amerikaanse veelkunner Steve Mayone. Vol met liedjes met een voor hemzelf therapeutische werking, zo blijkt. Hij tracht er een turbulente periode in zijn eigen leven mee achter zich te laten. Onder meer de zelfdoding van zijn broer en het verlies van zijn moeder aan een slepende ziekte lieten duidelijk hun sporen na. Maar op “Sideways Rain” schijnt aan de einder voorzichtig alweer de zon. Gelukkig maar. Ons levert het alvast een prima plaat op. Zo eentje waarop het voortdurend alle kanten op kan.

Via de Beatle-eske pop van openingsnummer “Letting You Go” en de rammelende roots rock van het best wel wat aan de Traveling Wilburys herinnerende “So Many People Get It Wrong” belanden we zo op bijzonder aangename wijze al snel in het volop van een zekere gypsy feel profiterende popdondertje “What Good”. Vervolgens is het de beurt aan centerpiece “Sideways Rain”. Het titelnummer is een echte wolk van een ballad. Heel diepzinnig ook. Louterend. Ontstaan naar verluidt ergens onderweg op Interstate 35 tijdens een bijzonder hevige storm.

Het rootsy rammelaartje “The Long Way Home”, de lijzige Americana van “Rescue Me”, de wat aan Dylan schatplichtige akoestische ballade “Time Moves On” en de enigszins ingehouden popdeun “New Years Resolution” mogen er op de hielen daarvan ook allemaal best zijn. Wat moeilijker hebben we het dan met het enkele tellen lang met een reggaemotiefje flirtende powerpopriedeltje “It’s Beautiful”. Da’s niet meteen ons kopje… Wel weer uitstekend: het echt van de soul bulkende “Pretty Mama”, het sublieme spoorliedje “Early Morning Train”, de zalige trage “Strange Bird” en de met Susan Cattaneo gepende afsluiter “Save You”.

Steve Mayone

 

ED DUPAS “Tennessee Night” (Road Trip Songs)

(4****)

Wat een lekker zomerplaatje! Vol met het soort van muziekjes waarvoor je tijdens lange ritten met de wagen graag nog eens de ruiten laat zakken. Iedereen mag er immers van meegenieten, van de road trip songs van de in Houston, Texas geboren, maar in het Canadese Winnipeg opgegroeide en dezer dagen vanuit Ann Arbor actieve Ed Dupas. Liedjes, die perfect het midden lijken te houden tussen het beste van de jonge Steve Earle en Joe Ely enerzijds en Bruce Springsteen anderzijds. Garage country, zeg maar. Zo mag Dupas zelf het alvast graag horen.

Een compleet songelftal krijgen we op “Tennessee Night” voorgeschoteld. Elf liedjes die zonder uitzondering uitstekend blijken te zijn. En of je het dan hebt over stevig rockend spul genre een “Too Big To Fail” of een “Two Wrongs” dan wel rustiger momenten als “Up Ahead” of “Do It For Me” doet eigenlijk absoluut niets ter zake. Dupas voelt zich in beide thuis, zoveel is wel duidelijk. Met die hese rasp van ‘m niet moeilijk ook.

Dupas lukte ons inziens onder de vakbekwame productionele leiding van Michael Crittenden een werkelijk uitstekende plaat. Eentje die al het goede dat zijn debuut uit 2015 “A Good American Life” al liet vermoeden alleen maar volop bevestigt. Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Ed Dupas

 

DOUG MACLEOD “Break The Chain” (Reference Recordings / Music & Words)

(3,5****)

De naam Doug MacLeod op een cd aantreffen is eigenlijk zoveel als een kwaliteitsgarantie. Echt wereldschokkende dingen hoef je van de beste man niet te verwachten, maar wat hij inblikt is zowat altijd van goede tot ronduit uitstekende makelij. Van alle in de akoestische bluessector actieve zingende liedjesschrijvers is MacLeod zeker één van de besten. En dan hadden we het nog niet eens over zijn meesterlijke benadering van de snaren.

Op “Break The Chain”, zijn nieuwe album, exploreert die MacLeod verder de condition humaine. In twaalf vaak heel erg persoonlijke nieuwe liedjes tackelt hij op lekker gevarieerde wijze nogal wat onderwerpen. Met als meest in het oog springende zijn verdienstelijke poging om het al eeuwenoude probleem van huiselijk geweld onder de aandacht te brengen. Met het samen met zijn zoon Jesse gepende titelnummer meer bepaald. Ooit zelf een slachtoffer wilde MacLeod naar eigen zeggen met dat liedje een vicieuze cirkel (helpen) doorbreken.

Het album werd geproduceerd door MacLeod zelf en Janice Mancusco. Andere betrokkenen waren verder nog zoonlief Jesse op gitaar, bassist Denny Croy, drummer Jimi Bott en percussionist Oliver Brown. Al naargelang waar een nummer om vroeg sprongen zij MacLeod ter hulp in duo-, trio- of kwartetbezettingen.

Enkele luistertips: het al genoemde titelnummer, het ook al werkelijk bloedmooie, door MacLeod op z’n National neergelegde instrumentale eerbetoon aan één van z’n eigen helden “One For Tampa Red” en het lekker nerveuze “This Road I’m Walking”.

Doug MacLeod

 

TROND SVENDSEN & TUXEDO “Palomino Hotel” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

De Noor Trond Svendsen en zijn maats Lars Linkas (gitaren en andere snaren), Vidar Tyriberget (bas), Tommy Kristiansen (drums en percussie) en Lars Viken (Hammond-orgel) oftewel Tuxedo namen zich ruimschoots de tijd voor hun debuut. Pas nu, bijna twee jaar na het inblikken van het eerste liedje van het lot, pakken ze uit met het geheel.

Onder stoom komen doen Svendsen en de zijnen met het ronduit heerlijke “Love Like This”, een nummer dat mede dankzij een wel bijzonder fraai mondharmonicaatje bij z’n begin zó uit de koker van Springsteen ten tijde van “Darkness On The Edge Of Town” of “The River” had kunnen stammen. Vervolgens is er de ook al erg mooie folky trage “Old Bridges”. “Don’t You Hate It When They Go” is op zijn beurt een van de passie bulkende streep trage roots rock met mooi vocaal weerwerk van Aud Ingebjørg Barstad, “Something About Rivers” een op rinkelende snaren geënte warmbloedige Americana rocker en “No Tattoos Please”, een duetje met Julie S. Christensen, een beauty van een pianoballade. Wat ons betreft ontegensprekelijk het mooiste liedje van allemaal, dat laatste. Echt een kippenvelmomentje!

“Vintage Diesel” rammelt er meteen in het zog daarvan stevig op los, “Blessing” is op zijn beurt donker ingekleed verhalend spul, “Big White” een lekker strakke countryrocker en “Going Down That Road” een lange tijd zo goed als spiernaakt gehouden folky trage. Het van de sfeer bulkende en ons op de één of andere manier een beetje aan Chris Isaak herinnernde “Devil At My Heels” is daarna een tweede absoluut hoogtepunt en afsluiter “Blue Moon Above” doet het weer bijna bedeesd sierlijk. Meer dan ooit valt dan op, welk een mooie stem die Svendsen eigenlijk wel heeft. Doet een beetje denken aan die van Eric Brace van Last Train Home of die van Pat DiNizio van de Smithereeens.

Voor zijn teksten liet diezelfde Svendsen zich zowel inspireren door wat hij in zijn dagelijkse bestaan als misdaadreporter voor de kiezen krijgt als door het leven zelf. En uiteraard is er daarbij her en der ook wat ruimte voor l’amour.

Wat ons betreft een debuut dat nu al volop doet snakken naar meer!

Trond Svendsen & Tuxedo

 

RICHARD THOMPSON “Acoustic Classics II” (Beeswing Records / Proper)

(4****)

Het moet zijn, dat zijn vorige akoestische uitstapje hem heel goed bevallen is, want nu, amper drie jaar later, waagt Richard Thompson zich opnieuw aan een setje uitgeklede versies van eigen originelen. En er is zelfs nog meer, want naast dat “Acoustic Claassics II” wordt nu ook al een volgend volume, het later dit jaar te verschijnen “Acoustic Rarities”, aangekondigd. Zijn fans zullen het graag horen!

Voor het materiaal op zijn nieuwe worp deed Thompson liefst dertien verschillende albums uit het verleden aan. Uit zijn Fairport Convention-periode om te beginnen “Unhalfbricking” (“Genesis Hall”), “Liege & Lief” (“Crazy Man Michael”) en “What We Did On Our Holidays” (“Meet On The Ledge”). Van zijn met zijn toenmalige wederhelft Linda ingeblikte schijven “Pour Down Like Silver” (“Jet Plane In A Rocking Chair”) en “Hokey Pokey” (“A Heart Needs A Home”). En verder ook nog eens acht eigen platen dus. Te situeren tussen 1983 met “Hand Of Kindness” (“Devonside”) en 2007 met “Sweet Warrior” (“Guns Are The Tongues”). Haltes tussen die twee albums in zijn in chronologische volgorde “Across A Crowded Room” uit 1985 (het geweldige “She Twists The Knife Again”), “Amnesia” uit 1988 (“Pharaoh”), “Rumor And Sigh” uit 1991 (als enige met twee bijdragen, met name “Keep Your Distance” en “Why Must I Plead?”), de dubbelaar “You? Me? Us?” uit 1996 (“The Ghost Of You Walks”), “Mock Tudor” uit 1999 (“Bathsheba Smiles”) en “The Old Kit Bag” uit 2003 (“Gethsemane”).

Het resultaat is een aangenaam gevarieerd geheel met naast Thompsons trademark nerveuze, soms wat houterig aandoende folk rock in akoestische uitvoering ook tal van ballads en andere verhalende tragen. Precies zoals we de beste man hier het liefst hebben eigenlijk. De aandacht kan zo immers volop naar zijn twee voornaamste troeven gaan. En dat zijn tot nader order nog altijd zijn inventieve, sterk expressieve gitaarspel en zijn liedjes. Zijn stem daar ben je voor of niet. Is louter een kwestie van smaak natuurlijk.

Enkel ter informatie hier ook nog even meegeven, dat later dit jaar speciale versies van dit album en de hoger al even vermelde opvolger ervan zullen worden aangeboden. En dat dan zowel op vinyl (3 lp’s) als op cd (een dubbelaar). Maar daarvoor dien je dan wel nu reeds in te tekenen via Pledge Music. Elders zullen die gehelen naar verluidt immers niet beschikbaar worden gesteld.

Richard Thompson

 

DOWN HARRISON “Possessed” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Down Harrison is de enigszins misleidende groepsnaam – Geef toe je verwachtte toch ook een solo act! – waaronder de Zweedse songsmid Jesper Willaume (zang, gitaar en harmonica) en zijn maats Micke Wedberg (gitaren, keyboards en zang), Tommy Cassemar (bas) en Pelle Alsing (drums en percussie) ons nu al ten tweeden male in nauwelijks meer dan een jaar tijd van hun niet geringe kwaliteiten proberen te overtuigen. Na hun vorig jaar verschenen titelloze debuut is er sinds kort nu immers ook “Possessed”. Daarop acht eigen liedjes en een eigenzinnige adaptatie van “A Coat”, een gedicht van W.B. Yates. En die mogen er wat ons betreft zonder uitzondering zijn.

Openingsnummer “Possessed” is zo alternatieve country van het genre waarvoor we in de jaren negentig van de vorige eeuw met z’n allen graag overstag gingen, het dromerige “Too Slow To Live This Fast” zalige weidse folkrock en “Fire In The Trees” gewoon een knap ingehouden popliedje tout court. “Brake & Turn” is vervolgens opnieuw countryrock met een bepaald hoog West-Coastgehalte en “Monkey See Monkey Do” neemt flink wat gas terug en betovert volop vanop een ijl wolkje folkpop. Met “Day One” wordt aansluitend daarop iets moois geserveerd wat bij ons de aandacht beurtelings deed afdwalen richting Neil Young en Ryan Adams in hun wat bezadigdere momenten.

“Two Days Of Nights”, “het al even aangestipte “A Coat” en “Chain” vervolledigen het kransje. Het eerste van dat drietal mag wat ons betreft mede door de ongelooflijk knappe harmonieën erin mee op de foto met “Brake & Turn”, het tweede blijkt een knap ingetogen americanamomentje met de prominent aanwezige mandoline van gastmuzikant Ola Gustafsson als zeker surplus en de door wat psychedelische invloeden overspoelde ballade “Chain” ten slotte drijft af richting voor een wat groter publiek bestemde popoorden.

Al bij al gewoon een prima plaatje!

Down Harrison

 

SLAID CLEAVES “Ghost On The Car Radio” (Candy House Media / CRS)

(4****)

Een nieuwe plaat van Slaid Cleaves, da’s altijd weer iets om naar uit te kijken! De Texaanse woordkunstenaar ontgoochelde immers nog nooit. Wel integendeel! ’s Mans liedjes behoren zonder meer tot het allerbeste wat het americanagenre nu toch al aardig wat jaren te bieden heeft. En als hij het dan zelf, zoals nu, naar aanleiding van zijn nieuwe worp “Ghost On The Car Radio”, heeft over “liedjes, oud en nieuw, levensmoe maar toch strijdvaardig, bedoeld om ons met z’n allen door deze “interessante tijden” te loodsen”, dan schept dat vanzelfsprekend weer hoge verwachtingen.

Verwachtingen die Cleaves weer schijnbaar moeiteloos inlost. Onder de productionele hoede van Scrappy Jud Newcomb en in de studio verder bijgestaan door onder meer drummer John Chipman, bassisten Harmoni Kelley en Kevin Smith, fiddler Chojo Jacques, toetsenist David Boyle en diezelfde Newcomb op tal van besnaarde instrumenten en Miles Zuniga voor wat zang in “So Good To Me” lukt Cleaves moeiteloos een zoveelste homerun. Twaalf nummers lang beroert hij met z’n liedjes vrijwel constant de juiste snaar. Het lijkt hem absoluut geen moeite te kosten om je als luisteraar quasi niets vermoedend zijn gedachtenwereld binnen te loodsen. En eenmaal daar binnen vallen de knappe songs en verhalen je als rijpe vruchten om het hoofd. Songs, waarvoor Cleaves zich ditmaal tijdens het schrijfproces niet enkel liet bijstaan door zijn vaste maatje Rod Picott, maar verder ook door Karen Poston, Nathan Hamilton, Graham Weber, Mike Morgan en Jeff Elliott. Schoon volk met andere woorden.

En dus lijkt het ons maar niet meer dan normaal ook, dat het weer aangenaam toeven is in het gezelschap van knappe deunen als het nog volop country ademende “The Old Guard”, het lekker rockende “Already Gone”, het samen met Picott uitgediepte meesterwerkje “Drunken Barber’s Hand” of de ballad “If I Had A Heart”. Vier willekeurig gekozen voorbeelden. Vraag ons morgen om er vier te noemen en er zullen er wellicht een paar andere tussen zitten.

Sommige dingen lijken alleen maar beter te worden met de jaren. Slaid Cleaves mag je wat ons betreft ook daartoe rekenen.

Slaid Cleaves

 

THE BRANDOS “Los Brandos” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3***)

Er valt heel wat te zeggen over Dave Kincaid, maar hyperactief kan je hem nu niet meteen noemen. Als kopstuk van The Brandos doet hij de dingen vooral graag aan zijn eigen tempo. En dat ligt, om het beleefd te houden, aan de toch wel eerder lage kant. Negen jaar na hun laatste worp “Over The Border”, waarop we toen ook al ruim acht jaar hadden moeten wachten, is er eindelijk weer eens een nieuw album van Kincaid en de zijnen.

En de zijnen dat zijn in dit geval drummer Tommy Goss, bassist Sal Maida en gitarist Frank Giordano. Voor al de rest tekende Kincaid zelf. Ook voor de productie en voor het gros van de gebrachte nummers. Enkel het bij Astor Piazzolla geleende “Jacinto Chiclana” en de verrockte Tex-Mex van “A Todo Dar” van Ignacio Jaime vormen wat dat laatste betreft uitzonderingen op de regel. Dat laatste is overigens ook lang niet de enige flirt met het Spaans hier. In totaal vijf nummers worden op z’n minst gedeeltelijk in de taal van Cortés gebracht. Wat er uiteraard voor zorgt, dat het geheel bij momenten een wat exotisch tintje meekrijgt.

Voor het overige vooral veel business as usual hier. Veel (melodieuze) recht-toe-recht-aan rock dus, waarvoor meestal bij wijze van uitbreiding ook nog het woordje roots mag. Wie van één van de zes eerdere studioalbums van de Brandos hield, zal zich hier dan ook geen bult aan vallen. Toekomstige klassiekers genre een “Gettysburg”, een “Strychnine” of een “Honor Among Thieves” staan hier naar ons gevoel echter niet op.

The Brandos

 

THE PALADINS “New World” (Lux Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Toen Dave Gonzalez in 2002 samen met zijn maatje Chris Gaffney en een stel anderen de Hacienda Brothers in het leven riep om zich volop aan country soul over te geven, leek de stekker even definitief uit zijn eerdere groep The Paladins te gaan. En zelfs het feit dat Gaffney in april 2008 aan leverkanker overleed, deed Gonzalez aanvankelijk niet op z’n stappen terugkeren. Samen met onder anderen de van de Hollisters bekende Mike Barfield regelde hij de Stone River Boys en kon z’n missie gewoon worden verdergezet. Tot nu, that is!

Met “New World” verscheen zopas immers de eerste nieuwe studioplaat van The Paladins sedert “El Matador” uit 2003. En da’s een opvallend rijk geheel geworden. Roots rock in de ruimste zin van het woord. Met zo goed als voor elk wat wils. Zo zijn er om te beginnen bijvoorbeeld het zich eerder bedaard over een wereld in verandering buigende titelnummer “New World”, de groovy lijzige blues rock van “Waterman”, de ogenblikkelijk attractief werkende boogaloo beat van “Things Keep Changin’”, de bezwerende exotica van de instrumental “Mar Solitar” en de lekkere R&B van “If You Were Only Mine”.

De tweede helft van het geheel begint opnieuw op exotische voet. Met het geweldige “Wicked” meer bepaald. In het zog daarvan volgen het eveneens instrumentale, zij het een pak soulvollere “Should Have Been Dreamin’”, het daar al heupwiegend perfect bij aansluitende “I Know I’m Not Wanted”, de catchy swingescapade “Magic Touch”, het wat meer richting country neigende “Without Love” en de werkelijk fenomenaal mooie countrysoulsleper “No Pain Anymore”. Dat laatste nummer alleen al is ons inziens de aanschaf van deze plaat meer dan waard.

The Paladins

 

DANIEL ROMANO “Modern Pressure” (New West Records / PIAS)

(4****)

De vanuit het Canadese Ontario de wereld telkens weer graag op het verkeerde been zettende Daniel Romano is een speciale, zoveel is ondertussen al wel even duidelijk. Van het nieuwe countryicoon dat hij aanvankelijk op basis van met name het in 2013 verschenen “Come Cry With Me” en het van twee jaar later stammende “If I’ve Only One Time Askin’” leek te zullen gaan worden is ondertussen zo goed als geen spaander meer heel. Op het ons vorig jaar al compleet vloerende “Mosey” regeerde eensklaps psychedelische pop. En ook op ’s mans nieuwe worp, het zopas verschenen “Modern Pressure” is het weer van dattum.

Meer nog, op “Modern Pressure” gaat Romano zelfs nog wat verder. Dat geheel krijgt daardoor iets bepaald kaleidoscopisch over zich. Er wordt voortdurend gewisseld van mood en van aanpak dat het een lieve lust is. Zoals bijvoorbeeld ooit ook die van XTC dat zo goed konden. De liedjes zijn doorgaans prachtig van wezen, maar je moet er soms wel voor door wat laagjes heen. Lekker spannend!

Enkele van de vele nummers hier die ons onmiddellijk bij ons nekvel hadden en die we derhalve graag serveren als luistertips: het enigszins Beatle-esk aandoende “What’s To Become Of The Meaning Of Love”, de knappe popdeunen “Impossible Dream” en “Jennifer Castle” en titelnummer “Modern Pressure”.

Daniel Romano

 

GOSPELBEACH “Another Summer Of Love” (Alive Naturalsound / V2)

(4****)

“Another Summer Of Love” is na het ondertussen een jaar of twee geleden verschenen “Pacific Surf Line” het tweede teken van leven van GospelbeacH, de groep rond zanger-songsmid Brent Rademaker, je ongetwijfeld ook nog wel bekend van Beachwood Sparks. Waren bij het opnemen van die gesmaakte voorganger onder meer ook Neal Casal en Kip Boardman van de partij, dan doen Rademaker en gitaarwonder Jaso Soda het ditmaal met de hulp van onder anderen Pearl Charles en Miranda Lee Richards en voorts ook nog wat leden van Wilco, Eels, Mapache en Grand Ole Echo.

Het resultaat is een werkelijk puntgaaf songelftal dat zo lijkt te zijn weggelopen uit de vroege seventies. West Coast rock & roll van het werkelijk allerbeste soort regeert hier ruim tweeënveertig minuten lang. Vintage early seventies FM rock met her en der een vleugje country als toegevoegde waarde. Volop terend op de introvert lijzige zang van Rademaker zelf, fijne samenzang met telkens weer andere betrokkenen, knappe gitaarpartijen en niet zelden ook verfijnd toetsenwerk van Jonny Niemann. Van het geheel straalt daardoor onmiskenbaar veel warmte af. Niet dat zulks bij de temperaturen van de laatste dagen nog nodig zou zijn, maar toch…

Aan hoogtepunten wat ons betreft absoluut geen gebrek hier. Wij onthielden op de keper beschouwd vooral het viertal “In The Desert”, “California Fantasy”, “(I Wanna See U) All The Time” en “Strange Days”. Al moesten we er daar met het onder rinkelende gitaarklanken bedolven “Sad Country Boy” op de valreep misschien toch maar vijf van maken…

GospelbeacH

 

JUSTIN TOWNES EARLE “Kids In The Street” (New West Records / PIAS)

(5*****)

“Kids In The Street” is het ondertussen toch ook al zevende album van zoon van zijn vader Justin Townes Earle. En net als zijn ouweheer is de jonge Earle ondertussen ook zelf stilaan een authoriteit in Amerikaanse rootsmiddens. Iemand naar wie men opkijkt. Omwille van zijn vaardige pen, maar misschien nog wel weer omwille van zijn muzikale onbevreesdheid. Om zijn durf om het steeds weer over een andere boeg te gooien. En da’s ook naar aanleiding van zijn nieuwe worp weer niet anders.

Voor de opnames van “Kids In The Street” verliet Earle Jr. nu ook voor het eerst het hem zo vertrouwde Nashville. Daartoe aangezet door de eerste producer ooit die zich aan zijn werk mocht wagen, de je wellicht ook al wel van zijn werk met onder meer Connor Oberst, M. Ward en First Aid Kit bekende Mike Mogis, toog hij naar Omaha, Nebraska. En daar verliet hij in het gezelschap van met uitzondering van zijn vaste gitarist Paul Niehaus uitsluitend lokale muzikanten met succes zijn zogeheten comfort zone. Het leverde hem zijn als je het ons vraagt allerbeste plaat tot op heden op. En dat wil na eerdere schoonheden van albums als pakweg “Midnight At The Movies”, “Nothing’s Gonna Change The Way You Feel About Me Now”, “Harlem River Blues”, “Absent Fathers” en “Single Mothers” best wel wat zeggen.

De ondertussen van de straat geraakte, gehuwde en zelfs al een kind verwachtende Earle kijkt op “Kids In The Street” meer dan ooit om zich heen. Met name wat er de jongste jaren in zijn thuishaven Nashville aan het gebeuren is, laat hem duidelijk niet onberoerd. De gestage teloorgang van echte working-classbuurten aldaar baart hem zorgen, zoveel is zonneklaar. Titelnummer “Kids In The Street” is in al zijn ingetogen pracht een zeer mooi voorbeeld bij die stelling.

Elders klinkt Earle hier vaak juist heel opgewekt, voor zijn doen bijna uitgelaten. Zoals in eerste single “Champagne Corolla” bijvoorbeeld, met z’n zomerse R&B touch, in het door zwierig pianogepingel aangejaagde “15-25” ook, in het sympathiek schokschouderend voorbijglijdende “Short Hair Woman” en in Earles eigenzinnige update van de blues classic “Stagolee”.

Aan variatie hoe dan ook geen gebrek op “Kids In The Street”. De catchy heartland rock van “Maybe A Moment” had zo van het repertoire van The Boss kunnen stammen, “There Go A Fool” is werkelijk bloedmooie country soul, “What’s She Crying” is wat je noemt een ouderwets lekkere country shuffle, “Faded Valentine” doet het op zijn beurt dan weer aan walstempo en “What’s Goin’ Wrong” en “If I Was The Devil” zijn bepaald knappe countrybluesjes.

Wat ons betreft een plaat met een heel lange houdbaarheidsdatum. Noem het maar een klassiekertje in wording.

Justin Townes Earle

 

HARPER’S WEEKLY “Morning Comes” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Harper’s Weekly was een Amerikaans geïllustreerd weekblad dat in z’n thuisland op een gegeven ogenblik met name door z’n berichtgeving over de Civil War een behoorlijk ruime oplage wist te behalen. Het laatste nummer van de publicatie verscheen op 13 mei 1916. Daarna ging ze op in het in New York en later ook in Boston verdeelde blad The Independent. Nu, ruim honderd jaar later, duikt de naam Harper’s Weekly plots opnieuw op. Zij het dan ook in een geheel andere context. In Zweedse americanamiddens meer bepaald. Als nom de plume van een rond singer-songwriter Gustav Johansson en gitarist Tobias Sundström opgetrokken vijftal, dat met “Morning Comes” een zeer sterk debuut aflevert.

De muziek van de vijf daarop is overduidelijk beïnvloed door die van acts als Ryan Adams, Townes Van Zandt, Phosphorescent en de Cowboy Junkies. Zonder daarbij te vervallen in louter epigonisme evenwel. Die klip omzeilt Johansson naar onze bescheiden mening met brio door steeds weer voldoende eigenheid in z’n liedjes te stoppen.

Melodieuze opener “Take Me Back” flirt zo bijvoorbeeld in een eigentijdse setting onopvallend met old-time stringband music, de ballad “Rosie” baant zich sierlijk bewegend over bedaard gitaarwerk van Sundström en opnieuw de banjo van Torbjörn Erlands vrijwel onmiddellijk een weg naar je hart, terwijl in het echt ongemeen sfeervolle “Go With Me” op zijn beurt vooral de hemelse interactie tussen stemmen en snaren opvalt.

“Morning Comes” twangt vervolgens ingehouden een eindje weg richting een meer countrygetint geluid, “Where I Wanna Be” dient zich aan als één van de meer uitgesproken redenen waarom we Ryan Adams hier hoger als een invloed vernoemden en “Find Out” heeft voorwaar zelfs een countrysoulrandje. En met de mooie tragen “Lost And Free” en “Oh My” en het duo “Walk In The Rain” en “I Was Lost” wordt “Morning Comes” ook op een aardig hoog niveau afgerond.

Harper’s Weekly

 

CLARENCE BUCARO “Tableau” (Twenty Twenty Records)

(4****)

Zo’n vijftien jaar lang ondertussen al weet Clarence Bucaro ons steeds opnieuw te bekoren. Met albums als “New Orleans”, “Sense Of Light”, “Sweet Corn”, “’Til Spring”, “Walls Of The World”, “Dreaming From The Heart Of New York”, “Hills To Home”, “Like The 1st Time” en recenter nog “Pendulum” raakte hij hier keer op keer de juiste snaar. Die fluwelen stem, die verhalen, dat poëtische talent! Meer moest dat voor ons absoluut niet zijn. Moest en moet! Ook het hier en nu heeft immers weer een leuke Bucaro-verrassing voor ons in petto. Zijn inmiddels tiende studioalbum heet “Tableau” en bevat tien nieuwe songschoonheden van eigen hand.

Tien knappe rootskleinoden, tableautjes zo u wil, opgehangen tegen een eerder sober gehouden muzikale achtergrond, waarin een akoestische gitaar, een viool, een accordeon, een piano, keyboards en drums voornamelijk een dienende, een ondersteunende rol hebben. Front & center bevinden zich zo ongeveer te allen tijde de teksten, de verhalen van Bucaro zelf. En daarin blijkt ditmaal een opvallende rol weggelegd voor de tegenstelling tussen licht en donker. Dat leert ook een snelle blik op de titels van de nummers al. “Afraid Of The Dark”, “Cold Dark Night”, “Lord, Light Me A Candle”, het zijn de eerste verwijzingen naar wat je bijna een centraal thema zou durven noemen.

En met “Afraid Of The Dark” zit daar meteen ook één van onze absolute favorieten hier tussen. Alleen al maar omdat Bucaro ons daarin met z’n allen oproept om onze angsten in de ogen te durven kijken. Een boodschap die in tijden als deze toch wel een flinke extra dimensie meekrijgt. Recente voorvallen zoals die in Manchester, Londen en Parijs indachtig eigenlijk precies wat we nodig hadden.

Andere echte topmomentjes op “Tableau” zijn het ons volop aan zowel de jonge Paul Simon als aan wijlen Jim Croce herinnerende “Tallahassee”, de werkelijk bloedmooie slow “Timeless”, het enkele tellen lang op subtiele wijze ons steeds vaker tot zinloos geweld aanzettende systeem aan de kaak stellende “Cold Dark Night” en centerpiece “Lord, Light Me A Candle”, waarin Bucaro speels op zoek gaat naar dat ene, eeuwig aan de einder schijnende licht.

Net geen half uur lang folkpop van het allerbeste soort!

Clarence Bucaro

 

MIKE YOUNGER “Little Folks Like You And Me” (Mike Younger)

(4****)

Met “Little Folks Like You And Me” levert Mike Younger andermaal een bijzonder fraai staalkaartje van zijn kunnen af. Onder de vleugels van producer Bob Britt lukte hem ditmaal in Nashville een plaat die ons inziens met name bij liefhebbers van het materiaal van knapen als een Delbert McClinton, een John Hiatt en een Rodney Crowell hoge ogen zou moeten kunnen gooien. Daar waar folk, country, blues, R&B en soul elkaar liefdevol in de armen sluiten, daar is immers ook de Canadees thuis. En dat levert ook op zijn nieuwe plaat weer zo menig een pareltje op.

Of het nu gaat om de weer eens even volop naar de seventies verwijzende roots rock van openingsnummer “If I Was A Wheel”, om de werkelijk rete-aanstekelijke R&B-spring-in-‘t-veld “Never Was A Dancer”, om de mileubewuste blues & roots van “Poisoned Rivers”, om het een heel klein beetje aan JJ Cale herinnerende en op zijn eigen leven on the road terugkijkende “Drifter’s Lament”, om de zwierige countryopstoot “Rodeo Queen”, om het als een soort van wake up call voor zijn huidige generatie medemensen gebrachte luisterliedje “What Kind Of World”, om het bedaard rootsy rockende “With Every Heartbeat”, om de soulvolle trage “How To Tell A Friend Goodbye”, om het wat potentere, even Don Henley in herinnering roepende “Walk In The Mud” of om het zomers opgewekte en met bijzonder fijn toetsenwerk opgesmukte “The Living Daylights”, dit boeit eigenlijk gewoon van de allereerste tot de allerlaatste seconde. En dat in totaal ruim zevenenveertig minuten lang.

Moeten we hier dan ook niet al te lang over nadenken: dit schijfje bevelen we je graag van ganser harte aan! Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Mike Younger

 

CURSE OF LONO “Severed” (Submarine Cat Records)

(4****)

Het naar de cult classic van Hunter S. Thompson vernoemde Curse Of Lono is wat je noemt a breath of fresh air. De groep rond de eerder nog relatief succesvol in Hey Negrita actieve singer-songwriter Felix Bechtolsheimer is duidelijk niet voor één gat te vangen. Aan invloeden bepaald geen gebrek op de eerste volwaardige langspeler van het vijftal. En dat maakt dat hun liedjes lang niet allemaal even makkelijk te plaatsen zijn.

Akkoord, dingen als het bedaarde “Each Time You Hurt” – Iets waaraan wijlen Johnny Cash een ferme kluif zou hebben gehad, als je het ons vraagt! – of het uit min of meer hetzelfde vaatje tappende “He Takes My Place” horen nog redelijk duidelijk onder de noemers Americana of country thuis. Maar wat met tal van andere deunen hier? Zoals het net als “He Takes My Place” ook al van een eerder verschenen EP bekende “London Rain” bijvoorbeeld. Daarvoor kunnen we hier inderdaad wel leven met de uit de promotiemachine rollende omschrijving gothic indie rock. Is met z’n in de verte wat aan de Doors schatplichtig orgeltje een echt toppertje trouwens, dat liedje. En what about “Just My Head”? Daarin zijn het blues & roots die even de neus aan het venster steken. Zij het dan ook niet zonder eerst wat poppy te zijn gepoederd.

“Five Miles” heeft op zijn beurt genoeg aan een zenuwachtige vibe om folkrockgewijs volop te bekoren, “Pick Up The Pieces” klinkt als Paul Simon met wat peper in de reet en “Send For The Whisky” is met zijn gevarieerd ritmische rootsy aanpak misschien wel het allermooiste nummer van allemaal hier. Het bedwelmende “All I Got” staat voor een momentje van absolute rust, het sfeervolle “Welcome Home” kan dan weer terugvallen op een bepaald filmisch karakter en datzelfde kan eigenlijk ook wel gezegd worden van de net wat ingetogener afgeleverde afsluiter “Don’t Look Down”.

Samenvattend zou je kunnen stellen, dat “Severed” een album is, dat je echt wel enkele keren moet hebben gehoord om de volle rijkdom ervan in te zien. Een groeibriljantje noemen ze zoiets gewoonlijk.

Curse Of Lono

 

JEFF FINLIN “The Guru In The Girl” (Continental Song City / CRS)

(4,5*****)

Waarom deze knaap nog steeds niet op een veel en veel grotere naambekendheid kan terugvallen, is voor ons één groot raadsel. Het materiaal van de Amerikaanse songsmid Jeff Finlin is doorgaans immers van een klasse apart. En dat is ook op deze tiende van ‘m weer niet anders. Tien nummers lang is hij andermaal zeer veeleisend voor zijn publiek, maar zo hebben we het hier graag. Meer nog: we zouden het zelfs helemaal niet anders willen. Niks zo fijn immers als je spiritueel laven aan de diepzinnige gedachten van Finlin.

Zijn nieuwe worp blikte de beste man in Nederland in. In Studio Wild Verband in Boxmeer meer bepaald. De thuishaven van de onvolprezen BJ Baartmans inderdaad. En die tekende samen met Finlin zelf ook voor de productie van het geheel. Om nog maar te zwijgen over zijn gesmaakte bijdragen op tal van gitaren, elektrische sitar, bas, piano en keyboards. Samen met drummer Sjoerd van Bommel, die voor een tweetal nummers acte de présence gaf, zorgde hij zowat voor de muzikale fundamenten waarop Finlin volop aan de slag kon. Al keek die zelf ook niet bepaald werkeloos toe, hoor. Onder meer op de akoestische, een enkele keer op de piano en voorts ook op de Fender Rhodes, drums en diverse percussie-instrumenten deed hij ruimschoots mee zijn duit in het zakje.

Het resultaat is een album dat gelijk opvalt door zijn wat aparte, veelal eerder ingetogen sfeer. Te situeren wat ons betreft ergens tussen Americana en (roots)pop. Volop levend van de bij momenten ronduit verbluffend te noemen interactie tussen de knauwzang van Finlin zelf en de snarenbijdragen van Baartmans. Hoe die Finlins woorden telkens weer fraai weet te onderlijnen is stuff that dreams are made of. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het zich lijzig verleidelijk een weg naar je onderbewustzijn banende “Angelou” en je zal meteen begrijpen, wat we daarmee precies bedoelen.

Dat liedje is meteen ook één van de vele hoogtepunten die “The Guru In The Girl” rijk is. Hier bleven verder vooral ook de sfeervolle opener “Her Love Will Light The Way”, het zachtjes rockende en zeer radiogenieke “Babylon”, het ons om de één of andere reden – we weten zelf ook niet goed waarom nu precies… – wat aan Springsteen in één van zijn bedaardere momenten herinnerende “Driving Wheel #72” en het afsluitende en werkelijk bloedmooie titelnummer hangen.

Jeff Finlin, Bandcamp (CRS)

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home