CD-recensies november 2017

 

* = Thanks, but no thanks! - ** = Mediocre… - *** = Just plain good stuff.

**** = Very good indeed! - ***** = Absolutely brilliant!!!                                   

                                                                                                            

Op deze pagina vind je recensies van de volgende albums:        

ROD PICOTT “Out Past The Wires” - DIVERSE ARTIESTEN “Won’t Be Home For Christmas” - MICHAEL ASKIN “Road By The River” - SWEETKISS MOMMA “Get Ready For The Getdown” - DAISY CHAPMAN “Good Luck Songs” - CASE GARRETT “Aurora” - MICHELLE LEWIS “The Parts Of Us That Still Remain” - LIEVEN TAVERNIER “Live In Gent” - NORDGARDEN “Changes” - SLEEPY DRIVER “Sugar Skull” - ROB JUNGKLAS “Blackbirds” - PETUNIA AND THE VIPERS “Lonesome, Heavy And Lonesome” - PI JACOBS “A Little Blue” - REBEKAH LONG “Run Away” - MARK LOTTERMAN “Holland” - THE ROSELINE “Blood” - STORMY MONDAYS “Suitcase Full Of Dreams” - JAY PINTO “Jay Pinto” - SAM MARINE “Big Dark City” - MARK MARTYRE “Rivers” - LEIF DE LEEUW BAND “Until Better Times” - PETER GALLWAY “Feels LIke Religion” - THUNDERBOLT & LIGHTFOOT “Songs For Mixed Company” - JOHN F. KLAVER BAND “Catch The Morning Sun” - ELLES BAILEY “Wildfire” - SUSTO “& I’m Fine Today” - BENDIK BRAENNE “The Last Great Country Swindle” - PAAL FLAATA “Love And Rain: The Athletic Sessions” - THE GREAT CRUSADES “Until The Night Turned To Day” - JW ROY & THE ROYAL FAMILY “A Room Full Of Strangers” - ERIC WESTBURY “Atomic Wilderness” - JIM BYRNES “Long Hot Summer Days” - DICK LEMASTERS “Incompatible Things” - LEVI CUSS “Just Below Radio” en “Just Below Radio Vol. 2” - RODNEY DECROO “Old Tenement Man” - DICK VAN ALTENA “Singer And Songs” - VALPARAISO “Broken Homeland” - JOSH HARTY “Holding On” en “Handcrafted” - RICHARD THOMPSON “Acoustic Rarities” - RICHARD VAN BERGEN & ROOTBAG “Walk On In” - AMELIA WHITE “Rhythm Of The Rain” - JADEA KELLY “Love + Lust” - WALTER SALAS-HUMARA “Work: Part Two” - HT ROBERTS “Stalemate Days” - SETH WALKER “Gotta Get Back” - MATT PATERSHUK “Same As I Ever Have Been” - THE REMEDY CLUB “Lovers, Legends & Lost Causes” - LUKE TUCHSCHERER “Always Be True” - JOLIE HOLLAND & SAMANTHA PARTON “Wildflower Blues” - PETER BRUNTNELL “Nos Da Comrade” - THE WYNNTOWN MARSHALS “After All These Years” - BOB BRADSHAW “American Echoes” - JESSE TERRY “Stargazer” - CIARA SIDINE “Unbroken Line” - GREGG STEWART “TwentySixteen” - RED HERRING “Here To Distract You” - TOM RUSSELL “Folk Hotel” - PAUL BRADY “Unfinished Business” - MARTIN SIMPSON “Trails & Tribulations” - CHRIS BLEVINS “Better Than Alone” - TIP JAR “Gemstone Road” - SUSAN CATTANEO “The Hammer & The Heart” - DUANE FORREST “The Climb” - RON POPE “Work” - VIPER CENTRAL “The Spirit Of God & Madness” - STEVE MAYONE “Sideways Rain” - ED DUPAS “Tennessee Night” - DOUG MACLEOD “Break The Chain” - TROND SVENDSEN & TUXEDO “Palomino Hotel” - RICHARD THOMPSON “Acoustic Classics II” - DOWN HARRISON “Possessed” - SLAID CLEAVES “Ghost On The Car Radio” - THE BRANDOS “Los Brandos” - THE PALADINS “New World” - DANIEL ROMANO “Modern Pressure” - GOSPELBEACH “Another Summer Of Love” - JUSTIN TOWNES EARLE “Kids In The Street” - HARPER’S WEEKLY “Morning Comes” - CLARENCE BUCARO “Tableau” - MIKE YOUNGER “Little Folks Like You And Me” - CURSE OF LONO “Severed” - JEFF FINLIN “The Guru In The Girl”

 

ROD PICOTT “Out Past The Wires” (Welding Rod Records / Lucky Dice Music)

(5*****)

Over zo menig een singer-songwriter hoor je wel eens zeggen, dat hij alleen maar beter wordt met de jaren. Of dat met Rod Picott ook het geval is? Ik zou het niet meteen durven zeggen. Eigenlijk heeft de beste man er immers altijd al gestaan. Vanaf dag één. Vanaf “Tiger Tom Dixon’s Blues”, zijn magistrale debuutplaat uit 2001. Ik herinner het me nog goed: daartoe aangewakkerd door een advertentie in het onvolprezen No Depression ging ik indertijd op het internet op zoek naar die eersteling van Picott. En meer dan een paar liedjesfragmenten waren er absoluut niet nodig om me van ’s mans immense talenten te overtuigen. Ever since ben ik een fan. Zij het dan ook een mild kritische. Eentje die van Picott altijd opnieuw weer magie verwacht. En dat blijkt zo nu en dan ook wel eens een té hoge eis. Al wil ik daar wel direct aan toevoegen, dat Rod Picott me nog nooit echt ontgoocheld heeft.

En dat is ook nu weer niet het geval. Meer nog: eerder het tegendeel is waar. Picotts negende is één van zijn allerbeste so far. En zijn meest ambitieuze al helemaal. Mede dankzij een geslaagde crowdfunding-campagne kon hij het zich immers permitteren om ditmaal een dubbelaar in te blikken. Liefst achtenzeventig nummers hield hij daartoe achter de hand. De tweeëntwintig beste daarvan belandden uiteindelijk op “Out Past The Wires”. En dat heeft geleid tot een aangenaam gevarieerd geheel. Met naast tal van die heerlijke ballads waarvoor Picott al zo vaak werd geprezen ook wat lekker rockende dingen en nog wat anderen opgepikt bij zo ongeveer elke denkbare muzikale halte tussen die twee polen in.

Uiteraard focust Picott ook nu in zijn teksten weer op datgene waarin hij in het verleden al steeds zo goed bleek. In de meeste liedjes op “Out Past The Wires” gaat het derhalve weer over wat er zich afspeelt in de levens van gewone werkende lieden. Eelt op de handen, eelt op de ziel. Door Picott benaderd met veel zin voor detail. En met het nodige gevoel. Ook hij heeft immers zijn roots in een dergelijk bestaan, remember?

Hét grote verschil met de beginjaren van Picott schuilt hem ons inziens enkel en alleen daarin, dat hij mettertijd zijn reputatie steeds meer mee is gaan krijgen en derhalve ook altijd makkelijker met echte toppers studiowaarts kon trekken. In dit gevalde gerenommeerde producer Neilson Hubbard – ook al aan boord voor zijn vorige worp “Fortune” – en een muzikantencollectiefje verder ook nog bestaande uit Will Kimbrough (gitaren), Lex Price (elektrische en akoestische bassen), Evan Hutchings (drums), Kris Donegan (gitaren), David Henry (strings) en Telisha Williams (harmony vocals). Met z’n allen verschaften zij Picott een muzikaal decorum dat in al zijn eenvoud vrijwel constant schreeuwt om aandacht. Een setting waarin ’s mans meesterlijke kortverhalen extreem goed gedijen. Het zou me absoluut niet verbazen als je in besprekingen ervan regelmatig de naam Springsteen zou zien opduiken. Al is wat Picott op “Out Past The Wires” doet dan ook lang niet zo commercieel als veel van het materiaal van The Boss. Meer Americana nog, zeg maar. In dat genre vestigt Picott zich met zijn nieuwe schijf wat mij betreft nu wel definitief in de absolute top.

Rod Picott

 

DIVERSE ARTIESTEN “Won’t Be Home For Christmas” (Hemifrån / Paraply Records)

(4****)

Elk jaar opnieuw erger ik mij in de eindejaarsperiode blauw aan het radioaanbod. Elk jaar opnieuw dezelfde afgezaagde deuntjes, al dan niet in nieuwe versies door anderen. Elk jaar opnieuw weer meligheid troef… Ja maar, dat hoort er nu eenmaal bij, hoor je dan. Wel, niet voor mij dus. Om mij met een kerstliedje blij te maken moet je al met iets speciaals komen. En laat dat nu net zijn wat de onvolprezen Peter Holmstedt van Hemifrån en die van Paraply Records dit jaar doen. Ze pakken uit met wat ze zelf omschrijven als “not just another Christmas album”.

Promotor Holmstedt wist er achttien van de artiesten die van zijn stal deel uitmaken van te overtuigen om speciaal voor de gelegenheid een liedje aan te dragen. En dat leverde zo menig een pareltje op. Singer-songwriter stuff van het allerbeste soort. Kon bij nader inzicht ook amper anders als je er het lijstje betrokkenen even op naslaat. Elliott Murphy, Annie Gallup, Kenny White, Jude Johnstone, Keith Miles, Janni Littlepage, Kaurna Cronin, Paul Kamm, Rambling Nicholas Heron, My Darling Clementine, Bob Cheevers, Mudfish, Fayssoux, Barry Ollman, Mikael Persson, The Refugees, Jack Tempchin en Citizen K zorgen vrijwel zonder uitzondering voor gesmaakte bijdragen.

Heel veel akoestische folk en Americana ballads, wat pop en soft rock ook, iets in overvalste crooner style en hier en daar wat spullen die zich al wat minder makkelijk laten categoriseren. Onze favorietjes: Elliott Murphy’s “Five Days Of Christmas”, het op z’n zachtst uitgedrukt hoogst aparte relaas van een Kerst met zijn aan een bipolaire stoornis lijdende neef Linear, het knappe rootspopdondertje “Winter’s Come To Life” van Mudfish, “Christmas Ain’t Christmas”, de onverwachte bijdrage in onvervalste rockabillystijl van Fayssoux, het moody “The Spirit Of Christmas” van Bob Cheevers, “Miracle Mabel”, het hun eigen kleine wonder bezingende kerstmomentje van Lou Dalgleish en Michael Weston King oftewel My Darling Clementine, en Annie Gallups “Christmas On The Train”.

Zó wordt het dit jaar ook op muzikaal vlak genieten zo rond Kerstmis! Een welgemeende dikke merci daarvoor aan het adres van initiatiefnemer Holmstedt.

Hemifrån

 

MICHAEL ASKIN “Road By The River” (Michael Askin)

(3,5****)

Er belanden dezer dagen nogal wat EP’s in onze brievenbus en ook dit is er daar weer eentje van. Het gaat hier om de nieuwe van de jonge Amerikaanse songsmid Michael Askin. Die zou je kunnen kennen van zijn rol als gitarist binnen hier vooralsnog niet erg bekende acts als Divine Sign en My State Of Attraction. Al schatten we die kans hier eerder klein. Voor ons ging het bij onze eerste beluistering van “Road By The River” in elk geval om een kennismaking met de beste man. En die beviel ons eigenlijk wel. In die mate zelfs dat het bij nader inzicht allemaal wel wat meer geweest mocht zijn.

Askin staat op “Road By The River” immers voor kleine, maar fijne rootsy rockliedjes met een scherp randje. Liedjes, waarin hij het alledaagse handig weet te koppelen aan veel diepzinnigere gedachten. Een soortement reisverhaal van een rusteloze ziel, constant onderweg, constant op zoek naar god weet wat.

Voor de productie van “Road By The River” tekende Kurt Reil. En dat was ook de enige die verder nog bij het opnemen van het geheel betrokken werd. Askin zelf tekende voor de lead vocals en bijdragen op gitaren, bas en keyboards. Reil van zijn kant verzorgde wat backing vocals en liet zich ook gelden op drums, wat percussie-instrumenten en keyboards.

Enkele luistertips: het bijzonder knappe titelnummer en het lang volledig akoestisch gehouden, maar zich uiteindelijk toch aan een elektrische gitaar overgevende “Hard To Make A Living”.

Michael Askin

 

SWEETKISS MOMMA “Get Ready For The Getdown” (SweetKiss Momma)

(5*****)

Via een kleine omweg langs Zwitserland bereikte ons onlangs de nieuwe van het vanuit rockstad Seattle actieve SweetKiss Momma. En nieuw spul van dat gezelschap, da’s eigenlijk altijd wel goed nieuws. Met hun eerdere worpen “Revival Rock” (2010), “A Reckoning Is Coming” (2014) en “What You’ve Got” (2016) wisten de heren hier alvast heel veel krediet op te bouwen. Hoe ze verleden en heden in hun strakke rockexercities steeds weer naadloos in elkaar lieten overlopen sprak keer op keer opnieuw tot onze verbeelding. En dat doet het ook nu weer.

Enig minpuntje aan de nieuwe van Jeff Hamel en de zijnen is de met amper vijf tracks erg kort uitvallende speelduur ervan. Afgeklokt wordt er in net iets meer dan twintig minuten. Maar dat zijn dan wel twintig goed bestede minuten. Gelukkig maar!

Afgetrapt wordt er met “Old Dry Bones”. Een geweldig liedje! Catchy as Hell! Maximum Southern rock met kopstuk Hamel in vocale topvorm. Wij zouden hier in dat verband van een droomstart durven te gewagen. En die vindt in het meteen daarop aansluitende “Go On, Get Off” een al even knap vervolg. Het tempo mag nog wat meer omhoog zelfs. Het resultaat: hypernerveus, maar bijzonder soulvol spul, opnieuw voorzien van onmiddellijk houvast tussen je oren zoekende fijne weerhaakjes.

Met “Just Have You” wordt vervolgens een kingsize dosis meer gitaargeoriënteerde (Southern) blues rock opgehoest, alvorens met “Woman Of Wickedness” en “Between The Flood And The Fire” het naar onze smaak bepaald indrukwekkende afsluitende tweeluik wordt ingezet. Het eerste lijkt aanvankelijk door de retro-toetsenbijdrage van Dan Walker te evolueren in de richting van een rock classic genre Deep Purple’s “Child Of Time” maar ontpopt zich verderop al snel tot een lap lillend hardrockvlees anno nu. Het tweede wordt ingezet met een eigentijdse kijk op de field holler en ontbolstert vervolgens in een machtig fijn streepje melodieuze instrumentale rock.

Kort samengevat: goed voor een vijf op vijf, dit schijfje!

(De maanden november en december brengen de heren binnenkort ook weer voor een redelijk uitgebreide tournee naar Europa. Belgische gigs zijn er daarbij helaas niet voorzien, maar met optredens in het Rozenknopje in Eindhoven (17-11) en De Bosuil in Weert (19-11) hoeft u niet echt ver de grens over om hen toch live aan het werk te kunnen zien.

SweetKiss Momma

 

DAISY CHAPMAN “Good Luck Songs” (Songs & Whispers / Broken Silennce)

(4****)

Met “Good Luck Songs” is Daisy Chapman al aan haar derde volwaardige langspeler toe. Eerder verschenen van de bekoorlijke Britse ook al de EP’s “Hymns Of Blame” en “And There Shall Be None” en de longplays “The Green Eyed” en “Shameless Winter”. Platen, waarmee ze onder meer al vergelijkingen met Nick Cave en Regina Spektor wist te oogsten. En al zeggen dergelijke vergelijkingen meestal niet veel, ditmaal helpen ze ons toch echt wel een flink stuk op weg.

Wat bij het beluisteren van “Good Luck Songs” meteen al opvalt is Chapmans ongemeen heldere hoge stem. Die helpt haar om net als een mes doorheen warme boter door haar songs te glijden. En als je daar dan ook nog eens haar verzorgde, wat aan dat van Michael Nyman refererende pianospel aan toevoegt, dan weet je al snel dat je gebeiteld zit voor een bijzonder aangename luistertrip. Opgewaardeerd bovendien nog met perfect bij het gebodene aansluitende strijkers.

Wat betreft de inhoud van haar liedjes lijkt Chapman nadrukkelijk een voorbeeld te hebben gehad aan Leonard Cohen. En ook dat is wat ons betreft allesbehalve slecht nieuws. Al is dat wel een kwestie van smaak natuurlijk. Wij houden wel van dat enigszins donker-melancholische in de aanpak van Chapman.

Afsluiten doet Chapman “Good Luck Songs” dan ook nog eens met wat wij hier één van de allermooiste liedjes aller tijden vinden, Tom Waits’ “Tom Traubert’s Blues”. Het origineel doet ze ons met haar versie zeker niet vergeten, maar heel mooi en met heel erg veel gevoel brengt ze het nummer zeker wel. Wij zouden het samen met het tragische verhaal van “Idilia Dubb” en vooral ook het magistrale “Generation Next” zelfs tot de absolute hoogtepunten van de plaat durven te rekenen.

Ons besluit met betrekking tot Chapmans nieuwste is simpel: dit is gewoon een prachtige plaat. Eentje waarmee ze ook tot ver buiten onze lezerskringen vrienden voor het leven zou moeten kunnen maken.

Daisy Chapman

 

CASE GARRETT “Aurora” (Suitcae Records)

(3***)

Alcohol en andere “recreational activities” zorgden ervoor, dat de Amerikaan Case Garrett op een bepaald punt in zijn leven door dokters voor de keuze werd geplaatst: zijn levensstijl dringend drastisch aanpassen of er heel snel het bijltje bij neerleggen. En wat doet een mens dan, he…

In het geval van Garrett was dat effectief stoppen met zuipen en zijn heil zoeken in de muziek. Met als eerste concrete resultaat nu “Aurora”. Dat door de beste man zelf geproduceerd geheel bevat in totaal acht liedjes. Zeven eigen nummers – nu ja, zes eigenlijk, want van “Going Down To Mobile” staan er twee verschillende versies op – en een cover van “Call Me The Breeze” van JJ Cale. Liedjes die Garrett zelf, als we het begeleidende schrijven mogen geloven, graag gecategoriseerd ziet als eigentijdse outlaw country. Aansluitend bij het werk van iconen als Willie Nelson, Waylon Jennings en co met andere woorden. En dat vinden wij hier bij nader inzicht toch wel wat ver gezocht.

Al willen we graag toegeven, dat “Aurora” zeker zo zijn momenten heeft. De trage “She Never Liked Elvis” bijvoorbeeld. In al zijn weemoedigheid is dat best wel een prima deun. En ook de bedaard rockende country van “Going Down To Mobile” ging er hier met veel smaak in. Net als de door Garrett aan een sleutelmoment in zijn eigen persoonlijke leven opgehangen verhalende ballad “Long Way Down”. Oog in oog met zijn onschuldig openhartige achtjarige zoon ging Garrett eindelijk inzien wat de drank allemaal met je doet. En niet met jou alleen…

Case Garrett

 

MICHELLE LEWIS “The Parts Of Us That Still Remain” (Michelle Lewis)

(3,5****)

Michelle Lewis is een vanuit Boston afkomstige zingende liedjesschrijfster die dezer dagen de wereld tracht te veroveren vanuit Los Angeles. Lewis studeerde lang geleden af aan het vermaarde Berklee College of Music. En ze debuteerde ook al in 2004 met het album “This Time Around”. Later volgden met “Broken” en “Paris” enkel nog een stel EP’s. Tot nu, that is. Nu is er met “The Parts Of Us That Still Remain” eindelijk haar tweede volwaardige langspeler.

En op dat album leren we de Amerikaanse kennen als een songsmid met een neusje voor fijne melodieën. Deuntjes die maar wat graag de niche tussen pop en folk lijken te willen opzoeken. Niet zelden met een melancholisch randje. Tekstueel aardig vaak in de weer met het relationele. Hoe dan ook fijn luistervoer. Mede dankzij de aangename fluwelen stem van La Lewis zelf.

Geopend wordt er met het qua feel best wel een beetje bij veel van het materiaal van Nanci Griffith aansluitende “Sorry I Forgot To Write”. Vervolgens is er de net wat meer popgeoriënteerde oorwurm “Running Back Home”. Een nummer dat Lewis schreef samen met de hier ook zelf erg gewaardeerde Robby Hecht. En dat geldt overigens ook voor het meteen daaropvolgende “None Of That Now”. Een laatste co-write is het meer naar het einde van het geheel geposteerde “Goodbye”. Daarvoor werkte Lewis samen met de ons volslagen onbekende Conan Skyrme.

Voor het overige enkel nog Lewis-originelen op “The Parts Of Us That Still Remain”. En de mooisten daarvan vonden wij de volgende drie. Om te beginnen het werkelijk naadloos bij de weemoedigheid van het huidige jaargetijde aansluitende “Broken”. En zeker ook het als een walsje verpakte streepje gezelligheid “Just Like A Movie”. Is net als de single “Run Run Run” een nummer dat echt schreeuwt om aandacht, dat liedje. Aandacht die “Run Run Run” trouwens al ruimschoots kreeg onder de deelnemers aan de jaarlijkse marathon van Boston. Het nummer werd zelfs gebruikt tijdens de nationale TV-uitzending daarvan.

Mooie Lewis is binnenkort overigens ook in ons land voor een stel optredens. Meer bepaald in de Moby Dick in Antwerpen (08-11), in Café De Loge in Gent (12-11) en in Café Vogelzang in Kruibeke (13-11).

Michelle Lewis

 

LIEVEN TAVERNIER “Live In Gent” (Coast To Coast)

(5*****)

Niet graag op een podium staan, voor je carrière is het meestal nefast. Voor Lieven Tavernier niet anders dan voor vele anderen voor hem. Jarenlang bleef hij daardoor één van de best bewaarde singer-songwritergeheimen van Vlaanderen. Als er al mensen waren, die hem kenden, dan toch vooral door de vertolkingen van zijn songs door Jan de Wilde. Door diens overigens volkomen terecht in het collectieve geheugen gekerfd staande versies van dingen als “De Fanfare Van Honger En Dorst” en “De Eerste Sneeuw” meer bepaald.

Gelukkig begonnen de laatste paar jaren wel steeds meer muziekliefhebbers Tavernier te ontdekken. Onder meer door het zijn teksten bundelende boek “Eerste Sneeuw” en met name ook de cd “Geen Kwaje Vrienden”, waarop collega’s als Stef Kamil Carlens, Gabriel Rios, Neeka, Raymond Van Het Groenewoud, Roland, Kris De Bruyne, Bony King, Bruno Deneckere en vele anderen zijn liedjes eerden, ging het plots een stuk sneller voor de beste man.

De volgende stap is nu een compilatie met het beste van twee van zijn concerten in de Gentse Minardschouwburg van eerder dit jaar. Op 5 en 6 maart meer bepaald stonden Tavernier en “De Zondaars” er samen op de planken. De Zondaars oftewel Arne Van Dongen (contrabas), Bruno Deneckere (akoestische en elektrische gitaren), Klaas Delvaux (cello en basgitaar), Nils De Caster (viool, mandoline en lap steel), Philippe Turiot (accordeon), Yves Meersschaert (piano) en Sarah D’Hondt (zang). Heel schoon volk met andere woorden. En dus klinkt deze live-registratie ook werkelijk puntgaaf. Met een Tavernier die eigenlijk zelfs behoorlijk relaxed aandoet. Zou het echt?

Hoe dan ook, wat we geserveerd krijgen is een dwarsdoorsnede uit zijn zeven eerder verschenen albums aangevuld met een drietal goed gekozen covers. Zo wordt er bijvoorbeeld geopend met een mooie Nederlandstalige versie van het ooit door Steve Goodman gepende, maar natuurlijk vooral door John Prine bekend gemaakte “Souvenirs”. En verderop blijken “De Gouden Schaar” en “Sterren In Het Slijk” al even knappe adaptaties van respectievelijk Dolly Partons “Coat Of Many Colors” en “Diamonds In The Rough” van The Carter Family.

Daarnaast zijn er natuurlijk ook de twee hoger al vermelde klassiekers in speciale uitvoeringen en al even mooie versies van “Slimmer Dan Jaap Kruithof”, “Een Oude Dylan Song”, “Julia Roels”, “Lily”,”De Klokken Van Sint-Baafs”, “Mokabon 8 A.M.”, “Patti Smith”, “Sprookjesbos”, “Niet Bij Een Ander” (Door Sara D’Hondt!), “Mooiste Ogen” en “Niet Voorbij”. Goed voor net geen zeventig minuten in het gezelschap van de wellicht beste in het Nederlands actieve songsmid die ons land ooit heeft gekend. Vlaanderens antwoord op knapen als John Prine, Kris Kristofferson, Guy Clark en wijlen Townes Van Zandt.

Lieven Tavernier

 

NORDGARDEN “Changes” (GDN Records / PIAS)

(4****)

Heerlijke nieuwe plaat van de Noorse singer-songwriter Terje Nordgarden. Gewoon live in de studio opgenomen met de hulp van muzikanten betrokken bij onder meer Jaga Jazzist, Sivert Høyem, Big Bang en Madcon. Het resultaat is een ongemeen warm en soulvol klinkend organisch geheel vol met Americana en roots pop van het allerfijnste soort.

Tien nummers lang slingert Nordgarden behendig heen en weer tussen genres als pop, rock, country, soul, blues en gospel. Twee daarvan schreef hij samen met countryartieste Claudia Scott. Twee andere samen met de Zweedse Johanna Demker.

Als mooisten van het lot onthielden wij na tal van luisterbeurten het als een zacht zomers briesje voorbij gewaaid komende pianopopdeuntje “Wide Open Spaces”, het mede door sfeervol toetsenwerk en gesmaakte blazers van de soul bulkende “Side Of The Road”, de ronduit heerlijk te noemen Americana van het titelnummer, het bluesy “I Ain’t Gonna Let Her (Let Me On No More)”, het ons om de één of andere reden best wel wat aan Little Steven in zijn beste dagen herinnerende “You Must Be The Change” en de knappe ballad “The Storm”. Maar eigenlijk staat hier gewoon niet één minder nummer op. Dikke plaat!

Nordgarden

 

SLEEPY DRIVER “Sugar Skull” (Black Bell Driver)

(4****)

“Sugar Skull” is al de vijfde langspeler van Peter Hicks (zang, gitaren, keys en bas), Mike Hatheway (bas), Barry Hughes (drums en backing vocals), Dave Palmer (pedal steel en dobro), Ethan Young-Lai (gitaren, synth en cowbell) en John Heinstein (piano, orgel en synth) oftewel Sleepy Driver. En het Canadese zestal toont zich daarop in echt wel uitmuntende vorm.

Gelijk vanaf openingsnummer “Unpromise” is de mood right. Zomers pa-pa-pa’end loodsen Hicks en co ons daarin doorheen een streepje extreem catchy rootsy pop. En die blazers, wel, die helpen daarbij zeker ook een meer dan kloek handje! Een beetje zomeren doet het vervolgens ook nog in de poppy alt-countrydeun “Finer Things”. Ook daarin valt vrijwel gelijk weer op, dat songsmid Hicks echt wel een neusje heeft voor fijne melodieën.

Country, pop en rock lijken überhaupt de voornaamste bestanddelen van zo ongeveer alles op “Sugar Skull”. Da’s ook in het melodieuze derde nummer “The Last Heart” weer zo. Een funky ritme en al bij al wat steviger gitaarwerk zorgen ervoor dat titelnummer “Sugar Skull” in het zog daarvan uitgroeit tot een eerste buitenbeentje. In vergelijking met al het tot dan toe gehoorde is het eerder heavy te noemen. En al zeker, als wat erop volgt iets lieflijks is als het helemaal in pedal-steelklanken gehulde “Before We Go Home”.

“Burn You Alive” is daarna een voorzichtig weer wat nerveuzer werkend rootsrockertje à la de Replacements in betere tijden, “Believe/Belong” een beklemmende moody, volop van de lang ingehouden spanning erin levende trage, “Radio Dial” gooit dan eensklaps alle schroom van zich af en stoomt volle gas, bijna punky stevig door, “Lucia” sluit daar nagenoeg perfect bij aan en afsluiter “Rubies, Diamonds and Pearls” valt bij nader inzicht weer onder nagenoeg dezelfde noemer als “Before We Go Home” eerder al. U merkt het al: aan variatie hoegenaamd geen gebrek hier!

Tot slot ook nog even vermelden, dat het knappe artwork ook van de hand van Peter Hicks is. Echt wel een veelkunnertje dus, die kerel.

Sleepy Driver

 

ROB JUNGKLAS “Blackbirds” (Madjack Records)

(4,5*****)

Ondertussen goed en wel anderhalf decennium geleden maakte ik kennis met de muziek van Rob Jungklas. Naar aanleiding van z’n album “Arkadelphia” was dat. En eigenlijk al redelijk diep in ’s mans carrière. Debuteren deed hij immers al eind ’86 met “Closer To The Flame”. Geïntrigeerd als ik was door de schrijfselen van Jungklas wist ik dus meteen wat doen. Een serieus inhaalmanoeuvre drong zich op. En sindsdien ben ik eigenlijk altijd wel geboeid gebleven door de man uit Memphis.

Zijn muziek laat zich dezer dagen omschrijven als eerder donker van aard. Bij momenten met een wat melancholisch randje ook. Zelden echt opgewekt alleszins. En dat is dan een serieus understatement. Muzikaal gezien dienen we Jungklas te situeren ergens tussen pop, rock en folk. Eerder progressieve folk, that is. Met af en toe invloedsgewijs ook wel een voorzichtige uitschuiver op de bluesy deltaklei van zijn heimat.

Zo rootsy en rauw-ruig als ten tijde van “Arkadelphia” is het allemaal al lang niet meer, zo beklijvend als het op die plaat gebodene alleszins wel. Ontzettend knap, maar op een andere manier dan. De bezetenheid van weleer heeft plaatsgeruimd voor een veel bezadigdere aanpak. Meer belang hechtend aan het element sfeerschepping. A la een Daniel Lanois, zoiets. Toegankelijker en poëtischer dan voorheen. Met een bij momenten echt wel heel erg opvallende rol voor pianist Rick Steff.

Onze luistertips: titelnummer “Blackbirds”, het bezwerende “Diggers”, het intimistische “Vitriol” en vooral ook de ingetogen folk beauty “Low Hanging Fruit”, het wat ons betreft absolute hoogtepunt van een van begin tot einde hoogst interessante plaat van een man die eigenlijk al jaren veel en veel te weinig aandacht krijgt.

Rob Jungklas

 

PETUNIA AND THE VIPERS “Lonesome, Heavy And Lonesome” (Petunia And The Vipers)

(4****)

Wie het bij het beluisteren van zijn dagelijkse dosis muziekjes graag allemaal wat avontuurlijker heeft nodigen we bij dezen uit oms eens even een oor te luister te gaan leggen bij het Canadese zestal Petunia And The Vipers. Zou wel eens een alleraardigste match kunnen opleveren! Wat die heren op “Lonesome, Heavy And Lonesome” vrijwel constant aan catchy spul uit de hoge hoed toveren spreekt hoegenaamd tot de verbeelding. Met traditionele en alternatieve country, old-time jazz en blues voortdurend gevangen in een bezwerende ménage à quatre.

Nu ja, gevangen… Aan beenvrijheid ontbreekt het de zes duidelijk niet. Het gros van de op “Lonesome, Heavy And Lonesome” geserveerde deunen swingt immers als de spreekwoordelijke tiet. Al is er met dingen als het moody “Heavy And Lonesome”, tranentrekker “Blindly Wander” en het ongegeneerd richting New Orleans knipogende “Blues In My Heart” ook wel wat ruimte gelaten voor wat rustpuntjes. Maar die zijn al bij al toch nadrukkelijk in de minderheid.

Dansen kan, mag, moet vrijwel overal elders. Van het met een gesofisticeerde touch of Latin opgewaardeerde “We Did Not See The Light Of Day” over het werkelijk rete-swingende “Ugliest Bitterest Coldest Dreary Place I’ve Ever Seen” tot het door Petunia en passant van wat heuse yodels voorziene underground countrydeuntje “Lonesome”, van het onstuimig rockend om zich heen stampende “Urban Landscape” over de minimalistische jug band meets ska van “I Don’t Have To Go To High School” tot het op hoogst aparte wijze met het gegeven rock & roll aan de slag gaande “Jeanie Jeanie”, het zijn evenveel open invitaties tot een ongecontroleerd danspasje als creatieve opstoten van absoluut om geen muzikale grenzen malende roots music originals.

Zwaar aanbevolen wat ons betreft aan liefhebbers van het werk van acts als Pokey LaFarge, CW Stoneking, Meschiya Lake & The Little Big Horns, Rob Heron And The Tea Pad Orchestra en aanverwanten.

Petunia And The Vipers

 

PI JACOBS “A Little Blue” (Travianna Records)

(3,5****)

Een optreden ergens laat in 2015 in een klein plaatsje in de Blue Ridge Mountains, in Floyd, VA meer bepaald, zou voor zingende liedjesschrijfster Pi Jacobs onverwacht grote gevolgen met zich meebrengen. Daar, in The Dogtown Roadhouse, werd ze na afloop van die bewuste gig immers gecontacteerd door platenbaas Mark Hodges en producer Aaron Ramsey. Zij vonden Jacobs dermate goed, dat ze haar prompt aanboden om met haar in zee te gaan voor haar volgende plaat. Jacobs hield aan hun ontmoeting(en) een dergelijk warm gevoel over dat ze daarmee ook instemde.

En dus begaf ze zich enkele maanden later naar de Mountain Fever Studios van Hodges in Willis, VA.  Daar trof ze niet enkel Aaron Ramsey terug, maar ook een stel andere uitermate getalenteerde muzikanten uit de bluegrassbranche. Naast Ramsey zelf, die niet alleen de productie van “A Little Blue” voor zijn rekening nam, maar ook bijdragen leverde op bas, mandoline en gitaar, stonden ook Jeff Partin (dobro en lap steel), Kel Pritchard (harmony vocals), Celia Chavez (eveneens harmony vocals) en de ondertussen ook zelf aardig aan de weg naar roem timmerende Sam Morrow (gastzang in “Purple State”) Jacobs (zang, akoestische gitaar en percussie) bij tijdens het inblikken van twaalf liedjes van eigen hand.

In verband met haar nieuwe worp heeft Jacobs het in de liner notes ervan over haar “bluesy Americana thing”. En die omschrijving vat het erop gebrachte daadwerkelijk zeer goed samen. Veelal betreft het immers bluesy liedjes met een Americanarandje. Volledig akoestisch gebracht en door het gebezigde instrumentarium zo nu en dan een zekere bluegrass feel etalerend. Hoe dan ook beter dan alles wat Jacobs tot nu toe al deed, vinden wij persoonlijk. Haar stem klinkt hier immers warmer dan ooit en haar liedjes lijken echt wel gemaakt voor zo’n akoestische aanpak.

Laat je net als ons verleiden door de lijzige Southern groove van “The Moment”, het warmbloedige Americanahart van “She Don’t Love You That Way”, de soulvolle smeekbede “All Love” of het al genoemde “Purple State”, een prachtige sleper met bij wijze van serieus surplus de werkelijk wonderschone vocale interactie tussen Jacobs en Sam Morrow en de al even geslaagde dobrobijdrage van Jeff Partin. Wedden, dat je Jacobs daarna ook zelf stevig aan de boezem zal willen drukken?

Pi Jacobs

 

REBEKAH LONG “Run Away” (LUK Records)

(4****)

Soms is muziek niet meer of niet minder dan een veredelde vorm van escapisme. Ze reikt je als artiest de mogelijkheid aan om je – al was het maar voor even – te kunnen onttrekken aan je dagdagelijkse zorgen. Soms lijkt dat een luxe, soms is het ook gewoon bittere noodzaak. En dat laatste lijkt ons ook het geval voor de bekoorlijke Rebekah Long. Die verloor het voorbije jaar onverwachterwijze immers haar geliefde echtgenoot Ben Speer en bleef daardoor een weinig verweesd achter. Gelukkig kon ze in die moeilijke dagen terugvallen op de zo’n beetje als haar muzikale mentor fungerende Donna Ulisse. Onder haar hoede verwerkte ze haar gevoelens in een reeks nieuwe liedjes. Een negental in totaal, voor de gelegenheid aangevuld met een drietal covers.

Heel wat autobiografisch getkleurd materiaal uiteraard. Dat is gezien de omstandigheden eigenlijk niet meer dan logisch. Long verwerkt hier op subtiele wijze haar verdriet. Luister bijvoorbeeld maar eens naar eerder ingetogen gehouden nummers als “A Place Beyond The Clouds” en “Woodland Street” en je zal meteen begrijpen, wat we hiermee bedoelen. Om heel stil van te worden, die twee liedjes! En hetzelfde kan eigenlijk ook wel gezegd worden over “Everytime I Fall Asleep” en “Welcome Me Back Home”. Ook in dat tweetal regeren ergens tussen country en bluegrass voornamelijk gevoelens van melancholie.

Heel wat opgewekter gaat het er aan toe in het wervelende “Georgia Bound”. Daarin laat Long haar verlangen naar de streek waar ze opgroeide de vrije loop. En ook “Fishin’ On The Cumberland” is zo’n lentefris opdondertje. De Long die we daarin leerden kennen was ons meteen heel erg lief.

Niet alle liedjes op Longs tweede zijn overigens van biografische aard. Dat is bijvoorbeeld al niet het geval voor één van dé absolute toppertjes van het geheel, het omineuze, eerder rootsy neergelegde “My Greatest Shame”. Daarin leidt de onvoorwaardelijke liefde van een moeder voor haar zoon tot een dramatisch einde. Nog zo’n streepje pure fictie is het bijzonder dartele titelnummer “Run Away”. Daarin vertelt Long het verhaal van een meid die haar geliefde de benen ziet nemen als ze hem vertelt dat ze echt van hem houdt.

En dan zijn er natuurlijk ook nog de eerder al even vermelde covers. Daarbij blijkt het te gaan om erg knappe herinterpretaties van Elton Johns “Honky Cat” en Loudon Wainwrights “The Swimming Song”. Goede smaak dus ook, die Long! En dat blijkt ook nog eens uit haar vertolking van het door Jerry Salley en Becky Buller gepende “Lay Your Isaac Down”. Dat nog in duet met haar betreurde wederhelft Ben ingezongen kleinood zou je als haar ultieme eerbetoon aan de liefde van haar leven kunnen zien. Heel mooi, hoe daarin haar voorliefde voor bluegrass en die van Ben voor gospel elkaar vinden.

Vermelden we ten slotte ook nog even, dat Long bij het inblikken van “Run Away” kon terugvallen op een bijzonder getalenteerd stel begeleiders. Naast Ulisse en haar echtgenoot Rick Stanley gaven verder onder meer ook Mike Bub, Scott Vestal, Cody Kilby, Patrick McAvinue, Shadd Cobb, Jarrod Walker, Mark Fain en Gene McDonald acte de présence.

Rebekah Long

 

MARK LOTTERMAN “Holland” (Stichting Holland / Sonic Rendezvous)

(4****)

“Holland”, het nieuwe album van Rotterdammer Mark Lotterman, is zoveel meer dan louter een collectie liedjes. Eigenlijk vormen de negen liedjes op ’s mans recentste worp alleen maar het uitgangspunt voor een veel ruimer project. Als artiest wist Lotterman zich in het verleden steeds opnieuw geïnspireerd door de dingen rondom hem. Voor “Holland” draait hij de situatie nu om. Hij stelde zich de vraag, hoe anderen door zijn muziek geraakt werden. Wetenschappers, kunstenaars en tal van anderen werden daarom door hem gecontacteerd met het verzoek om een bijdrage te leveren aan “Album Holland”. Al die bijdragen – zo’n 130 in totaal – verzamelde hij in het boek “Holland”, waarbij ook de cd zit. Het gaat daarbij om persoonlijke verhalen, schilderijen, strips, foto’s, videoanimaties, liedjes, lezingen, gedichten, playlists en meer. Bekendere betrokkenen zijn onder meer muziekkenner Vic van der Reijt, psycholoog Clay Routledge, voedingswetenschapper Jaap Seidell, zanger Johnny Dowd, dichter Philip Hoorne en fotograaf Roel Rozenburg.

Voor het eigenlijke album weerhield Lotterman zoals gezegd negen liedjes. Geluk, angst, liefde, homoseksualiteit, zich ontheemd voelen en opgroeien in een groter perspectief vormen daarvan de thema’s. Lotterman bezingt ze tegen een hoogst eigenzinnig muzikaal decorum te situeren ergens tussen pop, rock en folk. Nu ja, bezingt… Eigenlijk is het meer declameren dan zingen wat hij doet. In die mate, dat het je als luisteraar een weinig herinnert aan de modus operandi van wijlen Leonard Cohen. Even sfeervol als diens laatste werkstukken is wat Lotterman doet alleszins. En even diepzinnig ook.

Een deel van de bijdragen aan het project “Album Holland” is nog tot 3 december aanstaande ook te bewonderen in galerii NL=US in Rotterdam.

Te beluisteren is “Holland” via: https://open.spotify.com/album/6jprzxmjQf3YOBgvmEyAAw.

Album Holland

 

THE ROSELINE “Blood” (King Forward Records / Heartselling)

(3,5****)

Vijfde album inmiddels al voor het de voorbije tien jaren flink aan de weg timmerende gezelschap rond de Amerikaanse singer-songwriter Colin Halliburton. Een twaalf songs lange trip door de beste man zelf omschreven als “somewhat literate, midwestern, alt-country, bummer music with a hint of hop”. Wat er concreet op neerkomt, dat we ook nu weer erg duidelijk invloeden als de Jayhawks, Whiskeytown, Bright Eyes en natuurlijk ook Gram Parsons menen te mogen herkennen in het door het vijftal gebrachte.

In zijn teksten heeft Halliburton het daarbij ditmaal over de niet te vermijden highs en lows in een langdurige relatie, over ouder worden en over existentiële vragen onlosmakelijk gekoppeld aan zo menig een artiestenbestaan.

“Blood” klinkt al bij al een weinig retro. Het is een plaat waarbij je gedachten regelmatig afdwalen richting de begindagen van hoger al genoemde acts als met name de Jayhawks en Whiskeytown. Naar de hoogdagen van het alternatieve countrygebeuren wat ons betreft. Naar dagen toen het nog met een vergrootglas zoeken was naar interessante nieuwe artiesten of bandjes. Toen zouden Halliburton en de zijnen ongetwijfeld zeer hoge ogen gegooid hebben. Of dat nu ook nog kan, blijft vooralsnog een onbeantwoorde vraag. Van ons zou het alvast wel mogen. Op basis van melodieuze schoonheden van deunen als “Hurry Up And Wait”, “Moving In A Dress”, “A Destination” en vele andere hier verdienen ze het immers.

The Roseline

 

STORMY MONDAYS “Suitcase Full Of Dreams” (Stormy Mondays)

(3,5****)

Dat hadden we dus nog niet gehad, zie: compact vinyl! Eén kant 45-toeren vinyl met enkel het titelnummer, de andere cd met alle vier de tracks. Hét ideale formaat voor twijfelaars. Hier geïntroduceerd door Stormy Mondays, een indie folkrockbandje uit Spanje.

Vier nummers dus op “Suitcase Full Of Dreams”. Te beginnen met het titelnummer. Een van achter de piano ingezette, deels in het Spaans gebrachte valse trage die ons nog niet meteen helemaal over de streep wist te krijgen. Al is het zeker ook geen slecht nummer. Nummer twee is vervolgens de ergens halverwege onverwachterwijze richting folky oorden afdwalende singer-songwriterdeun “Everybody Came To Your Party (But You Were Gone)”. Daarin mag de innerlijke Dylan in kopstuk Otero even van de leiband.

Het sterkste nummer van allemaal vonden wij persoonlijk het derde. Het bij het legendarische Big Star geleende “Thirteen” is hier echt ontzettend catchy. Heeft de nodige soul ook. Alsof je de Byrds met een blazerssectie opgewaardeerd hebt, zoiets. Echt ideaal radiovoer, als je het ons vraagt! En dan is er natuurlijk ook nog de afsluiter. Dat is het bedaarde “Don’t Count Me Out”. Daarvoor wordt andermaal flink gas teruggenomen. Met vooral opvallende rollen voor opnieuw zanger Jorge Otero en toetsenist Pablo Bertrand. En opnieuw met flink wat soulgevoel.

Een hoogst aangename kennismaking eigenlijk, deze EP. Zet alvast aan om spoedig werk te gaan maken van meer. En dat kan in dit geval eerder gemakkelijk én goedkoop. Op de webstek van de band gewoon even je e-mailadres inruilen tegen een elf songs tellende gratis sampler, that’s it!

Stormy Mondays

 

JAY PINTO “Jay Pinto” (Nervesauce Music)

(3,5****)

Op zijn naar zichzelf vernoemde derde langspeler neemt de Amerikaanse songsmid Jay Pinto de tijd om even om te kijken. Het grote merendeel van de liedjes op die plaat zijn immers herinterpretaties van reeds eerder verschenen nummers van ‘m. Noem het maar een soortement van best of. Maar dan wel eentje waarvoor de nummers opnieuw werden ingeblikt. En dat in van alle overbodige franje ontdane akoestische versies. Met nogal wat nummers vanuit zijn Bananafish-periode. Met dat naast hemzelf ook nog Tom Kennedy in zijn rangen tellende akoestische folkpopduo nam hij indertijd een viertal cd’s op en stond hij onder meer samen met Heart, Shawn Colvin en Ani DiFranco op de planken.

Pinto’s immer catchy popliedjes krijgen daardoor en passant een meer folky karakter mee. En dat nieuwe jasje zit hen wat ons betreft echt wel als gegoten. Veel meer nog dan voorheen nodigen ze nu immers uit tot echt luisteren. En het lijkt alsof ook Pinto zelf dat beseft heeft. Op het hoesje ervan nodigt hij ons immers met z’n allen uit om even een kijkje te komen nemen op zijn webstek, alwaar we kunnen intekenen op zijn email list voor een digitaal boekje met de lyrics van z’n nieuwe plaat.

Die plaat bevat naast al de al genoemde oudere dingen overigens ook een tweetal gloednieuwe nummers in dezelfde stijl. Intimistische popfolkdeuntjes, waarin bij voorkeur universele thema’s worden aangesneden. We hebben het dan bijvoorbeeld over topics als de liefde, vriendschap en hoop. Erg mooi!

Jay Pinto (Bandcamp)

 

SAM MARINE “Big Dark City” (Sam Marine)

(3,5****)

Echt veel is er soms niet nodig om je van iemands kwaliteiten te overtuigen. Een mooi voorbeeld bij die vaststelling zou “Big Dark City” van Sam Marine kunnen zijn. Amper vijf liedjes bevat dat schijfje, maar toch wisten wij ons na het beluisteren ervan rotsvast verzekerd van de talenten van z’n maker. In een productie van Brian Whelan slaat Marine op z’n derde immers iets meer dan een kwartier lang spijkers met koppen.

Met als voornaamste bondgenoot z’n rasperige rauwe stem gooit hij meteen heel erg hoge ogen met de ook als titelnummer fungerende opener. “Big Dark City” is het soort van Heartland rock waarmee je fans van acts als wijlen Tom Petty en Paul Westerberg in no time gevloerd weet. Echt een beresterk nummer! En dat laatste geldt eigenlijk ook wel voor het meteen daaropvolgende “Dawn Come And Go”, een strak rockende boogie, waarin Marine zichzelf pas echt goed van de ketting laat. In “Freeze ‘Em Out” gaat hij vervolgens net zo snedig even de persoonlijke toer op, “I’ll Soon Be Gone” blijkt daarna een van een nieuwe drumbeat voorziene herneming van iets van z’n eerste plaat “Lacktown” en afgerond wordt er met het ons op de één of andere manier wel wat aan Ryan Adams herinnerende “Mike Lee”. Dat laatste liedje is een soort van eerbetoon aan het adres van een aan een overdosis overleden vriend van Marine. Niet die overdosis maar wel hun vriendschap is daarin enkele minuten lang het centrale gegeven. Het feit, dat Lee bovenal een goeie gast was.

Wat ons betreft een hoogst aangename kennismaking met een rootsrocker waarvan we ongetwijfeld nog veel meer gaan horen, dit “Big Dark City”. Marine zou het ons inziens alvast meer dan verdienen!

Sam Marine

 

MARK MARTYRE “Rivers” (Mark Martyre)

(4****)

Dit moet zowat één van de best bewaarde singer-songwritergeheimen van Canada zijn. Wij kenden de beste man tot voor vandaag alleszins nog niet. En dat terwijl “Rivers” toch al zijn vijfde langspeler blijkt te zijn. Eerder verscheen van Mark Martyre immers ook reeds het viertal “Down, Record” (2012), “London” (2013), “Red Letters” (2014) en “Bluebird” (2016).

Met zijn nieuwe worp wist Martyre ons vrijwel onmiddellijk te charmeren. Op dat door hemzelf geproduceerde geheel prijken in totaal tien eigen liedjes, netjes verdeeld over een a- en een b-kant. En die showcasen een heerlijk ruwe, wat aan die van knapen als een Tom Waits, een Jon Dee Graham of een Ben Weaver herinnerende stem en een fijn handje voor liedjes die je als recensent zonder al te veel twijfelen zomaar durft aan te bevelen aan fans van diezelfde Waits, The Boss, een John Prine en een Bob Dylan ook. Tijdloos poëtisch spul, waarvan je eigenlijk na één enkele beluistering al weet, dat je er ook binnen enkele jaren nog met het nodige plezier naar zal blijven teruggrijpen. Ontstaan op de dunne scheidingslijn tussen genres als Americana, folk en pop.

“It’s about dragging around the shadows of the past, living in a fog of memory, regret, and restlessness, while still trying to move forward… towards something,” aldus de beste man zelf over het inhoudelijke aspect ervan. Voor ons ruimschoots genoeg om er binnenkort zo menig een knusse herfstavond mee door te brengen. Luistertips als “Come Lie Beside Me, Dear”, “Carry On”, “The Next Song” en “Anywhere But Here” zullen ook jou daarvan allicht snel weten te overtuigen.

Dikke, dikke aanrader, deze plaat!

Mark Martyre

 

LEIF DE LEEUW BAND “Until Better Times” (CRS)

(3,5****)

Na het bijzonder lovend ontvangen “Leelah” van zowat een jaar geleden wachtte de jonge Nederlandse gitaarbeul Leif de Leeuw de moeilijke taak om met z’n tweede volwaardige langspeler nu ook te bevestigen. Een job waarvan hij zich wat ons betreft met “Until Better Times” met veel brio kwijt. In de nasleep van de release ervan zal het gaan stormen voor de youngster en de zijnen, daar kun je van op aan. Dat nieuwe album van de Leeuw en de zijnen bulkt immers van de nummers die echt schreeuwen om live-uitvoeringen. Heel wat organisatoren wrijven zich ongetwijfeld nu al in de handen.

De jaren zeventig zijn nooit veraf op “Until Better Times”. En dat zonder dat de band daardoor ook maar enigszins passé gaat klinken. Wel integendeel zelfs! Invloeden als de Allman Brothers Band en Led Zeppelin worden keurig geparkeerd in de buurt van recentere acts als de Henrik Freischlader Band en met name ook Blackberry Smoke. De voornaamste attractiepolen daarbij, vroeg u? Dat zijn naast de bezielde vocals van Britt Jansen zonder meer de heerlijk vette riffs van de Leeuw zelf en de twin leads met opnieuw Jansen. Bonuspunten worden verder nog gescoord door bassist Boris Oud en met name ook drummer-percussionist Tim Koning.

In de schemerzone tussen rock, blues, funk en soul van het beste wat je in de Lage Landen krijgen kan. Doe er dan ook vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Leif de Leeuw Band

 

PETER GALLWAY “Feels LIke Religion” (Gallway Bay Music)

(4****)

Wat heeft deze man ondertussen al een indrukwekkend repertoire op zijn naam staan! Meer dan twintig albums moeten het zijn. In z’n eentje, maar ook als één helft van het duo Hat Check Girl met Annie Gallup, waarmee er naar verluidt ook alweer een release in de pipeline zit. Bezig baasje dus, die Peter Gallway!

Voor zijn nieuwste worp voor eigen rekening liet hij zich naar eigen zeggen inspireren door wijlen Laura Nyro. Haar unieke stem en kijk op de wereld waren van grote invloed op de toen nog jonge Gallway, die zich niet enkel tot het kransje intieme vrienden van Nyro mocht rekenen, maar ook het genoegen mocht smaken om nog met haar samen te werken.

“Feels Like Religion” is dus Gallways muzikale tip of the hat aan het adres van die al in april ’97 overleden zingende liedjesschrijfster. Alsof hij met de elf liedjes erop heeft willen aantonen, hoe groot haar invloed op hem wel geweest is. Het resultaat is een ongemeen sfeervol geheel, dat ingetogen schoonheden van rootsy popliedjes afwisselt met mild uitgelaten varianten daarop. Daarbij terloops niet enkel herinnerend aan Laura Nyro, maar zeker ook aan andere enigszins vergelijkbare acts als daar zijn een Joni Mitchell, een Rickie Lee Jones en een Donald Fagen. Popperfectie is derhalve ook nooit echt ver uit de buurt. En “Feels Like Religion” is wat ons betreft gewoon de zoveelste regelrechte aanrader op het actief van Gallway.

Enkele luistertips misschien nog snel. Het ijle, ons sfeermatig best wel wat aan de aanpak van The Blue Nile herinnerende titelnummer is er zeker één, het zomers luchtige “Shorty Moves On” al evenzeer en ook het intimistische “Just Lucky” zouden we hier ondertussen absoluut niet meer willen missen.

Peter Gallway

 

THUNDERBOLT & LIGHTFOOT “Songs For Mixed Company” (Vesper Music)

(4****)

Eerlijk? Als ze onze aandacht al vrij snel wisten te trekken, dan was dat in de eerste plaats te danken aan een cover van een hit van Bruce Springsteen. Een supermooie uitvoering van “I’m On Fire” meer bepaald. Die deed ons vrijwel meteen vallen voor de charmes van Sarah Fuerst en Phil Barry, een duo uit Kalamazoo. En met name hun samenzang deed het ‘m voor ons daarin. Close harmony van het allerbeste soort gewoon!

En veel meer van dattum is er nu op hun inmiddels tweede plaat al, het onlangs verschenen “Songs For Mixed Company”. Tien liedjes lang zingen Fuerst en Barry daarop samen de sterren van de hemel naar beneden. Iets meer dan een half uur drukken ze je als luisteraar liefdevol aan de borst met naast die ene cover uitsluitend nog eigen materiaal. En daarvoor mag u wat ons betreft zelf het label verzinnen. Folk? Die term gaat zeker op. Roots pop? Idem dito. Americana? Soms ook, ja. Maar vooral heel erg mooie, veelal eerder ingetogen muziek, waarmee je inderdaad kan uitpakken voor een aardig divers gezelschap. Wij kunnen het ons alvast amper voorstellen, dat iemand zich zou storen aan bedaarde schoonheden van songs à la “Let’s Be Friends”, “Miss Me”, “Sad Song”, “Dearly Beloved” en andere.

Uitermate geschikt voor Radio 1, zo lijkt ons. Luisteraars van die zender zouden hier wel eens een heel erg smakelijke kluif aan kunnen hebben. Wij doen het hen alvast voor.

Thunderbolt & Lightfoot

 

JOHN F. KLAVER BAND “Catch The Morning Sun” (John F. Klaver Band)

(3,5****)

“Catch The Morning Sun”, het nieuwe mini-album van de John F. Klaver Band klinkt niet alleen verrassend, het klinkt ook verrassend goed. De durf om te vernieuwen heeft hier duidelijk geloond. En met name de toevoeging van vocaliste Nicole Verouden aan het kader betekent wat ons betreft een echte verademing. Met haar warm-soulvolle stemgeluid slaagt die er bij momenten in de gitaar van haar broodheer even in een ondersteunende rol te dwingen en misschien was het wel net dat, wat Klavers muziek zo nu en dan nodig had.

Veel meer dan op de nog altijd in ruim voldoende mate aanwezige solo’s van de Nederlandse gitaarbeul lijkt ditmaal tijdens de opnames de focus op de vibe te hebben gelegen. Zoals dat bijvoorbeeld ook bij de Tedeschi Trucks Band vaak het geval is. En vanuit die optiek is het dan ook niet echt een verrassing te noemen, dat men bij het kiezen van enkele covers ook ging voor een compositie van het echtpaar Trucks-Tedeschi. Voor het ingetogen soulvolle “Shelter” meer bepaald, u allicht ook wel bekend van het machtige album “Revelator” en hier zeer knap vertolkt door Verouden. Een tweede cover is er eentje van Paul Pena’s “Gonna Move”. Ook al met met een glansprestatie van Verouden. Als het ware in duet met de gitaar van Klaver zelf. Mooi alleszins, hoe ze elkaar hier wonderwel aanvullen.

Verder enkel nog eigen nummers op “Catch The Morning Sun”. Om te beginnen het rootsy groovende “There Will Be A Day” en titelnummer “Catch The Morning Sun”, met ditmaal Klaver zelf vol aan de bak, zowel vocaal als op de snaren, met als resultaat een stevige lap melodieuze gitaarrock pur. Het daaropvolgende “Funny Way Of Showing It” leeft met name van z’n hoogst aparte, beurtelings wat tegen jazz en gospel aanschurkende ritmiek, “Learned A Lot” is een wolk van een soulvolle trage – Dé geknipte single? – en “”Rollin’ Away” ten slotte gunt het rockbeest in Klaver nog even een laatste beurt.

John F. Klaver Band

 

ELLES BAILEY “Wildfire” (Outlaw Music)

(4****)

De Engelse term wildfire wordt doorgaans gebruikt in verband met maar moeilijk controleerbare branden. En vanuit dat standpunt bekeken is het eigenlijk een bepaald niet slecht gekozen titel voor het debuut voor de vanuit Bristol actieve schone Elles Bailey. Niet enkel haar felle ogen op het hoesje daarvan, maar haar hele wezen straalt op die eersteling namelijk iets onbedwingbaars uit. Niet te stoppen lijkt ze in een spoedopmars richting de absolute top van het blues- en rootswereldje. Met dank vooral aan haar ongemeen krachtige stem. Die klinkt als die van Melissa Etheridge, die van Bonnie Raitt en die van wijlen Janis Joplin gecloond in één en dezelfde persoon. Rauw, passioneel, soulvol.

Op haar visitekaartje doet Bailey het met tien eigen nummers aangevuld met een rootsy cover van Taylor Swifts “Shake It Off”. Haar eenmalige knieval richting gewillige radiojongens, moet je maar denken. Verder gaat het er immers allemaal een stuk compromislozer aan toe. Om te beginnen in het na een machtige slide intro in een beresterke bluesy rock song ontbolsterende titelnummer. Van een aftrap in stijl gesproken! Een knappe treffer al na enkele seconden, zoiets…

Vervolgens zijn er de ook al beresterke eerste single “Same Flame” – wat meer rockgeoriënteerde passie tout court – en de knappe pianoballade “What If I”. Met het sfeergewijs best wel wat aan Chris Isaak herinnerende “Barrel Of Your Gun” komt de focus aansluitend daarop wat meer op roots te liggen, “Perfect Storm” bulkt op zijn beurt van de soul en in “Let Me Hear You Scream” gaan zowel Bailey zelf als de slide van Brent Mason daadwerkelijk machtig aan het schreeuwen. Iets als een open invitatie aan ons adres, zeg maar.

Na de hoger al even besproken Swift-adaptatie gaat het via het heerlijk ritmisch met de kont schuddende “Shackles Of Love” en het gevoelvolle “Believed In You” naar wat naar onze bescheiden mening gerust bestempeld mag worden als hét absolute hoogtepunt van de plaat. We hebben het dan over het straffe “Howlin’ Wolf”, een ronduit subliem eerbetoon aan heel wat van haar eigen helden, heus niet alleen die uit de titel ervan. Verwachten ons dan nog: de mooie ballad “Girl Who Owned The Blues” en bonus track “Time’s A Healer”, nog zo’n verstilde schoonheid van een song met naast de stem van Bailey zelf verder enkel nog de resonator van Joe Wilkins, de akoestische en wat zang van Will Edmunds en de bas van Zak Ranyard. Moest ze dringend ook maar eens een kans op single gunnen, dat nummer! Zou wat ons betreft zomaar dé verrassingshit van het najaar kunnen worden.

Dikke aanrader, hoor, dit “Wildfire”!

Elles Bailey

 

SUSTO “& I’m Fine Today” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Melodieus kunst-en-vliegwerk van een groep die ergens diep vanbinnen net zo graag hitparades overal ter wereld zou bestormen als zichzelf geapprecieerd weten in ruimere rootskringen, zo lijkt ons. En Justin Osborne en de zijnen lijken daar nog mee weg te zullen komen ook. In de States dan toch, waar hun tweede nu goed een half jaar geleden al verscheen. Daar worden ze intussen al gezien als één van dé nieuwe acts van 2017.

Hun nieuwe worp is al bij al dan ook een verre van kwade plaat. Het op hun titelloze debuut van drie jaar geleden ingeslagen pad blijkt er ondertussen één met veel zijwegeltjes te zijn geworden. De country rock van weleer wordt regelmatig verlaten voor een nadrukkelijk meer pop- of rockgeoriënteerd geluid, waarin opvallend actieve gitaren, dito keyboards en strijkers bij momenten de dienst uitmaken. Altijd met de nodige aandacht voor het liedje, dat wel.

Wat ons betreft vooral iets voor wat alternatiever ingestelde geesten, al zal pakweg de doorsneefan van knapen als een Ryan Adams of een Neal Casal hier ook wel raad mee weten.

Susto

 

BENDIK BRAENNE “The Last Great Country Swindle” (Bendix Records / PIAS)

(3,5****)

“The Last Great Country Swindle” is de wat ons betreft toch wel enigszins misleidende titel van de tweede van de je misschien ook al wel van zijn bijdragen aan Los Plantronics bekende Noorse songsmid  Bendik Braenne. Die met de productionele hulp van Daniel Romano en Lars Erik Larsen ingeblikte opvolger van het vier jaar geleden verschenen “How To Fake It In America” heeft immers nog maar weinig meer met country te maken.

Afgetrapt (en ook afgesloten) wordt er met een prima rootsy cover van Del Shannons klassieker “Runaway”. De toevoeging van wat mariachi- en surfelementen verleent aan dat nummer voorwaar een compleet nieuw leven. Je moet het maar flikken! Vanaf het tweede nummer komt de klemtoon echter elders te liggen. Dat zomerse popdeuntje (“Ain’t Nobody Like Me”) blijkt later een behoorlijk goede indicator voor wat nog komen moet. Via het vinnig soulvol poppy uit de hoek komende “Summerfield”, de mooie trage “I’ll Be Gone Tomorrow” en het zijn wortels ergens vroeg in de seventies hebbende popmeezingertje “Quick-Loving Hearts” komen we vervolgens immers ook nog uit bij het over een bizarre groove uitgesmeerde “Worries Me” en het bijzonder radiogenieke trio bestaande uit “I Got (Everything But You)”, “Close To The Ground” en “Sunshower”.

’t Is dat we door de Noor voorafgaandelijk op een compleet verkeerd spoor werden gezet, maar verder is hier absoluut niks mis mee, hoor! “The Last Great Country Swindle” is echt wel een prima plaatje. Een prima popplaatje, that is.

Bendik Braenne

 

PAAL FLAATA “Love And Rain: The Athletic Sessions” (Blue Mood Records / PIAS)

(5*****)

Met zijn albumtrio “Wait By The Fire”, “Bless Us All” en “Come Tomorrow”, gewijd aan de songs van respectievelijk Chip Taylor, Mickey Newbury en Townes Van Zandt heeft Paal Flaata onverwacht hoge ogen gegooid. En daarvan lijkt ook het voormalige kopstuk van Midnight Choir zelf zich maar al te goed bewust. Getuige daarvan zijn voornemen om in het najaar de drie platen samen met enkele speciaal voor de gelegenheid ingeblikte bonusnummers ook in een box set op de wereld los te laten. Maar van het één kwam zoals wel vaker het ander. Tijdens hun verblijf in de Athletic Sound-studio in het Noorse kuststadje Halden voor het inblikken van die bonusjes hadden Flaata en zijn vaste maatje Goran Grini het danig naar hun zin, dat ze aan de sessies uiteindelijk een volledig album overhielden. En dat wordt nu ook als stand-alone geheel uitgebracht.

De nadruk ligt daarbij voornamelijk op Amerikaans songerfgoed. Van Mickey Newbury wordt zo ditmaal “Hand Me Another Of Those” gebracht, van Kris Kristofferson wordt de onder meer door Al Green de souleeuwigheid ingezongen trage “For The Good Times” neergelegd, in het songbook van Jimmy Webb viel de keuze bijna als vanzelfsprekend op “The Moon Is A Harsh Mistress”, bij Donnie Fritts pikten de twee “We Had It All” op, bij Conway Twitty mocht “It’s Only Make Believe” dan weer mee en afgesloten wordt er met Don McLeans romantische klassieker “And I Love You So” en “Feel Like Going Home” van Charlie Rich.

Tussendoor is er ook ruimte voor twee Britse bijdragen. En niet van de minste ook! Misschien wel het allermooiste liedje van de hele collectie is Flaata’s bezielde lezing van Elvis Costello’s “The Comedians”, ooit ook door Roy Orbison al eens heel erg knap vereeuwigd. En ook de andere vreemde eend in de bijt mag er best zijn. Ewan MacColls “First Time Ever I Saw Your Face” krijgt hier immers een ongemeen soulvolle kippenvelbehandeling mee.

Het tiende en laatste nummer van het lot is er eentje speciaal voor de gelegenheid geschreven door Chip Taylor. Bij wijze van dankjewel trakteerde hij Plaata en Grini op het titelnummer. En dat blijkt een qua mood perfect bij de rest hier aansluitende ballade.

Kort samengevat: Paal Flaata en Goran Grini verheffen het brengen van covers op “Love And Rain: The Athletic Sessions” ook verder tot kunst. Er zijn er ons inziens alleszins maar weinigen die in deze discipline dezelfde pakkende resultaten kunnen voorleggen.

Heerlijke plaat!

Paal Flaata

 

THE GREAT CRUSADES “Until The Night Turned To Day” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Het vanuit Chicago actieve indierockviermanschap The Great Crusades maakt al sinds jaar en dag goede tot uitstekende platen. Verrassen doen de grofgevooisde Brian Krumm en de zijnen daarbij wat ons betreft al lang niet meer echt, maar dat hoeft ook niet. Zolang de songs zo goed blijven als op “Until The Night Turned To Day” zal u ons allerminst horen klagen.

Op z’n negende kruistocht so far neemt het kwartet ons mee langs elf nieuwe haltes. De klemtoon ligt daarbij nu eens meer op pop of rock, dan weer eerder op country en blues. Het ene moment wordt er stevig geknald, het andere gaat het er flink wat rustiger aan toe. Soms komen we tussen die twee stoelen te zitten. Zoals in openingsnummer “If You Could Only See Me Now” bijvoorbeeld gelijk al. Dat wil wel rocken, maar doet dat zo loom dat we nog niet echt onder stoom komen. Heel knap nummer overigens wel, dat liedje!

En dat vonden wij vervolgens ook wel van de leuke countryrocktrage “Only Took A Minute Not To Say Goodnight”, van de langzaam naar een fameuze climax opbouwende rocker “Hey Hey (River Charles)”, van de met Katie Todd gebrachte pianoballade “Gutter Punks”, van de akoestische folkrocker “If I Changed My Mind” en nog wel wat anderen.

Onopvallend goed, zeg maar.

The Great Crusades

 

JW ROY & THE ROYAL FAMILY “A Room Full Of Strangers” (Royal Family Records)

(5*****)

Als ik binnenkort naar goede jaarlijkse gewoonte weer aan het nadenken zal gaan over wat er voor mij nu precies de beste platen van 2017 geweest zullen zijn, dan zal deze zo goed als zeker ook de gedachtenrevue passeren. Met “A Room Full Of Strangers” levert de sympathieke Nederlander JW Roy immers één van zijn allerbeste albums tot op heden af. Hij heeft er ons lang op laten wachten, maar geloof me vrij, het wachten heeft de moeite geloond. Een veel pakkendere plaat als deze mocht ik het voorbije jaar niet beluisteren. Maar ze ontstond dan ook in bijzondere omstandigheden.

Oorspronkelijk was het Roys bedoeling geweest om de liedjes op zijn nieuwe plaat aan anderen te wijden. Op persoonlijk vlak ging het hem immers redelijk voor de wind en dat levert zoals alom geweten niet meteen de beste songs op. Een speling van het lot gooide echter al snel roet in het eten. Het overlijden van Roys geliefde vader deed hem uiteindelijk toch weer graven in zijn eigen ziel. En dat is eigenlijk ook gewoon wat hij het beste kan. Liedjes geïnspireerd door zijn eigen persoonlijke leven waren altijd al zijn forte.

De twee knapste voorbeelden daarvan zijn hier en nu de samen met zijn broer Jeroen gebrachte ballad “Broke Brothers” en het afsluitende “The Big Chief”. In het eerste kijken twee gebroken broers bij het graf van hun overleden vader terug op een verleden vol liefde, het tweede bezegelt muzikaal het afscheid van “The Big Chief” (het koosnaampje waarmee JW’s vader in familiekring al sinds tijden werd aangesproken). Het is moeilijk om het bij die twee liedjes droog te houden. Zeker als je, zoals mij, recentelijk ook je pa verloren bent. Veel meer nog voel je dan, hoe echt de gevoelens wel zijn, die Roy hier verklankt. Echt bloedmooi!

Andere hoogtepunten op “A Room Full Of Strangers” zijn een erg mooie cover van Townes Van Zandts “To Live Is To Fly”, de met vriendin des huizes Ilse DeLange vereeuwigde trage “We’re Still Here”, de echt van de joie de vivre barstende en samen met Lea Kliphuis gebrachte eerste single “Keep It Simple”, “Kind Of Blue”, een knappe samenwerking met Michael Prins, en “Riddle Of The Sands”, dat op zijn beurt gedeeld wordt met de broers Sander en Arnout Brinks van het Nederlandse folkduo Tangarine. En dan vergaten we bijna nog dat lekkere streepje bedaarde countyrock helemaal bij het begin, “Blue Sunrise”.

The Big Chief zal ergens daarboven andermaal erg fier zijn op zijn zoon. Zeker weten.

JW Roy

 

ERIC WESTBURY “Atomic Wilderness” (Barreltown Records)

(4,5*****)

Van de vele albums waarover ik hier sinds de begindagen van Ctrl. Alt. Country mijn licht al mocht laten schijnen is “Burnt Tongues & Blue Truths” van Eric Westbury altijd één van mijn favorieten gebleven. Die plaat, die het indertijd in 2003 erg goed deed in zowel de Euro Americana Chart als de Freeform American Roots Chart, stond voor zo ongeveer alles wat ik graag mocht hebben in mijn Americana. En ik overdrijf dan ook niet, als ik zeg dat ik lang heb zitten uitkijken naar een opvolger ervan. Maar die leek er na een poosje niet meer te komen. En dus verslapte mijn aandacht gaandeweg ook volledig. Nu, veertien lange jaren later, gebeurt het onverwachte plots echter toch nog…

Met “Atomic Wilderness” pakt Eric Westbury eindelijk uit met zijn derde langspeler. En het moet gezegd: de opvolger van “Walking Tracks” uit 2000 en het hoger al genoemde “Burnt Tongues & Blue Truths” van zo’n drie jaar later is opnieuw een plaatje van een plaat geworden. Mij greep ze alvast meteen weer bij mijn nekvel. Alles wat me aan de voorganger ervan bekoren kon is ook nu weer in ruime mate aanwezig. Er is in de eerste plaats natuurlijk nog altijd die heerlijke Waitsiaanse rasp van een stem van Westbury, er zijn z’n fijne, als vanouds het midden tussen country, folk en rock houdende muziekjes, er zijn z’n immer scherpzinnige teksten, waarin hij zich uitlaat over onder meer sociale, politieke en milieuzaken. Een echte verademing!

Geproduceerd werd “Atomic Wilderness” door Westbury zelf samen met z’n landgenoot Russell Broom en met ook nog een handje hulp van Zak Cohen. Eraan meewerken deden verder onder meer ook nog Gurf Morlix en Denis Dufresne.

Mijn luistertips voor je: de prachtige ballade “Here Lies Vera”, het de toekomst niet bepaald rooskleurig tegemoetziende “Stupid Answers To Stupid Questions” en het ook al van zo’n veelzeggende titel voorziene “My Kind Of People (Are Getting Hard To Find)”.

Eric Westbury

 

JIM BYRNES “Long Hot Summer Days” (Black Hen Music)

(5*****)

Welk een magistrale plaat alweer, deze nieuwe van het Canadese bluesfenomeen Jim Byrnes. Op z’n negenenzestigste presenteert de beste man ons zijn misschien wel allerbeste album tot op heden. En geloof ons vrij, dat wil in zijn geval heel wat zeggen! We herinneren u graag even aan enkele van zijn recentere worpen als “House Of Refuge”, “St. Louis Times”, “I Hear The Wind In The Wires” en “My Walking Stick om u een referentiekader te geven. Stuk voor stuk top, die platen, en dat is dus ook voor “Long Hot Summer Days” weer niet anders.

Op die opnieuw door Steve Dawson geproduceerde schijf focust Byrnes vooral op liedjes die hem de kans gunnen om vocaal te excelleren. En daarbij dwaalt hij nogal eens af richting wat er zoal te beleven viel op de radio tijdens zijn eigen jonge jaren in St. Louis. Voor “There’s Something On Your Mind” bijvoorbeeld ging hij in de leen bij het onvolprezen souldier Bobby Marchan. En “Ain’t No Love In The Heart Of The City” herinnert u zich vast ook nog wel in de uitvoering van Bobby “Blue” Bland.

Andere geleende kleinoden zijn onder meer ook nog een ongemeen doorleefde versie van Jesse Winchesters “Step By Step”, gebracht met de nodige vocale ondersteuning van de ook zelf lichtjes geweldige Sojourners, een heerlijk loom pompende bluesversie van “The Shape I’m In” van The Band, een werkelijk sublieme rootsy lezing van Leonard Cohens “Everybody Knows”, een hoogst aparte, lekker naakt gehouden benadering van Willie Dixons “Weak Brain, Narrow Mind”, ingezongen vanop een metertje of tien van de enige microfoon in de buurt, een bijna als vanzelfsprekend van de soul bulkende full band-vlucht doorheen Wilson Picketts “Ninety Nine And A Half (Won’t Do)” en het in één enkele take ingeblikte “Something Inside Of Me”, met daarbij een glansrol voor Steve Dawson op de gitaar. Afgesloten wordt het rijtje covers met de ons onder meer in een uitvoering van Percy Sledge bijgebleven Dan Penn-compositie “Out Of Left Field”.

Tussendoor krijgen we ook nog een drietal originelen voor de kiezen. Twee daarvan schreef Byrnes samen met Steve Dawson. Het titelnummer deed ons in al zijn broeierigheid onwillekeurig terugdenken aan de grote Nina Simone, het zomerse “Deep Blue Sea” anderzijds strandt ergens dicht in de buurt van Van Morrison in zijn hoogdagen ergens diep in de seventies. “Anywhere The Wind Blows” ten slotte is een stomend Dawson-origineel. (Met een topprestatie van Monkeyjunks Steve Marriner op de mondharmonica!)

In de categorie blues & roots ontegensprekelijk één van dé absolute hoogtepunten van 2017, deze nieuwe Byrnes!

Jim Byrnes

 

DICK LEMASTERS “Incompatible Things” (Dick LeMasters Music)

(3,5****)

Luisteren naar “Incompatible Things”, het nieuwe album van de Texaan Dick LeMasters, zonder daarbij als luisteraar vroeg of laat je gedachten weten af te dwalen tot bij diens collega singer-songwriter Jerry Jeff Walker, het lijkt ons bij nader inzicht haast onmogelijk. Zowel ’s mans manier van zingen als zijn modus operandi benaderen die van de legendarische Walker bij momenten akelig dicht. En eigenlijk vinden we dat hier niet eens slecht nieuws. Meer nog: als longtime fans van Walker waarderen we ook LeMasters enorm.

De tien liedjes op zijn nieuwe album mogen dan al niet echt uitblinken in originaliteit, bijzonder aangenaam luistervoer vormen ze allemaal zeker wel. Niks moeilijkdoenerij hier. Gewoon basic stuff. Zowel inhoudelijk als qua muzikale invulling. Met enkel de eigen gitaar, de staande bas van Mickey Rouse en occasioneel wat backing vocals van Douglas Greer als ondersteuning.

Ouderwets lekker!

Dick LeMasters

 

LEVI CUSS “Just Below Radio” en “Just Below Radio Vol. 2” (Levi Cuss)

(3,5****) en (3,5****)

Wij maakten hier kennis met de charismatische Canadese songsmid Levi Cuss naar aanleiding van diens album “Night Thief”. En dat beviel ons op de keper beschouwd best wel. Genoeg alleszins om ook zijn volgende worpen met gezond interesse tegemoet te zien. En die zijn er nu. Zijn, want het zijn er inderdaad meerdere. Twee om precies te zijn. Twee telkens vier tracks bevattende ep’s met name: “Just Below Radio”, volumes een en twee. Een vreemd concept toch wel. Waarom de acht songs niet gewoon op één schijfje laten belanden? Dat was de eerste vraag die we ons bij het in handen houden van de beide delen gingen stellen. Maar goed, Cuss zal wel zijn redenen hebben gehad zeker…

Volume een wordt afgetrapt met “White Lies”, een streepje lijzige, groovy roots rock. Vervolgens gaat het via het humoristische, zich met het gegeven internetdaten inlatende “One Night Stand” en de bedaarde countryrocker “Hardwood” al snel weer richting uitgang, te weten de bluesy trage “The Hunt”.

Volume twee opent op zijn beurt met “Shoreditch High”, een sympathiek rootsy rockstampertje over verliefd worden op de grote stad. “Blew It All Away” is aansluitend daarop puur singer-songerspul over het ook al klassieke duo love & loss, “Junction 21” vier minuten lang rootsy tragedie en afsluiter “Alena” druipt van het verlangen naar.

Voor de productie van de twee deeltjes “Just Below Radio” tekende Cuss’ landgenoot Steve Dawson.

Levi Cuss

 

RODNEY DECROO “Old Tenement Man” (Tonic Records)

(4****)

Middels de hypnotisch stompende rootsrocker “Jack Taylor” doet Rodney DeCroo je als luisteraar ook op z’n nieuwe worp weer gelijk kansloos binnen. Het blijkt al snel de eerste aanzet tot flink wat moois. Van het van een licht psychedelisch sixtiesrandje voorziene “Jacob’s Well” over het aardig soulvolle “Ten Thousand Feet Tall” tot het bedrieglijk lichtvoetige popdondertje “I’ve Got A Mirror, I’ve Got A Gun”, van de spitante radiogenieke  rocker “Lou Reed On The Radio” over de de al even knappe ballad “Radio” tot het nerveuze “Like Jacob When He Felt The Angel’s Touch” en alles wat daarna tot aan afsluiter “The Barrel Has A Dark Eye” nog volgen moet, DeCroo verkeert op “Old Tenement Man” duidelijk in de vorm van zijn leven.

Dertien tracks en ruim negenenveertig minuten lang intrigeert de beste man weer. Hier staat een singer-songwriter die zich nadrukkelijk onderscheidt van de rest van het pak. Een knaap die altijd en overal weer zijn eigen ding doet. Een original. En alleen daarom al zou een mens hem in tijden geregeerd door copycats en andere raven eens stevig aan de boezem drukken.

Rodney DeCroo

 

DICK VAN ALTENA “Singer And Songs” (Interlokaal / CRS)

(3,5****)

Je zou hem ondertussen zo stilaan met recht en rede kunnen bestempelen als de éminence grise van het Nederlandse countrygebeuren, deze Dick van Altena. Al ruim vijfenveertig jaar lang staat hij immers garant voor kwaliteit. Echt verbazen doet hij met zijn nieuwe materiaal nog maar zelden, maar dat hoeft op de keper beschouwd ook helemaal niet. Je zou wat hij doet en hoe hij het doet een beetje kunnen vegelijken met de aanpak van de onlangs overleden Don Williams. Ook hij houdt het doorgaans immers simpel. Eenvoudige, onmiddellijk aansprekende liedjes over de gewone dingen des levens zijn nu eenmaal ’s mans forte. En dan is er natuurlijk ook nog die fraaie goudbruine stem! De titel van die nieuwe van ‘m is gewoon prima gekozen dus. Het gaat hem hier inderdaad om een singer en zijn songs.

Twaalf nieuwe deuntjes staan er in totaal op “Singer And Songs”. De twee meest in het oog springende daarvan zijn respectievelijk de nummers “Near” en “If I Could Change The World With A Song”. Het eerste een klassieke countrysleper gebracht in duet met de ravissante Hilde Vos, het tweede een samenwerking met de in vergelijkbaar vaarwater actieve Amerikaan Billy Yates.

Andere tracks waarmee het voormalige kopstuk van Major Dundee onder countryliefhebbers wel weer eens heel erg hoge ogen zou kunnen gaan gooien zijn wat ons betreft het catchy stampertje “Rust On My Strings”, de als een soort van beginselverklaring fungerende kampvuurballade “Singer & Songs”, het speelse “I Will Fly” en de hele mooie tragen “Home Again (Again)” en “Can’t Stop Thinking About You”.

Nice one, Dick!

Dick van Altena

 

VALPARAISO “Broken Homeland” (Maelstrom / Zamora / PIAS)

(4,5*****)

Het door de vooral van zijn werk met PJ Harvey bekende John Parish geproduceerde “Broken Homeland” van Valparaiso is zonder ook maar de minste twijfel één van de meest intrigerende platen die 2017 tot nog toe opleverde. Het naar de mythische havenstad in Chili vernoemde collectiefje met z’n wortels in Parijs grossiert op zijn debuut in wat zich misschien nog het best laat omschrijvan als indie roots music. Beklijvende songkleinoden van het genre waarbij je voortdurend namen van gelijkgezinde acts als Tindersticks, Mazzy Star, Mark Lanegan, Calexico, Giant Sand en andere voor de geest blijven komen blijven luisterbeurt na luisterbeurt opnieuw bekoren en verrassen.

Als serieus surplus vermelden we daarnaast graag ook nog de vele gastbijdragen die het album voor velen alleen nog maar een stuk interessanter zullen maken. Van Howe Gelb over Phoebe Killdeer van Nouvelle Vague tot Josh Haden van Spain, van John Parish, Shannon Wright en Dominique A over Rosemary Standley van Moriarty en Marc Huyghens van Venus tot Julia Lanoë van Mansfield TYA, allemaal tekenen ze along the way wel ergens present. (En dan vergeten we er vast nog wel enkele…)

Het resultaat is een dertien songs rijk geheel, dat in eerste instantie opvalt door zijn wat duistere, enigszins mysterieuze sfeer. Meeslepender worden ze ons inziens amper nog gemaakt!

Valparaiso

 

JOSH HARTY “Holding On” en “Handcrafted” (Continental Song City)

(3,5****) en (4****)

De jonge Amerikaanse songsmid Josh Harty deed hier de voorbije jaren al meermaals in positieve zin van zich spreken. Met name met “A Long List Of Lies”, z’n in 2008 verschenen tweede soloproject, kwam z’n carrière in een flinke stroomversnelling terecht. Die plaat leverde hem meteen ook een stekje in ons aller Euro Americana Chart op. En vooral ook: ze opende de nodige deuren. In 2011 volgde dan het met Chris Cunningham ingeblikte “Nowhere” en drie jaar later pakte Harty uit met twee platen als deel van een duo. Eentje met z’n singer-songwriter-maatje John Statz (“12 August”) en eentje met de hem al jaren begeleidende Blake Thomas (“The Attic Sessions”).

En nu zijn er dus maar liefst twee nieuwe. Nu ja “nieuwe”… “Holding On” circuleerde in kennerskringen natuurlijk al wel een poosje, maar wordt door CRS nu eindelijk ook officieel in België en Nederland uitgebracht. Voor die plaat dook Harty de koffer in met producerstweetal Blake Thomas en Mark Whitcomb. Met hen als gidsen vereeuwigde hij een tiental liedjes, die de voorbije jaren ergens onderweg ontstonden. En die hij als dusdanig ook al even lang met een full band kon uittesten. Iets wat de uitvoeringen ervan op “Holding On” natuurlijk alleen maar ten goede is gekomen. Alles klinkt hier zo ongeveer even af. En zo mogen wij het wel hebben natuurlijk!

En al zeker als het dan ook nog eens om songs van het kaliber van die van Harty blijkt te gaan! De beste man houdt hier tien nummers lang heel mooi het midden tussen genres als pop, country, folk en blues. Met als z’n voornaamste bondgenoot ontegensprekelijk z’n best wel wat aan die van Gordon Lightfoot verwante stem. Daarmee beschikt hij over het zo ongeveer ideale instrument om in z’n liedjes complexe en minder complexe gevoelens mee te lijf te gaan. Iets wat hij dan ook uitgebreid doet.

Onze lievelingsmomenten op “Holding On”: de met het duo Kelly McRae en Matt Castelein gedeelde ballade “Holding On”, het met heerlijk ingehouden gitaarwerk opgewaardeerde “The Kind”, Harty’s doorleefde lezing van “You & The Road” van Brooks West en vooral ook ingetogen afsluiter “English Rain”.

“Handcrafted” is op zijn beurt wat Harty de “most basic record I’ve ever made” noemt. Eén man, één gitaar en nog één andere man voortdurend in de weer met microfoons, that’s it. Dertien nummers in totaal, volledig live ingeblikt, zonder ook maar de minste vorm van correctie achteraf. En dat klinkt ronduit geweldig! Hoe Harty langs zo ongeveer alle haltes uit zijn carrière so far liedjes oppikt en ze vervolgens een flinke akoestische beurt meegeeft pakt echt wel super uit. Maar hoeft dat eigenlijk wel te verwonderen? Precies zo bracht hij ze immers al duizenden keren live.

Wat ons betreft in al zijn eenvoud een hele dikke aanrader, dit schijfje!

Josh Harty

 

RICHARD THOMPSON “Acoustic Rarities” (Beeswing Records / Proper)

(4****)

Na het onverwacht succesvolle duo “Acoustic Classics” en “Acoustic Classics Vol. II” verblijdt Richard Thompson ons nu al een derde keer met akoestische benaderingen van eigen materiaal. En het zou ons absoluut niet verbazen mocht dit nieuwe volume bij ’s mans fans van alle drie het hoogste aantal punten gaan scoren. Met name omdat het hier inderdaad gaat om een soort van rariteitenkabinet.

Zo bevinden er zich tussen de veertien tracks onder meer zes nooit eerder officieel uitgebrachte. Het betreft de songs “What If”, “They Tore The Hippodrome Down”, “I Must Have A March”, “Alexander Graham Bell”, “Push And Shove” en “She Played Right Into My Hands”. En voorts is er ook nog het tweetal “Seven Brothers” en “Rainbow Over The Hill”. Dat zijn twee liedjes die voorheen enkel als covers van respectievelijk Blair Dunlop en de Albion Band verkrijgbaar waren.

De resterende zes songs zijn heruitvoeringen van materiaal van de Richard & Linda Thompson-platen “Hokey Pokey” (“Never Again”) en “I Want To See The Bright Lights Tonight” (“End Of The Rainbow”), van Fairport Convention-spul (“Sloth” en “Poor Will And The Jolly Hangman” van “Full House” uit 1970), van “Poor Ditching Boy” van het magistrale “Henry The Human Fly” uit ’72 en van “I’ll Take All My Sorrows To The Sea” ten slotte, van de orkestrale songsuite “Interviews With Ghosts”.

Benieuwd, of er na dit volume nog meer zit aan te komen… Van ons hoeft Thompson alvast absoluut niet te stoppen.

Richard Thompson

 

RICHARD VAN BERGEN & ROOTBAG “Walk On In” (Naked / Sonic Rendezvous)

(4****)

Hoe een vervolg breien aan een debuutalbum dat door de vakpers in je eigen land en ook tot ver daarbuiten al vrijwel unaniem werd bestempeld als één van de allerbeste daar gemaakte rootsplaten ooit? Het was de vraag waarmee zanger-gitarist Richard van Bergen en zijn maats Jody van Ooijen (drums) en Roelof Klijn (bas en zang) van Rootbag zich geconfronteerd wisten in de aanloop naar de opvolger van hun straffe eersteling. En het antwoord dat ze erop formuleerden is eigenlijk simpel: gewoon nog wat beter doen!

Ook op “Walk On In” knallen ze derhalve weer ruim zesendertig minuten lang. Bijgestaan door Roel en Erik Spanjers op respectievelijk toetsen en percussie-instrumenten en Gait Klein Kromhof op harmonica schudden ze twaalf nieuwe blues- en rootslekkernijen uit de mouw. Elf daarvan zijn eigen composities, nummer twaalf is een korte solo-uitvoering van de gospel traditional “I’m Willin’”.

Als leukste momenten onthielden wij vooral de volgende songs. Om te beginnen het gezien zijn titel over een wel erg suggestief R&B-ritme neergelegde “That’s What You Do To Me”. Echt wel supercatchy spul, dat nummer! Ook heel knap het loom funky, groovegewijs duidelijk naar New Orleans en wijde omstreken verwijzende “Can’t Keep Up”, de valse Delta-trage “Love My Baby”, de hypernerveuze boogie “Walk On In” en het zijn titel en passant alle eer aandoende “Rock Me Right”. En dan hadden we het nog niet over het hypnotiserende “Middle Of The Night”, de swingende instrumental “Snap!” en het wervelende, ons op de één of andere manier wat aan de Fabulous Thunderbirds in betere tijden herinnerende “Right On Time”.

Geweldige plaat! Zeg, dat wij het gezegd hebben!

Richard van Bergen & Rootbag

 

AMELIA WHITE “Rhythm Of The Rain” (White-Wolf Records)

(4,5*****)

Als we het allemaal een beetje goed hebben bijgehouden, dan is “Rhythm Of The Rain” ondertussen Amelia White’s achtste album. En wat ons betreft meteen ook haar allerbeste so far. Een negen tracks lange trip voor Americana-fijnproevers. Een feest voor getrainde oren. Aan te bevelen met name aan liefhebbers van het materiaal van dames als een Lucinda Williams, een Mary Gauthier en aanverwanten. Madammen met vergelijkbare smokey pipes en even vaardige pennen.

Veel van het materiaal voor haar nieuwe worp schreef White tijdens een tournee doorheen het Verenigd Koninkrijk hot on the heels van voorganger “Home Sweet Hotel”. En dat had zo zijn voordelen. Het zorgde er onder meer voor, dat White wat in haar eigen land aan het gebeuren was vanop een zekere afstand kon gadeslaan. En dat zorgde natuurlijk voor een enigszins ander, wat genuanceerder perspectief. En daarmee zijn we meteen ook bij White’s voornaamste forte: de nuance. Haar zin voor detail onderscheidt haar nadrukkelijk van het gros van haar collega’s.

Voeg daar nog aan toe, dat “Rhythm Of The Rain” werd ingeblikt in de vier dagen tussen de dood van haar moeder en haar eigen huwelijk en je zal begrijpen, waarom van het album een dergelijke ongelooflijk intense sfeer afstraalt. Liefde, de dood, verdriet, het lot, politiek, het zijn slechts enkele van de vele onderwerpen die White daarbij aansnijdt. En bij het verdelen van de taart is het de vaste hand van de dezer dagen wel vaker in de kijker lopende producer Dave Coleman die haar voortdurend op secure wijze begeleidt.

Enkele luistertips van onzentwege: het titelnummer, het bedaarde “Yuma”, roots love song “Sugar Baby”, het swampy “Supernova” en het afsluitende, met UK darlings Worry Dolls gepende “Let The Wind Blow”

Amelia White

 

JADEA KELLY “Love + Lust” (Comino / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Als een mooi snoetje alleen al zou volstaan om hier een gunstige bespreking van je werk afgedwongen te krijgen, dan zou de jonge Canadese Jadea Kelly ontzettend hoog scoren. Maar dat is natuurlijk niet zo. Oogstrelende schoonheid of niet, hier gelden vanzelfsprekend compleet andere criteria. Maar ook daaraan beantwoordt ze gelukkig wel, die Kelly. Wisten we eigenlijk al sinds “Clover”, haar vorige plaat. Maar deze is beter. En geen klein beetje ook.

Met “Love + Lust” schrijft Kelly moeilijke tijden van zich af, zoveel is al snel duidelijk. Die twee polen uit de titel ervan staan daar heus niet zomaar. Het hartzeer is bij momenten nog duidelijk tastbaar. En het is naast verlangen, ontrouw, bedrog, vergiffenis en andere slechts één van de vele potentieel met een slecht afgelopen relatie gepaard gaande hier aangekaarte onderwerpen.

Voor de productie van “Love + Lust” tekenden naast Kelly zelf ook Stew Crookes en Tom Juhas present. De eerste zou u kunnen kennen van zijn werk met onder anderen Hawksley Workman en Doug Paisley. De tweede zag zijn naam als gitarist en producer onder meer reeds verbonden aan die van Royal Wood, Banners, Emma Lee en Ryan O’Reilly. Daarnaast recruteerde Kelly muzikanten uit de entourages van bekende en minder bekende acts als daar zijn NQ Arbuckle, Run With The Kittens, Blackie And The Rodeo Kings, C&C Surf Factory, Royal Wood, Tanya Tagaq en Serena Ryder.

Het resultaat is een elf tracks lange muzikale trip waarop grote gevoelens bijna voortdurend regeren. Ergens tussen pop, rock en folk worden quasi doorlopend de grenzen van een liefde anno nu afgetast. Het ene moment behoorlijk sensueel, het andere verzuchtend, berustend, badend in wroeging en pijn. Wellicht met louterende resultaten. We hopen het hier samen met Kelly.

Met haar kristalheldere sirenenstem, haar knappe teksten en daar door de band genomen perfect bij passende (enigszins atmosferisch aandoende, vaak wat ijle) melodieën zou ze ditmaal wel eens erg hoge ogen kunnen gaan gooien. En ook dat gunnen we haar eigenlijk van ganser harte.

Jadea Kelly

 

WALTER SALAS-HUMARA “Work: Part Two” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Artiesten die een flink eind ver in hun carrière plots aan de slag gaan met herinterpretaties van hun eigen materiaal, meestal duidt het op niet veel goeds. Vaak is het niks meer dan een goedkope manier om een creatieve impasse te camoufleren. Het niet willen toegeven dat men droogstaat. Dat er geen volwaardig nieuw materiaal meer komen wil. Maar dat is gelukkig niet het geval bij Walter Salas-Humara. Zowel met The Silos als solo deed hij de voorbije jaren nog geregeld van zich spreken. Met als voorlopig laatste wapenfeit tot voor kort het vorig jaar verschenen “Explodes And Disappears”.

Kort voor die plaat had Salas-Humara ons ook al “Work: Part One” geschonken. Daarop ging hij creatief aan de slag met eigen al wat ouder materiaal. Veel Silos-spul vooral. En dat doet hij nu nog eens dunnetjes over. De aanduiding “Part One” had het eigenlijk al een beetje aangekondigd: er was nog meer op komst. En ook ditmaal weer focust onze man daarop vooral op Silos-materiaal. Uit de periode 1985-1994 met name. Tien liedjes krijgen op dit nieuwe deel een wat eigentijdsere akoestische Americana sound mee. En net als eerder al bevalt die aanpak ook nu weer bijzonder goed. Met dank daarvoor onder meer ook aan producer Rich Brotherton.

Dit zijn de tien Silos classics die we hier herwerkt krijgen voorgeschoteld: “Find A Way”, “A Few Hundred Thank You’s”, “My Big Car”, “The Only Story I Tell”, “All Falls Away”, “The Sounds Next Door”, “Here’s To You”, “Start The Clock”, “Picture Of Helen” en “Miles Away”.

Walter Salas-Humara

 

HT ROBERTS “Stalemate Days” (Lie Records / Donor / Sonic Rendezvous)

(5*****)

Toen HT Roberts twee jaar geleden “Old Light” op ons losliet, wisten we hier met onze woorden van bewondering compleet geen blijf meer. ’s Mans met zijn maatje Bruno Deneckere ingeblikte tiende was een schoolvoorbeeld bij de stelling dat minder vaak juist zoveel meer is. Met enkel Roberts op gitaar of banjo en Deneckere op een tweede gitaar en als tweede stem groeide dat album uit tot wat wij het voorlopige chef-d’oeuvre van de Vlaming noemden. Het voorlopige. Wisten wij toen veel, dat dat ene woordje op korte termijn zoveel verschil zou kunnen uitmaken. Dat er misschien toch nog wat beters inzat.

Feit is, dat we met “Stalemate Days” eigenlijk gewoon op onze wenken bediend worden. Never change a winning team wil het gezegde immers en dat deed HT Roberts dan ook niet. Hij serveert ons meer van wat ze zo graag hadden. Zelf doet hij het daarbij ditmaal op gitaar, banjo, mandoline, harmonica en dulcimer. Bruno Deneckere is opnieuw van de partij als tweede stem en tweede gitarist en Nils De Caster een enkele keer op de viool, in “Dripping Into Flood” meer bepaald.

Het resultaat is een andermaal verbluffend mooi album. Veelal eerder herfstig van ondertoon. Muzikaal sepia. Een novemberplaat, mogen we dat zeggen? Nu al klassiek, ergens tussen folk en Americana. Met opnieuw Townes Van Zandt en Guy Clark als wellicht belangrijkste referentiepunten, maar ditmaal zeker ook populaire folkies als Leonard Cohen en Nick Drake. Toevalligerwijze allemaal knapen met ondertussen het woordje wijlen voor hun namen. Maar Roberts hebben we gelukkig nog wel. Hij streelt hier ruim achtenveertig minuten lang onze zinnen. Elf nummers lang regeert daarbij uitsluitend eenvoud. Zo laat Roberts naar eigen zeggen ruimte voor verbeelding. Onze verbeelding. Zo nodigt hij ons uit deelachtig te worden aan zijn poëtisch verwoorde gedachten. Om erin mee te gaan. En dat doen we natuurlijk met veel plezier.

HT Roberts

 

SETH WALKER “Gotta Get Back” (The Royal Potato Family)

(4****)

Eén enkel nummer. Veel meer was er eigenlijk niet nodig om ons de muzikale golflengte van Seth Walker te krijgen. De catchy funky roots pop van openingsnummer “High Time” volstond daartoe al ruimschoots. En dan moest er nog zoveel moois komen.

Het met een ons best wel wat aan het spel van Tom Waits-sidekick Marc Ribot herinnerend gitaartje gelardeerde soulvolle swampy opdondertje “Fire In The Belly” bijvoorbeeld al, de met Oliver Wood van de lichtjes geweldige Wood Brothers gepende gospeldeun “Back Around” ook, de ook al van de soul bulkende trage “Call My Name”, het met flink wat zomers popgevoel onderbouwde “Movin’ On”, het louter muzikaal gezien op even aanstekelijke als ongegeneerde wijze naar ’s mans woonplaats New Orleans verwijzende “Way Past Midnight”, het akoestische bluesje “Home Again” en nog een goed handjevol anderen.

Wat ons betreft dan ook nadrukkelijk te bestempelen als een aanradertje, deze nieuwe van de in het voorjaar van 2018 ook naar Europa afzakkende Seth Walker. Hoeft op het snijvlak tussen genres als pop, R&B, blues, gospel, folk en Americana echt niemand te vrezen. Een heerlijk soulvolle stem, vrijwel voortdurend inventief over de snaren glijdende vingers, een getraind handje in het schrijven van topsongs en de smaakvolle productie van Jano Rix van opnieuw de Wood Brothers deden het hem voor ons. Voor jou ook?

Seth Walker

 

MATT PATERSHUK “Same As I Ever Have Been” (Black Hen Music)

(4,5*****)

U houdt van gruizige stemmen, catchy songs, de middelmaat flink overstijgende teksten? Dan zit u bij de Canadees Matt Patershuk goed. Wij leerden de beste man kennen naar aanleiding van zijn vorige release, het begin vorig jaar verschenen “I Was So Fond Of You” en waren meteen verkocht. John Prine, Guy Clark, Slaid Cleaves, Rod Picott, Townes Van Zandt, het waren allemaal namen die bij het beluisteren van Patershuks tweede spontaan door ons hoofd flitsten. Een fluks inhaalmanoeuvre drong zich dan ook op. Het nog als Matt Patershuk & The Dirty Plaid Orchestra op de wereld losgelaten “Outside The Lights Of Town” uit 2013 moesten we ook hebben. En ook die plaat bleek er vol op. Wat maakte dat we hier ook echt uitkeken naar nummer drie. En die is er nu.

“Same As I Ever Have Been” heet het schijfje. Met als een soort van ondertitel op de foto op het hoesje ervan “Songs For Regretful Brutes And Sentimental Drunkards”. Twaalf andermaal door zijn landgenoot Steve Dawson geproduceerde songschoonheden, ingeblikt in Vancouver, in de om zijn goede akoestiek geroemde Warehouse Studio van rockster Bryan Adams. Met naast Patershuk zelf en snarenvirtuoos Dawson als verdere betrokkenen onder meer drummer Jay Bellerose, bassist Jeremy Holmes, toetsenist Christ Gestrin, mandolinefenomeen John Reischman, fiddler Josh Zubot, saxofonist Jerry Cook en collega-songsmid Ana Egge aan boord. Die laatste horen we gesmaakt haar opwachting maken in delicatere dingen als het titelnummer, “Gypsy” en “Sparrows”.

De echte topnummers op “Same As I Ever Have Been” zijn wat ons betreft echter een stel andere. Het door een lekker vettig uit de hoek komende gitaar aangejaagde openingsnummer “Sometimes You’ve Got To Do Bad Things To Do Good”, het naar de dood van zijn door een dronken bestuurder aangereden zus enkele jaren geleden teruggrijpende “Memory And The First Law Of Thermodynamics” en “Hot Knuckle Blues” meer bepaald. In dat laatste is het onderwerp het verliezen van je werk in een wereld voortdurend kreunend onder de economische veranderingen.

Matt Patershuk

 

THE REMEDY CLUB “Lovers, Legends & Lost Causes” (High Flying Disc Records)

(3,5****)

Wat vrijwel meteen opvalt bij het beluisteren van “Lovers, Legends & Lost Causes”, het debuut van het Ierse tweetal The Remedy Club, is het ongemeen hechte harmonieerwerk van echtelieden KJ McEvoy en Aileen Mythen. Dat gegeven, de knappe composities van de twee en het ook al uitstekende gitaarwerk van McEvoy zijn wellicht de drie voornaamste fortes van het album.

“Lovers, Legends & Lost Causes” werd door het duo gewoon in eigen land opgenomen. In Wexford meer bepaald. Zelf tekenden ze er ook voor de productie. Afgemixt werd het geheel later in Nashville door Ray Kennedy en de onder meer om zijn werk met Jason Isbell bekende Mark Petaccia. Vandaar wellicht de geweldige sound ervan. Opvallende betrokkene is verder ook nog de ook hier te lande best wel wat naambekendheid genietende Eleanor McEvoy. De zus van en goed voor meerdere gesmaakte bijdragen op viool en altviool.

Centrale thema’s op het ondanks wel meer invloedssferen al bij al toch eerder countrygetinte “Lovers, Legends & Lost Causes” zijn de drie pijlers uit de titel ervan. De liefde regeert zo bijvoorbeeld volop in openingsnummer “I Miss You” en het over een catchy ritme gedrapeerde “Last Song”, wat eigen helden worden geëerd in “When Tom Waits Up”, “Listening To Hank Williams” en “Django” en onder de noemer Lost Causes mogen dingen als “Bottom Of The Hill” en “Get Away With It”.

Wat ons betreft een hoogst aangename verrassing, dit “Lovers, Legends & Lost Causes”. Een potje alleraardigste Euro Americana alleszins.

The Remedy Club

 

LUKE TUCHSCHERER “Always Be True” (Clubhouse Records)

(3,5****)

Tweede soloplaat voor de je misschien ook al wel van zijn werk bij The Whybirds bekende Luke Tuchscherer. Uit te spreken overigens als “tuck shearer”, die wat bizarre familienaam toch wel voor een Brit, maar dat geheel en al terzijde. Want wat ons hier vooral interesseert, is natuurlijk de kwaliteit van het werk van de beste man. En daar is absoluut niks mis mee. Het leverde hem hier al de nodige knuffels op voor voorganger “You Get So Alone At Times” van zo’n jaar of drie geleden en dat is nu, naar aanleiding van “Always Be True”, niet anders.

“Always Be True” bevat tien ouderwets over twee sides uitgesmeerde eigen nieuwe liedjes. Dingen die door Tuchscherer naar eigen zeggen zo werden geconcipieerd dat ze zich veel beter tot live-vertolkingen lenen dan die van hun voorganger. Maakt niet uit, of het daarbij gigs in kleine zaaltjes dan wel grotere gelegenheden betreft, solo dan wel met band. Een flinke stap vooruit dus.

Opvallend: voor twee tracks van “Always Be True”, met name het door zonnig gitaargejengel aangejaagde “Don’t Put Me Out” en de knappe ingetogen Americanadeun “These Lonesome Blues”, trommelde Tuchscherer de complete Whybirds weer even op. En optrommelen is in dezen niet eens zo’n gekke woordkeuze. Bij dat bandje zat Tuchscherer immers zelf achter de drum kit.

Opvallendste nummer op het muzikaal gezien nogal nauw bij het materiaal van acts als Uncle Tupelo, Steve Earle en Tom Petty aanleunende “Always Be True” is het afsluitende “Song For Jack Brown”. Dat nummer schreef Tuchscherer ter nagedachtenis van een populaire eenentwintigjarige uit het naburige Leighton Buzzard. Hij kon het maar niet vatten, dat die op het eerste gezicht echt alles hebbende jongeman op een dag zomaar beslist had om uit het leven te stappen. Het resultaat is een ongemeen innemend deuntje, goed voor het nodige kippenvel bij zowat elke nieuwe beluistering ervan.

Andere zeker ook bijblijvende nummers op “Always Be True”: het bedaard, maar aanstekelijk rockende openingsnummer “Waiting For My Day To Come” en de hoger al even vermelde alt-country beauty “Don’t Put Me Out”. En ook de tragen “Outside, Looking In” en “Amanda Jane” mogen zeker mee op de foto.

Leuke plaat!

Luke Tuchscherer

 

JOLIE HOLLAND & SAMANTHA PARTON “Wildflower Blues” (Cinquefoil Records / Sonic Rendezvous)

(5*****)

“Wildflower Blues” betekent het na enige jaren van windstilte elkaar terug in de armen vallen van Jolie Holland en Samantha Parton. De twee stonden zoals allicht alom bekend samen met Trish Klein ooit nog aan de wieg van de Be Good Tanyas. Holland zou met het geweldige “Blue Horse” slechts één plaat lang aan boord van dat collectiefje blijven, alvorens naar de States terug te keren. Parton van haar kant zou het ruim een decennium lang uitzingen. De gevolgen van twee auto-ongevallen en andere gezondheidsproblemen deden er ook haar uiteindelijk mee kappen in 2012.

Maar nu zijn de twee dus terug. En dat voor de gelegenheid als duo. Holland (zang, gefluit, gitaar en viool) en Parton (zang en gitaar) worden daarbij bijgestaan door Stevie Weinstein-Foner (gitaar en zang), Jared Samuel (bas, piano, orgel en baritongitaar) Justin Veloso (drums) en Paul Rigby (elektrische fuzzgitaar). Samen brengen ze een zevental nummers van eigen hand en een stel welgemikte covers. Tot die laatste reeks liedjes behoren een werkelijk verbluffend mooie adaptatie van wijlen Townes Van Zandts “You Are Not Needed Now”, een al even fraaie, door Holland terloops van het nodige gefluit voorziene versie van Michael Hurley’s “Jocko’s Lament” en een even eigenzinnige als geslaagde benadering van Bob Dylans “Minstrel Boy”.

In de overige zeven nummers, eigen materiaal zoals eerder reeds gesteld, doen Holland en Parton exact datgene wat je op basis van hun verleden van hen dacht te mogen verwachten. Op veelal eerder intimistische wijze en te allen tijde met de nodige diepgang vinden ze in de schemerzone tussen folk, country, blues, jazz en rock de ideale voedingsbodem voor hun hang om met elkaar samen te zingen. Op volstrekt organische wijze ontstaan zo liedjes die al heel lang lijken mee te gaan. Lijken, want het betreft natuurlijk nieuw materiaal. Liedjes, die op onnavolgbare wijze een stuk muzikale traditie vertalen naar het heden. Beklijvend, aangrijpend, vaak eerder dromerig, altijd soulvol.

Voor mij één van de platen van het jaar so far. Misschien zelfs wel dé allerbeste van het lot.

Jolie Holland & Samantha Parton

 

PETER BRUNTNELL “Nos Da Comrade” (Domestico Records / CRS)

(4****)

Is eigenlijk al zo’n jaar of twee oud, dit schijfje, maar het werd onlangs door het Nederlandse CRS opnieuw opgepikt en hernieuwd onder de aandacht gebracht. En laat ons hopen, dat het ditmaal ook echt iets oplevert voor Peter Bruntnell. Want eigenlijk is het echt wel bevreemdend te noemen. De Brit maakt al jarenlang knappe platen en wordt door flink wat collega’s echt op handen gedragen, maar vooralsnog is zijn lot dat van de eeuwige belofte gebleven.

“Nos Da Comrade” – Welsh voor “Goeienacht, vriend!” – heeft net als z’n negen voorgangers weer alles wat je als lezer van deze pagina’s van een goede plaat verwacht. Het door Bruntnell zelf geproduceerde album bevat elf de meest uiteenlopende thema’s aankaartende nieuwe eigen liedjes. In het onder heerlijk gitaargejengel bedolven openingsnummer “Mr. Sunshine” trapt hij zo na op Donald Trump. Dat die een complete Schotse vissergemeenschap deed wijken voor de aanleg van een golfterrein, zat hem duidelijk hoog. En de daaropvolgende ingetogen beauty is eigenlijk nog veel meer een song naar ons hart. In “End Of The World” heeft Bruntnell het er immers over, dat we ons met de dag meer gaan verliezen in de zo goed als alles onthullende virtuele wereld. Maar waarom eigenlijk? Moet je echt alles weten? En vooral: is die andere realiteit het waard om elke voeling met de echte wereld te verliezen? Neen, toch?

In het licht psychedelisch getinte “Yuri Gagarin” mag een jonge knaap er dan weer van dromen om te mogen zijn als de eerste man in de ruimte, in het rustige “Peak Operational Condition” stuit een reizende op moeilijkheden bij het verwoorden van alle in zijn nieuwe omgeving opgedane ervaringen bij het schrijven naar zijn vrouw, in het melodieus rockende “Long Way From Home” regeert nostalgie, de nadrukkelijke wens om weer jong te zijn, en in het afsluitende “Caroline” worden we geconfronteerd met wat er gebeurt als twee mensen die elkaar graag mogen te lang wachten om hun gevoelens jegens elkaar te uiten. Enfin, zo ongeveer elke tekst van Bruntnell hier houdt naar goede gewoonte wel weer wat interessants voor ons in petto.

’s Mans fans hebben ze natuurlijk al lang in huis, maar alle anderen nodigen we bij dezen dan ook uit om zich deze veritabele schoonheid van een plaat onverwijld aan te schaffen. Al moeten we wel waarschuwen: één Bruntnell-album kopen zou je nadien wel eens flink in de kosten kunnen gaan jagen… Het zou ons namelijk heel sterk verbazen, mocht je na “Nos Da Comrade” niet ook naar ’s mans verleden willen terruggrijpen. ’t Is maar dat je het weet!

Peter Bruntnell, CRS

 

THE WYNNTOWN MARSHALS “After All These Years” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(4****)

Een goed decennium ver in hun carrière blikken de Schotse Wynntown Marshals met “After All These Years” enerzijds terug op het door hen reeds gepresteerde en anderzijds ook al een weinig vooruit op wat nog komen moet met een aantal nieuwe nummers. Drie in totaal. Allemaal samen goed voor een zestien tracks tellend album. Redelijk representatief al bij al voor alles wat de heren door de jaren heen tussen alt-country, country rock en power pop zoal uit de mouw wisten te schudden.

Interessant waren voor ons natuurlijk vooarl de nieuwe dingen. Eerst en vooral het heel erg persoonlijke “Your Time”. Daarin wordt onder hoogst sfeervole lagen gitaar- en orgelklanken op aandoenlijke wijze teruggekeken op een stukgelopen relatie. En datzelfde onderwerp blijkt ook het uitgangspunt te zijn geweest voor één van de andere nieuwe nummers, de atmosferische trage “Odessa” meer bepaald. Ook daarin heeft men het immers over een relatie die het niet tot het einde wist uit te zingen. Het derde “nieuwe” nummer ten slotte is een in de huidige groepsbezetting herwerkte versie van “Different Drug” van het ep-debuut van de band uit 2008.

Voorts enkel van eerdere platen bekend materiaal. En wie “Westerner” (2010), “The Long Haul” (2013) en/of “The End Of The Golden Age” (2015) op de plank heeft staan, weet dat dit alleen maar goed nieuws kan betekenen voor allen die de Marshals nog niet kennen en er eerdaags via dit album voor het eerst mee geconfronteerd zullen worden.

Van “Westerner” krijgen we “Ballad Of Jayne”, “Snowflake” en “Thunder In The Valley” voorgeschoteld, van “The Long Haul” dan weer “Canada”, “Low Country Comedown”, “Tide” en “Curtain Call” en van “The End Of The Golden Age” “Being Lazy”, “Red Clay Hill”, “Moby Doll” en het titelnummer. De resterende twee liedjes zijn live-favorietje “The Burning Blue” en “11:15”, ook al van de hoger ook al even vermelde ep-eersteling van de groep.

Net geen negenenzeventig minuten Euro-Americana van absoluut topniveau!

The Wynntown Marshals

 

BOB BRADSHAW “American Echoes” (Fluke Records)

(4,5*****)

Onder de tray van het Bob Bradshaws nieuwe album omhullende digipack prijkt er een knappe zwart-witfoto van een door een aardig desolaat ogend uitgestrekt landschap lopende spoorweg. En dat blijkt op de keper beschouwd helemaal geen toeval. Op zijn inmiddels toch ook al zevende studioplaat trakteert de al een kleine eeuwigheid in de States residerende Ier ons immers op een dozijn verhalen die hem door de jaren heen bijbleven van zijn vele trips doorheen zijn wahlheimat. “American Echoes” dus.

En die brengt de beste man in beurtelings met ingrediënten uit genres als onder meer pop, folk, country, bluegrass en blues ontleende Americanadeunen. Veelal (maar zeker niet uitsluitend) van het eerder zachtere type. Van het soort dat je kameraadschappelijk onder de arm neemt en vraagt om even te gaan zitten en te luisteren. Zoals ook al op voorgangers “Home” (2013) en “Whatever You Wanted” (2015) eigenlijk. Als je al één van die beide platen in huis zou hebben, dan kan je eigenlijk gewoon blind overgaan tot een aanschaf van “American Echoes”. Ook dat album zal je dan immers niet ontgoochelen.

Van het ronduit sublieme drinklied “A Bird Never Flew On Just One Wing” over het pittig rockende “Weight Of The World” tot love song “Stella”, van het Waitsiaans jazzy “My Double And I” over het met een snuif exotica gekruide “Workin’ On My Protest Song” tot de old-timey afsluiter “Old Soldiers” en dan vergeten we er nog wel enkele, dit zijn echt wel topsongs! En “American Echoes” al bij al gewoon ook een superknappe plaat. Van harte aan te bevelen wat ons betreft aan liefhebbers van het materiaal van enigszins vergelijkbare artiesten als een Darden Smith, een Robert Earl Keen, een Fred Eaglesmith en een Joe Henry in zijn beginjaren.

Bob Bradshaw

 

JESSE TERRY “Stargazer” (Jackson Beach Records)

(4****)

Door zijn wollige, enigszins omfloerste stem en zijn nadrukkelijke voorliefde voor strijkers en een groot geluid duurt het bij het beluisteren van “Stargazer” van Jesse Terry niet lang of je gaat onwillekeurig denken aan de in zo menig een opzicht met hem vergelijkbare Ron Sexsmith. Wie van diens materiaal houdt zal zich aan dit vijfde album van de vanuit New England actieve Terry zeker ook geen buil vallen. En al zeker niet als acts als de Beatles of Jeff Lynne (en zijn ELO) op hun tijd ook nog eens uit de kast mogen. Terry is immers niks minder dan een geweldige songsmid, die net als zijn grote voorbeelden valt voor onmiddellijk aansprekende melodieën.

Het is alleszins moeilijk om er niet onmiddellijk als een blok voor te vallen. Luister bij gelegenheid maar eens naar willekeurig gekozen kleinoden als het ongemeen sfeervolle “Stargazer”, het met een bedaard rocksausje overgoten duo “Woken The Wildflowers” en “Dangerous Times” of het behoorlijk ongegeneerd naar de hoogdagen van de eerder genoemde Lynne en zijn cohorten terugharkende “Kaleidoscope” en je zal ons daarin wellicht al snel bijtreden.

Het soort van plaat waarmee je de stilaan al wat ouder wordende jongere in ons telkens opnieuw een groot plezier doet. Dat was al zo met voorgangers “The Runner”, “Empty Seat On A Plane”, “Stay Here With Me” en “The Calm And The Storm” en dat is met “Stargazer” zeker niet anders.

Warm aanbevolen!

Jesse Terry

 

CIARA SIDINE “Unbroken Line” (Ciara Sidine)

(4****)

Van een force of nature gesproken! Met die onwaarschijnlijk soulvolle sirenenstem van ‘r zal de Ierse Ciara Sidine de eerstvolgende weken weer flink wat luistergragen op haar muzikale klippen laten lopen, dat mag u nu al van ons aannemen. Met “Unbroken Line”, de opvolger van haar ook al erg knappe debuutplaat “Shadow Road Shining” uit 2011, slaat Sidine nu immers pas echt spijkers met koppen. Met de twaalf liedjes daarop rechtvaardigt ze volop in het verleden reeds gemaakte vergelijkingen met onder anderen Emmylou Harris, Maria McKee en Mary Black. En voeg aan dat lijstje wat ons betreft ook maar de namen van Mary Chapin Carpenter en Maura O’Connell toe. Want een straffe madam met een straffe stem, da’s exact wat ook Sidine is.

En eentje met het hart op de juiste plaats bovendien ook. Dat blijkt uit zo menig een op “Unbroken Line” aangesneden thema. Uit heel wat van Sidine’s songs spreekt een nadrukkelijk verlangen naar meer sociale rechtvaardigheid. Het misschien wel allermooiste voorbeeld daarvan vinden wij persoonlijk “Let The Rain Fall”. Daarin trekt Sidine eigenzinnig soulvol van leer tegen een Kerk die het maar blijft nalaten om haar verantwoordelijkheid op te nemen inzake in het verleden tegen jonge kinderen gepleegde misdrijven. Alleen dat liedje al rechtvaardigt ons inziens een onverwijlde aanschaf van “Unbroken Line”.

En het is dan nog maar één van de vele pareltjes op “Unbroken Line”. Van de aangrijpende Americana van “Finest Flower” over het veelzeggend getitelde “Woman Of Constant Sorrow” tot de voorzichtig met een reggaemotiefje flirtende schuifelcountry van “2 Hard 2 Get 2 Heaven”, van het regelrecht richting de sterren gecroonde “Watching The Dark” over de twang-a-billy van “Wooden Bridge” tot de soulvolle ballads “River Road” en “Take Me With You”, van het speelse “Lemme Drive Your Train” of het rootsy “Trouble Come Find Me” over het titelnummer en het hoger al uitgebreid bejubelde “Let The Rain Fall” tot afsluiter “Little Bird Song”, eigenlijk valt hier gewoon niets uit de toon. “Unbroken Line” is met andere woorden niks minder dan een hele straffe Euro-Americanaplaat. Hopelijk laat Sidine ons op een opvolger hiervoor weer geen zes jaar wachten. Zou heel erg jammer zijn!

Ciara Sidine

 

GREGG STEWART “TwentySixteen” (Stewsong Records)

(3,5****)

Eerder dit jaar debuteerde Gregg Stewart met een met name door tal van Amerikaanse college stations goed onthaald gewoon naar zichzelf vernoemd album. Nu ja, debuteerde… Da’s eigenlijk een groot woord voor iemand die op dat moment bij nader inzicht al jarenlang in de business meeging. Vijf albums met het onvolprezen Stewboss brachten hem zelfs reeds meermaals tot in Europa.

En dat solodebuut krijgt nu, nauwelijks enkele maanden later, alweer een opvolger. Een plaat met een hoogst interessant concept erachter. “TwentySixteen” blijkt immers een collectie covers van prijsnummers geplukt van de repertoires van in het jaar uit de titel ervan overleden artiesten. Van new wave act Dead Or Alive van wijlen Pete Burns krijgen we zo een van alle overbodige franje ontdane versie van de superhit “You Spin Me Round (Like A Record)”, bij George Michael werd “A Different Corner” geleend en bij Prince het lijzige “Raspberry Beret”. Van het Britse indiebandje Viola Beach, waarvan alle vier de leden tragischerwijze samen om het leven kwamen bij een auto-ongeval, brengt Stewart het knappe “Daisies”, van de hand van Earth, Wind & Fire-kopstuk Maurice White koos hij “Sing A Song”, van Leon Russell op zijn beurt dan weer “One More Love Song” en uit de ruime collectie pareltjes van Merle Haggard diepte hij tot ons genoegen “If I Could Only Fly” nog eens op.

Een tweede reeks van zeven tracks wordt ingezet met Gene Wilders “Pure Imagination”, op de voet gevolgd door de door de begin vorig jaar aan de gevolgen van een hartaanval overleden Paul Kantner mee gepende Jefferson Airplane-kraker “High Flying Bird”, “I Found Somebody” van Eagle Glenn Frey, Guy Clarks “Out In The Parking Lot” en Andrew Dorffs “That’s How You Know”. En natuurlijk ontbreken ook herinterpretaties van nummers van Leonard Cohen en David Bowie niet op het appel. Van de eerste doet Stewart op aardig soulvolle wijze “Leaving The Table”, van de tweede brengt hij afsluitend het al even mooie “Starman”.

Best wel knap eigenlijk, hoe de brave man al die nummers naar zich toe weet te trekken en er bovendien ook nog eens in slaagt om uit dat toch behoorlijk diverse lot een alleraardigste muzikale eenheid te smeden. Zijn eerder sober te noemen rootspopaanpak werkt dus wel degelijk. Met dank daarvoor zeker ook aan zijn muzikale begeleiders Carl Byron (toetsen), Kurtis Keber (bas) en Kevin Jarvis (drums en percussie). Die laatste tekende overigens ook voor de productie van “TwentySixteen” en zag als special guests ook Renee Faia (The Mazarines), Evan Slamka (Marjorie Fair) en Cherish Alexander en Frank Lee Drennen (Dead Rock West) nog even langskomen.

Gregg Stewart

 

RED HERRING “Here To Distract You” (Red Herring)

(4****)

Of bluegrass en Nederland kunnen samengaan, vroeg u? You bet! En een veel mooier voorbeeld dan het voorliggende “Here To Distract You” van het vanuit Rotterdam actieve viertal Red Herring hadden we ons om die mening te onderschrijven op de keper beschouwd amper kunnen wensen. Al beperken Arthur Deighton (zang, gitaar, mandoline, bouzouki), Joram Peeters (zang, fiddle, gitaar, mandoline en bouzouki), Loes van Schaijk (zang, double bass en bodhran) en Paul van Vlodrop (banjo, mandoline en zang) zich op dat aangenaam gevarieerde geheel zeker niet louter tot bluegrass. Ook folk en Americana komen terloops behoorlijk nadrukkelijk aan bod.

Afgetrapt wordt er bijvoorbeeld al met een streepje Americana. Het moody “No Hearts Won” meer bepaald. Daarin is er een vocale glansrol weggelegd voor van Schaijk. De eerste van drie vocalisten, zo zal later blijken. Bluegrass pur is vervolgens wel het door Joram Peeters geschreven en ook zelf gebrachte staaltje levenslust – sic – “Rather Die Alone”. “Pigs Upon A Ninja” heeft dan weer wat met folk en roots, het sfeervolle “The Beaten Track” is Americana met een dun laagje bluegrass eronder – Of was het toch eerder omgekeerd? – en het bij Dougie MacLean geleende en door van Schaijk a capella ingeleide en ook verder slechts heel sober ingevulde “Garden Valley” mag onder de hoofding folk of zelfs onder het bordje singer-songwriter stuff.

Peeters’ “A Loved Man’s Lonely Blues” slaat vervolgens op fraaie wijze een brug tussen Americana, bluegrass en blues, “Uphill Climb” van Chris Jones staat al barstend van de joie de vivre voor het pure spul en dat net als “Barefoot Nellie” van Jim Davis en Don Reno trouwens. Plaats voor een enigszins aparte jazzy bluegrassnoot is er daarna in de instrumental “Whatsapp Doc”, alvorens Arthur Deighton lijzig de gevoelens gepaard gaand met het einde van een relatie bezingt in het coole “The Longest Day”. Afgerond wordt er met een knappe lezing van de traditional “Wedding Dress” en het innemende “Two Sisters”, een door Peeters aangevatte adaptatie van een oude Britse folkballade.

Als de titel staat voor hun missie, dan zijn die van Red Herring wat ons betreft met brio geslaagd in hun opzet! Heerlijk plaatje!

Red Herring

 

TOM RUSSELL “Folk Hotel” (Frontera Records / Proper Records)

(4****)

“Folk Hotel” is na het enkele maanden geleden verschenen “Play One More: The Songs Of Ian & Sylvia” al de tweede Tom Russell-plaat dit jaar. En een verdomd ambitieuze ook! Veel van zijn luisteraars eisend, zoals recent wel vaker. In een productie van Mark Hallman en met de gewaardeerde medewerking van onder anderen Eliza Gilkyson, Joe Ely, Augie Meyers en Joel Guzman.

Wat het tekstuele betreft gaat Russell op “Folk Hotel” heel erg ruim. In openingsnummer “Up In The Old Hotel” heeft hij het zo bijvoorbeeld over het vermaarde Chelsea Hotel in New York, in de Tex-Mex border song “Leaving El Paso” neemt hij ons mee op een trip van El Paso naar Santa Fe en in “I’ll Never Leave These Old Horses” laat hij collega-cowboy Ian Tyson even aan het woord. Het ingetogen “The Sparrow Of Swansea” richt hij vervolgens aan dichter Dylan Thomas en in “All On A Belfast Morning” confronteert hij ons met de grauwe dagdagelijkse realiteit in die wereldstad. En dan is er het voor Russell enigszins atypische akoestische bluesje “Rise Again, Handsome Johnny”. Daarin heeft hij het over een ontmoeting met JFK. En er is nog zoveel meer! Maar dat moest u bij gelegenheid maar eens zelf gaan ontdekken!

Vermelden doen we hier ten slotte enkel nog de twee aan de twaalf songs toegevoegde bonus tracks. En dat dan vooral omdat het bij één van die twee blijkt te gaan om een in duet met Joe Ely gebrachte herinterpretatie van Bob Dylans klassieker “Just Like Tom Thumb’s Blues”. Very Lone Star State indeed. Met name ook dankzij de Tex-Mex accordeonbijdrage van Joel Guzman.

Prima plaat alweer!

Tom Russell

 

PAUL BRADY “Unfinished Business” (Proper Records)

(3,5****)

Paul Brady is wat je noemt een echte songwriter’s songwriter. De al ruim een half decennium in de muziek actieve Ier wordt door heel wat van zijn collega’s echt op handen gedragen. Dat bewees onder meer ook de guest list van zijn recente live-dubbelaar “The Vicar Street Sessions” nog. Van Morrison, Mark Knopfler, Bonnie Raitt, Mary Black, Gavin Friday, het zijn maar enkelen van de velen die Brady tijdens die sessies met een tip of the hat vereerden.

Met “Unfinished Business” meldt de beste man zich nu terug voor zijn eerste studioplaat in zeven jaar. Het album zal de geschiedenis ingaan als zijn vijftiende soloplaat en als opvolger van “Hooba Dooba” uit 2010. En vooral ook als een aangenaam gevarieerd geheel, waarop we als luisteraars andermaal worden geconfronteerd met de eclectisch ingestelde muzikale geest van Brady. Negen nieuwe eigen liedjes staan erop, evenals covers van twee traditionals. Voor het pennen van de nieuwe originelen ging Brady this time around samenwerkingen aan met Paul Muldoon, Sharon Vaughn en Ralph Murphy. De overgeleverde nummers zijn respectievelijk “Lord Thomas And Fair Ellender” en “The Cocks Are Crowing”.

Veelal waagt Brady zich in zijn verse nummers weer op het slappe koord tussen pop en rock enerzijds en folk anderzijds. Al vallen invloeden uit genres als soul en blues zeker ook nu weer niet te ontkennen. Enkele van de mooiste momenten vonden wij persoonlijk het aardig jazzy uit de hoek komende titelnummer, het ingetogen, ons best wel wat aan de hier eerder ook al even opgevoerde Van Morrison herinnerende “Harvest Time” en de sprankelende lentefrisse popdeun “I Love You But You Love Him”. En ook ’s mans lezing van de folk traditional “The Cocks Are Crowing” wist ons best wel te bekoren.

Paul Brady

 

MARTIN SIMPSON “Trails & Tribulations” (Topic Records)

(3,5****)

“Trails & Tribulations” is de titel van de nieuwe cd van huisfavorietje Martin Simpson. Zijn twintigste soloplaat inmiddels al en zijn eerste nieuwe sinds het in 2013 verschenen en nagenoeg onder de lofbetuigingen bedolven “Vagrant Stanzas”.

Het door Andy Bell geproduceerde “Trails & Tribulations” is een in totaal dertien songeenheden tellende collectie liedjes waarin Simpson het heeft over de natuur, over reizen en over hem door het leven zelf aangereikte verhalen. Eigen liedjes, maar ook covers. Eigentijdse, maar ook overgeleverde. Liedjes, die het hem vooral ook toelaten zijn instrumentale vaardigheden eens te meer vetjes te onderlijnen. Onder meer op akoestische en elektrische gitaren, resonators, lap steel, banjo en ukelele.

Bijgestaan wordt Simpson hier onder andere door Nancy Kerr, Ben Nicholls, Toby Kearney, Andy Cutting, John Smith, Helen Bell, Amy Newhouse-Smith en zijn eigen dochter Molly.

Onze luistertips: het fraaie drietal bestaande uit de songs “Blues Run The Game”, “Thomas Drew” en “St. James Hospital”.

Martin Simpson

 

CHRIS BLEVINS “Better Than Alone” (Horton Records / CRS)

(5*****)

Eerlijk is eerlijk: tot voor het beluisteren van het voorliggende “Better Than Alone” was Chris Blevins voor ons niets meer dan een nobele onbekende. En dat hoeft niet eens te verbazen ook, aangezien het hierbij ook nog maar het debuut van de Amerikaan betreft. Een eersteling op het in onze kontreien door het onvolprezen CRS verdeelde Horton Records, thuishaven van zo menig een rastalent uit Oklahoma. Het lijstje wordt zo stilaan eindeloos. Want een rastalent is Chris Blevins zeker. Een regelrechte aanrader voor fans van acts als John Fullbright, Hayes Carll, Steve Earle, Owen Temple, JW Roy en aanverwanten.

Blevins vliegt er meteen stevig in met de heerlijk spitante countryrocker “Big Man”. Vervolgens is er het over een onthaast klassiek rock & roll-motiefje uitgesmeerde “Clean”. Gelijk een tweede echte homerun wat ons betreft. En dan moest “Abilene” nog komen. Die in sfeervolle lap steel- en orgelklanken gehulde ballad is van het allermooiste wat we hier dit jaar al op ons bord kregen.

Bijzonder soulvol gaat het er vervolgens aan toe in “Jezebel”, een pak gewaagder in het aan een vrijwel gelijk in het oor springend ritme opgehangen “Wicker Man”, bedaard in het onmogelijk anders dan als een verder hoogtepunt te omschrijven “Wildfire” en enigszins bluesy in het sfeergewijs zijn titel volledig nakomende “Daydream”. Via de ingehouden honky-tonk rocker “Songs” en de alweer werkelijk bloedmooie trage “The Way Down” worden we ten slotte met “Better Than Alone” volledig voldaan weer richting de uitgang geleid.

Voor de productie van “Better Than Alone” tekende Chris Combs. Voor verdere hand-en-spandiensten kon Blevins een beroep doen op een soort van lokale all-star cast. De meest in het oog springende naam op de gastenlijst is alleszins die van de hier al eerder genoemde John Fullbright.

Ontegensprekelijk jaarlijstjesmateriaal!

Chris Blevins (CRS)

 

TIP JAR “Gemstone Road” (Shine A Light Records)

(4****)

Wat een ongelooflijk mooie plaat alweer, deze nieuwe van het Nederlandse duo Tip Jar. We hebben het hier in verband met de samenwerking tussen songwriter Bart de Win en zijn echtgenote Arianne Knegt in het verleden al wel eens vaker gehad over a match made in heaven en die mening blijven we ook na deze nieuwe worp nadrukkelijk toegedaan. Wat de twee hier met de hulp van onder meer Walt Wilkins en Ron Flynt afleveren is wat we een twaalf songs lange streling voor het oor zouden willen noemen. Een echte Americana tour de force. Niet geheel en al toevallig allicht ingeblikt in Austin, Texas.

Een dozijn schoonheden van “songs about love and life” zijn het resultaat van een bijzonder innige Nederlands-Amerikaanse samenwerking met als betrokkenen naast de Win en Knegt zelf en Walt Wilkins en Ron Flynt onder meer ook nog de Mystiqueros van Wilkins, Kim Deschamps, vaste Tip Jar-muzikanten Harry Hendriks en Joost van Es en de Brit Gilad Atzmon. Wij onthielden daarvan vooral het enigszins moody aandoende titelnummer, het van de melancholie stijf staande “Loving Is Hard To Do”, het op een lekker speels banjomotiefje geënte “Rosie”, het absoluut niets met het muziekgenre uit z’n titel van doen hebbende “Never Sing The Blues” – één van de in totaal drie de Win-Knegt-co-writes hier – en de ronduit geweldige ballad “Right Here”.

Maar begrijp ons vooral niet verkeerd: naar ook maar één minder moment zal u op “Gemstone Road” vruchteloos zoeken. Voor de twaalf liedjes hier is het voortdurend kiezen tussen de kwaliteitslabels mooi, mooier en mooist.

Tip Jar

 

SUSAN CATTANEO “The Hammer & The Heart” (Jersey Girl Music)

(4****)

Dat Susan Cattaneo een uitstekend liedje in de vingers had, dat wisten we hier al wel langer. Dat ze ooit een plaat van het kaliber van haar nieuwe worp zou maken, dat nog niet. Met die dubbelaar gooit ze wat ons betreft bijzonder hoge ogen. En dat heeft zo zijn redenen ook. Liefst veertig bekende en minder bekende vrienden van de vanuit Boston actieve liedjesschrijfster werden immers bereid gevonden om een duit in het zakje te komen doen. En dat met bij momenten werkelijk oorstrelend knappe resultaten. Keurig verdeeld over twee plaathelften overigens: de onder de vlag “The Hammer” naar onze gunsten dingende eerste cd zou je de elektrische kunnen noemen, de tweede, ook wel “The Heart”, op zijn beurt de akoestische.

Afgetrapt wordt “The Hammer” met “Work Hard Love Harder”, een deluxe countryrocker gebracht aan het handje van de onvolprezen Bottle Rockets. De volgende in lijn om wat hand-en-spandiensten te komen verlenen is singer-songwriter Mark Erelli. Hem horen we terug in het moody “The River Always Wins”. In het daaropvolgende swingertje “In The Grooves” stoten we vervolgens voor het eerst op wat snarenkunstjes van Bill Kirchen. En ook in de ballad “When Love Goes Right” blijkt die present. Ditmaal zelfs met wat lead vocals.

Met het slidegestuurde “Lonely Be My Lover” volgt dan het misschien wel allerknapste nummer van het lot. En dat met opnieuw de Bottle Rockets als bondgenoten. Al is ook het in het zog daarvan ontluikende “Dry” bepaald niet te versmaden. Sfeervoller dan dat met Dennis Brennan gebrachte duet worden ze ons inziens amper nog gemaakt. En desolater al helemaal niet. Afgerond wordt “The Hammer” met een heel knappe cover van de Buddy & Jullie Miller classic “Does My Ring Burn Your Finger?”, het bluesy, samen met Jillian Cardarelli gepende “Ten Kinds Of Trouble” en het samen met Davy Knowles gebrachte en ons eerder vooral van de Robert Cray Band bekende, maar door Cattaneo eigenlijk gewoon bij Bonnie Hayes geleende “Back Door Slam”.

Het akoestische “The Heart” wordt eveneens ingezet met “Work Hard Love Harder”. Ditmaal betreft het een enigszins richting bluegrass overhellende versie van het nummer vertolkt samen met The Boxcar Lilies. De eerste van opnieuw een vijftal opvallende samenwerkingen, zo zal al snel blijken. Zo komen we na de ons best wel wat aan Rosanne Cash herinnerende trage “Ordinary Magic” in de pianoballade “Carried” bijvoorbeeld ook nog Jenee Halstead tegen, geeft Jennifer Kimball acte de présence in het poppy “Smoke”, draaft Nancy Beaudette op als duetpartner voor de ingetogen beauty “Fade To Blue” en mogen Amy Fairchild en Todd Thibaud mee de afsluitende herinterpretatie van “Space Oddity” van David Bowie naar hun hand zetten.

Voor de productie van het bepaald ambitieuze “The Hammer & The Heart” tekende Cattaneo voor het eerst ook zelf.

Susan Cattaneo

 

DUANE FORREST “The Climb” (Traaxx Music)

(3,5****)

Elk jaar weer dient er zich eentje aan en ditmaal lijkt het Duane Forrest te zullen gaan worden. Je weet wel, van die zoetgevooisde troubadours die met hun fluwelen stemmen de vaak ideale soundtrack bij zwoele zonsondergangen weten te serveren. Genre een Jack Johnson, een Matt Costa, een Jason Mraz, een Amos Lee, een Michael Franks en aanverwanten. Aangespoeld op popkusten, niet zelden tussen restjes jazz dan wel wat anders, wat meer exotisch. In het specifieke geval Forrest naast jazz ook nog bossa, reggae en soul. Wellicht gevoed door ’s mans vele tijdelijke verblijfplaatsen. We noemen in dat verband onder andere Mexico, Honduras en Puerto Rico.

Het was trouwens ook in Mexico, dat de dezer dagen in Toronto woonachtige Forrest de inspiratie voor het voorliggende album vond. In de woorden van een plaatselijke vlam meer bepaald. “Ik ben een appel in een boom,” zei ze. “In die boom hangen er nog veel binnen handbereik en ook op de grond bevinden er zich, die je gemakkelijk kan oprapen, maar voor mij zal je moeten klimmen…” De verliefde Forrest ging er zich niet alleen naar gedragen, hij schreef er ook over. “The Climb” is dat verhaal. “It’s about the work, the hard work it takes to rise to a place where perhaps I could be with the woman of my dreams,” aldus nog de beste man zelf daarover.

Het resultaat is een dertien tracks lange trip doorheen een zomers muzikaal landschap, waarin het met name dankzij de warmbloedige voordracht en het verzorgde gitaarspel van Forrest zelf zalig toeven is. Cocktailtje bij de hand en genieten maar, zouden we zo zeggen.

Enkele luistertips: “Edge Of The Sea”, “Midsummer Night’s Dream”, “G’Morning Bossa”, “Chevrolet” en “End Of The World”.

Duane Forrest

 

RON POPE “Work” (Brooklyn Basement Records)

(4****)

Hier is Ron Pope nog niet echt wat je noemt een naam. En dat is eigenlijk best wel vreemd te noemen, want online doet hij het echt uitstekend. ‘s Mans resultaten via Spotify, Pandora, YouTube en andere spreken zwaar tot de verbeelding. Zijn cijfers via die diensten reiken tot ver in de miljoenen. En een vlugge beluistering van zijn nieuwe album “Work” maakt al snel duidelijk waarom. Wat Pope daarop aan te bieden heeft is immers echt r-e-t-e-a-a-n-s-t-e-k-e-l-i-j-k. Eerste single “Bad For Your Health” bijvoorbeeld al is een extreem catchy opstoot van soulvolle rockkoorts. Het is hoegenaamd onmogelijk om bij dat nadrukkelijk door Stax geïnspireerde kleinood stil te blijven zitten. En da’s dan nog maar het begin! Ook de nieuwe single “Let’s Get Stoned” is weer los in de roos. Ook daar loopt de soul weer met beekjes van af. Heerlijk die blazers ook! Heeft wel iets van Van Morrison in betere tijden!

“Can’t Stay Here” legt de nadruk vervolgens net wat meer op rock en deed ons om de één of andere reden vrijwel meteen denken aan Mick Jagger en Willy DeVille. Titelnummer “Work” is daarop aansluitend een pracht van een verhalende ballad. Iets waar de fans van knapen als een Bruce Springsteen en een Little Steven wel aan zullen willen, als je het ons vraagt. Wat meer Americana zijn op hun beurt dan weer “The Last” en het bedaarde “Someday We’re All Gonna Die”.

Bij “Partner In Crime” dwaalden onze gedachten meteen weer af richting The Boss en “Dancing Days” veroorzaakte iets vergelijkbaars maar dan richting Ryan Adams. Restten er dan nog: de knappe intimistische ballad “The Weather” en de daar quasi perfect bij aansluitende afsluiter “Stick Around”.

Misschien moest je deze zevende van Pope snel ook maar eens proberen. Iets diep in ons binnenste zegt ons, dat je het je niet zal beklagen!

Ron Pope

 

VIPER CENTRAL “The Spirit Of God & Madness” (Viper Central)

(4****)

Ik moet eerlijk bekennen, dat het Canadese vijftal Viper Central mij vóór mijn eerste beluistering van “The Spirit Of God & Madness” volslagen onbekend was. Ik wist dus compleet niet, dat ze al in 2008 debuteerden met “The Devil Sure Is Hard To Please”. En al evenmin, dat ze in British Columbia een uitstekende roep genieten. Met name in bluegrasskringen dan. Al biedt hun muziek dan ook zoveel meer dan dat. Viper Central – Zoveel werd me al snel duidelijk! – laat zich niet zomaar voor één gat vangen.

Wat de muziek van Kathleen Nisbet (fiddle en zang), Steve Charles (gitaren, banjo en zang), Tim Tweedale (steelgitaren en zang), Mark Vaughan (mandoline en tenorgitaar) en Patrick Metzger (bas, gitaar en zaang) vrijwel meteen doet opvallen is de grote bereidheid van de vijf om andere genres in hun bluegrass te integreren. Nisbet en co gaan daarin zo ver, dat ze bluegrasspuristen ongetwijfeld stevig voor het hoofd zullen stoten. Bij momenten is het eigenlijk enkel nog het gebezigde instrumentarium dat hun roots verraadt. Eclectisch ingestelde rootsmuziekliefhebbers zullen het graag lezen. (En horen!)

Overgeleverde Canadese rootsmuziekjes (o.a. van de Métis), country, swing, bluegrass, old-time, blues, rockabilly,… Je zegt het maar! Bij Viper Central zullen ze er hun hand niet voor omdraaien om elk van deze stijlen in hun muzikale gumbo te verwerken. Veelal in eigen materiaal, maar ook in enkele welgemikte covers. Als daar zijn uitvoeringen van de traditional “Devil’s Reel”, het aan ene Reg Bouvette toegedichte “Bloodvein Breakdown” of Gram Parsons’ “Luxury Liner”.

Voor mij een echte openbaring! Knappe liedjes en teksten, geweldige zang, virtuositeit alom en een ongelooflijke spelvreugde, wat moet een mens zich nog meer wensen?

Viper Central

 

STEVE MAYONE “Sideways Rain” (Janglewood Records)

(3,5****)

Aan variatie weer absoluut geen gebrek op het ondertussen toch ook al vijfde album van de Amerikaanse veelkunner Steve Mayone. Vol met liedjes met een voor hemzelf therapeutische werking, zo blijkt. Hij tracht er een turbulente periode in zijn eigen leven mee achter zich te laten. Onder meer de zelfdoding van zijn broer en het verlies van zijn moeder aan een slepende ziekte lieten duidelijk hun sporen na. Maar op “Sideways Rain” schijnt aan de einder voorzichtig alweer de zon. Gelukkig maar. Ons levert het alvast een prima plaat op. Zo eentje waarop het voortdurend alle kanten op kan.

Via de Beatle-eske pop van openingsnummer “Letting You Go” en de rammelende roots rock van het best wel wat aan de Traveling Wilburys herinnerende “So Many People Get It Wrong” belanden we zo op bijzonder aangename wijze al snel in het volop van een zekere gypsy feel profiterende popdondertje “What Good”. Vervolgens is het de beurt aan centerpiece “Sideways Rain”. Het titelnummer is een echte wolk van een ballad. Heel diepzinnig ook. Louterend. Ontstaan naar verluidt ergens onderweg op Interstate 35 tijdens een bijzonder hevige storm.

Het rootsy rammelaartje “The Long Way Home”, de lijzige Americana van “Rescue Me”, de wat aan Dylan schatplichtige akoestische ballade “Time Moves On” en de enigszins ingehouden popdeun “New Years Resolution” mogen er op de hielen daarvan ook allemaal best zijn. Wat moeilijker hebben we het dan met het enkele tellen lang met een reggaemotiefje flirtende powerpopriedeltje “It’s Beautiful”. Da’s niet meteen ons kopje… Wel weer uitstekend: het echt van de soul bulkende “Pretty Mama”, het sublieme spoorliedje “Early Morning Train”, de zalige trage “Strange Bird” en de met Susan Cattaneo gepende afsluiter “Save You”.

Steve Mayone

 

ED DUPAS “Tennessee Night” (Road Trip Songs)

(4****)

Wat een lekker zomerplaatje! Vol met het soort van muziekjes waarvoor je tijdens lange ritten met de wagen graag nog eens de ruiten laat zakken. Iedereen mag er immers van meegenieten, van de road trip songs van de in Houston, Texas geboren, maar in het Canadese Winnipeg opgegroeide en dezer dagen vanuit Ann Arbor actieve Ed Dupas. Liedjes, die perfect het midden lijken te houden tussen het beste van de jonge Steve Earle en Joe Ely enerzijds en Bruce Springsteen anderzijds. Garage country, zeg maar. Zo mag Dupas zelf het alvast graag horen.

Een compleet songelftal krijgen we op “Tennessee Night” voorgeschoteld. Elf liedjes die zonder uitzondering uitstekend blijken te zijn. En of je het dan hebt over stevig rockend spul genre een “Too Big To Fail” of een “Two Wrongs” dan wel rustiger momenten als “Up Ahead” of “Do It For Me” doet eigenlijk absoluut niets ter zake. Dupas voelt zich in beide thuis, zoveel is wel duidelijk. Met die hese rasp van ‘m niet moeilijk ook.

Dupas lukte ons inziens onder de vakbekwame productionele leiding van Michael Crittenden een werkelijk uitstekende plaat. Eentje die al het goede dat zijn debuut uit 2015 “A Good American Life” al liet vermoeden alleen maar volop bevestigt. Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Ed Dupas

 

DOUG MACLEOD “Break The Chain” (Reference Recordings / Music & Words)

(3,5****)

De naam Doug MacLeod op een cd aantreffen is eigenlijk zoveel als een kwaliteitsgarantie. Echt wereldschokkende dingen hoef je van de beste man niet te verwachten, maar wat hij inblikt is zowat altijd van goede tot ronduit uitstekende makelij. Van alle in de akoestische bluessector actieve zingende liedjesschrijvers is MacLeod zeker één van de besten. En dan hadden we het nog niet eens over zijn meesterlijke benadering van de snaren.

Op “Break The Chain”, zijn nieuwe album, exploreert die MacLeod verder de condition humaine. In twaalf vaak heel erg persoonlijke nieuwe liedjes tackelt hij op lekker gevarieerde wijze nogal wat onderwerpen. Met als meest in het oog springende zijn verdienstelijke poging om het al eeuwenoude probleem van huiselijk geweld onder de aandacht te brengen. Met het samen met zijn zoon Jesse gepende titelnummer meer bepaald. Ooit zelf een slachtoffer wilde MacLeod naar eigen zeggen met dat liedje een vicieuze cirkel (helpen) doorbreken.

Het album werd geproduceerd door MacLeod zelf en Janice Mancusco. Andere betrokkenen waren verder nog zoonlief Jesse op gitaar, bassist Denny Croy, drummer Jimi Bott en percussionist Oliver Brown. Al naargelang waar een nummer om vroeg sprongen zij MacLeod ter hulp in duo-, trio- of kwartetbezettingen.

Enkele luistertips: het al genoemde titelnummer, het ook al werkelijk bloedmooie, door MacLeod op z’n National neergelegde instrumentale eerbetoon aan één van z’n eigen helden “One For Tampa Red” en het lekker nerveuze “This Road I’m Walking”.

Doug MacLeod

 

TROND SVENDSEN & TUXEDO “Palomino Hotel” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4,5*****)

De Noor Trond Svendsen en zijn maats Lars Linkas (gitaren en andere snaren), Vidar Tyriberget (bas), Tommy Kristiansen (drums en percussie) en Lars Viken (Hammond-orgel) oftewel Tuxedo namen zich ruimschoots de tijd voor hun debuut. Pas nu, bijna twee jaar na het inblikken van het eerste liedje van het lot, pakken ze uit met het geheel.

Onder stoom komen doen Svendsen en de zijnen met het ronduit heerlijke “Love Like This”, een nummer dat mede dankzij een wel bijzonder fraai mondharmonicaatje bij z’n begin zó uit de koker van Springsteen ten tijde van “Darkness On The Edge Of Town” of “The River” had kunnen stammen. Vervolgens is er de ook al erg mooie folky trage “Old Bridges”. “Don’t You Hate It When They Go” is op zijn beurt een van de passie bulkende streep trage roots rock met mooi vocaal weerwerk van Aud Ingebjørg Barstad, “Something About Rivers” een op rinkelende snaren geënte warmbloedige Americana rocker en “No Tattoos Please”, een duetje met Julie S. Christensen, een beauty van een pianoballade. Wat ons betreft ontegensprekelijk het mooiste liedje van allemaal, dat laatste. Echt een kippenvelmomentje!

“Vintage Diesel” rammelt er meteen in het zog daarvan stevig op los, “Blessing” is op zijn beurt donker ingekleed verhalend spul, “Big White” een lekker strakke countryrocker en “Going Down That Road” een lange tijd zo goed als spiernaakt gehouden folky trage. Het van de sfeer bulkende en ons op de één of andere manier een beetje aan Chris Isaak herinnernde “Devil At My Heels” is daarna een tweede absoluut hoogtepunt en afsluiter “Blue Moon Above” doet het weer bijna bedeesd sierlijk. Meer dan ooit valt dan op, welk een mooie stem die Svendsen eigenlijk wel heeft. Doet een beetje denken aan die van Eric Brace van Last Train Home of die van Pat DiNizio van de Smithereeens.

Voor zijn teksten liet diezelfde Svendsen zich zowel inspireren door wat hij in zijn dagelijkse bestaan als misdaadreporter voor de kiezen krijgt als door het leven zelf. En uiteraard is er daarbij her en der ook wat ruimte voor l’amour.

Wat ons betreft een debuut dat nu al volop doet snakken naar meer!

Trond Svendsen & Tuxedo

 

RICHARD THOMPSON “Acoustic Classics II” (Beeswing Records / Proper)

(4****)

Het moet zijn, dat zijn vorige akoestische uitstapje hem heel goed bevallen is, want nu, amper drie jaar later, waagt Richard Thompson zich opnieuw aan een setje uitgeklede versies van eigen originelen. En er is zelfs nog meer, want naast dat “Acoustic Claassics II” wordt nu ook al een volgend volume, het later dit jaar te verschijnen “Acoustic Rarities”, aangekondigd. Zijn fans zullen het graag horen!

Voor het materiaal op zijn nieuwe worp deed Thompson liefst dertien verschillende albums uit het verleden aan. Uit zijn Fairport Convention-periode om te beginnen “Unhalfbricking” (“Genesis Hall”), “Liege & Lief” (“Crazy Man Michael”) en “What We Did On Our Holidays” (“Meet On The Ledge”). Van zijn met zijn toenmalige wederhelft Linda ingeblikte schijven “Pour Down Like Silver” (“Jet Plane In A Rocking Chair”) en “Hokey Pokey” (“A Heart Needs A Home”). En verder ook nog eens acht eigen platen dus. Te situeren tussen 1983 met “Hand Of Kindness” (“Devonside”) en 2007 met “Sweet Warrior” (“Guns Are The Tongues”). Haltes tussen die twee albums in zijn in chronologische volgorde “Across A Crowded Room” uit 1985 (het geweldige “She Twists The Knife Again”), “Amnesia” uit 1988 (“Pharaoh”), “Rumor And Sigh” uit 1991 (als enige met twee bijdragen, met name “Keep Your Distance” en “Why Must I Plead?”), de dubbelaar “You? Me? Us?” uit 1996 (“The Ghost Of You Walks”), “Mock Tudor” uit 1999 (“Bathsheba Smiles”) en “The Old Kit Bag” uit 2003 (“Gethsemane”).

Het resultaat is een aangenaam gevarieerd geheel met naast Thompsons trademark nerveuze, soms wat houterig aandoende folk rock in akoestische uitvoering ook tal van ballads en andere verhalende tragen. Precies zoals we de beste man hier het liefst hebben eigenlijk. De aandacht kan zo immers volop naar zijn twee voornaamste troeven gaan. En dat zijn tot nader order nog altijd zijn inventieve, sterk expressieve gitaarspel en zijn liedjes. Zijn stem daar ben je voor of niet. Is louter een kwestie van smaak natuurlijk.

Enkel ter informatie hier ook nog even meegeven, dat later dit jaar speciale versies van dit album en de hoger al even vermelde opvolger ervan zullen worden aangeboden. En dat dan zowel op vinyl (3 lp’s) als op cd (een dubbelaar). Maar daarvoor dien je dan wel nu reeds in te tekenen via Pledge Music. Elders zullen die gehelen naar verluidt immers niet beschikbaar worden gesteld.

Richard Thompson

 

DOWN HARRISON “Possessed” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Down Harrison is de enigszins misleidende groepsnaam – Geef toe je verwachtte toch ook een solo act! – waaronder de Zweedse songsmid Jesper Willaume (zang, gitaar en harmonica) en zijn maats Micke Wedberg (gitaren, keyboards en zang), Tommy Cassemar (bas) en Pelle Alsing (drums en percussie) ons nu al ten tweeden male in nauwelijks meer dan een jaar tijd van hun niet geringe kwaliteiten proberen te overtuigen. Na hun vorig jaar verschenen titelloze debuut is er sinds kort nu immers ook “Possessed”. Daarop acht eigen liedjes en een eigenzinnige adaptatie van “A Coat”, een gedicht van W.B. Yates. En die mogen er wat ons betreft zonder uitzondering zijn.

Openingsnummer “Possessed” is zo alternatieve country van het genre waarvoor we in de jaren negentig van de vorige eeuw met z’n allen graag overstag gingen, het dromerige “Too Slow To Live This Fast” zalige weidse folkrock en “Fire In The Trees” gewoon een knap ingehouden popliedje tout court. “Brake & Turn” is vervolgens opnieuw countryrock met een bepaald hoog West-Coastgehalte en “Monkey See Monkey Do” neemt flink wat gas terug en betovert volop vanop een ijl wolkje folkpop. Met “Day One” wordt aansluitend daarop iets moois geserveerd wat bij ons de aandacht beurtelings deed afdwalen richting Neil Young en Ryan Adams in hun wat bezadigdere momenten.

“Two Days Of Nights”, “het al even aangestipte “A Coat” en “Chain” vervolledigen het kransje. Het eerste van dat drietal mag wat ons betreft mede door de ongelooflijk knappe harmonieën erin mee op de foto met “Brake & Turn”, het tweede blijkt een knap ingetogen americanamomentje met de prominent aanwezige mandoline van gastmuzikant Ola Gustafsson als zeker surplus en de door wat psychedelische invloeden overspoelde ballade “Chain” ten slotte drijft af richting voor een wat groter publiek bestemde popoorden.

Al bij al gewoon een prima plaatje!

Down Harrison

 

SLAID CLEAVES “Ghost On The Car Radio” (Candy House Media / CRS)

(4****)

Een nieuwe plaat van Slaid Cleaves, da’s altijd weer iets om naar uit te kijken! De Texaanse woordkunstenaar ontgoochelde immers nog nooit. Wel integendeel! ’s Mans liedjes behoren zonder meer tot het allerbeste wat het americanagenre nu toch al aardig wat jaren te bieden heeft. En als hij het dan zelf, zoals nu, naar aanleiding van zijn nieuwe worp “Ghost On The Car Radio”, heeft over “liedjes, oud en nieuw, levensmoe maar toch strijdvaardig, bedoeld om ons met z’n allen door deze “interessante tijden” te loodsen”, dan schept dat vanzelfsprekend weer hoge verwachtingen.

Verwachtingen die Cleaves weer schijnbaar moeiteloos inlost. Onder de productionele hoede van Scrappy Jud Newcomb en in de studio verder bijgestaan door onder meer drummer John Chipman, bassisten Harmoni Kelley en Kevin Smith, fiddler Chojo Jacques, toetsenist David Boyle en diezelfde Newcomb op tal van besnaarde instrumenten en Miles Zuniga voor wat zang in “So Good To Me” lukt Cleaves moeiteloos een zoveelste homerun. Twaalf nummers lang beroert hij met z’n liedjes vrijwel constant de juiste snaar. Het lijkt hem absoluut geen moeite te kosten om je als luisteraar quasi niets vermoedend zijn gedachtenwereld binnen te loodsen. En eenmaal daar binnen vallen de knappe songs en verhalen je als rijpe vruchten om het hoofd. Songs, waarvoor Cleaves zich ditmaal tijdens het schrijfproces niet enkel liet bijstaan door zijn vaste maatje Rod Picott, maar verder ook door Karen Poston, Nathan Hamilton, Graham Weber, Mike Morgan en Jeff Elliott. Schoon volk met andere woorden.

En dus lijkt het ons maar niet meer dan normaal ook, dat het weer aangenaam toeven is in het gezelschap van knappe deunen als het nog volop country ademende “The Old Guard”, het lekker rockende “Already Gone”, het samen met Picott uitgediepte meesterwerkje “Drunken Barber’s Hand” of de ballad “If I Had A Heart”. Vier willekeurig gekozen voorbeelden. Vraag ons morgen om er vier te noemen en er zullen er wellicht een paar andere tussen zitten.

Sommige dingen lijken alleen maar beter te worden met de jaren. Slaid Cleaves mag je wat ons betreft ook daartoe rekenen.

Slaid Cleaves

 

THE BRANDOS “Los Brandos” (Blue Rose Records / Sonic Rendezvous)

(3***)

Er valt heel wat te zeggen over Dave Kincaid, maar hyperactief kan je hem nu niet meteen noemen. Als kopstuk van The Brandos doet hij de dingen vooral graag aan zijn eigen tempo. En dat ligt, om het beleefd te houden, aan de toch wel eerder lage kant. Negen jaar na hun laatste worp “Over The Border”, waarop we toen ook al ruim acht jaar hadden moeten wachten, is er eindelijk weer eens een nieuw album van Kincaid en de zijnen.

En de zijnen dat zijn in dit geval drummer Tommy Goss, bassist Sal Maida en gitarist Frank Giordano. Voor al de rest tekende Kincaid zelf. Ook voor de productie en voor het gros van de gebrachte nummers. Enkel het bij Astor Piazzolla geleende “Jacinto Chiclana” en de verrockte Tex-Mex van “A Todo Dar” van Ignacio Jaime vormen wat dat laatste betreft uitzonderingen op de regel. Dat laatste is overigens ook lang niet de enige flirt met het Spaans hier. In totaal vijf nummers worden op z’n minst gedeeltelijk in de taal van Cortés gebracht. Wat er uiteraard voor zorgt, dat het geheel bij momenten een wat exotisch tintje meekrijgt.

Voor het overige vooral veel business as usual hier. Veel (melodieuze) recht-toe-recht-aan rock dus, waarvoor meestal bij wijze van uitbreiding ook nog het woordje roots mag. Wie van één van de zes eerdere studioalbums van de Brandos hield, zal zich hier dan ook geen bult aan vallen. Toekomstige klassiekers genre een “Gettysburg”, een “Strychnine” of een “Honor Among Thieves” staan hier naar ons gevoel echter niet op.

The Brandos

 

THE PALADINS “New World” (Lux Records / Sonic Rendezvous)

(3,5****)

Toen Dave Gonzalez in 2002 samen met zijn maatje Chris Gaffney en een stel anderen de Hacienda Brothers in het leven riep om zich volop aan country soul over te geven, leek de stekker even definitief uit zijn eerdere groep The Paladins te gaan. En zelfs het feit dat Gaffney in april 2008 aan leverkanker overleed, deed Gonzalez aanvankelijk niet op z’n stappen terugkeren. Samen met onder anderen de van de Hollisters bekende Mike Barfield regelde hij de Stone River Boys en kon z’n missie gewoon worden verdergezet. Tot nu, that is!

Met “New World” verscheen zopas immers de eerste nieuwe studioplaat van The Paladins sedert “El Matador” uit 2003. En da’s een opvallend rijk geheel geworden. Roots rock in de ruimste zin van het woord. Met zo goed als voor elk wat wils. Zo zijn er om te beginnen bijvoorbeeld het zich eerder bedaard over een wereld in verandering buigende titelnummer “New World”, de groovy lijzige blues rock van “Waterman”, de ogenblikkelijk attractief werkende boogaloo beat van “Things Keep Changin’”, de bezwerende exotica van de instrumental “Mar Solitar” en de lekkere R&B van “If You Were Only Mine”.

De tweede helft van het geheel begint opnieuw op exotische voet. Met het geweldige “Wicked” meer bepaald. In het zog daarvan volgen het eveneens instrumentale, zij het een pak soulvollere “Should Have Been Dreamin’”, het daar al heupwiegend perfect bij aansluitende “I Know I’m Not Wanted”, de catchy swingescapade “Magic Touch”, het wat meer richting country neigende “Without Love” en de werkelijk fenomenaal mooie countrysoulsleper “No Pain Anymore”. Dat laatste nummer alleen al is ons inziens de aanschaf van deze plaat meer dan waard.

The Paladins

 

DANIEL ROMANO “Modern Pressure” (New West Records / PIAS)

(4****)

De vanuit het Canadese Ontario de wereld telkens weer graag op het verkeerde been zettende Daniel Romano is een speciale, zoveel is ondertussen al wel even duidelijk. Van het nieuwe countryicoon dat hij aanvankelijk op basis van met name het in 2013 verschenen “Come Cry With Me” en het van twee jaar later stammende “If I’ve Only One Time Askin’” leek te zullen gaan worden is ondertussen zo goed als geen spaander meer heel. Op het ons vorig jaar al compleet vloerende “Mosey” regeerde eensklaps psychedelische pop. En ook op ’s mans nieuwe worp, het zopas verschenen “Modern Pressure” is het weer van dattum.

Meer nog, op “Modern Pressure” gaat Romano zelfs nog wat verder. Dat geheel krijgt daardoor iets bepaald kaleidoscopisch over zich. Er wordt voortdurend gewisseld van mood en van aanpak dat het een lieve lust is. Zoals bijvoorbeeld ooit ook die van XTC dat zo goed konden. De liedjes zijn doorgaans prachtig van wezen, maar je moet er soms wel voor door wat laagjes heen. Lekker spannend!

Enkele van de vele nummers hier die ons onmiddellijk bij ons nekvel hadden en die we derhalve graag serveren als luistertips: het enigszins Beatle-esk aandoende “What’s To Become Of The Meaning Of Love”, de knappe popdeunen “Impossible Dream” en “Jennifer Castle” en titelnummer “Modern Pressure”.

Daniel Romano

 

GOSPELBEACH “Another Summer Of Love” (Alive Naturalsound / V2)

(4****)

“Another Summer Of Love” is na het ondertussen een jaar of twee geleden verschenen “Pacific Surf Line” het tweede teken van leven van GospelbeacH, de groep rond zanger-songsmid Brent Rademaker, je ongetwijfeld ook nog wel bekend van Beachwood Sparks. Waren bij het opnemen van die gesmaakte voorganger onder meer ook Neal Casal en Kip Boardman van de partij, dan doen Rademaker en gitaarwonder Jaso Soda het ditmaal met de hulp van onder anderen Pearl Charles en Miranda Lee Richards en voorts ook nog wat leden van Wilco, Eels, Mapache en Grand Ole Echo.

Het resultaat is een werkelijk puntgaaf songelftal dat zo lijkt te zijn weggelopen uit de vroege seventies. West Coast rock & roll van het werkelijk allerbeste soort regeert hier ruim tweeënveertig minuten lang. Vintage early seventies FM rock met her en der een vleugje country als toegevoegde waarde. Volop terend op de introvert lijzige zang van Rademaker zelf, fijne samenzang met telkens weer andere betrokkenen, knappe gitaarpartijen en niet zelden ook verfijnd toetsenwerk van Jonny Niemann. Van het geheel straalt daardoor onmiskenbaar veel warmte af. Niet dat zulks bij de temperaturen van de laatste dagen nog nodig zou zijn, maar toch…

Aan hoogtepunten wat ons betreft absoluut geen gebrek hier. Wij onthielden op de keper beschouwd vooral het viertal “In The Desert”, “California Fantasy”, “(I Wanna See U) All The Time” en “Strange Days”. Al moesten we er daar met het onder rinkelende gitaarklanken bedolven “Sad Country Boy” op de valreep misschien toch maar vijf van maken…

GospelbeacH

 

JUSTIN TOWNES EARLE “Kids In The Street” (New West Records / PIAS)

(5*****)

“Kids In The Street” is het ondertussen toch ook al zevende album van zoon van zijn vader Justin Townes Earle. En net als zijn ouweheer is de jonge Earle ondertussen ook zelf stilaan een authoriteit in Amerikaanse rootsmiddens. Iemand naar wie men opkijkt. Omwille van zijn vaardige pen, maar misschien nog wel weer omwille van zijn muzikale onbevreesdheid. Om zijn durf om het steeds weer over een andere boeg te gooien. En da’s ook naar aanleiding van zijn nieuwe worp weer niet anders.

Voor de opnames van “Kids In The Street” verliet Earle Jr. nu ook voor het eerst het hem zo vertrouwde Nashville. Daartoe aangezet door de eerste producer ooit die zich aan zijn werk mocht wagen, de je wellicht ook al wel van zijn werk met onder meer Connor Oberst, M. Ward en First Aid Kit bekende Mike Mogis, toog hij naar Omaha, Nebraska. En daar verliet hij in het gezelschap van met uitzondering van zijn vaste gitarist Paul Niehaus uitsluitend lokale muzikanten met succes zijn zogeheten comfort zone. Het leverde hem zijn als je het ons vraagt allerbeste plaat tot op heden op. En dat wil na eerdere schoonheden van albums als pakweg “Midnight At The Movies”, “Nothing’s Gonna Change The Way You Feel About Me Now”, “Harlem River Blues”, “Absent Fathers” en “Single Mothers” best wel wat zeggen.

De ondertussen van de straat geraakte, gehuwde en zelfs al een kind verwachtende Earle kijkt op “Kids In The Street” meer dan ooit om zich heen. Met name wat er de jongste jaren in zijn thuishaven Nashville aan het gebeuren is, laat hem duidelijk niet onberoerd. De gestage teloorgang van echte working-classbuurten aldaar baart hem zorgen, zoveel is zonneklaar. Titelnummer “Kids In The Street” is in al zijn ingetogen pracht een zeer mooi voorbeeld bij die stelling.

Elders klinkt Earle hier vaak juist heel opgewekt, voor zijn doen bijna uitgelaten. Zoals in eerste single “Champagne Corolla” bijvoorbeeld, met z’n zomerse R&B touch, in het door zwierig pianogepingel aangejaagde “15-25” ook, in het sympathiek schokschouderend voorbijglijdende “Short Hair Woman” en in Earles eigenzinnige update van de blues classic “Stagolee”.

Aan variatie hoe dan ook geen gebrek op “Kids In The Street”. De catchy heartland rock van “Maybe A Moment” had zo van het repertoire van The Boss kunnen stammen, “There Go A Fool” is werkelijk bloedmooie country soul, “What’s She Crying” is wat je noemt een ouderwets lekkere country shuffle, “Faded Valentine” doet het op zijn beurt dan weer aan walstempo en “What’s Goin’ Wrong” en “If I Was The Devil” zijn bepaald knappe countrybluesjes.

Wat ons betreft een plaat met een heel lange houdbaarheidsdatum. Noem het maar een klassiekertje in wording.

Justin Townes Earle

 

HARPER’S WEEKLY “Morning Comes” (Rootsy / Sonic Rendezvous)

(4****)

Harper’s Weekly was een Amerikaans geïllustreerd weekblad dat in z’n thuisland op een gegeven ogenblik met name door z’n berichtgeving over de Civil War een behoorlijk ruime oplage wist te behalen. Het laatste nummer van de publicatie verscheen op 13 mei 1916. Daarna ging ze op in het in New York en later ook in Boston verdeelde blad The Independent. Nu, ruim honderd jaar later, duikt de naam Harper’s Weekly plots opnieuw op. Zij het dan ook in een geheel andere context. In Zweedse americanamiddens meer bepaald. Als nom de plume van een rond singer-songwriter Gustav Johansson en gitarist Tobias Sundström opgetrokken vijftal, dat met “Morning Comes” een zeer sterk debuut aflevert.

De muziek van de vijf daarop is overduidelijk beïnvloed door die van acts als Ryan Adams, Townes Van Zandt, Phosphorescent en de Cowboy Junkies. Zonder daarbij te vervallen in louter epigonisme evenwel. Die klip omzeilt Johansson naar onze bescheiden mening met brio door steeds weer voldoende eigenheid in z’n liedjes te stoppen.

Melodieuze opener “Take Me Back” flirt zo bijvoorbeeld in een eigentijdse setting onopvallend met old-time stringband music, de ballad “Rosie” baant zich sierlijk bewegend over bedaard gitaarwerk van Sundström en opnieuw de banjo van Torbjörn Erlands vrijwel onmiddellijk een weg naar je hart, terwijl in het echt ongemeen sfeervolle “Go With Me” op zijn beurt vooral de hemelse interactie tussen stemmen en snaren opvalt.

“Morning Comes” twangt vervolgens ingehouden een eindje weg richting een meer countrygetint geluid, “Where I Wanna Be” dient zich aan als één van de meer uitgesproken redenen waarom we Ryan Adams hier hoger als een invloed vernoemden en “Find Out” heeft voorwaar zelfs een countrysoulrandje. En met de mooie tragen “Lost And Free” en “Oh My” en het duo “Walk In The Rain” en “I Was Lost” wordt “Morning Comes” ook op een aardig hoog niveau afgerond.

Harper’s Weekly

 

CLARENCE BUCARO “Tableau” (Twenty Twenty Records)

(4****)

Zo’n vijftien jaar lang ondertussen al weet Clarence Bucaro ons steeds opnieuw te bekoren. Met albums als “New Orleans”, “Sense Of Light”, “Sweet Corn”, “’Til Spring”, “Walls Of The World”, “Dreaming From The Heart Of New York”, “Hills To Home”, “Like The 1st Time” en recenter nog “Pendulum” raakte hij hier keer op keer de juiste snaar. Die fluwelen stem, die verhalen, dat poëtische talent! Meer moest dat voor ons absoluut niet zijn. Moest en moet! Ook het hier en nu heeft immers weer een leuke Bucaro-verrassing voor ons in petto. Zijn inmiddels tiende studioalbum heet “Tableau” en bevat tien nieuwe songschoonheden van eigen hand.

Tien knappe rootskleinoden, tableautjes zo u wil, opgehangen tegen een eerder sober gehouden muzikale achtergrond, waarin een akoestische gitaar, een viool, een accordeon, een piano, keyboards en drums voornamelijk een dienende, een ondersteunende rol hebben. Front & center bevinden zich zo ongeveer te allen tijde de teksten, de verhalen van Bucaro zelf. En daarin blijkt ditmaal een opvallende rol weggelegd voor de tegenstelling tussen licht en donker. Dat leert ook een snelle blik op de titels van de nummers al. “Afraid Of The Dark”, “Cold Dark Night”, “Lord, Light Me A Candle”, het zijn de eerste verwijzingen naar wat je bijna een centraal thema zou durven noemen.

En met “Afraid Of The Dark” zit daar meteen ook één van onze absolute favorieten hier tussen. Alleen al maar omdat Bucaro ons daarin met z’n allen oproept om onze angsten in de ogen te durven kijken. Een boodschap die in tijden als deze toch wel een flinke extra dimensie meekrijgt. Recente voorvallen zoals die in Manchester, Londen en Parijs indachtig eigenlijk precies wat we nodig hadden.

Andere echte topmomentjes op “Tableau” zijn het ons volop aan zowel de jonge Paul Simon als aan wijlen Jim Croce herinnerende “Tallahassee”, de werkelijk bloedmooie slow “Timeless”, het enkele tellen lang op subtiele wijze ons steeds vaker tot zinloos geweld aanzettende systeem aan de kaak stellende “Cold Dark Night” en centerpiece “Lord, Light Me A Candle”, waarin Bucaro speels op zoek gaat naar dat ene, eeuwig aan de einder schijnende licht.

Net geen half uur lang folkpop van het allerbeste soort!

Clarence Bucaro

 

MIKE YOUNGER “Little Folks Like You And Me” (Mike Younger)

(4****)

Met “Little Folks Like You And Me” levert Mike Younger andermaal een bijzonder fraai staalkaartje van zijn kunnen af. Onder de vleugels van producer Bob Britt lukte hem ditmaal in Nashville een plaat die ons inziens met name bij liefhebbers van het materiaal van knapen als een Delbert McClinton, een John Hiatt en een Rodney Crowell hoge ogen zou moeten kunnen gooien. Daar waar folk, country, blues, R&B en soul elkaar liefdevol in de armen sluiten, daar is immers ook de Canadees thuis. En dat levert ook op zijn nieuwe plaat weer zo menig een pareltje op.

Of het nu gaat om de weer eens even volop naar de seventies verwijzende roots rock van openingsnummer “If I Was A Wheel”, om de werkelijk rete-aanstekelijke R&B-spring-in-‘t-veld “Never Was A Dancer”, om de mileubewuste blues & roots van “Poisoned Rivers”, om het een heel klein beetje aan JJ Cale herinnerende en op zijn eigen leven on the road terugkijkende “Drifter’s Lament”, om de zwierige countryopstoot “Rodeo Queen”, om het als een soort van wake up call voor zijn huidige generatie medemensen gebrachte luisterliedje “What Kind Of World”, om het bedaard rootsy rockende “With Every Heartbeat”, om de soulvolle trage “How To Tell A Friend Goodbye”, om het wat potentere, even Don Henley in herinnering roepende “Walk In The Mud” of om het zomers opgewekte en met bijzonder fijn toetsenwerk opgesmukte “The Living Daylights”, dit boeit eigenlijk gewoon van de allereerste tot de allerlaatste seconde. En dat in totaal ruim zevenenveertig minuten lang.

Moeten we hier dan ook niet al te lang over nadenken: dit schijfje bevelen we je graag van ganser harte aan! Doe er vooral je voordeel mee, zouden we zo zeggen!

Mike Younger

 

CURSE OF LONO “Severed” (Submarine Cat Records)

(4****)

Het naar de cult classic van Hunter S. Thompson vernoemde Curse Of Lono is wat je noemt a breath of fresh air. De groep rond de eerder nog relatief succesvol in Hey Negrita actieve singer-songwriter Felix Bechtolsheimer is duidelijk niet voor één gat te vangen. Aan invloeden bepaald geen gebrek op de eerste volwaardige langspeler van het vijftal. En dat maakt dat hun liedjes lang niet allemaal even makkelijk te plaatsen zijn.

Akkoord, dingen als het bedaarde “Each Time You Hurt” – Iets waaraan wijlen Johnny Cash een ferme kluif zou hebben gehad, als je het ons vraagt! – of het uit min of meer hetzelfde vaatje tappende “He Takes My Place” horen nog redelijk duidelijk onder de noemers Americana of country thuis. Maar wat met tal van andere deunen hier? Zoals het net als “He Takes My Place” ook al van een eerder verschenen EP bekende “London Rain” bijvoorbeeld. Daarvoor kunnen we hier inderdaad wel leven met de uit de promotiemachine rollende omschrijving gothic indie rock. Is met z’n in de verte wat aan de Doors schatplichtig orgeltje een echt toppertje trouwens, dat liedje. En what about “Just My Head”? Daarin zijn het blues & roots die even de neus aan het venster steken. Zij het dan ook niet zonder eerst wat poppy te zijn gepoederd.

“Five Miles” heeft op zijn beurt genoeg aan een zenuwachtige vibe om folkrockgewijs volop te bekoren, “Pick Up The Pieces” klinkt als Paul Simon met wat peper in de reet en “Send For The Whisky” is met zijn gevarieerd ritmische rootsy aanpak misschien wel het allermooiste nummer van allemaal hier. Het bedwelmende “All I Got” staat voor een momentje van absolute rust, het sfeervolle “Welcome Home” kan dan weer terugvallen op een bepaald filmisch karakter en datzelfde kan eigenlijk ook wel gezegd worden van de net wat ingetogener afgeleverde afsluiter “Don’t Look Down”.

Samenvattend zou je kunnen stellen, dat “Severed” een album is, dat je echt wel enkele keren moet hebben gehoord om de volle rijkdom ervan in te zien. Een groeibriljantje noemen ze zoiets gewoonlijk.

Curse Of Lono

 

JEFF FINLIN “The Guru In The Girl” (Continental Song City / CRS)

(4,5*****)

Waarom deze knaap nog steeds niet op een veel en veel grotere naambekendheid kan terugvallen, is voor ons één groot raadsel. Het materiaal van de Amerikaanse songsmid Jeff Finlin is doorgaans immers van een klasse apart. En dat is ook op deze tiende van ‘m weer niet anders. Tien nummers lang is hij andermaal zeer veeleisend voor zijn publiek, maar zo hebben we het hier graag. Meer nog: we zouden het zelfs helemaal niet anders willen. Niks zo fijn immers als je spiritueel laven aan de diepzinnige gedachten van Finlin.

Zijn nieuwe worp blikte de beste man in Nederland in. In Studio Wild Verband in Boxmeer meer bepaald. De thuishaven van de onvolprezen BJ Baartmans inderdaad. En die tekende samen met Finlin zelf ook voor de productie van het geheel. Om nog maar te zwijgen over zijn gesmaakte bijdragen op tal van gitaren, elektrische sitar, bas, piano en keyboards. Samen met drummer Sjoerd van Bommel, die voor een tweetal nummers acte de présence gaf, zorgde hij zowat voor de muzikale fundamenten waarop Finlin volop aan de slag kon. Al keek die zelf ook niet bepaald werkeloos toe, hoor. Onder meer op de akoestische, een enkele keer op de piano en voorts ook op de Fender Rhodes, drums en diverse percussie-instrumenten deed hij ruimschoots mee zijn duit in het zakje.

Het resultaat is een album dat gelijk opvalt door zijn wat aparte, veelal eerder ingetogen sfeer. Te situeren wat ons betreft ergens tussen Americana en (roots)pop. Volop levend van de bij momenten ronduit verbluffend te noemen interactie tussen de knauwzang van Finlin zelf en de snarenbijdragen van Baartmans. Hoe die Finlins woorden telkens weer fraai weet te onderlijnen is stuff that dreams are made of. Luister bijvoorbeeld maar eens naar het zich lijzig verleidelijk een weg naar je onderbewustzijn banende “Angelou” en je zal meteen begrijpen, wat we daarmee precies bedoelen.

Dat liedje is meteen ook één van de vele hoogtepunten die “The Guru In The Girl” rijk is. Hier bleven verder vooral ook de sfeervolle opener “Her Love Will Light The Way”, het zachtjes rockende en zeer radiogenieke “Babylon”, het ons om de één of andere reden – we weten zelf ook niet goed waarom nu precies… – wat aan Springsteen in één van zijn bedaardere momenten herinnerende “Driving Wheel #72” en het afsluitende en werkelijk bloedmooie titelnummer hangen.

Jeff Finlin, Bandcamp (CRS)

 

Voor eerdere besprekingen verwijzen we je graag naar ons archief!!!!!

 

Home